De torens


 overzicht
Inhoud
Start
Nieuw land in de oude landschap


Op der bergen groene zoomen
Is het lieflijk, is het goed.
Als in kalme, zoete droomen
Wandlen wij, met lichten voet!


WAAR er wereld ge nu ooit zoudt meenen, dat dit lied tweestemmig en uit volle borst zou worden gezongen, toch zeker niet hier in ..... ja, waar zijn we hier eigenlijk? Ge zijt hier aan het eind van de wereld. Zeker de wereld is rond tegenwoordig, maar daarvóór is zij toch plat geweest, daar waren alle geleerden het in die dagen over eens. En zoo kunt ge u misschien wel voorstellen, dat precies hier op deze plek, even vóór Copernicus dagen, de beide zelfkanten tegen elkaar gebogen zijn. Wie goed kijkt, kan de naad nog zien. Vandaar dan ook, dat op deze boerderij de post bezorgd wordt door een bode, die vijftien kilometer uit het Zuid-Oosten komt, terwijl ze op de boerderij hier naast weer het laatste huis vormen van een postkantoor, dat tien kilometer naar het Noordwesten ligt. Om kort te gaan, het is hier allemaal erg ver, en erg eenzaam en nogal nieuw. Het heet hier heel nuchter Zooveelsteveen, de naastbijzijnde buurtschap draagt den welsprekende naam Stuifzand en als u dan nog een klein halfuur verder fietst, dan komt u te Hoogeveen. Het schaakstuk, dat daar achter Stuifzand af ent oe tusschen de boomen zichtbaar wordt, is de toren van het gemeentehuis van Hoogeveen. Zegt u er vooral geen kwaad van voordat u het geheele bouwwerk gezien hebt, en dan nog, zegt het niet hardop. Want die toren is een heilig huisje hier in Hoogeveen. Daar zit het eenige carillon van heel Drente in en niets is voor een Drentsche stad zoo belangrijk als het bezit van iets, dat de andere steden niet hebben. Denkt u vooral niet, dat ik iets tegen Hoogeveen heb. Dan zou ik het woord stad niet gebruikt hebben. Er is hier eens iemand gekomen, die uitriep: "Dit is geen stad, dit is geen dorp, dit is een plaats!" Dat klonk niet vriendelijk. Maar heelemaal onjuist was het toch niet. Sindsdien echter heeft Hoogeveen een stadhuis. Een stadhuis dat klinkt met klokken. Dat geeft althans de allure van een stad. En het heeft een veemarkt, die de negende plaats bekleedt op het ranglijstje. Die verleent Hoogeveen op sommige dagen de drukte van een stad. Voorts heeft Hoogeveen twee elkaar kruisende kanalen met veel bruggen er over en veel huizen er langs. Dat stempelt Hoogeveen tot een groote veenkolonie, die nu echter uitgeveend is. Tenslotte heeft Hoogeveen een grondgebied van een kleine 4000 ha, doorsneden door tallooze genummerde vaarten en vaartjes, en la met al wonen daar tegen de 20.000 menschen. Dat maakt van Hoogeveen een groote plattelandsgemeente met allerlei eigenaardige problemen, waarover ze u in dat prachtige stadhuis precies kunnen inlichten. Bijna zou ik nog vergeten, dat Hoogeveen buitengewoon aantrekkelijke omstreken heeft en een trommelslager, die bij gebrek aan een kerkklok des Zondags het kerkvolk bijeen roept. Maar dat kunt u allemaal lezen in de gidsjes van de V.V.V.
   Nogmaals, ik heb niets tegen Hoogeveen. Hoogstens heb ik iets tegen het meerderwaardigheidscomplex van de Hoogeveners, die u bij iedere gelegenheid verzekeren, dat Hoogeveen toch eigenlijk de belangrijkste plaats van Drente is, zijnde Assen een fraaie plaats, waar nooit iets omgaat en Meppel een handelsplaats, sinds lang op zijn retour. Maar zulk een oordeel vergeet ge snel. Want in Meppel verzekert men u, dat heel Drente tenslotte slechts bestaat per gratie van de invoerhaven Meppel. En in Assen legt men u uit, dat lang voor er van Hoogeveen of zelfs van Meppel sprake was, er al het klooster Maria in Campis stond. Ook dat is juist. Het stond er al, zelfs vóór er van Assen sprake was....

