De torens


 overzicht
Inhoud
Start
Vreezen van het hof van Vriesland.


LEEUWARDEN is een groote stad. En een belangrijke stad. De Leeuwarders zelf weten dat zoo goed als alle Friezen. En daarom: wanneer ge wilt weten, hoe groot Leeuwarden is en hoe oud, hoe levendig en toch niet te druk, welke bezienswaardigheden het den vreemdeling biedt en welke voordeelen het heeft als woonstad, dan kunt ge niet beter doen dan bij aankomst rechtstreeks naar de V.V.V.-kiosk op het Stationsplein te wandelen. Daarvoor stáát dat leelijke bouwsel er nu eenmaal. Als ge dan alle boekjes en vouwbladen die men u daar meegaf hebt doorgelezen, dan zijt ge volkomen overtuigd van de voortreffelijkheid van Leeuwarden; dan verwondert ge u niet meer over al die treinen en bussen die steeds maar meer menschen naar de hoofdstad brengen; dat begrijpt ge waarop hier in Friesland een rentenierende boer ergens bij de Harlingerstraat gaat wonen, en wie een fijn gevoel heeft vermoedt zelfs waarom een Friesch stamboekrund liever Vrijdags in Leeuwarden aan de markt staat dan Dinsdags te Utrecht of Woensdags in Den Bosch.
   In geen stad van ons land wonen procentsgewijze zoovele ouden van dagen als in Leeuwarden. In geen stad in het Noorden vindt ge zoo veel gestichten en hofjes. Al die Boshuizen-, Popta-, Hillema- en Bollemakamers zijn door vermogende lieden gesticht teneinde "schamele weduwen the bewoonen om Godts wille." Het vermaardste van al deze inrichtingen, het St. Anthonygasthuis, is al zoo oud dat het stichtingsjaar niet terug te vinden is. Maar reeds in 1477 verbonden de voogden van het Sanct Antoniushuis zich om de oude Benne Jacobs tot haar dood toe te verzorgen in lijf en ziel, in kost en kleeren, in schoenen en zwarigheden. Men zal haar niet vragen meer werk te doen dan zij zelf begeert en als zij dat verlangt mag ze een andere kamer betrekken. De oude Benne Jacobs kon eischen stellen, want zij kwam niet als een schamele weduwe, maar als eigenares van een huis met een onbezwaard boerenbedoeninkje. Ze koopt zich in, en betaalt daarvoor aan de voogden drie koeien, een stuk land bezaaid met rogge en haver, haar huis en al haar tilbaar goed. Zoo staat het te lezen in de oude papieren van het gasthuis.
   Er is een huis hier in Leeuwarden, dat van onder tot boven volgepakt zit met oude papieren. Dat is de Kanselarij, eertijds zetel van het Hof van Friesland, nu gebouw voor het Rijksarchief en van de Provinciale Friesche Bibliotheek, waarin ook de fraaie universiteitsbibliotheek van Franeker is opgenomen. Folianten en kwartijen, gebonden in half of vol leer, staan daar in lange rijen en wedijveren in eerbiedwaardig uiterljk met de stemmige perkamenten met ribbels op den rug, vergeeld in den schemer van drie of vier eeuwen. Daar staan kostbaar versierde boekbanden, rijk verguld op den rug en met wapenstempels op de platten. Met eerbied heeft men ze gehanteerd, behoedzame handen hebben ze overgedragen aan een volgend geslacht. Maar er staan ook schijnbaar onaanzienlijke werken, eenvoudig van uitvoering, maar kostbaar wanneer slechts één of enkele exemplaren bewaard gebleven zijn. Niet alle boeken worden welverzorgd als die in de Kanselarij, Brand, overstrooming, gebrekkig onderhoud, achteloosheid en domheid maken dat in den loop der eeuwen heel wat verloren gaat. Maar ook moedwillig zijn er boeken vernield. Want boeken kunnen gevaarlijk zijn. Vooral wanneer zij de waarheid zeggen. Voor de uitgesproken waarheid is zelfs het Hof van Vriesland bevreesd geweest. Zoo was het in de dagen toen de Landvoogd berichtte, dat het "te syner kennisse gecomen (was), dat veele en dieversche ondersaten Keyserlicken Mayesteyts in Vrieslant die boeken van Martinus Lutherus ende synen adherenten in hueren huysen houden ende lesen". Met bedreiging van strenge straffen werd dan ook elk en