De torens


 overzicht
Inhoud
Start
Arme hoek in het rijke land.


ZOOALS er in elke betere familie een paar armoedzaaiers ronddwalen, waarvan men haastig verklaart, dat ze tot "de andere tak" behooren, wanneer het niet langer mogelijk is ze dood te zwijgen, zoo heeft ook het welig en welvarend Friesland zijn armen hoek. Het is wel een groote afstand an de vette Bildtsche kleilanden naar de moeizaam opgeschoten haverveldjes van het Schoterlandsche. Maar al moet ge misschien zelf eens op de kaart kijken om u te overtuigen dat ge hier nog wel degelijk in Friesland zijt, hier in Jubbega, waar ze op een enkele flinke melkgeit even trotsch zijn als een greidboer op zijn honderd zwartbonte stamboekkoeien, is het toch nog altijd Friesland en pas in het Overtjongersche hooren ze er volgens de echte Friezen niet meer bij. Al hebben de heeren in Den Haag dat dan ook anders beslist.
   Het is een mooi land om er eens door te fietsen. Wie in het land van weide, weide tot den horizon, de boomen heeft gemist, kan in de bosschen om Beetsterzwaag de schade inhalen. Wie niet werd geboren te midden van gras en slooten, zal blij zijn weer eens langs een zandpaadje te kunnen fietsen. Maar dit land is niet alleen een lustoord voor bezoekers. Het is ook de grond, waarop vele duizenden lven; waarvan vele duizenden moeten eten. En ge ziet dat het geen vetpot is. De Lyclama à Nijeholts, de Cracks, de Cuyks en de Dekama's en hoe ze verder nog mogen heeten, hebben de Compagnieën gesticht, die de Compagnonsvaarten lieten aanleggen. Ze lieten de venen afgraven, en telkens trok men de vaarten een eindweegs dieper het veen in. Van het midden van de zeventiende eeuw af hebben ze duizenden schippers en turfstekers een broodwinning verschaft en zich zelf hebben ze ook nimmer vergeten. Wat ze wel vergaten, dat was dat er onder dat veen zand lag. En dat er aan het turfsteken in de dikste veenlaag een eind komt. En dat de turfgravers en hun nageslacht straks op dat zand hun brood moeten vinden. In de Groningsche veenderijen, waar de gronden eigendom waren van de Stad, heeft men meer moeite genomen om de afgevende streken in cultuur te brengen. In de venen van de Friesche heeren werd roofbouw gepleegd met alle gevolgen van dien. Zoo komt het dat de Groningsche veenkoloniën nu een dichtbevolkt gebied vormen met een sterk ontwikkelde landbouw en een daarbij volkomen aansluitende industrie, terwijl de Friesche Zevenwouden een weliswaar heel wat aantrekkelijker landschapsbeeld bieden, maar wie kan daar van eten? Het was en is en blijft een arme tak in de Friesche familie.

   Zoo zult ge hier dan ook niet behoven te zoeken naar mooie oude kerken. In tegenstelling tot de honderden kerkdorpen die het voor-reformatorisch Friesland reeds bezat, stond er hier maar een heel enkel bedehuis. En als er na de Hervorming eens gebouwd werd, dan kunt ge lezen dat de Staten honderd zilveren ducatons hebben bijgedragen. Maar meer dan eens kwam er dan nog een kerk zonder orgel.... In de classis Zevenwouden, in de oude papieren gaarne classis Sylvana genoemd, - ook de arme tak doet zich liefst voornaam voor! -, hadden de dominees werk genoeg, maar de kerk bezat slechts geringe middelen. Dat heeft voor de kerkgebouwen tot gevolg gehad, dat tot op den huidigen dag de klokkestoelen nog op de kerkhoven staan. In onze oogen zijn die eenvoudige bouwwerken van zware balken een schilderachtig karakteristiek element van die dorpskerken waar de parochie te arm en de grond te slap was om een klokkentoren te kunnen oprichten. En als men eenmaal zoo'n zware kerkklok voor iedereen bereikbaar zoo op het kerkhof heeft zien hangen, dan kan men zich ook voorstellen hoe het komt dat juist in deze streek het oude gebruik van het St. Thomasluiden in eere is gebleven. In zulk een dorp toch behoeft de opgeschoten jeugd geen torensleutel te vragen van de kerkvoogden. Men gaat eenvoudig in den avond van den kortsten dag van 't jaar naar het kerkhof en men luidt gelijk men dat van oudsher heeft gedaan. Laat domine maar te keer gaan en zeggen dat het een heidensch gebruik is; dat de Germanen evenals alle primitieven, de booze geesten meenden te verdrijven door lawaai; dat men dit gebruik in de eerste eeuwen van het christendom heeft gekerstend door het lawaai te weeg te brengen met gewijde klokken. Het geeft allemaal niets om tegen zulke eeuwenoude gebruiken te keer te gaan. De heidensche en paapsche superstitiën met de kerkklokken zijn niet uit te roeien!Tot in de 17e eeuw heeft men hier en daar nog de klokken geluid bij onweer, in de 20e eeuw luidt men ze nog algemeen bij een begrafenis, en dat zonder dat iemand bezwaar heeft tegen deze heidensche methode om zich te beveiligen tegen ontwijkende geesten. Het hoort er nu eenmaal bij. En de dorpen, waar het St. Thomasluiden nu nog in eere is, zal het gebruik ook wel niet verdwijnen vóór de klokken zelf uit den klokkestoel verdwenen zijn.... Daar zijn wel eens dorpspotentaten geweest, die het Thomasluiden met list en geweld wilden beletten, maar ze hebben zich doorgaans slechts belachelijk gemaakt. Zoo bijvoorbeeld de grietman van Smallingerland, die zoo'n last had van het luiden van de klokken, die dicht bij zijn fiere woonstee, Harinxma-state stonden, dat hij de luidtouwen op zijn zolder liet wegstoppen. Maar de Drachtster jongelingschap schoolde samen om het huis, drong het huis binnen en voerde de touwen in triomf mee naar de klokken. De grietman had zijn gezag verspeeld en groen van nijd liet hij kort daarop Harixma-state afbreken om het huis onder Beetsterzwaag opnieuw te laten verrijzen. Het klokkenoproer van Oudehorne vond nog geen halve eeuw geleden plaats en het kleine dorpje Katlijk, waar de burgemeester de klepels uit de klokken had laten nemen, had in dienzelfden tijd zijn St. Thomas-incident.
   Neen, het waren niet altijd gemakkelijke jongens, daar in de Zevenwouden, en brutaal waren ze ook niet weinig. Kwam daar niet eens in Leeuwarden een Gorredijkser in het beklaagdenbankje staan, die geadverteerd had:

