De torens


 overzicht
Inhoud
Start
Stad van wijsheid ven dwaasheid.


ALS de Friesche edelman Jancko Douwema, een tijdgenoot van Karel V, op het kasteel van Vilvoorde bij Brussel is vastgezet, neemt hij de pen ter hand voor het schrijven van een "Instructie an sijn wijff". Hij geeft zijn vrouw allerlei raad en voorschriften voor het bestier van zijn zaken gedurende zijn afwezigheid, en daarbij laat hij ook zijn aandacht gaan over de opvoeding van zijn kinderen. Hij wil dat zijn zoon naar school gezonden wordt, dat lijkt hem beter "dan dat he een straetridder solden worden ende gaen up den bierbanck sitten." Ook geeft hij haar den raad om zijn zonen later naar een academie in Frankrijk te zenden, omdat men daar niet gewoon is zooveel te drinken, want "wy Friesen plagen den roep te hebben, dat wy druckers weren" (zijn.)
   De zonen van Janco Douwema hebben de oprichting van de Franeker Akademie nog meegemaakt en niet lang daarna waren de Suypcollegies van de studenten te Franeker berucht door heel Friesland. In deze studentengezelschappen werd zóó gedronken, en dat niet alleen door de inheemsche spes patriae, dat zelfs de Friezen er over spraken. Een tijdgenoot schreef, dat de Akademie te Franeker als een klip geschuwd werd wegen de drinkerijen. En bij drinken alleen bleef het dan natuurlijk niet. Nachtelijk rumoer, dolle streken, vechtpartijen waren aan de orde van den dag. In het bijzonder werd er geklaagd over de ruwheid en de slechte manieren van de inheemsche studenten. Uit protest tegen de slechte tucht aan de akademie bedankte professor Lubbertus dan ook twee maal voor het rectoraat en om dezelfde reden weigerde hij tien jaar lang de senaatsvergaderingen bij te wonen. Ook de overheid legde soms een merkwaardige lankmoedigheid aan den dag in zaken waarbij studenten betrokken waren. Het Hof te Leeuwarden veroordeelde twee Friesche theologen, die in een nachtelijk straatgevecht een Hongaarsch student hadden doodgestoken, tot twee jaar verbanning uit Friesland en tot betaling van de kosten van het geding, en beiden deden enkele jaren later dienst als predikant bij de Friesche kerk. Zulke aangelegenheden werden als ongelukkige incidenten beschouwd, en men behandelde ze bij lange na niet zoo serieus als de aanstelling van den akademie-dansmeester. Nu waren er twee zaken, waarvan de kerk in Friesland in die dagen een heiligen afkeer had en die de predikanten te vuur en te zwaar zouden willen bestrijden: het toneelspel en het dansen. Wat het tooneelspel betreft is die strijd in zooverre geslaagd, dat er tweehonderd jaar lang geen goed tooneelstuk in Leeuwarden kon worden opgevoerd en dat een Friesche tooneelliteratuur van beteekenis nimmer tot ontwikkeling heeft kunnen komen. Het dansen was moeilijker te bestrijden: elke herberg of boerenschuur bood daartoe voldoende ruimte en een koster-schoolmeester, die wat op de viool kon strijken was ook voor een paar stuivers op een avond wel te vinden. Men moest er natuurlijk voor waken dat dominee er niet achter kwam! Vandaar dat men nog heden als er in een gezelschap plotseling een moment stilte valt, zegt: er gaat een dominee voorbij.
