De torens


 overzicht
Inhoud
Start
In de schaduw der St. Geertrui.


WIE als vreemdeling naar Workum gaat, weet dat hij daar een klein provinciestadje zal vinden met een zwaren, stompen toren en een groote kerk, waarin acht beschilderde gildebaren een welbekende bezienswaardigheid vormen. Daar is een tijd geweest dat van hier dagelijks een beurtschip voer op Amsterdam, de grootschippers zeilden naar de Levant en de walvischvaarders naar Spitsbergen, en de Workummer aalschuiten hadden hun vaste ligplaats op de Thames. Maar de nering verliep, het leven verstilde, de schelpkalkbranderijen naar elders verplaatst, de vischmarkt is opgehven, het vaarwater gedempt. In de overblijfselen van zulk een stad kan het gebeuren dat de Waag thans Bureau van Politie heet, en dat zoo hier en daar het gras tusschen de straatsteenen groeit.
   Wanneer ge van het station door de lange laan op het stadje toeloopt gaat de Groote Kerk nog schuil achter de boomen. Wel ziet ge op den uitersten Noordhoek van het langgerekte plaatsje de slanke spits van de Roomsche kerk, en wanneer ge straks van het centraal gelegen marktplein daarheen wandelt, passeer ge rechts de achter een kosterswoning gebouwde Vermaning. Het gaf immers maar ergernis aan de 17e eeuwsche belijders van de eenig ware leer als de doopersche dwalers zoo maar aan 's Heeren weg zouden bouwen.... Dat de Roomschen in die dagen een kerk hadden kunnen bouwen, was natuurlijk geheel ondenkbaar. Van het leven en streven onzer voorouders hebben wij allen uit onze schooljaren een min of meer gekleurd beeld dat simpeler van structuur werd, naar mate onze herinneringen verbleekten. Maar al te gemakkelijk wordt vergeten, dat elk historisch feit de restauratie is van krachten en tegenkrachten, en het geschiedbeeld dat men zich zelf op deze wijze ontwerpt is vaak heel wat romantischer en heroïscher dan de werkelijkheid. De overwinningen waren niet altijd zoo gemakkelijk en de strijd was niet altijd zoo edel.
   Een van de omstandigheden, die sommigen in het geschiedbeeld van ons voorgeslacht gemakshalve verwaarloozen, is de aanwezigheid van Roomsche landgenooten in de Zeven Vereenigde Provinciën. Niet: een handvol verraders, openlijke of heimelijke aanhangers van de Spaansche zaak, maar goede vaderlanders, rustige burgers en boeren, die echter in zake het eeuwig heil meer vertrouwen stelden in de kerk hunner kinderjaren dan in "het nieuwe licht". Zulke Roomschen waren er in alle deelen van het land, zij werden niet weggevoerd en niet uitgemoord, maar ze bleven bestaan, al waren ze dan ook velen een "ergenisse". Zoo ook in Workum, nadat daar in 1580 de kerk hervormd was door het godgevallig optreden van de soldaten van Sonoy, die alle kerkschatten roofden, en vernielden, hetgeen niet kon worden meegenomen. Kort daarop verscheen de Resolutie van 31 Maart 1580, welke bepaalde, dat "alle priesters ende andere geestelijcke persoonen, soo mans als vroupersonen, sullen afhouden van alle Pauselijcke-gheimlijcke ceremonien, diensten ende ook van hare predikatiën, soowel in het gheimelijck als in 't openbaar". De pastoor van Workum, Regnerus, hield zich eerste eenigen tijd schuil, maar ziende dat de bui ditmaal niet overdreef, vestigde hij zich te Makkum, in afwachting van het pensioen dat de overheid aan de afgezette mispapen had toegezegd. Zijn praebendaris, Saulus Scheltonis, was blijkbaar van ander hout gesneden: hij trad als soldaat in dienst bij het Spaansche leger en sneuvelde het volgend jaar.