   Maar hier zit ge dan op ene boerderij aan het eind van de wereld. In het land van de moderne kolonisten. Van her- en derwaart zijn ze gekomen. Drenten van Smilde, die hun leven gaan opbouwen in dit ruige land, waar nog gevochten moet worden met den grond. Boerenzoons uit de oude Drentsche dorpen met de verweerde hoeven met bemoste daken, voor wie in de "oude wereld" geen ruimte meer was. Friezen en Groningers, die in de eigen streek geen boerenplaats konden vinden en naar hier werden gelokt door de lage pacht. Zij allen zijn als pioniers in het veld gekomen. En zoo staat er dan hier en daar in de ontginning een echte Friesche stelphoeve of een boerenplaats, zooals ge ze kent uit het Westerkwartier, compleet met stookhut en al. Daar zijn avonturiers en speculanten onder, die vanzelf weer verdwijnen. Daar zijn er, die domme dingen doen, zooals de Fries, die hier ging graven en egaliseeren, alsof hij nog in de terpaarde zat; hij heeft de afwatering van zijn land bedorven en de dunne humuslaas verspreid. Hij ging er aan "kapot". Een boer uit Drente mag niet dom zijn. Die stug en stag volhouden, die elken dag opnieuw verbeten aan den arbeid gaan en even hard werken als hun eenig paard: zij halen het er bovenop en hun kinderen zullen nog een flinke boerderij beërven. Dan is met veel stalmest en kunstmest en groenbemesting het laatste stuk heide bedwongen en ook daar zal rogge groeien en haver en aardappelen. Vooral veel aardappelen. Echt Drente: aardappelen....

   Ga maar weer fietsen, gelukzalige toerist, die vacantie kunt houden in een land waar de bewoners handen te kort komen. Waar de schoolkinderen "aardappelvacantie" hebben. Ga maar weer fietsen en zeg tot de gastvrije boerin, dat ge vanavond vóór de avondpap terug komt. Ge hebt u het roggebrood vanmorgen goed laten smaken en geen oogenblik hebt ge u afgevraagd hoe vroeg het wel geweest moet zijn, toen dit gezin naar het aardappelland trok. Zie, daar wroeten ze met zijn allen tusschen het bruin afgestorven loof. De voer schept de gerooide aardappelen op een groote zeef, die hellend staat opgesteld. De aanhangende aarde valt door de zeef en de aardappelen worden opgevangen in een mand, die zijn zoon telkens leegt in de gereedstaande driewielde kar. De oudste zoon rijdt een volle kar naar de schuit, ginds in het kanaal. Straks wordt het paard omgespannen en en nieuwe kar kan weggereden worden. De rooiers liggen op hun knnieën in het veld. Schoolgaande kinderen in hun slechtste plunje, meisjes van zstien, zeventien, achttien jaar, in een oude manschester broek van vader of broer. Van verre ziet het er bijna schilderachtig uit, die meisjes met helgroene of blauwe bloese, een hardrooden hoofddoek om de haren geknoopt. Maar van dichtbij is het toch maar een triest tooneel, die jonge vrouwen en kinderen, die hun nagels breken met dag aan dag graven en grijpen naar aardappelen, aardappelen, aardappelen.
   Gaat u nu maar fietsen, meneer en mevrouw, en vergeet niet dat schilderachtige groepje, dat daar om der wille van uw aardappelrantsoen in knielhouding het landschap stoffeert, vanuit de hoogte van uw stedelijk superioriteitsbewustzijn minzaam goeden dag te knikken. Dat is hier nu eenmaal zoo het gebruik. Maakt u maar een mooie tocht door het Mantingerzand, naar Witteveen, naar de Krailosche bosschen of de Davidsplassen. Het is hier overal mooi en er is nog heel wat ongerepte natuur te vinden. Om twaalf uur krijgt u een uitstekende warme lunch bij Homan - dit is geen reclame, want van de drie Drentsche kasteleins heeten er twee Homan - dan vervolgt ge uw uitstapje en in den namiddag gaat ge bij een volgenden Homan rustig zitten en u wacht lang op een interlocale telefoon van mijnheer. En wanneer u dan tegen den avond hongerig en wel naar de gastvrije boerderij terugkeert, dan liggen daar dezelfde kinderen en dezelfde jonge meisjes nog precies als vanmorgen naar uw aardappelen te graven......
   Het is een goed gezin, waar ge hier onderdak gevonden hebt, dat hebt ge het eerste uur al gemerkt. Het is ook een christelijk gezin, dat gehecht is aan aloude vormen en gebruiken. Ge hebt dat vanmorgen natuurlijk niet gemerkt, want u kwam te laat om aan het gemeenschappelijk ontbijt deel te nemen, maar het zacht gemurmel, dat door de planken zoldering in uw kamer doorklonk, was de stem van den vader, die een hoofdstuk voorlas uit het Oude Boek, dat daar boven op de keukenkast ligt. Maar nu, onder het lepelen van de avondpap, hebt ge gelegenheid ze ongemerkt op te nemen. De fiksche, spraakzame boerin. De wat linksche jongens. De tegenover stadsmenschen altijd wat bedeesde meisjes. Niet allen zijn aan tafel des avonds: de boer is met de oudste dochters nog aan het melken. Met een recitatief van kinderstemmen wordt de maaltijd besloten: Heer, heb dank voor deze spijze, amen. Heer, heb dank voor deze spijze, amen.