   De danslustige studenten aan de Franeker Akademie verlangen echter meer dan een losse avond met een beentje van den vloer. Ze zijn van meening, dat "de beginselen der danskunst nootwendig sijn tot de conversatie" en dat zij, die de danskunst niet beheerschen "als sy haer by treffelijk geselschap bevonden soo stijf, soo beteest, soo ongeschikt hun aenstellen, dat sy medelijden of veragtinge by geschickte lieden verweckten". Vandaar dat deze jongelui door een der professoren aan de curatoren der akademie laten weten dat ze gaarne dansonderricht zouden willen ontvangen. Deze kunnen het verzoek wel billijken en zij verwachten dat hiervan een invloed ten goed kan uitgan, die een tegenwicht zou kunnen vormen tegen "d'oowergroote moetwille ende straatschenderie der studenten", die een ieder een doorn in het oog zijn. Curatoren brengen het verzoek over aan Gedeputeerde Staten van Friesland en bij resolutie van 16 December 1682 wordt Jan Baptista, dansmeester aan het stadhouderlijk hof te Leeuwarden op een vast jaargeld aangesteld als akademie-dansmeester onder verplichting "sich tot geryffende commoditeyt van de studenten drie mael 's weecx op 't minste tot Franeker te sullen laten vinden en ophouden". De predikanten, die alles in het werk gesteld hadden om dezen uitslag te voorkomen, voorspelden rampen en onheilen als straf voor de zonde en wezen de toen juist heerschende veeziekte aan als een eerste kastijding van Gods hand. In het bijzonder de dominees van Leeuwarden, die tien jaar geleden een krachtig opkomend dansverlangen onderdrukt hadden door bedreiging met strenge kerkelijke straffen, stelden alles in het werk om de zaak alsnog te stuiten. Twee van hens telden een protestschrijven op aan Gedeputeerde Staten, hetwelk door alle zes Leeuwarder predikanten onderteekend werd. Zelf Ds. Sixtus Bruinsvelt nam "op siin doodbedde de pen in siin swakke hand met een bewogen herte en genegen ziel." Ongeveer gelijktijdig verschijnt bij Hero Nauta, "boekverkooper voor aan in de Peperstraat te Leeuwarden" een boekje waarvan de schrijver niet genoemd staat: "Dansmeester van Franequer geheekelt ende geholpen". Zooals de titel doet verstaan, gaat het tegen het predikantenstandpunt in. Later bleek dat de schrijver gezocht moest worden onder de Franeker professoren en het geschrift werd de inleiding van een heelen pamflettenoorlog. Het boekje is vooral daarom merkwaardig, omdat het laat zien hoe in dien tijd redelijk denkende lieden het ijveren van de predikanten niet alleen voor sterk overdreven hielden, maar evenmin in overeenstemming met handel en wandel der predikanten zelf. De hooggeleerde schrijver schildert een samenspraak tusschen een student en twee predikanten. Na "syn pijp te hebben afgesogen" vaart de oudste prdikant "met opgetogene winkbrouwen en gans anderen toon als sijn gewoonlijke tael was" heftig uit tegen het "versoek van eenige wulpse dertle jongelingen", die en "Schole van ydelheit ende goddeloosheit" aan de Akademie deden oprichten. Hij windt zich daarover zoo op, dat "hem de tranen langs de wangen biggelende, hij niet meer konde spreken". De student toont zich zeer verbaasd dat in Friesland ordelijk dansen als zonde wordt beschouwd en zegt dat hij hier wel andere dingen heeft gezien, die in den grond der zaak veel bedenkelijker zijn, maar waartegen nimmer iets is ondernomen. Uitvoerig bespreekt hij daarbij allerlei bruiloftsvermaken en hij herinnert er aan dat predikanten daaraan ijverig meededen. Voorts meent hij, dat niet alleen de studenten, maar ook de heeren Vroedslieden beter zouden doen als ze na hun feestmalen "onder een soete musijk eens manierlijk te samen dansten, als dat sy elkanderen bloedich en blaeuw slaen, met messen toe trecken, of in 't vier werpen gelijk hier en elders soo dikwils geschiedt". Hij verdedigt verder het dansen als een vermaak dat op zich zelf niets onbehoorlijks in zich draagt en meent dat de tegenzin van de dominees wel zal slijten, waarbij hij ondeugend opmerkt dat thans ook alle dominees pruiken dragen ondanks hun vroegeren afkeer en verboden......
   De predikanten laten dezen smaad niet op zich zitten, schrijven daartegen een "Missive" en lokken hiermede een antwoord uit, dat hun wordt toegediend in "Gevoelens van eenige beroemde Gereformeerde theologen en andere wijse Mannen, nopens de Dans-oeffeninge; mitsgaders bescheidt op een Missive daer van onlang uitgegeven". Een van de predikanten heeft inmiddels een strijdschrift van niet minder dan 200 bladzijden gereed gekregen: "Academi-Dansschool in weerwil van heur voorspraek gestoort: of Beyde blauwe Boekjes tot Inhuldiginge van de Faculteyt der Danskunde tot Franeker, Uytgegeven by de Heer Ulricus Hubert, wederlegt door T. Paludanus".
   Maar de heeren predikanten hebben nog andere pijlen op hun boog. Wanneer de provinciale Synode in Juni 1683 te Heereveen bijbeenkomt, liggen ter tafel twee gravamina, die door de Leeuwarders ter behandeling worden voorgesteld. Eén daarvan is regelrecht gericht tegen professor Huber, het andere betreurt de oprichting van de dansschool en vraagt "oft niet nodig sij bij de Staten van desen Lande te versoeken om tot verhoedinge van Godts misnoegen en oordelen over ons landt geseide aangevangene saeks af te breken en te doen ophouden."