   Hoe lang de Roomschen van Workum toen zonder zielsverzorger zijn gebleven staat nergens opgeteekend, maar heel lang kan het niet zijn. Want dan is er achter aan het Sijlpad, even buiten Workum, een zekere Heer Jacob, die daar in een klein huisje woont. Hoewel het een publiek geheim is dat Heer Jacob niet alleen voor die van Workum maar ook tot ver in den omtrek den pastoorsdienst waarneemt, maakt de stedelijke overheid het hem niet lastig. Heer Jacob is dan ook zoo voorzichtig geen kerk aan zijn huis te houden. Dan weer ziet men hem langs de wegen loopen, dan gaat hij met roeiboot en polsstok door de greiden, in den winter bindt hij de schaatsen onder. Men ziet hem soms onder Bakhuizen, te Sloten of in de Lemmer, een ander maal heeft en visscher hem over het Hegermeer naar Woudsend gebracht of fluistert met dat Heer Jacob den weg naar Makkum is opgegaan. Meer dan duizend communicanten moet hij in den omtrek bedienen. Waar een huwelijk gesloten moet worden, waar een jonggeborene door het Heilig Doopsel van de erfsmet moet worden verlost, waar jonge kinderen in een hagelwitte communiejurk gestoken voor de eerste maal het brood der engelen zullen ontvangen, kortom overal waar men begeerig is naar de genademiddelen der Moederkerk, daar zult ge Heer Jacob van Workum op pad vinden. Van zijn mede-arbeiders wordt de een voor, de ander na door den grietman gegrepen: deze omdat hij de lidmaten der heerschende kerk te veel ergernis gaf, gene omdat hij de voorschriften der Staten te roekeloos overtrad. Maar Heer Jacob weet meer dan veertig jaren vol te houden. Reeds voor zijn dood is hij een legendatische figuur, van wien ieder sterke stukjes weet te verhalen. Voer hij niet met den lijfwacht van den grietman in diens eigen schip mee, en bekeerde hij den man bovendien nog niet onderweg? In den Kerstnacht van 1639 betreedt de grijze pastoor na een langen tocht door den kouden winteravond voor de zooveelste maal de poort van het huis Juvinga te Donia onder Oosterend. Daar staat het altaar gereed, waar hij al jaren lang voor zijn getrouwen de mis heeft opgedragen. Tijdens zijn predikatie begeven hem spraak en bewustzijn. Men draagt hem weg. Wanner hij niet lang daarna nog een oogenblik helder van geest wordt, betuigt hij zijn spijt, dat hij niet eerder de heilige communie heeft uitgedeeld. Op den tweeden Kerstdag is Heer Jacob daar als een ridder in het harnas gestorven.
   Ook hier gold het dichterwoord: de dienaars gaan voorbij, de dienst blijft ongeschonden. Op Baenburen, een half uur gaans van Workum, wordt naar men fluistert, de mis opgedragen. De schuur van het boerderijtje kan een heele schare geloovigen bevatten, en de boer die er woont is met de latijnschen gebeden even vertrouwd als met het melken van zijn koeien. Men zegt, dat zijn ware naam pater Schiedam is. Zijn opvolger, Henricus Sonnius, wist weer geen maat te houden. Wanneer die op een Kerstavond, na de nachtmis, alle kerkgangers brutaalweg door de hoofddeur van de schuur laat weggaan, wordt hij door den schout gegrepen. Het altaar wordt omvergeworpen en verbeurd verklaard en pater Sonnius wordt in het miskleed getrapt, geslagen en op den grond geworpen. Hij wordt opgesloten en een half jaar later door Groninger katholieken voor een belangrijke som vrijgekocht. Sindsdien is Baenburen nog menigmaal bespied en doorzocht. De volgende pastoor, Cyprianus Orus, had in Leeuwrden al zooveel naam gemaakt, dat de dienaren van het Leeuwarder Hof meer dan eens naar hem komen zoeken. Maar deze had in het huis een zoo goede schuilplaats, dat het huis eenmaal drie uren lang overhoop werd gehaald, zonder dat men hem vond. Men snuffelde in kisten en kasten, beukte tegen muren, brak vloeren open en hakte een gat in den schoorsteen. "We weten zeker dat de