De torens


 overzicht
Inhoud
Start
Drente's oudste kerk


MEN schreef 1598 toen de pastoor van Anlo, Lambertus Levinck, tot de nieuwe religie overging. Daarmede had de Hervorming te Anlo haar beslag gekregen. De miskelk heette voortaan nachtmaalsbeker en misschien werd er een Mariabeeld uit de kerk verwijderd. Mogelijk bleef het ook nog eenigen tijd staan. Het leven op een dorp is gemoedelijk. Ook de wildste stormen van den tijd beleeft men er niet fel. Was er niet een dorp hier ergens in het Noorden, waar de priester aan zijn parochianen meedeelde, dat hij den volgenden Zondag nog eenmaal en dan voor het laatst de mis zou opdragen, om daarna de beginselen der gereformeerde religie te prediken? Neen, lang niet overal manifesteerde de Hervorming zich als een massaal verlangen der geloovigen om zonder priesterbemiddeling God te zoeken en te dienen naar eigen overtuiging. In Drente viel de appel der gewetensvrijheid niet rijp van den stam. Zelfs in 1598 nog niet. Voor Drente was de 16e eeuw te kort geweest, om in eigen tempo tot een keus te komen. De ketterplakkaten waren hier wel afgekondigd, maar in de toepassing betoonde men een groote mildheid. Later had de Spaansche overheersching het doorvoeren van de Hervorming in den weg gestaan. Zoo ontbrak nu eens de noodzaak, dan weer de gelegenheid en de toestand bleef, zooals zij de heele eeuw was geweest: verward. Weliswaar schrijft de Drentsche historieschrijver, Ds. Picardt, dat men in deze landstreek in 1529 verandering in de religie kon opmerken, "alsoo seer vele ingesetenen, soo geestlicke als wereltlicke, de Reformatie aennamen en wilden niet meer ter misse gaen en betoonden met woorden en wercken, dat se een walge hadden aen de pauslicke leere en ceremoniën, die tot noch toe gedreven waren geweest", maar de feiten geven een ander beeld. Althans, wanneer in 1592 Steenwijk en Coevorden, en twee jaar later ook Groningen in Staatsche handen zijn gevallen; ja zelfs waneer na de bevrijding van Twente in 1597 "den tuin der zeven Provinciën" door Maurits gelsoten is, dan nog maken de Drenten geen haast met hun overgang naar de vrije gereformeerde religie. Zoo wordt dan de Hervorming in Drente een zaak van de overheid. Op den 10en Mei 1598 richt de stadhouder Willem Lodewijk zich in een proclamatie tot de bewoners van de Drentsche Landschap om te berichten, dat de Staten-Generaal hem hebben opgedragen "om die regormatie ende christelicke bestellinge van kercken ende schoelen in die Lantschap Drente eerstes daeges by die hant toe nemen."
   Vandaar dat Lambertus Levinck van Anlo in datzelfde jaar tot de nieuwe leer overgaat. Een overgang met leemen voeten. Want in de verslagen van de eerste vergadering van de classis Rolde leest men achter zijn naam: "dese is niet gecome". Had Lambertus reeds toen spijt van zijn gang naar de geestelijke rechtbank, waar hij het pausdom afgezworen had en de nieuwe religie trouw en aanhankelijkheid had beloofd? Wij weten het niet. Wel weten wij, dat in Anlo het volgend jaar een ander op den kansel staat. En dat er bij de synode van 1631 een klacht wordt ingebracht, dat te Anlo bij vrouw Huizinga nog steeds de mis wordt opgedragen......

   De nieuwe leer wint veld. Maar langzaam, uiterst langzaam. De organisatie staat spoedig op papier. Maar de classes en de provinciale synode, die in Drente orde op zaken moeten stellen, hebben daarvoor aan de eerste helft van de zeventiende eeuw ter nauwernood genoeg. Hier in het achterland bespeurt men er weinig of niets van, dat Holland in die jaren een Gouden Eeuw beleeft. De welvaart, de opbloei van letteren en kunsten, heel de cultuur van die dagen laat de Oude Landschap vrijwel onberoerd. Ook de onrust in de gereformeerde kerk dringt maar nauwelijks tot hier in het gewest door. Daar mogen uit Groningen enkele elementen binnenkomen,die smaak blijken te hebben in de mennisterij; daar is een enkele predikant afgezet, wegens Arminiaansche dwalingen; het blijven groote uitzonderingen. De kerk in drente heeft in dien tijd nog een grooten achterstand in te halen en haar beste vertegenwoordigers zijn zich de tekorten ook wèl bewust. Daarvan getuigt een ietwat pijnlijk staaltje van zelfkennis en bescheidenheid op de Dordtsche synode van 1618. Voor de bezorging van de nieuwe bijbelvertaling worden daar uit elk gewest twee predikanten aangewezen en voor Drente valt de keus op de ambtsbroeders van Coevorden en Gasselte. Heeft het hun reeds bij voorbaat een slapeloozen nacht gekost? Den volgendendag vraagt een der Drentsche afgevaardigden ter synode het woord en verzoekt de Drentsche broeders van de taak der vertaling te ontheffen, omdat er onder hen toch wel geen te vinden was, die de Nederlandsche taal voldoende verstond......
