De torens


 overzicht
Inhoud
Start
Tusschen oude steenen


HET is nog niet zoo lang geleden, dat in de kranten te lezen stond, dat de staat zich beijverde de terreinen om de hunebedden aan te koopen, opdat deze in overeenstemming zouden blijven met het karakter, dat zij als entourage der hunebedden dienen te hebben. Zoodanig dreigde geheel Drente tot een cultuursteppe te verworden, dat een klein plukje hei rondom ieder hunebed door overheidsingrijpen most worden verdedigd tegen den ploeg. Zoo stonden de zaken in 1941. Maar zoo was het ook in vroeger tijden. Hoe dikwijls moest niet in het verleden het hunebed worden beschermd tegen de schennende jand van de vernieuwers van het landschap? In de zeventiger jaren van de vorige eeuw heeft de landsregeering ruime credieten beschikbaar gesteld voor aankoop van vele dezer oude monumenten. Den 21sten van Grasmaand 1809 moest de Landdrost van het Departement Drenthe "een ieder verbieden, om geene Hunebedden, grafkelders of hoogtens, bekend onder den naam van Tumuli, welke in de opene vlaktens van dit Departement worden gevonden, met steenprikkers te onderzoeken, veel min dezelven te ontblooten, de keijen af te nemen of te verplaatsen of dezelve op eenige wijze te reppen of te schenden, bij de boete van honderd goudguldens telken reize te verbeuren." En ook in de bekendmaking van dit verbod kon de Land-drost herinneren aan "de orders", tegen het opbreken en vervoeren der steen van de zoogenaamde Hunebedden, den 21sten van Hooimaand 1734 en den 27sten van Bloeimaand 1790 gearresteerd". Niettegenstaande die verboden zijn er in alle tijden lieden geweest, als de smid Geert Jansen van Emmen, die door den Schultes van Emmen gerapporteerd werd, gravende "in een berg in de nabijheid van Emmen, met het oogmerk, om daaruit steenen te rooden." Achter Geert Jansens breede smidsschouders wijkt een lange rij anonieme Drenten, die duizenden kleine en groote keien tot bouwsteen hebben gehakt en tot wegverharding fijngeklopt. Slechts weinig minder schade hebben de kwasi-wetenschappelijke onderzoekers aangericht. Het zijn er velen geweest, die in den loop der eeuwen hebben getracht het geheim der hunebedden te ontsluieren. Want dat er een geheim tusschen die opeengestapelde steenen verborgen lag, dat heeft men altijd wel geweten. Sprak niet de volksoverlevering van reuzen, die de steenen daar opgestapeld hadden? Waarom zouden er geen reuzen gehuisd hebben, hier in de norsche ruigte van het Drentsche land? Waren daar geen Enakskinderen in Kanaän gezien en was er niet een Goliath onder de Filistijnen? Kent gij het verhaal van den strijd tusschen koning Turnus en Aeneas niet, dan moet ge nog hedenavond Virgilius ter hand nemen en wanneer ge geluk hebt geeft men u in Assen nog een zeventiende eeuwsche vertaling in handen, en daarin leest ge:

Meer seij hij niet, en heeft een swaare steen genoomen,
Een oude, swaare steen, die eertijds daar in 't veld
Tot een afscheiding van de landen was gesteld:
Tweemaal ses mannen, sooals nu de menschen vallen,
En schorten hem niet op hun schoudren, met hun allen.
Hij vatse en heft sijn erm omhoog en, metterhaast
Toeloopende, werpt hij, verbijsterd en verbaast
Hem naar Eneas toe.

