De torens


 overzicht
Inhoud
Start
"Echt Drente".


HEt wonder van het reizen bestaat niet meer. Want of gij wilt of niet, gij zijt en blijft een modern mensch van de twintigste eeuw. Een niet onaanzienlijk deel van uw jeugd hebt ge zoekgebracht met het stelselmatig verwerven van eenige dozijnen geografische voorstellingen en begrippen. Tijdschrift, krant en radio hebben u vertrouwd gemaakt met doen en denken van vreemde, verre volken, en gij kent de serene pracht van het Alpenland, de kleurige kleedij der Goralen, zoowel als den loomen gang van kameelen aan den voet der pyramiden, zoo niet uit directe aanschouwing, dan toch van de bioscoop. En omdat hij den smaak dier vruchten van den boom der kennis nog in den mond hebt, zult ge nooit iets proeven van een wondere ontroering, zooals die de kruisvaarders beving toen zij van boord stapten op den schroeienden grond van het onbekende land. Die droegen in de plooien van hun kleed nog iets mee van den geur eener heilige plaats. Uw plusfours rook op zijn best naar benzine.... En uw individueele reisindrukken bleven maar al te vaak beperkt tot het verifieeren van de juistheid van tekst en beeld der vouwblaadjes, die u aan de balie van het reisbureau gratis waren uitgereikt. Niettemin, als toerist hebt ge u daar heel wèl bij bevonden. Want onbewust zijt ge op uw zwerftochten zoozeer op zoek naar de realiteit van eigen droombeeld, dat ge het niet als een blijde ontdekking maar als een smartelijke ervaring beleeft, wanneer die overeenstemming een enkele maal niet te vinden blijkt. Gelijk in Drente bijvoorbeeld.
   Al is de twintigste eeuw nu al een dikke veertig jaar oud, ge verwacht van Drente toch altijd nog heide en schapen. "Wat kan men er verwachten", vroeg Ds. Craandijk in 1880, "dan afmattende eentonigheid, afgelegen boerendorpjes en ver uiteen verspreide gehuchten, zandige wegen, verzengenden zonnegloed in den korten zomer, doodsche vlakten, waarop gij uren lang omdwalen kunt, zonder een levend wezen te zien, dan op zijn hoogst een herder met zijn hond en schapen, waarvan de hond nog wel het vernuftigst schepsel is?" Nu is daar het een en ander gebeurd in Drente, sedert de oude Rotterdamsche dominee hier met paard en rijtuig over den zandweg hotste. Daar is in een menschenleeftijd zooveel gebeurd, dat ge thans niet slechts uren, maar dagen lang op de fiets kunt omdwalen, langs strakke asfaltwegen, op harde klinkerstraten en over welonderhouden fietspaden, zonder dat ge ook maar een enkele kudde schapen ontmoet. En als ge dan eindelijk toch dien laatsten legendarischen scheper ontdekt hebt, als het schoolliedjesvisioen van de witgewolde kudde eensklaps zintuiglijk waarneembare werkelijkheid is geworden, dan vraagt ge u af of de zegeltjes op de rentekaart van dezen schaapherder misschien geplakt worden ten kantore van de vereeniging tot Behoud van Natuurmonumenten? Want als die er niet was, dan was ook de groote, stillen heide tusschen Ruinen en Dwingelo allang omgeploegd! Maar als ge straks weer thuis gekomen zijt, dan zut ge uw vrienden en kennissen bij een kopje thee op uw foto-album tracteeren, en pas als ze dien scheper achter de kudde zien, zijn ze overtuigd, dat u er geweest bent, want dat is nu "echt Drente", nietwaar?
   Laat het u gezegd zijn, het èchte Drente is een gansch ander land. En de bewoners zijn waarlijk wel iets vernuftiger dan Ds. Craandijk suggereert. Een Drentsche boer kan zich niet veroorloven dom te zijn, zei mij een Drentsche boerin, want dan gaat zijn bedrijf kapot. Met dat gezegde sloeg die eenvoudige vrouw den spijker op den kop. Met dat gezegde sloeg die eenvoudige vrouw den spijker op den kop. Drente is geen tuin geen Eden. Drente is een schraal land, waar stug gewerkt moet worden om de natuur de baas te blijven. Drente is een Nederlandsch Canada, waar alleen die menschen zich door het leven sloegen, die bezeten waren door een vasten wil om te winnen, die wilden vechten als voor een laatste kans. Elke eeuw heeft hier zulke pioniersnaturen gekend, die jaar op jaar den schop verder in de hei hebben gestoken, en zij waren het, die Drente gemaakt hebben tot wat het nu is.
    De Utrechtsche bisschop, die aan het hoofd van een van zijn drie legerafdeelingen op Coevorden aantrok, bereikte zijn doel niet. Honderdveertig zwaar bewapende ridders en nog dubbel zooveel strijdbare knechten werden door de Drenten in het moeras gelokt, en vonden den dood in het Anerveen. Zijn opvolger was gelukkiger; als zoen voor de nederlaag stichtte hij te Coevorden de Cistercienser abdij Maria-Camp. Zij kwam echter nimmer tot bloei en men zocht haar te verplaatsen. In 1276 staat zij te Assen. Althans waar nu Assen staat. In het stadhuis en in de kruisgang van het museum vindt ge de resten van de abdijkerk terug. Een tweede Drentsch klooster, van ouder datum, was de Benedictijner-abdij van Dikninge, waar nog slechts kelderresten van over zijn. Vanuit deze kloosters is de pioniersarbeid der vervening begonnen: het gehucht tusschen Assen en Smilde heet nog Kloosterveen. Hoe daar in den schemer der middeleeuwen is gegraven en gewroet, ge zoekt er vergeefs naar in vergeelde papieren. Wellicht ontbrak de tijd om 't neer te schrijven. Want de kloosters waren en bleven arm, het aantal kloosterlingen en proveniers gering. Moest niet de bisschop verbieden, dat de broeders en zusters hun brood en boter op de markt te gelde maakten? En tweehonderd jaar later moest de juffer, die de wereld voor Dikninge vaarwel zegde, niet slechts de zusters onthalen op wild en wijn, "van kost alles gelijck een jufferen-bruylofft", maar ook haar eigen bord en bed meenemen benevens honderd daalders voor het klooster en zestig goudguldens om onder de vrome zusters te verdeelen!
   Ook over 't ruige Drentsche land strijkt dan de geest der Reformatie, Pastoors moeten kiezen tusschen de nieuwe leer of de ballingschap, broeders worden verdreven, kloostergoed komt in landshanden. Maar er komen nieuwe pioniers. Het eerste verveners-octrooi wordt in 1612 uitgegeven en in 1634 besluiten ridderschap en eigenerfden van Drenthe "om sonderlinghe goede reden en consideratiën" de gronden achter Kloosterterenveen te verheffen tot een leenheerlijkheid ten behoeve van Adriaan Paauw, raadpensionairs van Holland en Westfriesland. Honderd jaaar later is de ondernemingslust van de Gouden Eeuw gedoofd. Opnieuw raakt de vervening in verval. En het duurt tot 1767 eer de Lantschap zelf de exploitatie te bevorderen zoekt. Het is een Lycklama à Nijeholt, de grietman van Opsterland, die nu de plannen ontwerpt. De Smildervaart wordt doorgegraven. Nu hoeft de turf niet meer met wagens naar Groningen vervoerd te worden. Schepen zullen de brandstof naar Friesland, ja zelfs naar Holland kunnen vervoeren. Een groot achterland is ontsloten als schipper Sake Janszoon de eerste Friesche tjalk in het Kloosterveen komt laden. En de hoogedele heeren regeerders der Landschap Drenthe weten, dat dit een historische moment is, dat gevierd moet worden: zij vereeren Sake Janszoon een vaderlandsche driekleur voor zijn schip. De schipper bestelt bij den schoolmeester een dankvers, en meester zou geen man van zijn tijd zijn, als 't niet lang werd:


Mijn Heeren van het Landschap Drent,
Die in persoon mij onbekendt,
Als mede Uw Edlens qualiteit,
Waar mede gij sijt in Hoogheit,
'k Meen Uw Mijn Heeren van het Landt
Door Wiens bestier van goeder Hand
Mij is vereert een nieuwe vlagg,
Die ik ontving met blij gelagg.
'k Zeg dank met diepe eerbiedigheid
Voor dees Uw toegenegenheid.
'k Zal pronken staag met dit prezent
Ter eeren van het Lantschap Drent
Op mijn Friesch Tjalkschip, daar ik mee
Quam eerstmaal op Uw Smilder Rhee
En roemen van Uw Smilder turff,
Daar ik met recht op roemen durff
In Friesland, Holland waar ik kom,
Opdat dit goede werk alom
Mag worden meer en meer verbreid
Tot Uw en 's Lands welvarentheit.
Voorts is mijn wensch dat gij Mijn Heeren
In 's Heeren gunst lang moogt regeeren,
En dat de Opper-Zeegenaar
Uw mag bekronen voor en naar,
Met zulke zegening bekwaam
Waardoor ge voorts, in Tijds, te saam
Uw zelfs en anderen nuttig sijt.
En soo ge hier eens Uwen tijt
Ten einde hebt gebracht, dat dan
Uw eeuwge vreugt mag komen an
Bij de Opperheer in Zijnen troon,
God gun Uw zulks, om sijnen Zoon!