priester hier in huis is, en we gaan niet weg voor en aleer hij gevat is!", hoorde hij zijn vervolgers zeggen. Maar gegrepen werd hij toch pas een volgend maal, toen hij op St. Werenfridusdag in 1662 de mis opdroeg. Hij werd op het raadhuis van Workum in een kamer gezet, waar ieder hem mocht bezoeken. Van die vrijheid maakte ook de predikant gebruik, niet om een woord van troost of deernis te spreken, maar voor het houden van een "religie-gesprek". Ook voor hem moesten zijn aanhangers een losgeld van vierhonderd guldens neertellen. Niet lang daarna is Baenburen verbrand door de onvoorzichtigheid van een paar grasmaaiers. Maar al is de heerschende kerk dan nog even onverzoenlijk, de tijd is al ver genoeg voortgeschreden dat in de overheid een zekere mate van verdraagzaamheid de overhand heeft gekregen. Zoo verneemt de pastoor, dat hem geen moeilijkheden in den weg gelegd zullen worden, wanneer hij zich binnen de stad Workum zou willen vestigen. Voortaan heeft de stad weer een pastoor, al had men ook voordien dus niet zonder gezeten. Maar toch zullen nog twaalf opvolgers door hun misbediening de landswetten moeten overtreden, alvorens de Fransche revolutie gelijkstelling meebrengt.
   In den tijd, waarin de Workummer pastoor zich weer binnen de stad durfde te vestigen, kende Workum twee verschillende doopsgezinde gemeenten, de Friezen en de Waterlanders. Na hun vereeniging telde de gemeente 417 leden, en nu was de beschikbare kerk te klein geworden. Naast de Vermaning lag echter een onbebouwd stuk grond, dat aan de stad toebehoorde en dat deze in erfpacht had afgestaan aan den oud-burgemeester Bince Hanses. Na zijn dood wenden enkele doopsgezinde broeders zich tot de magistraat en verzoeken "om de ledige plaats van Bince Hanses, naast de Vermaning leggende, aan haar over te doen, tegen het onderhoud van straat en wallen en betalende de Huijsfloreen daarop leggende". De magistraat wist natuurlijk zoo goed als ieder ander in Workum dat men dit stuk grond zou gebruiken tot vergrootging van de doopsgezinde kerk. Niettemin wordt het toegestaan! De verdraagzame geest doet zich gelden. En zoodra de gelden bijeengebracht zijn, verrijst dan ook de nieuwe Vermaning, dezelfde die men nu nog te Workum ziet.
   In haar oorsprong was echter ook de doopdgezinde gemeente van Workum een "gemeente onder het kruis". De eerste dooperschen hadden hun vergaderplaats gehad te Sandevoorderijp, midden in het rietland tusschen de plassen. De martelares Claesken, den veertienden Maart 1559 te Leeuwarden na een dagenlang folterend verhoor veroordeeld "mitten watere geëxecuttert ende van Levende Lijve ter doodt ghebracht te worden", had bekend dat zij "te Workum in het veld" was gedoopt door Gilles van Aken. Een ander rondreizend vertolker van het doopersch beginsel getuigde dat hij op dezelfde plek vijf en dertig menschen den doop had toegediend. Daar buiten, in de zompige weilanden, daar werd dus de grondslag gelegd voor de "reine gemeente Gods", zooals de eerste mennisten die verstonden. En had niet heel Workum geijsd toen een Hardewijker schipper dicht onder de kust voor Workum door een Spaansche galei overvallen was. De kapitein, Joseph de Talmero, had den ongelukkigen Hendrik Pruyt in verhoor genomen en bemerkte al eas dat hij met een dooperschen te doen had. Hij liet den schipper in een schuitje vastbinden, overdekte het lichaam met teer, rijs en andere brandbare stoffen en liet het scheepje brandend op het water drijven. Nog zag de gefolterde kans een begin te maken met het blusschen toen de touwen doorgebrand waren, maar de kapitein zond er een sloep met enkele soldaten heen, die den man den genadeslag toebrachten en het lichaam in zee wierpen. Hij was de laatste martelaar, die in Friesland ter dood gebracht werd.