   "Stroopers! Wij hebben steeds in voorraad éénloopsachter-laadgeweren, kaliber 12, voor slechts f. 9-. Onbreekbaar hazenstrikkendraad."

   De hoge heeren, die met hun dure jachtacte op zak in hun staten verblijf hielden, barstten van nijd en verontwaardiging over zulke verregaande onbeschaamdheid, maar hoe de arme drommels hier dan wèl aan den kost moesten komen, daar braken ze zich het hoofd niet over. Geen wonder dat er van hier, net als van uit het nabij gelegen Groninger Westerkwartier, telkens landverhuizers naar Amerika gingen. De stemming, waarin ze vertrokken, wordt misschien het best geteekend door het versje, dat de familie Knol uit Terband bij haar afscheid in de krant liet zetten:

Vaarwel dan, broeders, zusters,
Wij gaan naar beter oord;
Wij willen niet berusten
Op eenen hongerdood.
Wij willen recht naast plichten,
Wel werken, maar ook brood;
Wij willen menschelijk leven
En blijven immer rood.

   Emigratie naar andere werelddeelen was wel een oplossing voor enkele honderden, maar er bleven er vele duizenden achter, dikwijls in omstandigheden die ons thans de haren te berge zouden doen rijzen. in een van de Overtjongersche dorpen is door een predikant baanbrekend werk verricht, gezond van opzet en deugdelijk van constructie, en zoo doeltreffend dat de resultaten nog thans na zeventig jaren het karakter van de dorpshuishouding bepalen. Het dorp is Noordwolde en die predikant was Dr. H. Edema van der Tuuk, de bekende biograf van Bogerman. Eigenlijk moet zijn voorganger, Ds. A.F. Eilerts de Haan, ook al in dit verband worden genoemd. Deze toch richtte omstreeks 1860 in dit dorp een werkinrichting op om te trachten de werklooze arbeiders buiten het veenderijseizoen ook een verdienste te kunnen bezorgen. Dr. H. Edema van der Tuuk die hem in 1868 opvolgde, zoch de oplossing van het economisch dilemma van Noordwolde in dezelfde richting, maar hij zoch aanknooping bij een reeds tientallen jaren in deze omgeving uitgeoefende huisnijverheid: de mandjesvlechterij. Het materiaal voor deze industrie leverde een struik, die langs de wegen veelvuldig voorkwam en de bewoners hadden die maar voor het snijden. Dat gebeurde dan ook: men wil dat men zelfs tot ver in Overijssel er op uittrok om de benoodigde voorraden voor de mandjesindustrie in te zamelen. De publicaties van de Maatschappij van Weldadigheid, welke aandrong op het zoeken naar nieuwe industrieën om het bevolkingsoverschot van het platteland een bestaansmogelijkheid te bieden, brachten dezen dorpsdominee aan het denken en hij zag terecht in, dat de vaardigheid van de Noordwolders allerlei mogelijkheden zou bieden, indien men maar nieuwe objecten vond voor deze eenvoudige techniek. Een buitenlandsche reis deed hem kennis maken met gevlochten stoelen en andere meubelen, en nu rustte hij niet voor hij een leeraar had gevonden, die dit werk in zijn dorp kon onderwijzen. Aanvankelijk stond men er even vreemd tegenover. Zou zoo'n dominee nu ineens koopmansgeest bezitten? Maar dominee zette zijn zin door. Hij trad zelfs op als ondernemer en men zegt dat hij er geld bij heeft laten zitten. Maar de vlechtindustrie kwamen inderdaad in nieuwe banen. Er werden serremeubelen en tuintafels en voetenbankjes en bloemenstanders gemaakt, en vooral stoelen, stoelen, stoelen! En omdat al die nuttige en betrekkelijk goedkoope artikelen ook afgezet moesten worden trok een aantal dorpelingen er met groote wagens op uit, hoog opgeladen met een keur van producten. Die venters trokken heel het land door, anderen gingen de grenzen over en in België, Frankrijk, Zwitserland, Italië, ja zelfs in Spanje hebben de Noordwolders met hun stoelen gehandeld.