   Zijt gij echter na dit alles nog niet van het bestaan der eruzen overtuigd, hebt ge zoo'n verlichten geeest, dat ge al die verhalen voor beuzelpraat verslijt, schaar u dan in de rijen der min of meer wetenschappelijke onderzoekers. Ook zij hebben hun inzicht verrijkt door de fantasie, wanneer de steenen soms niet spraken. Hoe zou het ook anders zijn: Titia Brongersma, die in de Pinksterdagen van 1685 het eerste hunebed liet uitgraven, onder Borger, was zelve dichteres! Ds. Picardt schreef er over zonder ze te onderzoeken en hoevelen zijn er geweest, die zonder er over te schrijven, groeven uit tijdverdrijf, uit verzamelwoede, uit nieuwsgierigheid. Zoo is het niet te verwonderen, dat Dr. Van Giffen bij een ontgraven van het Havelter hunebed...... Godsche pijpekoppen vond! Wat de Westendorps, de Reuvens, de Janssens, de Holwerda's en de Van Giffens bijeengebracht en onderzocht hebben, ge kunt het allemaal vinden in Leiden, in Assen en in Emmen. Wat Titia Brongersma onder Borger in haar vingers zag verpulveren, wat Ahrend Pol, wiens naam in een deksteen gebeiteld staat, aan den voet van den Havelterberg heeft gevonden, wij weten het niet, maar het heeft alles het zijne bijgedragen tot de verhalen, die nog altijd als volksoverleveringen in omloop zijn. Zulke verhalen, en de inzichten die daaraan ten grondslag liggen, hebben een taai leven. Ook bij het groote publiek. Want al heeft nog geen enkele onderzoeker in een hunebed urnen gevonden met menschelijke aschresten in de urn, al zijn alle geleerden het er al lang over eens, dat lijkverbranding in de praehistorie pas aan de orde kwam toen het bouwen van hunebedden heelemaal "uit den tijd" was, de goe-gemeente stelt stelt zich het hunebed nog altijd voor als de bewaarplaats van urnen, die de asch en de halfverkoolde beenderen van het hunebeddenvolk zouden bevatten......

   Zooveel moet u nu toch duidelijk zijn: om het geheim der hunebedden te leeren kennen kunt ge beter naar een Openbare Leeszaal of een museum wandelen, dan met een schop over den schouder naar het Drentsche veld. ALs de omstandigheden gunstig zijn en de geest is willig, dan kunt ge hier op zijn best iets ervaren van de poëzie dier oude steenhoopen. Om te beginnen moet ge dan niet overdag komen. Want al zijn er geen sinaasappelen, bananen en apenoten meer, ge weet niet hoe vindingrijk de mensch is als het er op aankomt de sporten van zijn bezoek achter te laten op een veelgezochte plek. En zijt ge niet de eenige bezoeker, wees er dan zeker van, dat ge het meisje op den grootsen deksteen ziet staan en den jongeman met zijn camera er voor. Waarom ook niet? Koning Lodewijk Napoleon is er immers met paard en al bovenop gesprongen! Nee, ge moet in den zomeravond komen, wanneer een lage volle maan verstolen in den kroon der eiken hangt. Dan zult ge het hunebed naderen met stillen tred en in den koelen avondschemer herkent ge als in visioen het tooneel van de Frithjofsage: het vonnis over de schoone Ingeborg werd geveld bij het krieken van den dag op den grafheuvel van haar vader. Zoo is in heel duisteren steentijd de grafheuvel der vaderen de plaats geweest, waar de rechtspraak van het latere "ding" gehouden werd; hier werd beraadslaagd over krijg en vree; hier was tot in de eerste eeuwen van het Christendom de plaats van ontmoeting met heidensche goden.