   De ketterjacht van de gereformeerde kerk onzer vaderen bediende zich van andere middelen, maar in onverdaagzaamheid gaf men den Frieschen inquisiteur Lindanus zeker niets toe. De eigen lidmaten hadden daarvan op den duur de meeste laast, maar in 1722 werd nog eens een aanval op de doopsgezinden ondernomen. De doopsgezinde predikers te Workum werden dan op bevel der Staten voor den magistraat geroepen om een formulier te onderteekenen, waarbij ze verklaren dat ze niet besmet zijn Sociniaansche ketterijen. voor deze kwam de zaak blijkbaar niet onverwacht, want Dirk Hinloopen leest, mede namens zijn vier medeleeraars een weigerend antwoord voor, dat men nog thans met genoegen leest:


   "UEd. vergt een saek, ons noch onze voorvaderen sedert de grondlegging van deeze vrije staat door Prins Willem I (loffelijker geheuge) noijt zo bijgeleid. Wij gelooven met UED. al hetgeene door Mozes en de profeten gesproken is. Verwerpen met UEd. een stedehouder van Petrus, maar tevens, hoewel wij geheel met u overeenstemmen in geloof, dat de middelen van dwang nimmermeer mogen noch behooren gebruikt te worden in saken van concientie waarover God alleen de magt aan sig behouden heeft, aan wien ijder mensch van zijn gevoelen, zowel als van zijn doen en laten te sijner tijdt rekenschap zal moeten geven,
   Wat sullen we dan doen? Geloofsarticulen ondertekenen? Ons en onse Nakomelingen verbinden, daarbij te sullen blijven? en zo alle niet welgestelde toehoorders tot aanbrengers, fiscalen en inquisiteurs maken?

   Groeiden de Roomsche en de Doopsgezinde gemeenten tegen de verdrukking in, de gereformeerde kerk van Workum, hoewel "gedekt onder de vleugelen der bescherming van de Hoge Magten des Lands", verheugde zich niet in het kommerloos bestaan, dat men in zulke bevoorrechte situatie zou verwachten. Gebrek aan belangstelling en daarmede gepaard gaande gebrek aan geld, deden zich van haar stichting af gevoelen. Bij de invoering der Hervorming in 1580 hadden Sonoy's benden, vooruitloopende op het voorschrift der Staten de oude St. Gertrudiskerk reeds gezuiverd "van de beelden, altaren ende alles wat totter Roomscher Ceremoniën ende duijvelsche afgoderije ghedient heeft". Na al hetgeen het kerkgebouw in deze eeuw had geleden, was het geen wonder dat het restant nu weinig meer dan een puinhoop genoemd kon worden. In het onheilsjaar 1515 hadden eerst de Gelderschen kerk en toren in brand gestoken. Op Pinksteren van hetzelde jaar trok "de zwarte hoop" er binnen, "alles uijtweijende ende omwerpende 'tghene bij den Gelderschen staende ghebleven was". Bij die gelegenheid bezweek de torenspits. Acht jaar later verschansten de Gelderschen zich in den toren en staken de kerk in brand. Hun belegeraars namen den toren stormenderhand in en lieten hem afbreken tot aan de eerste galerij. Het herstel was nauwelijks half gevorderd, toen de hervormden de kerk in bezit namen. Vandaag den dag wordt er wederom gerestaureerd, maar noch kerk noch toren zijn ooit weer in den ouden staat teruggebracht en ook nu zal dit niet geschieden. De machtige kruiskerk, die al rijkelijk groot was toen zij bestemd was om de heele bevolking van Workum te omvatten, was voor de sterk gemutileerde hervormde gemeente door alle eeuwen heen een bezwaarlijk bezit. De eerste predikant van Workum heeft blijkbaar medegedeeld in de kerkelijke armoe. Want als de Synode in de Pinksterweek van 1584 binnen Harlingen onder zijn voorzitterschap bijeenkomt, dan worden tegen het einde der vergadering drie van de gezaghebbendste broeders belast "omme met assistentie van twee ledemaeten der kercke van Workum aen to holden tot noedruftighe verbeteringhe des onderholts haers dienars Antonii Claessz, die altoes tot noch toe all toe weynich es geweest owermits den armoedt der kercken aldaer, daerinne hy Antonius duslanghe geduldich geleeden heeft". Men heeft daar verandering in weten te brengen en vijftig jaar later gaat men zelfs over tot het