een iegeljk gelast al die verboden lectuur binnen drie dagen aan de kanselarij te Leeuwarden uit te leveren "om voir den huyse aldair tot pulver gebrandt te worden." En wanneer in Franeker de mis slecht bezocht wordt en de mispaap wel weet waar zijn parochianen het geestelijk voedsel halen, dan laat men te Franeker huiszoeking doen naar suspecte brieven of verboden boeken. En Douwe Epesz, die de "scandaleuse" boeken in omloop heeft gebracht wordt door het Hof van Vriesland veroordeeld: hij zal gegeeseld worden en in geen vier jaren zal hij Frieschen grond moge betreden. Hij was niet de eerste, die op grond van het bezit van boeken uit Friesland verbannen werd. Enkele jaren tevoren was Tjaard Tjerksz om dezelfde reden voor zes jaren het verblijf in dit gewest ontzegd. Of hij niet kon aarden in den vreemde of dat gewichtige zaken hem toch weer naar Friesland dreven, dat vermelden de oude papieren niet. Maar zeker is, dat hij wederom in hetzelfde rechtsgebied werd gegrepen. Bij zijn verhoor bekende hij dat hij zich in dien tusschentijd ook nog had laten herdooopen en nu kende het Hof geen pardon. Den eersten Juni 1538 liet hij zijn leven op den brandstapel.
   Zulke dingen gebeurden in den tijd toen het licht der Hervorming opging in deze landen. En zij waren geen uitzondering. Het was de tijd van het martelaarschap om der wille van het geloof. In de oude martelaarsboeken staan vele, vele namen opgeteekend, en nog lang niet alle staan in de oude boeken vermeld. OOk hier in Friesland, hier in in de eigen stad Leeuwarden, zijn er gegeeseld, heeft men er onder de kaak gesteld; men heeft ze met de gele kettermuts op laten rondloopen en "voor hondert jaer ende een dach" uit den lande gebannen. Daar is er een, wien men de tond ter breedte van een vinger heeft afgesneden, een ander heeft nog met een mijter op het hoofd, een schandbrief op de borst en een waskaars in de hand voor de processie uit moeten gaan, om daarna met doorstoken tond vergiffenis te smeeken voor zijn blasphemie tegen "de reyne jonckvrouw Maria ende moeder Gods." Daar zijn mannen verbrand of onthoofd, vrouwen verdronken, omdat zij zich niet met de kerk wilden verzoenen, maar tot hun laatste oogenblikken getuigd hebben van de nieuwe leer, waartoe zij zich hadden bekeerd. Hun houding heeft anderen aan het denken gezet, tot inkeer gebracht.
   Tijdens de terechtstelling van Sicke Snijder neemt de tamboer van de soldaten rondom het schavot de vlucht: zijn geweten weegt hem zwaarder dan zijn soldatenplicht. Het verhaal van de uitvoering van een ander vonnis doet Menno Simons besluiten het priesterkleed uit te trekken. Maar nimmer had de hervorming in dit gewest zoo'n vlucht kunnen nemen als niet juist in diezelfde jaren de uitvinding van de boekdrukkunst de mogelijkheid had geschapen de nieuwe ideeën te verbreiden onder de geletterden. Pastoors en vicarissen, die als kerkedienaars nimmer onopgemerkt geheime vergaderingen hadden kunnen bezoeken, kooosterbroeders wier verschijning menig spreker het zwijgen zou hebben opgelegd, konden zich dank zij het boek verdiepen in de nieuwe leer. De geschriften van Luther tegen de monniksoorden, tegen het klooserleven, tegen het celibaar der monniken, gingen onder de ordebroeders van hand tot hand. En de scherpe kritieken van Erasmus werden niet minder gretig gelezen. De Lutherbijbel, die sinds 1521 hier bekend was, werd in 1524 al in een Nederlandsche vertaling gedrukt, en in het zelfde jaar werd ook een bijbelvertaling van Erasmus in omloop gebracht. Al deze gevaarlijke boeken waren het, die, "murmuracie" in de kloosters veroorzaakten, en een van de eerste maatregelen die de ketterjagers namen, was dan ook gericht tegen het schrijven, drukken, koopen, verkoopen, bespreken, lezen en verspreiden van kettersche geschriften, spotpreten en dergelijke.

