Zoölogisch station 2 deel 1


Inhoud
Start
Het Nederlandsch Zoölogisch station 1883 - deel 2



Het Zoölogisch Station der Nederlandsche dierkundige vereeniging te West-Terschelling 1879.
Fig. 1. Het Zoölogisch Station der Nederlandsche dierkundige
vereeniging te West-Terschelling 1879.


   Gelijk men op nevensgaande afbeelding (fig. 1) ziet, heeft het gebouwtje een langwerpig vierkante gedaante; bij het binnentreden komt men eerst in een soort van voorportaal, dat dienst doet als aquariumkamer. Aan beide zijden van de deur is een raam, terwijl langs de wanden tafels staan voor aquariumbakken, de toestellen voor het doorvoeren van lucht, enz. en onder de tafels dreggen, netten, sleepnet, en wat verder op de visscherij betrekking heeft, een plaats vindt. Van hier voert een deur in het eigenlijke werkvertrek, dat een oppervlakte van 40 M2 heeft; aan de eene zijde daarvan bevinden zich vier, aan de andere drie ramen. Voor elk dezer ramen is een werktafel aangebracht, zoodat er voor zeven personen gelijktijdig gelegenheid tot werken bestaat, terwijl in het midden van het vertrek nog eenige losse tafels staan. Vlak tegenover en rechts naast den ingang is een kast tegen den muur geplaatst, tot berging van glaswerk, instrumenten, reagentia, teekenbehoeften enz. in het kort van nagenoeg alle hulpmiddelen, die bij het onderzoek noodig kunnen zijn; de miskroskopen worden door de onderzoekers zelf medegebracht. Evenals aan de voorzijde is ook aan de achterzijde van de werkkamer een vertrek verbonden, waar de bibliotheek een plaats vindt, en dat verder als spreek- en correspondentiekamer dienst doet, terwijl tegen den rechter zijgevel nog een klein zijvertrekje aangebouwd is, dat bestemd is voor den bediende, tot het verrichten van allerlei bezigheden van huishoudelijke aard. Inderdaad, wie het keurig ingerichte gebouwtje ziet, vermoedt niet, dat er slechts drie dagen noodig zijn, om het geheel uit te pakken, op te stellen en in te richten. Met recht heeft men het den naam van "La Station Zoölogique Volante" gegeven.
   Door een eenvoudig hekwerk wordt het station beschermd tegen de al te groote belangstelling (!) der kustbewoners, en wordt tevens rondom het gebouw een terrein afgeperkt, voor het doen van werkzaamheden en het plaatsen van instrumenten buiten het gebouw in de open lucht. Onder de laatste behoort een toestel voor stroomend water, die men ook op de afbeelding vindt, en die, hoewel in hoogst eenvoudigen vorm, voor het in het leven houden van dieren uitstekende diensten bewijst. Het bestaat uit een groot vat, dat op anderhalve meter hoog voetstuk geplaatst is, en voortdurend met versch zeewater gevuld gehouden wordt; uit dit vat stroomt het water in de bovenste van een reeks van vier kuipen, die op de treden van een trapje geplaatst zijn. Iedere kuip is nabij zijn bovenste rand van een omgebogen glzen buisje voorzien, waardoor het water uit de bovenste in de tweede kuip stroomt en zoo vervolgens, zoodat voortdurend in elke kuip strooming onderhoud en versch water toegevoerd wordt. Wil men voorkomen, dat daarin aanwezige kleine diertjes, larven en dergelijke mede wegstroomen, dan behoeft men over de opening van het glazen buisje slechts een stukje fijn neteldoek te binden, dat dan als een soort filter dienst doet.
   Deze korte beschrijving moge voldoende zijn, om den lezer een denkbeeld van het doel en de inrichting van ons zoölogisch station te geven; een enkel woord over wijze, waarop de dieren verkregen worden, wensch ik er nog aan toe te voegen. Natuurlijk liggen het eerst die dieren aan de beurt, die op het strand leven, of tusschen de steenen onzer zeeweringen hun verblijf houden, en tegen de palen en kribben vastzitten, waar zij gedurende de ebbe blootkomen; zij maken evenwel slechts een klein gedeelte onzer kustfauna uit. Wie er meer van wil leeren kennen, moet tot dreggen en visschen zijn toevlucht nemen.
De in het station in gebruik zijnde dregge is een zakvormig net, dat bevestigd is aan een rechthoekig ijzeren raam, waarvan de zijstukken den vorm van een mes hebben en 21 en 75 centim. lang zijn (Fig. 2).