   Tot in de eerste eeuwen van het Christendom. Toen de eerste christenpredikers in deze landen omgingen beschikte Rome reeds over een ervaring van enkele eeuwen. ALs Ludger door deze landen trekt, op weg naar zijn nieuwe bisschopsstad, dan kennen de predikers methode en techniek. De instructie van Gregorius den Grooten aan de Angelsaksische predikers, waarin wordt voorgeschreven niet de afgodentempels maar alleen de afgodsbeelden te vernielen, en de andere eigenaardigheden van den heidenschen godsdienst te laten bestaan om de paganisten langzamerhand aan het Christendom te wennen, is dan al tweehonderd jaar oud. Ook ten aanzien van de hunebedden is het standpunt lang bepaald. Vindt men in Frankrijk nog monumenten uit het steentijdvak, voorzien van een kruis, hetgeen er op duidt, dat ook het eerste Christendom bij de steeenen zijn heilige plaats heeft gekozen, in Drente valt de evangelieprediking in later eeuwen. De uitspraken van de concilies van Arles in 452 en van Tours in 587 lieten op dit punt geen enkele twijfel bestaan: de taai voortlevende cultus van de steenhoopen moest gebroken worden en van nu af aan zal het heeten, dat die geheimzinnige steenhoopen daar door den duivel zijn opgebouwd. Wie de steenen aanbidt, verbeurt den toegang tot de mis. Vooreerst verliezen de steenen hun aantrekkingskracht niet. Bisschoppen en vorsten toornen en dreigen. En wel beroemt Bonifacius zich er op dezen duivelsdienst te hebben uitgeroeid, maar na zijn dood moet Karel de Groote er nog tegen vechten!

   Wilt ge zien hoe de christelijke kerk tenslotte ook van dezen verworpen steen een hoeksteen heeft gemaakt? Ga dan naar Anlo. Daar liggen vier centenaarzware veldkeien voor een ieder te kijk als fundament van den kerktoren. Of die vier keien eenmaal tot een hunebed behoord hebben? Er liggen thans nog zeven hunebedden rondom Anlo en er zullen er vroeger zeker meer zijn geweest. De archieven zwijgen er over. Misschien is 't eenmaal opgeschreven, misscien ok niet. Men was in Anlo niet zoo precies met die dingen. Al die boeken en papieren gaven maar last. Ze werden maar stoffig en je moest ze maar bewaren en niemand keek er ooit naar om. Zoo dachten de kerkvoogden van Anlo er over. Op een killen najaarsavond hebben ze er den brand in gestoken en voor het eerst hadden ze plezier van hun archief. Bovendien: een heele zorg minder! Zie, zoo deden ze dat hier in Drente. Nog niet eens lang geleden......
   Deze dingen zullen nu wel veranderen in Anlo. Want de kerk van Anlo wordt gerestaureerd. En als het geld gekost heeft, verdubbelt de waardeering en de zorg. Aan deze algemeen-menschelijke trek ontkomen zelfs geen kerkvoogden. Overigens is het niet de eerste keer, dat er in Anlo gerestaureerd wordt. Sinds menschenheugenis heeft ieder geslacht een groote vertimmering meegemaakt. In de dertiger jaren van de vorige eeuw, toen er zooveel nieuw licht door de geesten van onze voorouders straalde, moest ook de kerk van Anlo daarvan haar deel hebben. Daar tobben ze nog altijd met die onmogelijke romaansche vensters, hoog boven in den muur. Licht, riep de metselaar en de muur was te klein voor de gothieke boogvensters, die hij in zijn hoofd had. Maar ze kwamen er in...... Licht, riep de stucadoor; hij pleisterde de tufmuur lekker glad en omdat het muurvlak nu toch zooveel kleiner was geworden streek hij de overgebleven emmers witkalk uit over het tongewelf. En een menschenleeftijd lang vond ieder dat een knappe, nette kerk. Slechts Busken Huet zou tegen het eind der eeuw iets cynisch opmerken over "zorgvuldig gewitkalkte muren, die denzelfden indruk teweeg brengen als een luchtig en zindelijk hospitaal doen zou." Maar Huet was een buitenbeentje, een rustverstoorder van de rustige Hollandsche rust, een uit de kerk geloopen dominee, die nu in Pqrijsche boulevard-café's stukjes schreef voor een Hollandsche krant. In één woord dégoûtant! Intusschen had Anlo zijn volgende restauratie al weer achter den rug. Voor f 3000,- werden kap en gewelf vernieuwd, de muren langs den buitenkant over twee lagen steen afgebikt en weer opgemetseld met de oude tuf, aangevuld met baksteen ter vervanging van de gebroken steenen. In 1860 deed men nog heel wat voor f 3000,- . In 1904 werd er andermaal voor tweeduizend gulden aan vertimmerd, maar het bleef allemaal lapwerk: een kwarteeuw later was de kerk weinig meer dan een recht overeind staande ruïne.