   Teikene, mij voorts met diep Respect
en dus odnerdaniglijk de vrijheid nemende
mij voorders in Uw HoogEdlens gunste te
recommandeeren, die ben,
HoogEdler Heeren,
Uw Hoogedlens Dienstwillige en gants
onderdanige Dienaar
Sake Jansz.
Noordwolde, den 8 Februarij 1771.


   Als ge nu deze dingen weet, dan zult ge den langen eentonigen tocht langs de Smildervaart misschien wel met animo beginnen. En wanneer ge in den vroegen Septembermorgen van Kloosterveen naar Bovensmilde fietst en van het lange dorp Hoogersmilde ongemerkt in Hijkersmilde overgaat, dan is dat nog niet zoo'n onplezierige rit, want het morgenlicht wordt zacht gefilterd door een ijlen nevel en in dien zacht geligen tint van het licht blinkt het wit van de raamkozijnen zoo fel, als waart ge in Groningerland. Lang is hij tocht wel, die Smildervaart, maar welaan, de dag is nog vroeg en ge zijt nog bezield met den waren trekkersgeest, bereid om te genieten van elken zonneplek, van iedere nevelvlaag. En zoo fietst ge maar begeerig voort, van brug tot brug, van "draai" naar "klap". Het dorp is gebouwd ter weerszijden van de vaart en menig boerenbedoeninkje, dat ge hier ziet staan was er al, toen Sake Janszoon nog aan den roerstok stond.
   Juist al ge u afvraagt, og er dan geen kerk staat voor de Smilders, passeert ge een onopvallend stijlloos gebouw. Dat is de gereformeerde kerk; de merkwaardige hervormde kerk van Hykersmilde staat nog een eind verder. De architecten kennen die kerk van Hykersmilde wel. Al noemen ze haar dan ook altijd de kerk van Kloosterveen. Want toen de Ridderschap en Eigenerfden van Drenthe op 24 maart 1778 besloten "dat er voor die van Hykersmilde en 't Cloosterveen en kerk zal gebouwd worden en ten dienste van denzelve een ordinaris leeraar beroepen zal worden", zette de Asser bouwmeester Abraham Martinus Sorg zich achter de teekentafel en na enkele afgekeurde ontwerpen diende hij een plan in, dat het verre won van de schets van den befaamden Kamper stadsarchitect Ten Holt, wiens koorkerk men achtte "meer uit navolging als beredeneert oogmerk gesproten te weesen". Zoo staat daar nu aan de Smildervaart een achtkante koepelkerk en van dien vorm zijn er maar weinige in ons land. Het klassicisme had zijn stempel gedrukt op de Drentsche architectuur.
   Nam elders nog de kerk de taak der wereldlijke overheid waar, hier was het de landsregeering, die zich geroepen wist de gereformeerde religie te bevorderen: een leening van f 40.000,- ten laste van de Landschap verschafte de gelden, benoodigd voor kerk, pastorie, kosterie en school. Op een steen in den kerkmuur leest ge, dat de oudste zoon van den Drost den eersten steen heeft gelegd en de namen van de leden van het hooge college zijn evenmin vergeten als die van den architect. Maar ge mist de aannemers. Na wat ge nu al van de kerken hier in 't Noorden hebt gezien, geeft dat te denken! Toen de gedenksteen aangebracht werd, waren er dan ook al heel wat booze woorden op harden toon gesproken: de bouw vorderde traag. Het duurde jaren en geen klcaht hielp. Voor straf kwamen de aannemers niet op den steen........ Die gaven er toen uit baloorigheid heelemaal den brui aan. Ze bouwden niet verder. En de opzichter werd door den Drost gemachtigd, om den bouw op kosten van de aannemers te doen voltooien!
   Begin 1788 kon de kerk dan eindelijk in gebruik genomen worden. De predikant van Assen, Hendrikus Krul, werd verzocht het gebouw met een gespaste leerrede in te wijden, in tegenwoordigheid van het volle college van Drost en Gedeputeerden, vergezelgd van derzelver deurwaarders en boden. En terwijl dominee Krul de uitwerking beproefde van den tekst "Dat Uw oogen open zijn nacht en dag, over dit huis, over deze plaats van dewelke Gij gezegd hebt: "Mijn Naam zal daar zijn!" poetsten dde armjagers an Drenthe aan de knoopen van de beste uniform, want het college had besloten dat "tot voorkoming van confusie de capitein-geweldiger en acht carspel-soldaten zig op dien dag aldaar vroegtijdig gereed zullen laten vinden...." Dank zij al die voorbereiding verloopt de 17e Februari zonder confusie en in den namiddag komt dominee Krul weer in de eigen pastorie, twintig gouden ducaten rijker dan toe hij heenging. Dat was nog eens preeken, voor rekening van de overheid! Maar die onbezorgde dagen zijn voor de dominees snel geteld. Nog geen tien jaar later besluit de Nationale Vergadering van het Bataafsche Volk tot de scheiding van kerk en staat. De kerkmeesters krijgen de kerken en de torens worden tot eigendom van de burgerlijke gemeenten verklaard. En zelfs de klokken mogen niet meer luiden als de dienst begint.... Dominee moet maar zien hoe hij aan zijn tractement komt: "elk kerkgenootschap zorgt voor het onderhoud van zijnen eerdienst, deszelfs bedienaaren en gestigten." Aldus artikel 21 van de nieuwe Staatsregeling.
   Evenwel, nog juist voordat de nieuwe tijd aan ridders, eigenerfden, turfgravers en veenboren de bevrijding tot het gelijke burgerschap verleende, werd Jan Albert Erkenswijk van Ruinen tot predikant van Hykersmilde beroepen. De kosten van zijn bevestiging bedroegen welgeteld f 71,- en ook die kwamen voor rekening van heeren Gedeputeerden.