   De Synode was een gewichtig lichaam, haar jaarlijksche vergadering was voor de predikanten zoowel als voor de ontvangende stad een groote dag. De bijeenkomsten hadden omstreeks Pinksteren plaats, beurtelings in Leeuwarden, Heerenveen, Sneek, Bolsward, Franeker, Harlingen en Dokkum. Alle predikanten hadden daar toegang, maar het stemrecht kwam uitsluitend toe aan de afgevaardigden van de classes. Elke van de zes classes in Friesland had het recht twee predikanten en twee ouderlingen naar de hooge vergadering te zenden. Maar behalve deze verschenen er jaarlijks nog twee personages ter vergadering, die met de allerhoogste onderscheiding behandeld werden: de beide afgevaardigden van Gedeputeerde Staten van Friesland, kortweg steeds genoemd de commissarissenpolitiek. Hun eerste optreden dateert uit de dagen van Leicester en was het gevolg van een politieke domheid van de Synode. Er liepen in die dagen namelijk allerlei geruchten dat de souvereiniteit over de Nederlanden door de Staten aan koningin Elisabeth van Engeland zou worden opgedragen. Dit denkbeeld lokte vele kerkelijken wel aan: de eigen landsregeering toonde juist toen weinig belangstelling in kerkelijke zaken, en kerk en staat konden niet tot overeenstemming geraken over hun onderlinge wettelijke verhouding. De vlassis Dokkum meende, dat, als het staatkundig beheer aan Elisabeth zou worden opgedragen, de kerk beslist niet achter mocht blijven. Ook in Leeuwarden waren de predikanten enthousiast, en in weerwil van den stadhouder, die van zulk een inmening in zijn zaken allerminst gediend was, wendde men zich tot den Engelschen gezant met een hoogdravend request. De stadhouder eischte afschrift van het stuk en zond naar de eerstvolgende vergadering een Franeker professor als zijn gevolmachtigde. Men laat hem morrend toe, maar de volgende maal zond de Stadhouder wederom zoo'n professor, nu met een opdracht om de vergadering te leiden! Toen was het geduld der kerk ten einde. Men zond dezen afgevaardigde weer heen, maar den volgenden dag kwamen er twee terug, die echter over het voorzitterschap niet meer repten. Van dien tijd af zijn deze dommissatissen-politiek regelmatig ter synode verschenen. Hun positie werd ook vastgelegd: ze hadden geen stemrecht, maar kregen - hetgeen veel gevaarlijker was - het recht van veto. Eén enkel woord van hen was voldoende om de behandeling van een kwestie onherroepelijk te verbieden. Ze hebben er maar weinig gebruik van gemaakt en in vele gevallen bleek het regelmatig contact tusschen kerk en overheid zeer gemakkelijk. Een enkele maal was het echter wèl lastig! Zoo bijvoorbeeld bij de behandeling van de dansschool aan de Franeker akademie: er mag ter synode over de beide gravamina geen woord gezegd worden.... De synode van de gehoorzame staatskerk berust. Maar niet dan met "omkeringe van haer herte ende innigste bewegingen van haere ziele". En zij kan toch niet nalaten alle classes en kerkenraden aan te sporen "tegen alle dansers en soo veel te meer tegen alle publike en lasterende dansverdedigers nae kerkelijke ordere te procederen".

   Terwijl ge zoo als vreemdeling ronddwaalt door deze kleine afgelegen stad, kunt ge u moeilijk voorstellen, dat zich hier ooit geruchtmakende dingen hebben afgespeeld. Want de achtduizend menschen die hier in dit Franeker achter hun proper gestreken gordijnen bijeenwonen, schijnen een zoo rustig, ingetogen leven te slijten, dat het ondenkbaar is dat ze nog ooit iets zullen verrichten dat opzienbarend genoeg is om op de voorpagina van de avondbladen vermeld te worden. De zon schijnt hier zoo mild en zoo weldadig alsof ze zich in deze wereld om niets anders behoefde te bekommeren dan om honderd bloemknoppen van de fuchsia achter het gindsche vensterglas. Doelloos en zonder haast loopt ge door straten, waar de menschen op hun hakken draaien om den vreemdeling nog eens na te zien, maar beziet ook gij niet de dingen om u heen, als behoorden ze tot een andere wereld? Uw oog volgt met welgevallen de speelsche lijnen der renaissance-gevels van het aardige raadhuis en staande voor den reliefsteen, die het ongeval van Maurits van Nassau in beeld brengt, vraagt ge u af hoe een Friesch stadhouder met paard en koets en al in zoo'n peuterig klein grachtje kon vallen. Kortom, ge zijt geneigd het leven hier een bekoorlijke gebeurtenis te achten. Ge vergeet niet, dat ergens ver weg een wereld moet liggen, die beheerscht wordt door schijnbaar onoplosbare problemen. Een wereld, waar millioenen menschen vechten voor hetgeen ze hun levensruimte noemen, een wereld waar dagelijks duizenden in den dood worden gejaagd voor een zoogenaamd ideaal. Ge vergeet dit alles niet. Het wordt alleen maar zoo onwezenlijk, wanneer ge hier ronddrentelt in dit kleine stadje, dat nu uitgeleefd en een tikje bestorven tusschen de wallen ligt. En toch, ook in deze al te stille huizen hebben de menschen geleefd en beleefd, van geslacht tot geslacht, van eeuw tot eeuw, zoo wijs en zoo dwaas als menschen dat onder elkander plegen te doen. Ge meent toch niet dat er één stad in ons land zou zijn waar men nimmer de wijsheid heeft gehoond en de dwaasheid heeft geloofd? En dus zeker niet in Franeker, dat immers een akademiestad was!
