De torens


 overzicht
Inhoud
Start
Ketterij in het land der vrije Friezen


ELF steden en twee en dertig grietenijen vormen tezamen het land der vrije Friezen. Het is niet zoo vlak als ge u voorstelt en niet zoo ver van het hart van Holland als de Friezen zelf wel gelooven. Maar nooit zult ge het leeren kennen en liefhebben als ge dit land niet wilt betreden met een open oog en oor voor het eigene, waarop de Friezen zoo trotsch zijn; het eigene, dat land en volk kenmerkt in heden en verleden. Ook hier zult gij het heden niet begrijpen, als ge de historie niet tracht te verstaan. Want het land is immer meer dan de grond, het volk meer dan de bewoners. Trek dan rond van plaats tot plaats en ga niet van hie, voordat de volle schatkamers van het volksbezit voor u open zijn gegaan: het erfgoed onzer vaderen is oneindig veel rijker, kleuriger en glanzender dan hetgeen de geleerden daarvan in hun shrijn der wijsheid geborgen hebben. Zet u neer om te luisteren naar oude volksverhalen, die eeuwen lang van mond tot mond gingen. Ga in de Friesche wouden op zoek naar de drie in elkaar gegroeide eiken op de heilige plek, waar eertijds de Friensche mannen bijeenkwamen om te beraadslagen over vrede of strijd. Blader gerust weer eens in de oude kronieken zonder te kissebissen over hetgeen de schrijver met zijn verbeelding aanvulde, wanneer de feiten hem ontbraken. Want al deze door verlichte geesten verworpen bouwsteenen zijn niettemin hoeksteenen geweest van volksgellof en volkswijsheid, van volklied en volkskunst. En waarom moet ge u wijzer noemen dan het volk, nog voor ge het hebt leeren kennen?

   Stap dan in Enkhuizen aan boord, neem een goede plaats op het bovendek en zoek den Noordelijken horizon af zoodra de boot het havenhoofd achter zich heeft. Wie dan bij helder weer de Friesche kust niet binnen een minuut in het vizier krijgt, heeft geen goede oogen. Zoo tuurde eens, met begeerig verlangen, een Hollandsche graaf naar het land der vrije Friezen. Als men Floris toen voorspeld had, dat het nageslacht minder jaren noodig zou hebben om de zee droog te leggen dan hij en zijn nakomelingen zouden behoeven om het verzet der "bestiales Frisones" voorgoed te breken, wie weet had hij den steven niet gewend? Maar Stavoren was in zicht. En Stavoren zou het begin zijn van de ondergang der Friesche vrijheid.