Op der bergen groene zoomen
Is het lieflijk, is het goed....

   Vanavond is het de feestavond van de week. Vanavond is er de muziekmeester uit de stad. Hij geeft de jongste kinderen orgelles op het harmonium, dat in de kamer staat. En als het betaalde uur van meester verstreken is, knoopt hij er nog een kwartiertje aan vast. En het kwartiertje wordt nogmaals een vol uur. Want zoo zoetjes aan is nu jong en oud op sokken en sloffen in de kamer verzameld en ook de groote dochters van de buren zijn van de partij. De gedurig ruischende carbidgaslamp werpt een stekend wit licht op de groep ronrom het instrument en uit volle borst wordt er gezongen van het heimwee naar die andere wereld, waar het lieflijk is en goed. De forsche bariton van den man achter het harmonium zingt wel wat erg luid van de kalme zoete droomen, waar zij zoo graaag met lichten voet zouden wandelen, maar daarvoor is hij dan ook de muziekmeester. Maar als gij een muzikaal oor hebt, dan hoort gij wel, dat niemand met zooveel overgave kan zingen van der bergen groene zoomen, of van het dansend scheepje op de ree als die jonge menschen, die den godganschen dag naar aardappels hebben gewroet. En wie niet muzikaal is, leest het van de gezichten. De muziekmeester weet niet alleen het harmonium te bespelen, hij kent ook de registers der menschelijke ziel. Als ge daar die groote jongens van zestien, achttien, negentien jaar ongegeneerd scheef op een ongemakkelijken stoel ziet hangen, met de gestrekte beenen voor zich uit gespreid, terwijl ze luidkeels een cowboylied galmen, naar 's lands geaardheid vertaald tot:

Droom zacht dezen nacht, ....
Want al zijn ook droomen bedrog ....
De zorg en het leed, men al droomend vergeet ....
Na den nacht komt de dageraad toch ....

terwijl daarop de avond besloten wordt met een meerstemming:

Rust mijn ziel, uw God is Koning,
Wees tevreden met uw lot ....

als ge dit alles gezien en gehoord en beleefd hebt, dan gaan uw gedachten toch ongetwijfeld terug naar dien anderen Drentschen boer, met wien ge op den stillen Zondagavond achter het huis op de bank bij den appelhof zat te praten. Die u vertelde, hoe zijn beide zoons iederen Zaterdag- en Zondagavond naar het naburige dorp gingen, om in een enkelen avond het weekloon van een arbeider te verteren en niet terugkeerden voor de koeien gemolken moesten worden. En dan weet ge ook, dat deze eenvoudige muziekmeester, die boerenjongens de gelegenheid schenkt hun "jenseits"-verlangens uit te zingen in een sentimenteel lied, de tegenpool is van den kroegbaas, die in ieder Drentsch dorp de genoegens van het "diesseits" te koop heeft voor de jongkerels, die ge op Zondagavond met de nieuwe pet op 't hoofd langs den weg ziet fietsen. Waren er meer muziekmeesters in dit land, en meer verstandige moeders, die hun kinderen orgelles lieten geven, veel zou er op het platteland anders uitzien.