beroepen van een tweeden predikant op een traktement van 600 guldens, terwijl de eerste predikant 700 guldens kreeg. Gelijk menige gemeente tot in den huidigen tijd ervaart, ervoer men het ook in Workum: 't kan goed gaan, maar meestal gaat het niet best. Wie een studie zou willen maken van de kwesties tusschen twee predikanten zou verbaasd staan over de vindingrijkheid der broeders. Is daar wel een onderwerp waarover een tweetal eerwaarden geen kwestie kan maken? In Workum dan ging het om de pastoriebleek. De eene predikant wilde er zijn waschgoed op laten bleeken en de ander wilde er schapen op weiden. Tenslotte kwam de stedelijke overheid zelfs tusschenbeide met een resolutie "wegens de misstanden en verschillen tusschen beide predicanten alhier". Maar drie jaar later moet de magistraat opnieuw een klacht behandelen "over het weiden der lammen ofte schapen op den gemene pastorije bleeck...." Een van de beide heeren heeft de vroedschap tenslotte "als een ongehoorsame en oproerige borger" het burgerrecht ontnomen, terwijl hem werd aangezegd, dat hij Workum voor zonsondergang verlaten moest hebben, wilde hij niet door een stadsdienaar worden uitgeleid! Voorwaar een krasse maatregel, waar nocj de classis noch afgevaardigen van de synode iets aan vermochten te veranderen. Dat de classis dezen man aan de gemeente Heerenveen, die hem een beroep zond, aanbeval als "een goed en vreedzaam broeder van onze classis" geeft over deze classis te denken....
   Daar wordt verteld en voor waar gehouden dat een dominee, na jaren langen strijd met zijn collega, van zijn gemeente afscheid nam in een predikatie over Gen. 22: Blijf gij hier met den ezel! Het zou niet te verwonderen zijn, indien dit in Workum was geschied.... Workum kreeg nog heel wat te stellen met zijn predikanten. Daar was een schuldenmaker op wiens nalatenschap beslag gelegd werd. Een ander moest ontslag nemen wegens politieke moeilijkheden. En tenslotte is daar de trieste historie van een predikant, die het heelemaal niet kon vinden met zijn gemeente, maar die het er toch langer dan zestien jaar uithield alvorens aan de classis ontslag te verzoeken. In de broedervergadering klaagt hij als volgt:

   "Ik hebben nu 16 jaren in de gemeente van Workum gediend als leeraar. Opgevatte vooroordeelen tegen mij en mijn leertrant veroorzaakten mij, reds eer ik mijn dienstwerk aanving en daarna, geen geringe moeilijkheden. Moeilijk- en onaangenaamheden waren rijkelijk mijn deel. Schoon ik noch in mijn gesprekken, noch in mijn leerredenen (waarin ik mij beroepe op die broeders, die mij gehoord hebben) ben afgeweken van den regel die ons is voorgeschreven, heb ik echter 't verdriet gehad mijn dienst van velen veracht te zien; terwijl genen met een verdenkend hart, misleid door ingegeven vooroordeelen van denselven slechts nu en dan gebruik maakten en anderen, door dien vergiftigenden invloed tot vertwijfeling vervoert van het wezenlijk nut desselfs verstoken waren. Het was zelfs bij sommigen, die zich tot leeraars en onderwijzers opwierpen een daad bijkans van godsdienst, leden van de gemeente af te trekken van het gebruik van mijn leerredenen en mijn onderwijs. Ik heb dus, (gelijk ook eenigszins mijn gewezen ambtgenoot) met moeite en geringe stichting in die plaats gestaan. Ik ben moede der verdenkingen, des argwaans, der vooroordeelen, der teisterende ontmoetingen. Ik getuige niet langer met een vereischt genoegen, opgeruimdheid des harten en lust, noch met dien geest, die ons bezielen moet bij ons werk den dienst in die gmeente te kunnen volbrengen. Het is hierom, dat ik UEd. verzoek mij vriendelijk van mijn vasten dienst, behoudens eer en zitting in uwe vergadering, te ontslaan, opdat de gemeente in mijn plaats een anderen leeraar verkiezen, die mt genoegen, vrede en ruste haar diene, hetgeen ik van harte wensch! Die de gelukkige kunst bezitte van al hare leden en den Heer tevens te behagen! kunst, die ik nooit zou aanleeren."