   Maar ja, de kerk van Anlo is ook zoo oud, zóó oud. Als ge me vraagt hoe oud zij is, moet ik u vragen: waar wilt ge beginnen te tellen? Wijst ge op den toren, die zoo zeldzaam met zijn kloostermoppen op de vier onbehakte veldkeien rust, hij is zeker niet ouder dan het 13e eeuwsche koor, dat in denzelfden steen is uitgevoerd. De tufsteenen muren van het schip, die men lang voor 12e-eeuwsch heeft gehouden, durft men nu wel een eeuw eerder dateeren. Menige kerk echter is ouder dan haar muren. Zoo ook deze. Van de houten kerk, die er voordien gestaan zal hebben, is geen afbeelding bewaard natuurlijk, maar toch is er een enkel document, dat haar bestaan aantoont. Als ge tenminst niet over een enkele letter valt! Het betreft een oorkonde van zeer ouden datum. Na den dood van Bonifacius traden Wilhad en Ludger op in deze landen. Van Wilhad is het bekend dat hij in 778 in Vries verblijf hield, dus dicht bij Anlo. Maar het lijkt toch zeer waarschijnlijk, dat ook Ludger hier in deze zelfde streek werkzaam is geweest, voor hij verder trok naar Westfalen. Niet ver van Munster, welks eerste bisschop hij zou worden,s tichtte hij te Werden een Benedictijner abdij. Bij acte van 18 Juni 820 schenkt dan een zekere Theodgrim zijn goederen aan de abdij te Werden. En die goederen zijn gelegen "in villa que dicitur Arlo, in pago Threant...... hoc est una eclesia......
   In het dorp Arlo in de landschap Drente was dus en kerk. Frons nu uw wenkbrauwen over die r en die n. Zeg dat die kerk, die Theodgrim bedoelde, misschien wel in Taarlo fo Tinaarlo kon liggen. Meen echter niet, dat ge daar kerken zult vinden, die in ouderdom de kerk van Anlo nabij komen. Evenmin vindt ge documenten uit later jaren, die den indruk geven, dat daar een kerk geweest is, welke gelijk die van Anlo ongetwijfeld eens een belangrijke positie innam.
   Maakte niet de bisschop van Utrecht zich eenmaal in de vier jaren op voor de lange reis door Gelderland en het Overschicht langs den Hondsrug naar Drenthe, voor de uitoefening van het zeendrecht? In tegenwoordigheid van alle geestelijken, edelen en vrijen, werd dan recht gesproken over alle zaken, waarin het geestelijk gezag uitspraak moest doen. Nu eens verbleef de bisschop te Rolde, maar dikwijls ook te Anlo op zijn praedium, en de zittingen hadden plaats in de kerk. De glorie van het praedium is verdwenen. Ook het latere "spyker", de korenschuur der geestelijke heeren, kent men nog slechts bij geruchte. Maar gebleven is de kerk, vertimmerd, verbouwd en verknoeid, maar toch altijd nog de kerk van Anlo.