   Een halve eeuw lang staat de kerk nog in haar kinderschoenen. Maar zij verwaarloost de zelfopvoeding niet. De classis examineert ijverig de nieuwe candidaten tot den heiligen dienst. Er is dringend behoefte aan kundige leiders, niet alleen voor de vacante gemeenten, maar ook ter vervanging van onwillige en onbekwame voorgangers. Onder de gebrekkige leiding blijven de gemeenten klein. Rolde met veertig lidmaten staat langen tijd ver bovenaan in de classis; tal van gemeenten in Drente tellen nog niet de helft; sommigen hebben er geen, weer anderen geven op, dat de gemeente bestaat uit "de predikant en zijne huisvrouw"! Zoo stonden de zaken twintig jaren na invoering van de hervorming. Men begrijpt, dat de zaak met krachtige hand aangevat moet worden. De classis gaat nu, in weerwil van den tegenzin der gemeenten, de kerkvisitatie gestreng ter hand nemen. Zij benoemt gedeputeerden, die de gemeenten afreizen, predikant en lidmaten onderzoeken op de juistheid van de leer, om daarover verslag uit te brengen aan de provinciale synode. Dat de jonge Groninger academie er nog niet in geslaagd is te voorzien in het gebrek aan predikanten, blijkt uit de talrijke klachten van de visitatoren. In de eerste jaren had men zich moeten helpen met de overgegane Roomsche pastoors, maar ten aanzien van hun opvolgers had men de eischen toch zeker te laag gesteld. Menig onderzoek van de synode eindigde in bewoordingen als "ende verclaert, dat die van Anloe nae eenen anderen prediger ende den pastoer nae eenen anderen dienst zullen moegen ommesien". Maar ook in de twintiger jaren komen vreemde dingen aan het licht. De dominee van Odoorn bezit noch een Oud- noch een Nieuw Testament en zijn heele boekenverzameling wordt op niet meer dan zes gulden getaxeerd. Daarbij betoont hij zich onwillig, waarom hij met afzetting bedreigd wordt. De predikant van Norg, die zich aan de visitatie had onttrokken, kon niet verhinderen dat de gedeputeerden een bezoek brachten aan zijn pastorie, alwaar zij constateerden, dat ook deze collega geen bijbel bezat en evenmin eenig reformatorisch geschrift. Zijn heele bibliotheek bleek te bestaan uit...... een preekenverzameling. Te Vries had de pstor noch studeervertrek "noch ge gelijkenisse van een librerie". Voorbeelden genoeg om den indruk te krijgen, dat de Statenvertalers den steun van hun Drentsche broeders niet al te zeer gemist hebben.
   Het gebrek aan boeken toont, dat Drente een arm land was. Dat blijft nog lang voortduren. In 1633 besluit de synode aan alle gemeenten een exemplaat der Heidelbergsche catechismus te zenden, aangezien die in menige gemeente ontbrak. De voorgeschreven middagpredikatie uit de Catechismus was ook in Drente nit populair! Maar zelfs in 1848, wanneer Ds. Aegidius Cools als opvolger van Ds. Picardt tot de classis zal worden toegelaten en daartoe de Formulieren van Eenheid moet onderteekenen, kan deze formaliteit geen doorgang vinden, aangezien er geen exemplaar "by der handt" is. Uit de rapporten der kerkvisitatoren betreffende den toestand der kerkgebouwen blijkt wederom de armoede van het Drentsche land. In Eelde heeft men geen avondmaalstafel; in Vries geen banken; in Westerbork had de schout de banken weggehaald voor zijn bezoekers; de kerk van Wapserveen had slechts een stroodak; in Zuidlaren was tafel noch bank, vloer noch dak meer te vinden; in Vledder was de kerk zoo bouwvallig, dat de menschen er niet meer in durfden.... En nog in den jare 1640 ontbreekt in vier dorpen een bijbel op den kansel. Zeven belangrijke kerkdorpen waaronder Assen, hadden nog geen avondmaalsbeker. En, klaagt de synode in dienzelfden tijd: in velen kerken bevinden zich nog steeds de oude doopvonten. Inderdaad een "zware paapsche superstitie"! En al het paapsche moest nu eindelijk eens voorgoed uit de kerken gebannen worden! In Coevorden stonden na een halve eeuw nog de miskelken, ja zelfs het priestergewaad hing nog tegen den muur. Er uit met alles, wat aan de "anti-christische dolingen" herinnerde! Er uit de zware romaansche doopvonten! Weg met den altaarsteen, waaraan de Zuidwolders in hun onschuld het avondmaal gebruikten! De kwast over de muurschilderingen, de bijl aan den voet der kerkhofkruisen! Zoo krijgt de Hervorming ten langen leste ook in Drente haar beslag. Voortaan staan ook hier de oude kerken in het naakte armoe-kleed van de zuivere gereformeerde religie. De kerken van de Oude Landschap hebben het nationale niveau bereikt....

