De torens


 overzicht
Inhoud
Start
Sljucht en rjucht as dy fen Bolsert.


FIETSEND door de groene greiden van het Friesche land, zie je haar al van verre, de hooge St. Maartenskerk met den kloeken zadeldaktoren van Bolsward. Voor zoo'n kleine stad is ze wat groot van formaat om een harmonieus beeld te vormen, voor een gothisch bouwwerk wat te plomp om sierlijk te zijn. En als ze niettemin bij deze stad past, dan is dat omdat er voor een Bolswarder geen ander begeeren is dan naar het Friesche dichterwoord te wezen: sljucht en rjucht as dy fen Bolsert. Sljucht en rjucht, zoo is ook de St. Maartensklerk, welker kolos men uren ver in den omtrek kan zien. Al bijna vijf eeuwen staat ze daar aan den rand van het stadje en op dezelfde plek stond voordien ook al een romaansche kerk, die zoo oud was, dat haar geschiedenis onvindbaar is in den schemer van vroege middeleeuwen. In 1446, temidden van de verwarring van langen burgerkrijg, begonnen die van Bolward met het bouwen van een nieuwe kerk, en opdat de eeredienst tijdens den bouw ongestoord voort zou kunnen gaan, trok men het nieuwe Godshuis op rondom het oude, dat niet afgebroken werd voordat de nieuwe kerk welhaast gereed was. Aan de buitenzijde ziet de kerk er met haar driebeukig baksteenen schip en een koor van tufsteen niet bijzonder interessant uit. De forsche toren, gebouwd ter volle breedte van het middenschip, is gedekt door het zadeldak, dat men aan tal van Friesche kerktoren aantreft. Aan de vier hoeken van den toren zijn uitsteeksels opgemetseld, waaraan een aardige legende verbonden is. Tijdens den kerkdienst had in oude tijden de duivel er plezier in de geloovigen te verschrikken door op den toren te klimmen en daar onder groot misbaar rond te gaan draaien aan een touw, dat hij aan het haantje van den toren bond. Maar toen er op den toren uitsteeksels gebouwd waren stootte hij zijn bolkspooten zoo pijnlijk, dat hij in den vervolge de kerkgangers met rust liet.
   "Non Tempstates Nec Fulmina Pellere Possum", ik kan de stormen en den bliksem niet afweren, staat op een van de vier klokken van den toren te lezen. Vele stormen heeft de oude toren getrotseerd, vele stormen hebben ook in de kerk zelf gewoed. Ook hier werden bij de gewelddadige invoering van de hervorming tal van kerkschatten moedwillig vernield en een kleine eeuw later gaven de kerkvoogden bevel den witkwast te halen over de fresco's op de muren. Aan de rechterzijde in het koor bevond zich boven de voormalige dekensbank een muurschildering, "voorstellende een vrouw, knielende voor een man in oud geestelijk gewaad, veel overeenkomst hebbende met de Israëlitische priesterkleeding, met een gouden antieke kroon op het hoofd, en achter die vrouw op gelijke hoogte de wapens van Heerema en Frittema, onder welke stond: 1572, 9 Novembris, stierf Wytske Heerma, old 5te half jaar." En aan de linkerzijde moet zich bevinden het in twee gothische bogen geschilderde tafereel ter nagedachtenis van Wilhelmus Lindanus, de kettermeester, die in 1560 naar Friesland was gezonden "om de bestaande gebreken in de kerk te hervormen en de slechte geestelijken te bestraffen en desnoods af te zetten, en tevens om de leer van het zuivere Catholicisme tegen die van het Protestantisme te verdedigen". Maar in 1647 heerschte er hier een andere geest, streng en onbarmhartig, ongevoelig voor waarden van kunst en historie. De calvinistische drijvers wenschten elke herinneringaan den papistischen tijd uit te wisschen, ja, men stelde er eer in daar aan mede te werken. En terwijl ge thans vruchteloos zult zoeken naar de namen van den bouwmeester, van de schilders, van de beeldsnijders, zult ge slechts vinden ht dsocument dat de namen vermeldt van degenen, die in 1647 order gaven dat "dese kercke is verbetert ende gewit".... En die geest was taai. Want toen precies tweehonder jaar daarna de oorspronkelijke muurschilderingen bij een restauratie weer aan het licht kwamen en nog in goeden staat aangetroffen werden, heeft men wederom opdracht gegeven ze onder een laag witkalk te verbergen. Ook het prachtig snijwerk van de middeleeuwsche koorbanken werd vele malen met groene verf overgeschilderd. Blijkbaar werd hun kunstwaarde op die wijze volkomen aan het oog onttrokken. Want in 1710 maakt Zacharias Corad van Uffenbach een tiendaagsch reisje door Friesland, waarbij hij zeer nauwkeurige aanteekeningen maakt van al hetgeen hij ziet, en daarbij corrigeert hij tal van schrijvers van zijn tijd. Te Bolsward bezichtigt hij de kerk en roemt de preekstoel, spreekt ook van de zerken, maar met geen woord rept hij van de koorbanken.