   Sedert 1940 is daar architect Feenstra uit Arnhem aan het restaureeren. Nu is kerkbouw en kerkinrichting een terrein, waarvan zelfs onder ons kerkpubliek maar weinig menschen eenig benul hebben. Dat zal echter den kunstschilder A., den dagbladredacteur B., en den accountant C., die geen van drieën ooit een voet in een kerk zetten niet verhinderen er een oordeel over uit te spreken. Zij zullen u vertellen, dat het onbegrijpelijk is, adt de omgeving van de kerk zoo kaal gemaakt wordt, dat het een schande is het gebouw zoo te verknoeien, en dat het zonde is van het geld. U kunt ze rustig laten praten. Maar beter doet u, indien u hen iets vertelt van kerkelijke bouwkunst en iets tracht duidelijk te maken van het verband tussen liturgie en kerkinrichting. En in elk geval kunt u ze verzekeren, dat de kerkrestauratie van Anlo in deskundige en liefdevolle handen is. De kerk van Anlo herkrijgt haar oorspronkelijk romaansch karakter. De muren zijn afgebikt tot de grijze tufsteen weer vrijkwam, het metselwerk van de kloostermoppen in het koor toont weer zijn bekoorlijken boerschen eenvoud. De detoneerende vensteropeningen van 1830 zijn weer gedicht en wanneer straks de restauratie gereed gekomen zal zijn, dan kunt ge precies zien hoeveel licht er door de romaansche ramen met nog geen 40 cm breede vensteropening naar binnen stroomt. Méér licht dan de onwelwillende gothiekvereerder wil opmerken. Méér licht ook dan de romantisch ingestelde bezoeker wil zien, wanneer die in vervoering gaat spreken van de "mystieke gevoelssfeer" der romaansche kerken. De vroeg-middeleeuwsche bouwmeester schiep geen "typisch romaansche bouwstijl" uit gevoelsoverwegingen: deze was voor hem de "moderne" oplossing van zeer knellende bouwtechnische problemen. Hij moest een kerkgebouw optrekken, dat groot en ruim en duurzaam zou zijn. Om het brandgevaar - ontzaglijk groot temidden van woningen van hout en riet en stroo! - te bezweren, moet de kerk zoo mogelijk worden gedekt door een steenen gewelf, geweldig zwaar en niet zonder gevaren door den zijwaartschen druk op de muren. Voorts moet hij ruimte scheppen voor alle parochianen en den priester en soms ook nog voor den bisschop van Utrecht met heel zijn gevolg. Het koor van Anlo meet niet voor niets veertien meter diep! Dat waren zeer reële hoofdbrekens voor de architect der 11e, 12e en 12e eeuw. In hun middeleeusche bouwhutten is niet minder rationeel gerekend dan aan de teekentafels van hun 20e-eeusche collega's Vinding op vinding wordt daar geboren: het halfrond tongewelf op vademdikke muren; de onderbeking van het gewelf door zware gordelbogen; het meleonvormig geboezemde gewelf; het kruisgewelf, ontstaan uit twee door elkander geschoten halve tonnen; de laag geplaatste ramen, die minder zware muren mogelijk maken. IN ht licht van die dagen is elke vondst van den bouwmeester allereerst een stukje nieuwe zakelijkheid. Aesthetische waardeering zal zij eerst wekken, als de naam op zijn grafzerk reeds afgesleten is
   In de West-Europeesche christenwereld van na het jaar 1000 zit vooruitang in de lucht. De krachtige ontplooiing an het monnikendom luidt een vernieuwing van de kerk in en de eerste kruistochten dragen niet weinig bij tot verhooging van haar zelfbewustzijn. De houten kapellen an de Karolingers passen niet langer in deze cultuur. Stuk voor stuk maken ze plaats voor de nog sobere steenen kerken der Cisterciensers. Hun veel gesmade kleine ramen laten licht genoeg toe om heel die worsteling der romaansche bouwmeesters te volgen in de Groningesche, Drentsche en Friesche bedehuizen. Wie oogen heeft om te zien en levenlust om te reizen, die vindt ook wel den weg naar de kerken van Anlo, Vries en Roden; van Leermens, Stedum, Garmerwolde en Ulrum; van Bozum, Weidum en Rinsumageest. Vaak krimpt het hart van droefenis om hun verminkt bestaan. Maar dan komt ge op uw zwerftocht door het land een man tegen, die als eens Geert Jansen, de smid van Emmen, op zoek is naar steenen. Het zijn geen hunebedkeien, die hij zoekt, maar oude brokken tuf of kloostermoppen. Hij vindt ze bij den sloop van oude woninkjes, of mogelijk wel in de bestrating van een kerkhofpad. Wie der eeuwen sleet en schennis aan onze kerken te niet wil doen, heeft geen gemakkelijke taak. Maar zoo hier en daar in den lande wordt er dan, gelijk nu in Anlo, een kerk weer in den ouden staat hersteld. Met veel geld, met veel geduld, met veel liefde bovenal. Ad maiorem gloriam!


webdesign & copyright
© 2001-2003 Eveline
→