   Dat de Friesche akademie in 1585 te Franeker gevestigd werd was puur toeval. Wanneer niet juist in die jaren de strijd om het gezag in de Staten van Friesland zoo hoog geloopen was, dat de Gedeputeerden in 1584 uit verbittering Leeuwarden hadden verlaten om voortaan in Franeker te vergaderen, hetwelk zij twee jaren volhielden, zou de Friesche akademie zeker te Leeuwarden en niet te Franeker gevestigd zijn. In later tijden is dan ook meer dan eens een poging gewaagd de hoogeschool alsnog te verplaatsen, maar zonder resultaat. Tot in Napoleons dagen bleef Franeker een akademiestad, als burcht der vrijheid een waardig tegenhanger van Leiden, welks universiteit slechts tien jaar ouder was. Nog thans herkent ge in de fraaiste woonhuisgevels de voormalige professorenhuizen. Ook de vroegere studenten-sociëteit, "de Bogt van Guné", is enkele jaren geleden in eere hersteld; ze was reeds op weg opnieuw het verzamelpunt te worden van jonge Friesche intellectueelen en vormt in haar tentoonstellingszaal het centrum van Friesche kunst en kunstijverheid.
   In het stadhuis hangen nog de statige portretten van de professoren. Ook zij zijn in hun stemmige lijsten tot rust gekomen, en geven den indruk van een eerbiedwaardig en harmonieerend gezelschap. Maar hoe zeer hebben zij elkander bestreden en verketterd! Hoe velen hebben elkander het leven zuur gemaakt. Het waren niet de botste geesten, die beschuldigd werden van Luthersche ofwel van papistische ketterijen, van Sociniaansche, Pelagiaansche dan wel heidensche dolingen en wanneer een naijverig geestdrijver er na tal van minder verkwikkelijke intrigues in geslaggd was den zondaar zijn dwaalleer te doen belijden voor synode, Statenvergadering of curatorium, dan bleek nog dat de aanklacht niets bevatte dan "wind en groote woorden".
   De meest vermaarde bezienswaardigheid van het stadje is het planetarium van Eise Eisinga, die dit kostelijk werkstuk als amateur-astronoom in vier jaren tijds vervaardigd heeft. Het poortje naast het huis draagt het opschrift "Voersint eer ghy begint", een waarschuwint die Eise Eisinga zelf niet altijd ter harte heeft genomen. Want enkele jaren na het gereed komen van het werk dat hem onsterfelijk zou maken, geraakte hij, zij het dan ook zijdelings, betrokken in de politieke woelingen van 1787, en de geleerde wolkammer, die tevens kerkvoogd was en curator van de akademie, moest hals over hoofd de vlucht nemen. Hij hield zich schuil in Visvliet, een dorpje op de grens van Friesland en Groningen, maar werd gegrepen en na een proces dat ruim een jaar duurde werd hij voor vijf jaar uit de provincie Friesland verbannen. En dat alles omdat hij, evenals honderden andere Friesche patriotten, in 1787 deel had uitgemaakt van het Franeker defensie-comité. De stad Franeker werd voor anti-staatsgezinde houding gestraft met het verbod om voortaan de pooten te sluiten: de poortdeuren werden uit de hengsels gelicht en aan kettingen in de kerk vastgelegd. De tijd, dat een kleine stad naar eigen wil en wet kon leven, was vorbij. Als de tijd verglijft van het oude in het nieuwe, wijkt ook weer de hartstocht voor het verstand. Dan groeit een ander oordeel over kleine dingen en over kleine menschen. Daarom werd het traktement van den verguisden akademie-dansmeester Jan Baptista verhoogd tot f 150.- per jaar en daarom werd de wegens verraad verbannen Eise Eisinga honderd jaar na zijn dood geëerd als Franekers grootsten zoon.


webdesign & copyright
© 2001-2003 Eveline
→