   Maar eindelijk komt er dan toch een tijd, dat men begint in te zien dat het niet aangaat op een dergelijke wijze "zorg te dragen" voor hetgeen het verleden ons naliet. In 1877 worden enkele koorbanken uit de geruïneerde Minderbroederskerk te voorschijn gehaald uit het als pakhuis gebruikte koor van de St. Maartenskerk; ze worden wat schoongemaakt en ingezonden op een groote historische tentoonstelling te Leeuwarden. Ze trekken dan de aandacht van een zekeren baron de Rothschild uit Frankfurt, en deze spaart een jaar lang geld noch moeite om ze in eigendom te krijgen. Steeds hooger sommen laat hij bieden en tenslotte wordt een bedrag van f 20.000 voorgesteld. De kerkvoogden durven nu zelf geen beslissing meer te nemen en schrijven een stemming uit onder de lidmaten der gemeente. Maar deze, nog altijd "sljucht en rjucht as dy fen Bolsert", stemmen koppig neen en de kunstschatten blijven gelukkig bewaard. Deze sensatie opent inmiddles veler oogen en de pennen komen in beweging. De kunst schatten van Bolsward, waar eeuwen lang niemand naar omzag, worden het onderwerp van tijdschriftartikelen en men gaat ze zelfs in het Rijksmuseum te Amsterdam tentoonstellen. Een tijdgenoot, de plaatselijke historicus M.E. van der Meulen, schrijft daarover: "Nog levendig herinner ik mij de spotachtige opmerkingen, toen de groene brokstukken op sleden werden aangebracht over den besneeuwden bodem en ik de grootst mogelijke zorg aan den schipper opdroeg en waakte over de plaatsing in het ruim van het beurtschip, van dit in de oogen der omstanders alleen als brandhout waarde hebbend gestoelte." De waardeering was dus ook toen nog niet algemeen! Maar de brokstukken kwamen goed en wel in Amsterdam aan en de studenten van de Quellinusschool hebben twee maanden werk gehad om de dikke verflagen weg te krabben en af te betten.
   Wie thans de Bolswarder kerk betreedt om er de kunstschatten te bewonderen, - en het zijn er jaarlijks eenige duizenden, die dit doen -, kan zien dat deze thans met liefde en zorg behandeld worden. In den zuidbeuk vindt men bij het binenkomen tegenover het borstbeeld van den Frienschen dichter Gysbert Jacobs een sterk verweerd relief van rooden zandsteen, dat nog uit de eerste romaansche of vroeg-gothische kerk afkomstig moet zijn. Het is de zoogenaamde St. Maartenssteen, waarvan de voorstelling echter niet duidelijk meer te zien is. In de kerk zelf valt het oog het eerst op de rijk versierde preekstoel en op de staatige Louis-XV vroedschapsbank, die thans het koor afsluit. De preekstoel is ouder; ze werd in 1662 vervaardigd, waarschijnlijk in Amsterdam, naar teekeningen van den Bolswarder glasschilder Gerben Wopkes, die daarvoor f 18,- betaald kreeg. Elk van de vijf paneelen is, evenals de kolommen of welk onderdeel men ook nader beschouwt, een meesterstuk van houtsnijwerk. In de voorzijde is een bijbel gesneden, de andere paneelen stellen door uitbeelding van veldvruchten en landbouwwerktuigen en andere voorwerpende vier jaargetijden voor. Het geheel is onmiskenbaar rijk en overdadig, het getuigt van vakmanschap, kunstzin en burgeradel, maar wat men aan dit werk noode mist is de deemoedige vroomheid van de kunstenaars uit de dagen der gothiek. Daarvoor moet ge in het koor wezen, waar de beroemde banken staan opgesteld. De goede zorgen, in de 19e eeuw daaraan besteed, hebben helaas niet ongedaan kunnen maken, hetgeen in vroeger tijden werd verminkt en verwaardloosd. Daar zijn stukken verzaagd, ingekort, deelen verdwenen, en tenslotte heeft men met veel goeden wil van wel en niet bij elkander passende deelen weer een geheel probeeren te maken. Tal van figuren hebben nog een geschonden gelaat, maar toch, welk een pracht, welk een stemming, welk een devotie. Het behoort tot het allerbeste, dat in ons land uit de 15e en 16e eeuw bewaard gebleven is. Zeker, ge kunt hier desgewenscht in snel tempo lang wandelen en opmerken: "Mooi, prachtig zeer interessant!" Maar ge kunt hier ook in rustige beschouwing uren toeven en trachten de voorstellingen te herkennen, die de houtsnijders hier hebben uitgebeeld. Geef den moed niet te snel op: er zijn heel bekende figuren bij, die een ieder kan thuis brengen. Daar is een rijzige den krachtige St. Joris met den draak aan zijn voeten, daar