   In dezen uithoek leidt men het leven der kolonisten. Er is geen electrisch licht, geen waterleiding, geen telefoon. Geen trein, geen tram, geen autobus. Men leeft er van de menschen verlaten. Maar men leeft er niet verlaten van God. Er staat hier zelfs een kerk in 't veld. Een splinternieuwe kerk. Het gemeentebestuur verlangde, dat deze kerk in de kom van het dorp zou komen. Maar de man, die deze kerk wilde bouwen, was bezeten van de gedachte, dat ze hier midden in het veld zou staan, onder het bereik van de boeren in het nieuwe land. En wat doet een gemeentebestuur tegen de geestkracht van een man, die bezeten is van een geheiligden wil? Zoo staat dan de gereformeerde kerk van Drijber ver van het dorp op de vlakte. En daar woont Ds. Heersink met zijn "Drieberske" in de eenzame pastorie, gebouwd onder hetzelfde dak van de kerk, waarvoor zij beiden hun beste jaren dag aan dag gevochten hebben. "Drieberske" was in dien tijd een in gereformeerde kring bekende, of moet ik zeggen beruchte, figuur. Want waar "Drieberske" kwam, collecteerde zij voor d ekerk in de velden, die daar niet van God verlaten mochten liggen. En "Drieberske" kwam overal. Waar zij niet zelf kon zijn, daar las men toch haar stukjes over het Drentsche land, die zij jaren lang toch steeds weer zóó wist te schrijven, dat ze gelezen werden. De kerk is gebouwd met dubbeltjes en centen. Maar ze staat er. Ze staat er op een koopje. Want dominee was architect en aannemer en alles te gelijk. Als dominee hout kocht, dan collecteerde hij hout. En kocht hij steenen, dan collecteerde hij steenen. En behalve wat tweedehandsch bioscoopstoelen en een ten geschenke ontvangen preekgestoelte van hout uit alle werelddeelen, is er geen stukje aan of in de kerk te vinden, of dominee heeft het in menig nachtelijk uur ontworpen en geteekend. Alleen al ter wille van de merkwaardigheid ga men de kerk van Drijber zien. En zoo daar al ergens een dominee mocht zijn, die het voorbeeld na wil volgen: hij spreke met Ds. Heersink en zal van gedachten veranderen. Maar ik voor mij zie toch liever een kerk, die door dominee zelf gebouwd werd, dan een, die na een prijsvraag voor architecten toch nog niet tot stand kwam.
   Hoe dan ook, de boeren in het veen hebben hun kerk. En gereformeerd of niet gereformeerd, zij gaan er ter kerke met een trouw en een regelmaat, der gereformeerden eigen. En mocht gij er ook een enkele maal ter kerke gaan, let dan eens op de kerkgangers bij het binnenkomen van het gebouw. Dan ziet gij het gezinshoofd een zakje steken in een bus, die bij den ingang is aangebracht. Dat is nog een merkwaardigheid van Drijber, waar menig andere gemeente een voorbeeld aan kon nemen. Er wordt in deze kerk namelijk alleen gecollecteerd voor de diaconie. De bijdrage voor den eerendienst zit in het zakje. Wanneer in deze gemeente zich een nieuw lidmaat aanmeldt, vraagt hem de predikant: "En wat hebt ge jaarlijks voor de kerk over?" Als dat bedrag bepaald is, ontvangt men 52 zakje, alle genummerd en met het weekbedrag er op vermeld. 't Geld gaat in het zakje en het zakje in de bus. Klop voor de heele gemeente op vijf gulden nauwkeurig zegt dominee. Zeg nu, dat dit geen mooi systeem is! Tenminste, als je hoorders tweeënvijfig maal per jaar komen....

   Ge hebt het hier nu wel gezien in ' veen. Er is geen reden om langer te toeven: het inkuilen van den laatsten aardappel wordt niet met een oogstfeest gevierd. Daarbij staan er in de Drentsche dorpen bezijden den Brink nog vele oude kerken, die ge niet verzuimen moogt. Dwingelo met zijn wonderlijken toren, pas gerestaureerd; Coevorden met zijn kruistorentje; Sleen, eveneens gerestaureerd; Zweelo met zijn losstaanden toren; Emmen met zijn goedbedoelden schilderingen; Gasselte met zijn kerkhofmuurtje van steen, die afkomstig is van het klooster Maria-Camp te Assen; Rolde met zijn hunebedden; Vries met zijn romaanschen toren en zijn gehavend muurwerk; Anlo, welks kerk één grootsch monument is...... Ach, er is nog zooveel te zien. En vele van die oude dorpskerken behooren hier aan vrijzinnige gemeenten. Maar meer dan eens denkt ge dan toch nog aan dat gereformeerde kerkje van Drijber terug. En dan vraagt ge u af, hoe het toch komt, dat er onder ons vrijzinnigen zóó weinig zendingsdrang is, dat ge nergens op een verlaten plek in het veen een bescheiden monument van vrijzinnig godsdienstig leven aantreft? Waar blijven onze "Drieberskes"? De dubbeltje en centen komen dan vanzelf.


webdesign & copyright
© 2001-2003 Eveline
→