   Als ge geloof wilt schenken aan Cornelis Stavriensis, - en waarom zoudt ge dat niet, want hij heeft het van Johannes Vlitarp nageschreven, die op zijn beurt weer vernieuwd en verbeterd heeft hetgeen deze bij Ocko Scharlensis had gevonden, welke het uit de geschriften van zijn voorvaderen zou hebben geput -, als ge dus geloof wilt schenken aan de Friesche kroniekschrijvers, dan danken de Friezen hun roemruchten naam aan een zekeren prins Friso, die met zijn jongere broeders Saxo en Bruno onder Alexander van Macedonië had gediend, nadat zij gedrieën uit Indië, hun geboorteland, waren weggetrokken. Toen deze heerscher gestorven was, achtten de broeders het raadzaam snel van daar te gaan, aangezien hun anders door toedoen van de inwoners van dat land eenig ongeval ofte perikelkel overkomen mocht.... Zeker kenden zij de uitspraak van Seneca, dat al te strenge regeeringen gemeenlijk ongunst der onderdanen en rebellie tegen de overheid in zich bergt. Daarom zeilden ze met een goeden en gelukkigen wind naar Afrika en vandaar naar de kusten dit land, waar de grond en zijn vruchtbaarheid hen zeer behaagden, en ziende dat het geheel woest en onbewoond was, besloten ze er met hun volgelingen bezit van te nemen. Met grooten ijver begonnen ze op verschillende plaatsen te timmeren en te bouwen, en in de bosschen aan de rivier het Vlie, die in de Noordzee uitkwam, maakten ze een schoonen en heerlijken tempel voor hun afgod Stavo.
   Na verloop van tijd echter, - aldus vervolgt het verhaal van Ocko van Scharl -, was het land in bezit genomen en nu gebeurde het dat de broeders geschil en tweedracht kregen over het weiden van de beesten en mogelijk ook over andere zaken. Het verhaal van onzen kroniekschrijver is door en door menschelijk, naar ge ziet. Friso, de oudste en wijste van de drie, stelde voor dat twee van hen een ander land zouden opzoeken, en wilde het lot dienaangaande laten beslissen. Maar de anderen zeiden, dat hun niets ging boven een goede broederschap en derhalve gunden zij den ouderen broeder Friso dit land, dat zij misschien in hun Indische hart ook wel wat kil vonden. Gezamenlijk zijn ze toen naar het Oosten getogen, totdat Saxo nevens de rivier de Elbe zijn woon koos in een gebied dat nu nog het Saksenland wordt genoemd. Bruno echter, vreezende dat er na verloop van tijd ook tusschen hem en Saxo discordie zou rijzen, ging met de zijnen nog dieper dat land in en vestigde zich daar waar men thans Brunswijk vindt.
   Friso en zijn nakomelingen bleven echter ongestoord voortleven in de lage landen bij de zee, die zoo groen zagen als een weiland maar groen kon zien. Juist anderhalf jaar voor de geboorte van christus heeft Grunus, wiens vader een kindskind van Friso was, ergens in Friesland een kasteel gebouwd, hetwelk hij naar zijn eigen naam Grunenberg noemde. Mettertijd heeft men daar vele huizen en andere woningen opgetrokken, zoodat er ten laatste een dorp ontstond, dat echter eerst veel later met houten planken en een wal is versterkt. Bij de beschrijving van die plaats, die ten tijde van Corn. Stavriensis Grunningen genoemd werd, hebben veel uitheemsche schrijvers, hetzij door onwetendheid, hetzij door kwade overschrijving gedwaald, door te vermelden dat deze stad eerder dan eenig andere plaats in dit land bewoond zou zijn geweest. Dat men dit niet behoort te gelooven is klaar en duidelijk, immers Friso heeft bij zijn komst in deze streken bevonden, dat het land geheel woest en onbewoond was!
   De jongste zoon van Grunus, Frisus genaamd, was een wonderbaar onversaagd en moedig man, - waarmede in dien tijd gezegd wil zijn dat hij niets vuriger begeerde dan voor de vrijheid te strijden -, en hij huwde met de dochter van den prins van Stavoren, en wel kort voordat deze plaats door wallen, grachten en torens tot een geduchte sterkte werd gemaakt. Zoo kreeg de Friesche vrijheid haar veste en woon.

   Intusschen ligt de oude Friesche koningsstad voor u. Reeds zwenkt de boot de haven binnen om dan tergend langzaam nog eerst een slag te draaien voor men voet aan wal mag zetten. Hier stond dus eens in dichte en donkere bosschen het beeld van den afgod Stavo. Hier staat thans het poover restant van een stad, die volgens de overlevering eens zoo groot was, dat de muren van de oude hoofdkerk een half uur gaans bewesten de haven in zee liggen. Voeren niet haar schepen als eerste dezer streken naar de landen achter de Sont, waar zij tolvrijheid genoten, omdat een koning van Denemarken bij de burgers van Stavoren in het krijt stond?

Daar in die rijke stad
die meer dan duizend schepen,
belaân met 's werelds schat
de haven in zag slepen,
daar leefde in roem en eer
een rijke weduwvrouw,
wier voorbeeld ons doet leeren
hoe hoogmoed brengt in rouw.

Geen ijzer, neen, maar goud,
zoo sprak zij, siert mijn woninge;
en 't huis, voor haar gebouwd,
scheen 't woonhuis van een koning.
't Was al wat d'oogen zagen
vol vorstlijkheid en praal,
Behoeft men meer te vragen:
de stoep was van metaal!

De leuning was zeer schoon,
uit louter goud gedreven,
de knop, het scheen een kroon
van parelen omgeven;
ja, breede zilverplaten
geklonken in den grond,
bedekten al de straten
zoover haar woning stond.