REKENING van Jan Nijenbanninge ten laste van
de Landschap wegens verteringe ten zijnen huise
gedaan bij gelegenheid dat de predikant Erkenswijk
op de Smilde is bevestigt.

1788 den 29 Nov.
2 heren predikanten coffie
den 30 dito, 'smorgens coffieetz.
2 boden en 2 knegten coffy bootrams
Boven 18 heren eten
2 boden en 3 knegten eten
nademiddag boven tee
2 boden en 1 knegt coffy
18 fles rode wijn à 11 st.
17 fles witte wijn à 10 st.
1 fles musschaatwijn
6 kanne bier
's nagts twee bedden beslapen
2 bedden voor boden en knegten
Den 1 December twee heren tee en bootrams
Twee boden en 1 knegt coffy en bootrams
voor sopies en alles
Bellsjere (fooi) op order van de heren
Voor pijpen tabak etz.
Voor de peerden 10 spint haver
Voor 't hooi
gl.
0 -
1 -
0 -
3 -
3 -
1 -
0 -
9 -
8 -
0 -
0 -
0 -
0 -
0 -
0 -
4 -
4 -
2 -
3 -
2 -
st.
4
10
16
:
:
:
6
18
10
16
12
12
12
12
12
:
:
:
:
:
 
  f. 71 - :

   Intusschen staat de zon al hoog boven de huizen uit, en ge zijt nog niet verder dan Hykersmilde. Straks heet het dorp ter afwisseling Hoogersmilde, maar het beeld blijft hetzelfde, ook al gaat ge bij "de Oude Veenhoop" ter afwisseling aan de andere zijde van de vaart rijden. Ronduit gezegd: deze weg wordt vervelend. Maar bij een Zuidwestenwind is hij nog veel langer. En nog vervelender. Maar juist als ge er heelemaal genoeg van krijgt, is het eind in zicht. Er komen zoowaar een paar bochten. Rechts liggen nu de bosschen rondom Diever al niet ver meer. Het is u een opluchting als ge aan de Dieverbrug aankomt. Natuurlijk gaat ge links. Naar Dwingelo en het Ruinerveld: hoe ver is mijn hei-eide! Ik wensch u goed succes. Maar ook al komt ge hem tegen: vergeet nooit, dat ook dit land langs de Smildervaart met heel zijn geschreven en ongeschreven historie een brok "echt Drente" is!


webdesign & copyright
© 2001-2003 Eveline
→