   Maar ook in later eeuwen ontmoet men voorvallen, waarin men heeft teruggedeinsd voor publicatie door middel van de drukpers. Daar is de beruchte dissertatie "De Agro Biltano" van den Franeker student Pibo Smit, die juist verscheen toen de Staten van Friesland voornemens waren de landerijen van het Bildt voor f 750.000.- aan de pachters te verkoopen. Er was al geharrewar genoeg geweest tusschen de pachters en de overheid, en de Staten hadden allerminst behoefte aan een juridisch proefschrift, waarin bewezen werd dat deze landerijen niet door de overheid verkocht mocht worden. De arm van de heeren Staten reikte wel tot Franeker en de curatoren van de Akademie gaven den drukker bevel dat alle exemplaren van onder de pers rechtstreeks naar de akademie gezonden moesten worden onder de verzekering dat alle gemaakte onkosten zouden worden vergoed. Slechts een enkel exemplaar is nog gered, en dat staat nu waar het behoort: in de provinviale bibliotheek op de Kanselarij!

Nog veel grooter moeilijkheden voorzagen de heeren Staten van de publicatie van het derde deel van Friesch Charterboek, dat in 1774 gedrukt werd. Het zal wel niet vaak gebeurd zijn, dat de overheid beducht was voor het openbaar maken van stukken, die al meer dan tweehonderd jaar oud zijn! In 1542 had Karel V bevel gegeven, dat alle kerkvoogden en de betrokken geestelijken lijsten moesten inleveren van de grootte en de grenzen van alle kerkelijke onroerende goederen en van hun jaarlijksche opbrengsten. Deze lijsten, waarin alle patroons-, pastorie-, vicarie- en praebendegoederen van Friesland zijn opgenomen, zijn vereenigdd tot de zoogenaamde Beneficiaalboeken. Deze gegevens nu zouden in 1774 in het genoemde oorkondeboek worden opgenomen, opdat zij voor ieder historicus toegankelijk zouden zijn. De Gedeputeerde Staten echter, kennelijk vreezende dat de kerk wat al te ijverig in deze stukken zou gaan studeeren, verbood de uitgave van de reeds gedrukte vellen. Pas in 1850 heeft men ze weer van den zolder gehaald en toen werden ze, voorzien van een nieuwe inleiding, verkrijgbaar gesteld....
   Het dient te worden erkend, dat het verbieden van een bepaald geschrift door de overheid menigmaal met de beste bedoelingen geschiedde. Dat was ongetijfeld het geval toen de Gedeputeerde Staten maatregelen namen tegen het alreeds in de Leeuwarder Courant aangekondigde boekje "Godgeleerde en philosophische bedenkingen over de conjunctie van de planeten Jupiter, Mars, Venus, Mercurius en de Maan". Het lijkt wellicht vreemd, dat een boekje over een astronomisch verschijnsel in staat zou zijn zooveel opschudding te verwekken, dat de autoriteiten zich tot ingrijpen genoopt zien. Twee dingen moet men daarbij echter niet vergeten. In de eerste plaats dat het bijgeloof in vroeger dagen zulken invloed had, dat het volk daardoor meer dan eens in excessen verviel; in de tweede plaats dat nergens in ons land de sterren en hun loop met zooveel ijver werden gadegeslagen door amateurs dan in Friesland. Men heeft hier altijd een uitgesproken aanleg voor wiskunde kunnen opmerken en betrekkelijk eenvoudige lieden, die zich in hun vrijen tijd met wiskundige en sterrekundige vraagstukken en berekeningen hebben bezig gehouden, ontmoet men de gansche geschiedenis door. In Harlingen woonde op het eind van de 17e eeuw een man, die door de week schipper was en 's Zondags voor de doopsgezinden predikte, maar die bovendien nog den tijd vond om te peinzen over het vraagstuk van het vinden van de lengten op zee, waarover hij disputen hield en geleerde verhandelingen schreef. Zijn beroemde tijdgenoot, Ds. B. Bekker, had voor hij met zijn levenswerk, "De Betooverde Weereld", het bijgeloof te lijf ging, reeds een verhandeling geschreven over de kometen. Zijn gerusttellende woorden weerhielden zijn Leeuwarden collega Muller niet om een halve eeuw later te prediken en te schrijven over "Voortekenen van de nabijheid van het vergaan der wereld". En al gaf de rekenmeester Wytze Foppes daartegen voor één stuiver een boekske met "zwarigheden" benevens een astronomische verklaring in het licht, hij wist de kometenvrees in de Friesche christenwereld toch niet te bedwinten. Nu was dat ook niet gemakkelijk, want de verschijning van de schrikkelijke comeet van 1756 viel samen met aardbevingen en waterschuddingen, de zoowel op het land als in Leeuwarden werden gevoeld.