   Van al het schoons, waarvan het oude volkslied zingt, is niets gebleven. De koopvrouw droeg den bedelstaf, de stad kent slechts den roem van de memorie. En Stavo's beeld, dat niemand vond, de gouden stoep, die ge niet zag, was 't alles leugen der historie? Ja, wat verwacht ge nu eigenlijk, teleurgestelde toerist? Als ge de vier windstreken kent, wend dan den blik naar het Noorden: vandaar kwamen de Noormannen. Het mogen dan niet zulke schelmen geweest zijn als de middeleeuwsche kloosterbroeders ons willen doen gelooven, zij kwamen toch waarlijk niet alleen naar Stavoren om er den Friezen het scheepsbouwen te leeren, al toont de Staverensche jol nu nog den vikingsteven. Draait u een kwart slag om: daar komen de benden van den Utrechtschen bisschop, die zijn deel in den buit begeert. Uit het Westen naderden de schepen van de Hollanders, die den dood van den in Westfriesland gesneuvelden graaf moesten wreken, en ten Zuiden van de stad ligt de steile kustwal van het Roode Klif. Wanneer het Klif vuur uitbraakte en er een vervaarlijken, in vlammen gehulden draak te voorschijn kwam, die boven de stad bleef zweven, dan wist men in Stavoren, dat er een ramp op komst was, hetzij een inval van vreemd krijgsvolk, dan wel een overstrooming of een honderdern huizen verwoestende brand. Waarlijk, ge kunt moeilijk verwachten dat het paleis van Richolt, den eersten Frieschen koning, er nog zal staan met de beeltenissen van alle heeren en hertogen die Friesland heeft gekend. Ook van het klooster van St. Odulf is niets meer te vinden van een boerderij op het Bakhuizer hoog, die althans den naam nog bewaart. Is het al geen wonder dat er in het Friesch Museum te Leeuwarden nog een Staverensche gildebeker van 1397 te zien is? En in de Hervormde kerk kunt ge toch nog wel even staan peinzen over een oud stukje snijwerk, zoo goed als ge u kunt verheugen in een deftig raadzaaltje van het stadhuis. Maar ge kunt dit alles natuurlijk ook ongezien voorbij gaan. En thuisgekomen vertelt u dan aan uw kennissen, dat er heelemaal niet te zien is. Want zoo reizen de menschen...