   Dat deze industrie tot op den huidigen dag steeds een afzetgebied heeft weten te vinden, al gingen dan ook in den loop der tijden belangrijke markten tijdelijk of voorgoed verloren, komt voor een niet gering deel door de tijdige aanpassing aan een nieuwe situatie. De fabrikanten kwamen met nieuwe modellen, die in Noordwolde zelf werden ontworpen en uitgevoerd. Dat hiervoor steeds bekwame krachten aanwezig waren, zal niemand verwonderen, die een bezoek heeft gebracht aan de in het dorp gevestigde Rijksrietvlechtschool, die zulk een opgang heeft gemaakt, dat zij voor kort belangrijk kon worden uitgebreid. De oprichting van de school is ook al weer het werk an een predikant Ds. F. Reitsma, die samen met den dorpsdokter J.J. Mulder een studiereis naar Oostenrijk maakte om de daar bestaande Korbmöbelindustrie te Weenen en Lichtenfels te bestudeeren. Kort daarna, in 1908, is de school tot stand gekomen.
   Jeugdige leerlingen, waaronder ook enkele meisjes, worden in dagcursussen opgeleid tot bekwame vakmenschen, die het handwerk verstaan. Voor de reeds werkzame arbeiders zijn er avondcursussen, waar ze zich verder kunnen bekwamen in het vak, waar nader wordt ingegaan op het hoe en het waarom van de dingen. En dan staat men verbaasd, hoeveel menschelijk denken en ervaringswetenschap er steekt achter de eenvoudige dingen, die wij in het leven gewend zijn achteloos te gebruiken. Wie daar in de teekenzaal rondziet en zich door den leeraar laat uitleggen waarom de eene stoel wel en de andere niet gemakkelijk zit, wie al die teekeningen ziet van zittende menschen en rustende lichamen, die krijgt eensklaps groot respect voor zoo'n simpel lijkend handwerk. En dan begrijpt men ook van hoeveel belang zulk een opleidingsschool is voor deze industrie, waarmee zij in zoo nauwe samenwerking kan arbeiden en ook inderdaad samenwerkt. Want deze school oefent niet alleen de handen, zij doet ook veel aan de aesthetische vorming van de leerlingen en zorgt dat er steeds een keurkorps vaklieden in het dorp is, die het vak in ieder opzicht beheerschen en die niets liever willen dan het verder tot onwikkeling brengen. Nieuwe materialen - géén riet! - zijn in gebruik genomen. Van rottan tot en met papiertouw.... Nieuwe techniekn zijn opgebouwd, zoodat men thans aan een modernen stoel zijn kleeren niet beschadigt, zooals vroeger aan de spijkertjes. Nieuwe modellen, van een wieg tot een luie stoel, worden telkens ontworpen, en een jaarlijksche tentoonstelling prikkelt in dezen mede tot frisch initiatief. Maar de meest natuurlijke stimulans gaat toch altijd uit van het normale bedrijfsleven. Een dozijn fabriekjes met in totaal ruim 300 man personeel is thans in bedrijf. Sinds de venters met hun lange wagens Europa doortrokken is er ook in de verkoopmethode natuurlijk veel veranderd. Wie weten wil hoe het nu is, ga op bezoek bij den heer J. Koerts, de directeur van de Rijksrietvlechtschool. Op elke andere school geeft ge stoornis, wanneer ge op bezoek komt. Hier blijft ieder rustig aan het werk en de heer Koerts leidt u graag rond, want hij weet wel dat ieder die zijn school heeft gezien, reeds voor hij vertrekt gewonnen is voor de producten van deze industrie. En net als de dominees liggen hem weinig dingen zoo na aan het hart als de welvaart van zijn dorp! Wilt ge weten hoe het vroeger geweest is, dan moet ge aan het praten komen met de oudjes van het dorp. Daar zijn er nog die zich het feest van 1898 herinneren, het feest van het 25-jarig bestaan van de stoelenindustrie. En ze zullen u in geuren en kleuren vertellen hoe toen dominee Van der Tuuk op een extra lange stoelenventerswagen van het station kwam rijden, hoe hij daar als een koning van Noordwolde midden tusscehn de bloemen en het groen zat, en hoe daar een heele optocht volgde met alle wagens van het dorp om het mooist versierd, en heel die stoet was wel een kilometer lang! Zou daar wel ooit een dorpsdominee met zooveel echte vreugd en eerbetoon zijn ingehaald?


webdesign & copyright
© 2001-2003 Eveline