   Al leeft zijn naam niet meer voort gelijk die van Eise Eisinga, Wytze Foppes was een autoriteit in zijn dagen. Hij heeft talrijke publicaties op sterrekundig gebied op zijn naam staan, en bouwde tal van instrumenten, zoowel voor eigen waarneming als ten dienste van anderen. Van zijn journalistieke werkzaamheid getuigen zijn artikelen in de Leeuwarder Courant, waardoor het lezend publiek werd ingelicht over de naderende verschijning van de een of andere comeet, een gebeurtenis die door velen toch altijd weer werd uitgelegd als een teeken van "het naderend einde". Misschien heeft hij op deze wijze meer bijgedragen tot de vorming van een latere generatie amateur-astronomen dan de historie weet te vermelden. In elk geval, na hem en ook na Eise Eisinga stierd de liefhebberij onder Friezen niet uit. Daar is nog een oude boer in Hijum geweest, die telescopen maakte en die niet minder dan drie Franeker professoren onder zijn studievrienden mocht rekenen. Twee kooplieden in Het Bildt hadden dezelfd liefheberij, en niet alleen te Franeker, maar ook te Harlingen. Sneek en Workum heeft men eens een planetarium bezeten, door verschillende Friesche knutselaars vervaardigd.
   De achttiende-eeuwsche hoofdredacteur van de Leeuwarder Courant wist zoo goed als iedere hoofdredacteur waarin zijn lezers wel en geen behagen hadden en dus nam hij in zjn blad van 19 Februrari 1774 een bericht uit Dresden op, gedateerd 6 Februari, dat luidde als volgt:

   "Eenige liefhebbers der Astronomie hebben aangemerkt, dat er den 8 May dezes Jaars in den vroegen Morgenstond eene gewigtige en in veele duizend Jaaren misschien niet weder voorkomende Conjunctie der vijf Planeeten, naamlijk Jupiter, Mars, Venus, Mercurius en de Maan zal plaats hebben."