   Aan Stavoren blijft de naam verbonden van de allereerste ketterij op Nederlandschen bodem. Nog geen honderd jaar nadat het Christendom in deze streken gevestigd was begaf zich al een Utrechtsch bisschop naar Friesland om het leerstuk de heilige Drieënheid in bescherming te nemen tegen de afwijkende opvattingen, die men daaromtrent in Stavoren huldigde. Was het waarlijk een "uiting van het nog niet door de kerkleer bedorven gezond verstand der Friezen", zooals een geschiedschrijver ons wil doen gelooven, of stuitte bisschop Frederik op Friesche stijfkoppigheid? Hoe het ook zij, de bisschop speelde het alleen niet klaar. In het Sticht teruggekeerd schreef hij een korte verhandeling over het betwiste dogma, alsmede een gebed voor kerkelijk gebruik, en daarmee zond hij Odulfus, een der kanunniken van St. Maarten, naar het verre Friesche land. Diens ijver en geduld hadden méér gevolg dan het bisschoppelijk bezoek. De herinnering aan den vromen Odulf bleef bewaard in den kloosternaam en in den abtsstaf, dien gij nog in het wapen terugvindt, dat in kunstig snijwerk den stadhuisgevel siert.
   Was deze Stavorensche ketterij uit de 9e eeuw een op zich zelf staand verschijnsel geweest, dat is niet het geval wanneer in de Friesche landen opnieuw aan de leer der kerk getwijfeld wordt. Dan is de lucht vol van een komenden nieuwen tijd. En waar de geluiden van den nieuwen tijd nog niet dóórdrongen, daar is men den ouden tijd toch moe. Maar al te vaak hebben de monniken zich gemend in een wereldschen strijd, soms hebben ze elkander bevochten, en de laatste achting die men hun toedroeg, hebben zij verspeeld in een leven buiten tucht en orde. Van de kloosterzusters sprak men al niet veel beter. Gunstiger oordeelde men wellicht over de pastoors, die men hun vicaris en in groote plaatsen nog door een praebendatis bijgestaan, kerkdienst en zielszorg verrichten in de kerken van elf Friesche steden en driehonderd en zestig dorpen. Door hun positie waren de kerkedienaars meer dan de kloosterbroeders in geregelde aanraking met de huishouding van stad en dorp. Bovendien woonde de Utrechtsche bisschop ver genoeg weg om een groote mate van zelfstandigheid van de Friesche geestelijkheid mogelijk te maken. De lage geestelijkheid voelde zich Friesch en vrij, en zóó ver van rome dat men in 1512 een collecte ten behoeve van het pauselijke hof eens en voor altijd van de hand wees, omdat men het "lastig en ongwoon" vond. Daar is een dorpspastoor, van wien men weet dat hij dat al deed voor Luthers optreden, maar in elk geval deed hij het ook nadat de inquisiteurs reeds in Leeuwarden zetelden. Daar is een ander, die na de lezing van Luthers geschriften naar Wittenberg gaat om daar aan de kettersche hoogeschool te studeeren. Wanneer hij later naar Friesland terugkeert, meldt hij zich aan bij het klooster waartoe hij vroeger behoorde. Natuurlijk wordt hij over zijn ongehoorzaamheid onderhouden, er wordt hem een straf opgelegd, maar grootendeels kwijtgescholden en de zondaar krijgt opnieuw een pastoorsplaats en wordt later zelfs abt van een klooster. De ketterij was reeds zoo verbreid door de geheele geestelijkheid in Friesland, dat men haar indien mogelijk pro forma bestrafte. Een Leeuwarder pastoor, die aldaar een school had opgericht voor het onderwijs in de klassieke talen, nam de vrijheid de mis in het geheel niet meer te bedienen. Hij verwierp de leer van het vagevuur en achtte bedevaarten nutteloos. Kaarsen moest men liever ontsteken om er bij te spinnen, dan om ze voor een blind beeld te plaatsen, leerde hij. Het beoefenen van goede werken keurde hij goed, mits men niet meende daarmede zijn zonden te boeten. Later werd deze pastoor te Groningen, nadat hij aan de protestantsche hoogeschool te Heidelberg den doctorstitel had behaald!
   Zulke waren er velen in deze streken en het verklaart het gemak waarmde tientallen pastoors en vicarissen bij de officieele invoering der hervormde eeredienst overgingen tot de nieuwe leer. Van een van deze mannen, eerst vicaris van Pingjum en nadien pastoor te Witmarsum, zijn geschriften bewaard gebleven, waaruit wij iets leeren kennen van den twijfel die hem reeds vroeg gepijnigd heeft. Hij schrijft, dat hij reeds in het eerste jaar van zijn bediening bij het opdragen van de mis de gedachte voelde opkomen dat het brood en de wijn, die hij in handen nam, niet des Heeren vleesch en bloed konden zijn. Zulke gedachten beschouwt hij aanvankelijk als inblazingen van den duivel, die het er op aan zou leggen hem zijn geloof te ontnemen. "Ick beichtede het menigmael, suchtede en badt, konde evenwel van die gedachten niet gevryt worden". Wanneer hij zijn moeilijkheden bespreekt met zijn pastoor of met zijn collega's, drijven dezen den spot met zijn twijfel en laten hem aan zijn lot over. Zijn bezwaren tegen het misoffer worden eindelijk zoo groot, dat hij zijn aanvankelijken vrees om den bijbel te raadplegen, - blijkbaar vreesde hij door die lectuur heelemaal verleid te worden -, laat varen en de jonge vicaris verdiept zich zelfstandig in de studie van het Nieuwe Testament. Dat hij later in zijn pastorie te Witmarsum ook nog wel andere geschriften durfde bestudeeren, blijkt uit de rekening van Johan van Rataller, rentmeester-generaal van Oostvrieslant, wanneer deze verantwoordt dat hij aan Cornelis Camerhouwer heeft uitbetaald de som van 4 pond en 16 schellingen, "ende dat ter cause van een reyse by hem gedaen te Witmarsum, aldair hy de kisten van den pastoir ende viearius upgeslagen heeft ende daer uytgehaelt de boecken van Mertinus Luyter ende anderen zyner adherenten." Men zou zoo denken, dat een pastoor wiens kisten men openbreekt om boeken van Maarten Luther en zijn adherenten in beslag te nemen, wel spoedig de wijk zou nemen naar veiliger oord. Maar neen, in die dagen kan dat blijkbaar allemaal nog gebeuren. Nog ruim zeven jaren bewoont deze pastoor dezelfde pastorie. Maar als de pastoor van Witmarsum dan zijn ambt neerlegt, in het huwelijk treedt en in het dorp maar ook elders aan het preeken gaat, worden er spoedig maatregelen tegen hem genomen. En geen halve! Want dan wendt de keizer zich met een keizerlijk plakkaat tot de overheid van de stad Leeuwarden:

   Also T onser kennisse gecomen is, ende in T seecker onderricht sijn, dat eenen Heer MENNO SIJMONSS, eertijts Pastoor te Widmarssum, in onsen lande van Vriesland, besmet wesende van de secte der Herdoperie ende andere quade leeringen, uijt den selven onsen Lande geweecken is geweest, ende dat wij int seecker verstaen hebben, dat hij hem, bij tijden, weder in onsen voorscreven Lande int heijmelick soude begeven ende verkeeren, poogende bij nachte ende ontijden, ende anders in verscheijden plaetsen, die simpele luijden onse Ondersaten, mijt zijn valsche leeringen ende predicatien te verleijden, ende bringen van den Heijligen Kersten gelove ende eenigcheeijt der Heijliger kercken; dat hij oock hem vervordert soude hebben, van zijne voorscreven verdoolde leringen te maicken eenijge boecxkens ende deselve te semineren ende stroeijen onder onse voorscreven Ondersaten, t welck sulcx nijet ende behoort, ende ons nijet te lijden en staet;
   Soo ist, dat wij willen de dair inne versien, u ordonneren ende committeren bij deesen, dat ghij alomme innen uwe Jurisdictie, teer plaetsen daer men gewoontlijck is publicatie te doen, publiceert, uijtroept ende verkundicht dat een ijegelijck, van wat coondicie hij sij, binnen onsen Lande voorscreven, hem wachte denkselven Heer MINNE SYMONSS in zijn huijs, oft op zijn erggve te ontfangen, logieren, eeten oft drincken te geven, oft eenijge gunst oft behulpelicheijt te thoonen.... bij pene van aen lijff en goet als Ketters gestraft te worden....

   Dat het de overheid ernst was met de bedreiging aan lijf en goed als ketters te bestraffen, ondervonden Herman en Gerrit Jansz. Tegen beiden eischt de procureur-generaal op 24 October 1536 de doodstraf, omdat zij "Menno Symonszoon, onlancx pastoir te Witmarsum, gelogeert hadden, die hem nu begheven heeft onder 't verbond der Wederdoopers." Al streefde Menno er juist naar de roerige Wederdoopers in rustige doopsgezinden te hervormen, voor de overheid is en blijft hij een gevaarlijk individu. Kort daarna vestigt Menno zich in Holland, waar men het hem niet zóó moeilijk maakt. In Friesland hebben zijn geschriften echter nog grooten invloed gehad.
   Het is vreemd te bedenken dat de zachtaardige, stille en ingetogen doopsgezinden, die in zoo talrijke gemeenten in Friesland voorkomen, zulke rumoerige en strijdlustige voorouders hebben gehad. Menno zelf, wiens broeder bij een Wederdoopersuitspatting het leven had gelaten, had de handen vol om zijn beweging af te grenzen tegen die der Wederdoopers. Zijn volgelingen, die uit verschillende bewegingen voortgekomen waren, geraakten reeds tijdens zijn leven in twisten over allerlei zaken. De elkander verketterende groepen vervallen tot een steeds verder op de spits gedreven exclusivisme, zoodat er wel meer dan veertig verschillend georiënteerde groepen doopsgezinden bekend zijn geweest. De geschillen hadden doorgaans betrekking op ondergeschikte punten. Hun afkeer van dogma en belijdenis vergemakkelijkte de toenadering en de samenwerking, zooals die thans gekend wordt. Verdwenen is menig ideaal, menige levensgewoonte, die tot het typisch doopsgezinde behoorde. Verdwenen de verboden van het bekleeden van overheidsposten, van het dragen van wapenen, van het huwelijk buiten de gemeente. De oude doopsgezingen hadden van dat alles vrijwillig afstand gedaan om hun geloovige gemeente te kunnen maken tot een reine gemeente, die niets gemeen mocht hebben met de zondige wereld. Wie zich door den doop liet bekeeren tot Christus, werd opgenomen in zijn heilige gemeente, en tusschen Christus en de wereld mocht geen gemeenschap bestaan. Met dit beginsel in de hand werden de doopsgezinde gemeente oudtijds geregeerd, en zulk een levenshouding moest wel leiden tot steeds strakker vormen, tot de idelae gemeente "zonder plooi of rimpel". Het doopsgezinde ideaal is misschien nimmer beter geteekend dan in een 18e eeuwsch gedichtje, dat langen tijd in doopsgezinden kring zeer populair is geweest:

God en niemant meer te vreezen,
Wel te doen en vroolijk wezen,
Eer aandoen zijn overigheid,
Vroom te leven in stilligheid.
Buiten dienst van staat en kerk,
Vlijtig in zijn eigen werk,
Goed tot nooddruft en niet meer,
Zulk een leven ik begeer.