   Dat zal dan zoo duren, totdat de twintigste eeuw een goed eind gevorderd is. Maar dan begint zich verzet af te teekenen tegen de gecultiveerde stijlloosheid der protestantsche bedehuizen. Er gaan stemmen op, die er op wijzen dat wij, protestanten, toch maar een poover gebruik hebben weten te maken van de oorspronkelijke fraie en zinrijke bedehuizen, die de Reformatie zonder blikken of blozen heeft genaast. Zij wijzen op de groote kathedralen, waarvan slechts een klein gedeelte dienstbaar is gemaakt aan den protestantschen eeredienst. Men vraagt zich af waarom de Utrechtsche gemeente de huwelijksinzegeningen doet plaats vinden in een dienstgebouw, terwijl vele ruimten van de Domkerk ongebruikt staan. "Als wij van deze bouwwerken geen beter gebruik kunnen maken," roept een protestantsch professor vertwijfeld uit, "laten we ze dan, uit eerbied voor den bouwmeester, maar liever aan de Roomschen teruggeven!"
   Men krijgt meer oog voor de schoonheid en den historischen rijkdom van al die oude kerken. Men wordt zich langzaamaan bewust van de vormloosheid der protestantsche liturgie. Hier en daar wordt wat geëxperimenteerd en verbeterd. Studiekringen worden opgericht. Theologen en architecten nemen plaats in dezelfde conferentiezaal. Een Groningsch professor bezielt zijn studenten en schrijft een stevig boek over liturgiek. En zoo begint in steeds breeder kring het besef wakker te worden, dat het zelfrespect van het protestantisme met hte voortbestaan van den huidigen toestand weinig wordt gediend. Daar wordt iets wakker van het heimwee naar een kerk, waar men niet alleen komt luisteren naar de preek, maar waar een menschenziel zich kan buigen tot de ontmoeting met God. Wanneer dit verlangen in den mensch geboren wordt, blijkt hem ook, dat de preekzalen van de reformatie die behoefte niet kunnen bevredigen. Hij vraagt een kerk, die méér is dan een gehoorzaal voor Gods woord. Hij verlangt een kerk, waarvan wijding uitgaat. Hij zoekt de kerk, die professor R.N. Roland Holst bedoelde in een rede voor den Bond van Nederlandsche Architecten: "U en iw, wij kennen architectonische ruimten, ontstaan vóór Luther's tijd, die u eerst doen huiveren om hun gezag, die u daarna troosten, opheffen en opnemen. Vergis ik mij, ik vraag het u, zijn er in de laatste twee eeuwen ruimten ontstaan, die deze moreele kracht bezitten? Tallooze ruimten zijn er gebouwd, waar men zich een heele Piet en zeer welbehagelijk voelt, en waar men geneigd is, het leven een bekoorlijke gebeurtenis te achten. Maar die soort ruimten bedoel ik niet. Ik bedoel de ruimte, die een eigen stem bezit, die zich tot het geweten richt. De ruimte, die den mensch opneemt, breekt en reinigt. Om zoo'n ruimte te bouwen is de zielskracht noodig, die goddelijker van herkomst is dan welke schoonheidsontroering ook."

   De bouwmeester, die een kerk moet restaureeren, zal steeds het juiste midden zoeken tusschen herstel in den oorspronkelijken staat en dienstbaar maken aan de eischen, die de huisdige gemeente aan een kerkgebouw stelt. Het tweede element geeft daarbij steeds den doorslag, want een kerk is geen museumstuk, maar de behuizing van een levende gemeente. Toen de prediking het alles overheerschend element van den dienst uitmaakte, plaatste men den kansel recht voor de gemeente, menigmaal achter in het koor, of in een groote kerk ook wel daarvóór. Wilt ge zien hoe jammerlijk dwaas dit staat ga dan naar de overigens prachtig gerestaureerde kerk van Stedum. In Loppersum heeft men, meer consequent maar nog leelijker, het ongebruikte koor maar afgesloten door middel van een reusachtigen glazen winkelopstand. De architect echter, die de vrijheid heeft de kerk in te richten in overeenstemming met de opvattingen van het herlevend liturgisch kerkbesef, heeft een dankbaarder taak. Want ook het voorreformatorisch christendom kende een hooger ontwikkelde liturgie, die bij den kerkbouw het leiding-gevend element vormde. Een historisch volkomen verantwoorde restauratie is thans niet langer een ideaal, welks verwezenlijking afstuit op het gemeentebelang.