   Onze Friensche astronomen gingen nu ijverig aan het rekeken en een paar weken later wist Wytze Foppes de lezers van de krant precies in te lichten omtrent den stand van al die hemellichamen en in voorzichtige bewoordingen zegt hij dat het niet onmogeljk zou zijn dat al die planeten, die hij tezamen ruim 8000 maal grooter rekent dan de aarde, onzen aardbol een weinig zouden kunnen aantrekken.... Maar de ongerustheid nam pas afmetingen aan toen de krant van Zaterdag 9 April 1774 verscheen. Want daar stond in een advertentie te lezen dat door zes boekhandelaren in verschillende Friesche steden in de aanstaande week zou worden uitgegeven een boekje:

   "GODGELEERDE EN PHILOSOPHISCHE BEDENKINGEN OVER DE CONJUNCTIE VAN DE PLANETEN JUPITER, MARS EN VENUS EN DE MAAN. Op den Agsten May 1774 staande te gebeuren, en wel over de Mogelijke en Waarschijnlijke Sterre- en Natuurkundige Gevolgen dezer Conjunctie. Waaruit opgemaakt kan worden dat die niet alleen invloed kan hebben op onze Aardbol, maar ook op het gansche Zonne Stelzel, waartoe wy behooren, en een voorbereiding of een beginmaking van de Ontsloping of Vernieling van hetzelve, ten deele of geheel zou kunnen zijn. Door een liefhebber der Waarheid."

   Deze liefhebber der waarheid was een Friesche dorpsdominee. Over geen van 's mans preeken zal zooveel gepraat zijn na kerktijd als over zijn boekje, dat voorspelde dat de laatste der dagen niet ver af was. Het boekje zelf echter zouden de Friezen niet te lezen krijgen voor de dag der vreezen goed en wel voorbij was. Want niet alleen Ds. Alta van Hozum, maar ook de Edelmogende Heeren Gedeputeerden waakten over het heil van het Friesche volk. De voorzitter van dit college had Maandagmorgen vroeg bij boekhandelaar Ferwerda een boekje laten halen en onverwijld zette hij zich aan de lectuur. De inhoud daarvan gaf hem aanleiding nog denzelfden dag een exemplaar aan Wytze Foppes ter lezing te geven en in de vergadering van Dinsdagmorgen stelt hij de vergadering der Gedeputeerden voor, alle boekjes in beslag te doen nemen en deze te doen verzegelen. Wytze Foppes wordt ter vergadering geroepen en verklaart daar dat hij de toekomst niet zoo somber inziet. Maar de Edelmogende Heeren willen nog andere deskundigen hooren, en zij zenden Wytze Foppes met de schuit van één uur naar Franeker om daar aan twee professoren eveneens een boekje ter hand te stellen en dezen te verzoeken den volgenden dag persoonlijk rapport uit te komen brengen. In Franeker lezen de heeren, en keuren en schudden hest hooggeleerd hoofd. Den volgenden dag presenteeren ze in Leeuwarden hun protest tegen de anonieme uitgave, een teekening van de te verwachten stand der hemellichamen, een geruststellend bericht voor de krant en niet te vergeten elk een declaratie van tien gulden voor de genomen moeite en vijf gulden voor wagenvracht. Wytze Foppes was maar een eenvoudig rekenmeester: hij kreeg vijf gulden belooning en vijf stuiver voor de schuit. Maar de boekjes bleven in de verzegelde kast en niet voor Maandag 9 Mei mocht de drukker ze weer laten halen! Slechts de chirurgijns hadden een goeden dag, want ze kwamen handen te kort om de beangstigde duizenden ader te laten.
   Wytze Foppes besteedde de laatste jaren van zijn werkzaam leven in dienst van zijn beminde wetenschap. Hij is vier jaar later in den ouderdom van zeventig jaar als een algemeen geacht man overleden. En kort daarna las men zijn naam nog eenmaal in de advertenties van de Leeuwarder Courant:

   "Al wie iets te praetendeeren heeft of schuldig is aan den boedel van Wytze Foppes, in leeven mathematische instrumentenmaker te Leeuwarden, of iets aan den overledene te repareeren mogt bestelt hebben, als ook wie gadingen maakt aan een voornaame Waarbank, een cierlijke miscroscoop en telescoop en dezelve voor een matige prijs uit de hand wil kopen, wordt verzogt zig binnen de tijd van 14 dagen bij de weduwe van den overledene in St. Anthonygasthuis te Leeuwarden te vervoegen."


webdesign & copyright
© 2001-2003 Eveline
→