Zoölogisch station 1 deel 2


Inhoud
Start
Het Nederlandsch Zoölogisch station 1883

Door Dr. R. Horst

Uit: De Natuur - Populair Geïllustreerd Maandschrift, gewijd aan de
Natuurkundige Wetenschappen en hare toepassingen.

Onder redactie van Dr. A. van Hennekeler en Dr. N. van de Wall.
Vierde jaargang 1884.
Utrecht, J.G. Broese

Het Zoölogisch Station der Nederlandsche dierkundige vereeniging te West-Terschelling 1879.
Fig. 1. Het Zoölogisch Station der Nederlandsche dierkundige
vereeniging te West-Terschelling 1879.


   Onder de hulpmiddelen, die strekken tot uitbreiding onzer kennis van de dierenwereld en bevordering der zoölogische wetenschap, nemen de laboratoria aan de kusten der zee, de zoogenaamde zoölogische stations, tegenwoordig een eerste plaats in. En geen wonder, voorwaar! wanneer men bedenkt, welk een rijkdom van levende wezens de zee, met haar onmetelijke oppervlakte en haar peillooze diepten in haar schoot herbergt. Bovendien kenmerken zich haar bewoners niet alleen door de grootste verscheidenheid van vorm en maaksel, maar wat vooral uit een wetenschappelijk oogpunt van belang is, men treft in de zee geheele groepen van dieren aan, die in de zoete wateren ten eenemale ontbreken. Ik behoef slechts de stekelhuidigen te noemen, waarvan de zeester een welbekend vertegenwoordiger is, de kwallen en zooveel andere.
   Wel hadden wij reeds door de tochten van zeevaarders een groot aantal dezer zeebewoners leeren kennen en waren door hun liefde voor de natuur in de Musea van Natuurlijke Historie rijke verzamelingen bijeengebracht, die voor de zoölogie van onschatbaar nut geweest zijn, maar de dikwijls gebrekkige wijze, waarop deze dieren verzameld en bewaard waren, maakte, dat men zich slechts een onvolkomen voorstelling van hun ware natuur vormen kon, en zich bij het onderzoek gewoonlijk tot de uitwendige kenmerken bepalen moest. De meeste dezer kinderen van Amphitrite toch zijn zóó groote en snelle veranderingen, dat men, om hun inwendig maaksel goed te leeren kennen, hen noodzakelijk in verschen of met zorg geconserveerden toestand moet kunnen onderzoeken. Ook om bekend te worden met de verschillende toestanden, die zij doorloopen van het ei tot het volwassen dier, m.a.w. voor de studie der ontwikkelingsgeschiedenis, die ons omtrent de onderlinge verwantschap der verschillende vormen en de plaats, die zij in het stelsel moeten innemen, zooveel licht geeft, dient men natuurlijk over een groot aantal levende voorwerpen te kunnen beschikken.
   Jaarlijks, wanneer de tijd der vacantiën is aangebroken, trekken dan ook een groot aantal zoölogen van alle landen naar verschillende punten der zeekust, om daar een tijdlang hun verblijf op te slaan en van den vroegen morgen tot den laten avond zich met onderzoekingen bezig te houden. Men vergete evenwel niet, dat zij hierbij vrij groote moeilijkheden te overwinnen hebben; allereerst dient men naar een geschikte werkplaats om te zien, niet al te ver van het strand gelegen, opdat zoo weinig mogelijk tijd voor het heen en weêrgaan verloren ga, en die tevens voldoende van licht voorzien is, om den arbeid met den mikroskoop mogelijk te maken; men moet zich met visschers in verbinding stellen, ten einde in de nabijheid der kust te kunnen visschen en dreggen; men moet een voldoende hoeveelheid glazen bakken in gereedheid hebben, om de verzamelde dieren te kunnen herbergen, en voortdurend voor den aanvoer van versch zeewater zorg dragen, ten