is Salomo's eerste rechtspraak, daar ziet ge den kleinen Izaäk op het altaar, terwijl juist een engel toeschiet om Abraham het zwaard uit de hand te nemen. Daarziet ge ook als een complete vertelling de geschiedenis afgebeeld van de heilige Barbara, die door haar vader in een toren opgesloten werd opdat zij haar kuischheid niet zou verliezen. Daar de toren donker was, beloofde haar vader dat hij er twee vensters in aan zou laten brengen. Barbara verzocht haar vader echter drie vensters te laten maken, aangezien de ziel ook door drie vensters te laten maken, aangezien de ziel ook door drie vensters (de driee-eenheid) haar licht ontvangt. Hieruit bemerkte haar vader, dat Barbara tegen zijn wil christin geworden was, waaarop hij in woede onstak en haar wilde dooden. Barbara vluchtte echter naar het hoogste punt van den toren en werd toen vandaar door een engel weggedragen. En ziet nu eens, hoe ontroerend naief en schoon, en met hoeveel liefde dit alles in uitgebeeld. Onderaan ziet men Barbara met haar vader bij den toren; boven zit links de herder, die haar verblijfsplaats in het bosch aan haar vader verried, en tenlotte ziet men in hetzelfde tafreel vader en dochter op den berg, waar de woedende man haar onthoofdde. Van de plooien in de kleederen tot de gevouwen handjes van de arme jonkvrouw is het alles zoo bezield, zoo onvervangbaar. En als ge hiervoor eenmaal oog hebt gekregen, dan kunt ge hier in stille beschouwing staan, tafreel na tafreel. En dan zult ge steeds meer zien en meer ontdekken op zoo'n regenachtigen namiddag in de Bolswarder kerk. Ge zult u verlustigen aan gothische bogen en kolommen en bladmotieven, zoo schoon als ge ze zelden zult weerzien in ons land. Ge kunt lachen en u verbazen om koddige dierfiguren en duivelgestalten, die u onmiddellijk herinneren aan de schilderijen van Jeoren Bosch. En ge zult genieten van de ontroerende schoone beeldjes, nauwelijks een paar decimeter groot, die de lezenaar van zulk een bank besluiten. En misschien buigt ge u dan ook nog wel iets langer over zoo'n enkele blauwe zerk, waarin een onbekende steenhouwer de geschiedenis van de opstandiging van Lazarus gebeiteld heeft.
   Zoo heeft men dan in Bolsward van het koor der kerk feitelijk een museum gemaakt, van voornamelijk voor-reformatorische kunst. Vergeleken bij hetgeen er allemaal geweest is, zijn het niet meer dan de scherven en de brokken, waarover men zich verheugt. Nog steeds zitten de muurshilderingen onder de kalklaag verstopt. Maar hoeveel is er voorgoed verloren gegaan? Eén enkel missaal, een foliant, gevat in een band van eikenhout met leer bekleed, waaruit nog bladzijden zijn verdwenen, dat is alles wat er van de kerkelijke boekerij van vóór de hervorming is gered. De rest is vernield door dezelfde bende, die ook het vermaarde Mariabeeld van de "kapel der mirakelen" op straat heeft verbrand. Wegvluchtende pastoors en monniken hebben in de rumoerige hervormingsjaren meegesleept wat ze dragen konden: eigendomspapieren van onroerende goederen, kostbaarheden, dierbare boeken. En ander deel is begraven of op andere wijze verstopt en een enkele maal komt daarvan nog eens iets voor den dag. Zoo kwam bij de afgraving van de kloosterterp van de Ludingakerk in 1873 een merkwaardige koperen plaat te voorschijn met een afbeelding van Johannes den Dooper, dragende het lam met de kruisvaan. Men neemt aan, dat deze plaat gediend heeft bij het vormen van de zoogenaamde St. Janskoekjes, die na kerkelijke wijding een wonderdadige kracht zouden bezitten, die onheil kon afwenden. En bij de jongste kerkrestauratie van Workum vond men zandsteenen brokstukken van een onder den grond gestopt altaartje op het kerkhof. Onder den vloer van den kerktoren van Wier stuitte men bij het graven op een gehouwen doopvont en als ge in een museum van kerkelijke kunst komt, dan heeft daar bijna elk stuk zijn eigen wonderlijke geschiedenis. Hoe veel gaat er verloren, hoe schamel zijn de resten die na enkele eeuwen nog getuigen van menschelijke cultuur. Maar dat wist de Leeuwarder klokkengieter Jacob Noteman al in 1611, toen hij op de Mannenklok voor den Bolswarder toren het opschrift aanbracht: Ik kan de stormen en den bliksem niet afweren!


webdesign & copyright
© 2001-2003 Eveline
→