   Wanneer ge dan straks in Anlo komt, staat daar een romaansche kerk met een vroeg-gothisch koor, hersteld in ouden luister. Daar zijn vijf over elkander gelegde vloeren weggebroken, waaronder men naar resten van de eerste houten kerk heeft gezocht en de archeoloog Van Giffen is er zeker van, dat hij in den bodem de sporten van een heidenschen tempel heeft aangetroffen, 12e-eeuwsche muurschilderingen, met voorstllingen uit het geboorteverhaal naar Lucas I en II zijn onder de kalk te voorschijn gekomen en ge kunt ze er na al die eeuwen weer zien: de aankondiging van den engel Gabriël aan maria, de begroeting van Maria door Elisabeth, de aanbidding van het kind in den stal de vlucht naar Egypte en tenslotte de madonna met het kind. Ook de beide gesneden heerenbanken hebben hun plaats herkregen, evenals de dubbele koperen kroon, waarvan de verkoop veertig jaar geleden gelukkig is afgesprongen op den hoogen prijs van de kerkvoogden. Maar nieuw is de bescheiden kansel van tuf, die rechts uit den muur schijnt te groeien, nieuw is ook de inrichting van een iets verhoogdliturgisch centrum, dat de avondmaalstafel, met zes kandelaars, een kruis en de offerschalen op de tafel, tot het middelpunt maakt, waar de aandacht het eerst door getrokken wordt, Links van de tafel bevindt zich dan nog het doopvont en een lezenaar. De lang als bijkomstig behandelde, niet zelfden verwaarloosde sacramenten van avondmaal en doop, hebben weer hun plaats gekregen naast de verkondiging van het woord, en dit is in de inrichting van het liturgisch centrum tot uitdrukking gebracht.
   Het is verheugend te zien hoe de restauratie van Drente's oudste kerk in den kleinen kring, die haar heeft voorbereid, zooveel bezinning heeft gewekt, zooveel arbeid heeft tot stand doen komen. Daarvan getuigt straks elk klein détail, dat ge in de kerk zult aantreffen, van de zorgvuldig geplaatste oude grafzerken tot het nieuw ontworpen kerkzegel op den perkamenten bijbelband. Is het wonder dat de gemeentenaren van Anlo, die nu al zoo lang in het koor gekerkt hebben, hun kerk met andere oogen aanzien? Is het wonder, dat de predikant, die er zijn idealen in verwezenlijkt ziet, langer in Anlo blijft, dan in zulk een "candidaatsplaats" gebruikelijk is? Is het wonder, wanneer straks heel Drente trotsch zal zijn op de fraaiste dorpskerk, nu ook heel Drente heeft meegewerkt om dit resultaat te bereiken? Heel Drente? Ja, met helaas een enkele uitzondering. Een betreurenswaardige uitzondering. Ik noemde u het doopvont. Dat is een modern doopvont. De oude "vuynte" van Anlo is zoekgeraakt. Anders had men die gaarne weer gebruikt: de paapsche geur is lang verwaaid. Maar er staan nog wel meer romaansche doopvonten in Drente, uit andere kerken afkomstig. Er staan er wel acht in het museum te Assen: uit Sleen, Vledder, Zweelo, Roden, Norg, Emmen, Vries en Peize. Men heeft gevraagd één zoo'n doopvont in Drente's oudste kerk te mogen plaatsen. Het is geweigerd. Wanneer dit u verwondert, dan kent ge de museumdirecties slecht. Zij bewaren de in hun bezit gekomen voorwerpen doorgaans met veel zorg en liefde. Maar het is vaak apenliefde! De heeren leven zoo uitsluitend voor hun museum, dat zij dikwijls het besef verloren hebben, dat een museumvoorwerp een dood ding is. Kunnen zij zulk een voorwerp grooter eerbied bewijzen dan het weer te plaatsen in zijn oorspronkelijke omgeving, zoodra men het daar weer naar juiste waarde weet te schatten? De praktijk van menige restauratie wijst uit, dat de museumdirecteuren andere idealen koesteren. Nu eens is het een muuranker, dan een gevelsteen, hier in Anlo is het een doopvont. Het is zaak zulke staaltjes van cultuurbelemmerend museumbeheer net zoo lang te signaleeren tot daar verandering in komt. En dat komt wel! De kerk van Anlo heeft den tijd. Die beleeft nòg wel eens een hervorming!


webdesign & copyright
© 2001-2003 Eveline
→