   Is het wonder, dat de overlevering verhaalt, dat het deze dominee is, die tot afscheidstekst koos uit den 35sten Psalm: Veertig jaren heb ik verdriet gehad aan dit geslacht?
   Maar ga thans de kerk binnen en bezie de plaats waar zich al deze dingen afgespeeld. Zoolang de restauratie onder leiding van architect Jan de Meijer uit Amsterdam nog in vollen gang is, is van banken, preekstoel en koorafslutiing niet veel te zien. Maar daar ligt op den nood-preekstoel nog de Keur-bijbel, waarop bijkans al de predikanten van Workum de hand hebben laten rusten tijdens hun predikatie. De koster vergeet nooit u te wijzen op de geeselroede en een doodsbeen van de heilige Geertruida, herinneringen uit den voor-reformatorischen tijd, uitgehouwen in twee des zes zuilen. Belangrijker zijn de fraai beschilderde en van opschriften voorziene gildebaren. Op een daarvan ziet men een levendig stadsgezicht geschilderd: de boterwaag op het Marktplein voor dat de Wijmerts werd gedempt. De voormalige sakristie van de kerk, later latijnsche school, is reeds voltooid, maar de westzijde met de wonderlijke loods, die als kosterswoning dient, biedt den bouwmeester meer moeilijkheden. Het koor zal hier als een vaste avondmaalskerk worden ingericht, en herkrijgt daarmede gedeeltelijk zijn oude bestemming. Sinds de reformatie heeft men altijd een beetje verlegen gezeten met die groote koorruimten in de kruiskerken. Het werd gezuiverd van altaar en beelden en van alles wat tot de roomsche afgoderij had gediend, maar de ruimte bleef er toch altijd. Vaak heeft men die dan afgeshut met een sierlijk gesneden hek, maar gebruiken deed men het koor eigenlijk nooit. En wanneer men het een enkele maal gebruikte, was het doorgaans meer misbruik dan gebruik. Zoo werd hier in Workum in het midden van de achttiende eeuw in het koor de boekenverzameling van een emerituspredikant uit een naburig dorp in veiling gebracht. En enkele tientallen jaren later stond met het koor bij contract af als oefenplaats voor een patriottisch excercitie-genootschap. De oefeningen, die door trommelspel en fluitspel begeleid werden, gaven echter zooveel ergernis, dat hieraan weer een eind gemaakt werd. In andere Friesche kerken werden in den Franschen tijd openbare lessen en prijsuitdeelingen van kostscholen gehouden, bij voorkeur in tegenwoordigheid van alle stedelijke autoriteiten en met veel vertoon van Fransche toespraken. Misschien was men in die dagen al heel blij dat men voor zoo'n groote koorruimte ten minste een enkele maal een bestemming had gevonden.


webdesign & copyright
© 2001-2003 Eveline
→