einde hen in het leven te houden, men moet... maar waar zou ik eindigen, wilde ik al de voorzorgen schetsen, die de zoöloog nemen moet, alvoerens hij met zijn eigenlijke studie een aanvang maken kan. Bedenkt men, welk een schat van tijd met deze voorbereidende werkzaamheden voor hem verloren gaat, dan kan het ons niet verwonderen, dat men op het denkbeeld kwam, om vaste laboratoria op gunstig gelegen punten van de kust op te richten, waar de geleerde hulpmiddelen en dienstpersoneel ter zijner beschikking vinden zou, opdat hij van den hem in den regel karig toegemeten tijd zoo veel mogelijk voor zijn studie profijt trekken kon, en waar men tevens gelegenheid had voor de binnen 's lands gelegen laboratoria der universiteiten studie-materiaal te verzamelen en te conserveeren. Weldra verrezen dan ook in verschillende landen van Europa dergelijke inrichtingen, de eene op meer, de andere op minder grootsche schaal ingericht; ook Nederland kon hierbij niet ten achter blijven. Wel biedt onze kust, die van Noord tot Zuid uit bewegelijk zand en klei bestaat, in vergelijking van de rotsachtige kusten van andere landen, weinig gunstige voorwaarden aan voor de ontwikkeling van een rijke dierenwereld; maar toch hadden de werken der beide beormede Zeeuwen Blaster1 en Slabber2 reeds op 't laatst der vorige eeuw bewezen, hoeveel toch ook nog ten ontzent te oogsten viel.
   Toen dan ook de Utrechtsche Hoogl. O. Harting in het jaar 1874, naar aanleiding van een verblijf te Scheveningen, de woorden neêrschreef: 3 "meermalen kwam het denkbeeld bij mij op, dat, indien de Ned. Dierk. Vereeniging in het bezit was van een klein houten gebouwtje, dat als een keet of kermistent gemakkelijk kon worden uit elkaâr en weder in elkaâr gezet, dit uitnemende diensten zoude kunnen bewijzen aan diegenen harer medeleden, die zich tijdelijk op een of ander punt onzer kust wilden ophouden, waar wel huisvesting te bekomen is, maar de localiteit voor het verrichten van onderzoekingen of niet voorhanden of zeer gebrekkig is", vond dit denkbeeld spoedig algemeenen bijval en werd op voorstel van Prof. C.K. Hoffmann in de vergadering der Dierk. Vereeniging, op 4 Dec. 1875 te 's Gravenhage gehouden, een commissie benoemd om plannen te beramen, ten einde het te verwezenlijken. Deze commissie, bestaande uit de HH. Hoffmann, Hubrecht en Hoek, toog onmiddellijk aan het werk, ten einde zoo spoedig mogelijk een plan te ontwerpen en, indien het kon, nog in den zomer van 1876 ten uitvoer te brengen. Daar de middelen der vereeniging volkomen ontoereikend waren, werd er besloten een beroep te doen op de belangstelling van het publiek, met de gelukkige uitkomst, dat, dank zij den steun van de Nederlandsche Regeering, van onderscheiden geleerde genootschappen en tal van particulieren, spoedig een som van meer dan f  4000 was bijeengebracht. Hiermede was het grootste bezwaar uit den weg geruimd en door ijverige krachtsinspanning mocht het der commissie gelukken, eer er drie maanden verstreken waren, bij gelegenheid van de zomervergadering der Dierk. Vereeniging op 8 en 9 Juli 1876 te de Helder, het Nederlandsch Zoölogisch Station feestelijk te openen en daarmede een lievelingsdenkbeeld harer leden te verwezenlijken.

[1] Job Baster, "Natuurkundige Uitspanningen", 1759.
[2] Martinus Slabber, "Natuurkundige Vertellingen", 1778.
[3] "Tijdschrift der Ned. Dierk. Vereeniging", deel I, blz. 199.


webdesign & copyright
© 2001-2003 Eveline
DEEL 2