Fig. 2. De groote dreg.
Fig. 2. De groote dreg.


   Voorts bedient men zich ook van het sleepkruis, uit twee in het midden met elkâar verbonden, 76 centim. lange, ijzeren staven bestaande, die aan den onderkant van dicht bijeengeplaatste ijzeren oogjes voorzien zijn, waarin talrijke bundels fijngeplozen touw bevestigd worden. (Fig. 3).


Fig. 3. Het Sleepkruis.
Fig. 3. Het Sleepkruis.


   Sleept deze toestel langs den bodem der zee, dan kan men zich lichtelijk denken, dat tallooze dieren in het dichte touw verward geraken en meedoogenloos buitgemaakt worden. Om ook de meer nabij de oppervlakte van het water zwemmende dieren, kwallen, larven van schaaldieren, wormen, enz. meester te worden, wordt het zoogenaamde pelagische net gebruikt; dit is een uit fijn gaas vervaardigde fuik, in wier achterste gedeelte een duikerflesch door middel eener kurk drijvende gehouden wordt (Fig. 4).


Fig. 4. Marion's pelagisch net.
Fig. 4. Marion's pelagisch net.


   Voor het visschen met het laatste net kan men met een eenvoudig roeibootje volstaan, daarentegen moet men voor het gebruik van beide eerste over een grooter vaartuig kunnen beschikken; werd reeds meermalen door den Minister van Marine een rijksvaartuig voor dit doel ter beschikking van de stationscommissie gesteld, toch blijft het haar ideaal, nog eenmaal in het bezit van een eigen stoomscheepje te geraken.
   Het bestuur van het station is opgedragen aan een commissie, die jaarlijks gekozen wordt uit de leden van de Nederlandsche Dierkundige Vereeniging; op de wintervergadering brengt zij verslag uit van de lotgevallen van het station in den afgeloopen zomer, en doet verantwoording van de haar toevertrouwde gelden. De commissie draagt zorg voor het opslaan, inrichten en weder afbreken van het station, terwijl des zomers steeds een harer leden in het gebouw aanwezig is, ten einde de onderzoekers bij het verkrijgen van arbeids-materiaal, hun verkeer met de visschers, enz. behulpzaam te zijn.
   De verschillende punten der kust, waar achtereenvolgens het station werd opgeslagen, zijn: Helder, Vlissingen, West-Terschelling, Nieuwediep, Bergen-op-Zoom en Tholen; het verblijf op de beide laatste plaatsen diende niet alleen tot bestudeering van de fauna der Zeeuwsche stroomen, maar had tevens ten doel in het belang der bloeiende oester-cultuur in de Ooster-Schelde onderzoekingen te doen omtrent het maaksel, de ontwikkeling en de levensvoorwaarden van den oester. Beweegt zich de eigenlijke werkzaamheid van het station op het terrein der zuivere wetenschap, door bovengenoemd onderzoek toonde men, waar het gevraagd werd, bereid te zijn ook der praktijk de behulpzame hand te bieden. Moge de kleine, maar nuttige instelling zich nog lang verheugen in de warme belangstelling der zoölogen en den steun van de vrienden der wetenschap.

Leiden, October 1883       Dr. R. Horst.


webdesign & copyright
© 2001-2003 Eveline
  DEEL 1