   Verdwenen zijn ook de laatste doopsgezinde liefdepredikers, ongestudeerde lieden, uit de gemeente zelf verkozen om des Zondags het Woord te verkondigen. Nu eens was het een rustend scheepskapitein die zich op het preeken maken had geworpen, dan een boer die zijn toespraak onder het melken repeteerde, of een kruidenier die zijn winkel op Zaterdagmiddag aan vrouw en dochter overliet. Zoo ging het tot ver in de negentiende eeuw in Balk in het Gaasterland. Daar heeft een kleine maar vaste kern van enkele tientallen "fijne mennisten" zich lang en hardnekkig verzet tegen elke vernieuwing. Daar liepen de mannen nog in een kuitbroek en een buis met vierentwintig knoopjes, daar handhaafden de vrouwen een sinds lang verouderde kleederdracht met veel zwart en donker blauw, en tooiden zich met vreemde groote hoeden. Wie eenmaal tot de strenge gemeente was toegetreden, mocht geen enkele opdracht van de gemeente weigeren. Zoo kon men bijvoorbeeld niet bedanken, wanneer men tot voorzanger of tot prediker werd gekozen! Er werd nauwlettend toegezien, dat de leefregels der gemeente niet overtreden werden. Spel en dans, drank en rookgerei waren verboden, evenals het dragen van goud en zilver of andere opschik. Zelfs bij de avondmaalsviering duldde men geen edele metalen. Men schonk den wijn uit een Keulschen kruik en dronk deze uit kommen van Delftsch blauw. En het heeft tot 1895 geduurd, alvorens men in Balk het zingen door een orgel wilde laten begeleiden. De eigenlijke "fijne mennisten" van het vroegre Pieter Jeltjesvolk waren toen al uitgestorven en de fanatiekste waren trouwens naar Amerika uitgeweken om aan den dienstplicht te ontkomen. Zoo is ook hier veel verdwenen, dat herinnert aan "den goeden ouden tijd". Zelfs in de Vermaning van Balk wordt thans geluisterd naar een prediker, die geld ontvant voor dien arbeid, en zijn opleiding ontving aan het Doopsgezind Seminarie te Amsterdam. Of er dan niets van dat vroegere bestaan bleef? Hebt ge dan nimmer iets bemerkt van het alom onder doopsgezinden levend en sterk gemeentebesef, van een gemeentelijke autonomie, die zoozeer nadert tot het absolute dat elk kerkzag er voor moet wijken? Zijn ook de tegenwoordige doopsgezinden niet gehecht aan een "vroom leven in stilligheid", leggen zij ook niet den nadruk op het leven en niet op de leer?
   Vervolg dan nu uw reis door het Friesche land, en verzuim de bescheiden Vermaningen der Mennonieten niet. Want Friesland is van ouds het bolkwerk der doopsgezinden. Wel is het Menno Simonskerkje van Witmarsum een menschenleeftijd geleden voor afbraak verkocht, maar ge vindt er een gedenkteeken; en in Pingjum wijst men u nog waar het vicariehuisje heeft gestaan waar Menno zijn eersten strijd in eenzaamheid heeft gestreden. De schoonheid die ge in en om die Mennistenkerken zult aantreffen blijft beperlt tot wat klimopranken langs een gepleisterden muur. De keukenstoelen op een witgeschuurden vloer maken op u wellicht den indruk van "knap onderhouden armoe", maar ook dit behoort bij den levenssijl, die het aardsche goed begeert "tot nooddruft en niet meer". Wilt ge weten hoe hedendaagsche doopsgezinden een dorpskerkje bouwen en inrichten, ga dan naar Gorredijk. Het Pieter Jeltjesvolk van Balk, dat gewend was in dof zwart en blank geschuurd hout te kerekn, zou die gele stoelen onder een lichtgrijzen hemel denkelijk een zondige aangelegenheid vinden en zeker zouden ze ook geen vrouw op den kansel hebben geduld. Maar de twintigste eeuwsche Gorredijksters bevinden zich daar heel wel bij. Zoo heeft elke eeuw haar eigen vormenspraak. Of wilt ge het met een Friesch spreekwoord zeggen: De tiid hâldt nin skoft.


webdesign & copyright
© 2001-2003 Eveline
→