De torens


 overzicht
Inhoud
Start
Kopzorg om kostelijke zielen.


GE kent de pastorie nu goed genoeg om te weten, dat dominee meer doet dan Zaterdags preek maken en Zondags preek houden. Daar is Maandagavond vrouwenclub, en Dinsdagavond catechisatie, en Woensdagavond bijbelbespreking en Donderdag jeugdbijeenkomst, Vrijdagavond vergadering en als domine niet oppast komt ook de Zaterdagavond in het gedrang. Overdag is daar dan tijd voor het huisbezoek en het ziekenbezoek. Aan het begin van het jaar, als ieder mensch bezield is van goede voornemens, neemt ook dominee zich voor dit jaar het huisbezoek het volle pond te geven. Hij telt nauwkeurig het aantal gezinnen en rekent uit hoeveel bezoeken hij per week moet afleggen om "rond" te komen. Wanneer er niet te veel tusschenbeide komt en dominee een plichtsgetrouw man is, lukt dat zoo min of meer. Al kost het dan ook heel wat meer tijd dan dominee op Nieuwjaarsmorgen dacht. Want ook in dit jaar is er hier een niet thuis, en dar kan men het vandaag niet wachten, en ginds zijn ze juist aan den schoonmaak. En wie had nu verwacht dat dominee juist vandaag.... Waar men dominee juist vandaag verwacht, dat is in de huizen waar een zieke is. Aan een lang ziekbed is dominee steeds een welkome gast. Menige zieke ziet verlangend uit naar dit stil en rustig uur, naar het opbeurend gesprek met dominee. En dat weet dominee, en hij komt er graag. Maar in menig Groningsch dorp wil het gebruik dat dominee van elke driedaagsche verkoudheid notitie neemt. Men stuurt dan wel niet rechtstreeks een boodschap naar de pastorie, maar men verwacht dominee niettemin. En zoo verschijnt er dan bij nat en guur weer elken morgen een kerkeraadslid aan het ontbijt. Of dominee het al gehoord heeft? Bonnema is ook niet goed gewroden gisteren, en Jan Elema heeft weer zoo'n pijn aan de pols dat ze den dokter willen laten komen, en de oude vrouw De Boer ligt al drie dagen op bed en dominee was er nog heel niet geweest.... Daar moet dominee vanmiddag dus maar gauw eens naar toe. En als dominee aan het eind van den middag, gelukkig zonder ernstige bezorgdheid over het lot van zijn nieuwe patiënten, huiswaarts keert, dan klinkt hem het afscheid van vrouw De Boer nog in de ooren; want met echt Groningsche openhartigheid en vrouwlijke zuinigheid ten zien van doktersvisites zei vrouw De Boer: "Dominee moet maar eens gauw terugkomen, hoor! Juow gang is ja geen doktersgang!" Natuurlijk komt dominee gauw eens terug. Want al zit hij misschien op zijn fiets een beetje in zich zelf te mopperen over de vele kostelijke uren die een dorpspredikant moet verdoen aan dikwijls vrij onbeduidende bezoeken, dominee weet wel dat het niet best zou zijn, als hij zoo'n vaste traditie zou miskennen.
   Ook bij een begrafenis mag dominee niet ontbreken. Bij elken laatsten gang, ook van iemand die bij zijn leven nooit den weg naar de kerk gevonden heeft, wordt dominee "verzocht". En dan gaat dominee en leidt de plechtigheid, omdat dit nu eenmaal zoo het gebruik is. Na afloop krijgt hij een eereplaats aan de familietafel, maar was wanneer dominee weer vertrokken is, komen de tongen goed los. Ook dat is nu eenmaal gebruik! Er zijn dominees, die dat onaangenaam vinden. Die zich bedroeven of ergeren of verwonderen over die terughoudendheid in hun bijzijn. Hebben zij zich niet jaren lang aan hun gemeente gegeven met inzet van den persoon? Waren zij niet altijd de vertrouwde van hun gemeentenaren? Was daar niet dikwijls een persoonlijke band ontstaan, die de gebruikelijke afstand van predikant tot gemeentelid had verkleind? En wanneer domine dan met de heele familie aan tafel in het sterfhuis zit, dan voelt hij toch altijd weer die beklemming, die eerst na zijn vertrek wegvalt.

   Wanneer dominee daarover piekert, dan vergeet hij dat bij elke begrafenis in de volksziel iets gewekt wordt van sluimerende herinneringen aan den strijd, dien de dominees van de zuivere leer hebben gevoerd tegen de volkszede. Het Groningerland is thans arm aan volksgebruiken. Dat is voor een goed deel het werk van de kerk. Van de oude volksspelen als vogelschieten, kaatsen en balgooien is in de heele provincie geen enkel groen sprankje meer te vinden. Uiteraard werden dergelijke vermaken door het volk op den Zondagmiddag beoefend. De 17e- en 18e-eeuwsche predikanten zagen in deze volksvermaken een ontoelaatbare schennis van den dag des Heeren, en vooral na de invoering van de middagpredikatie trok de kerk tegen de Zondagsontheiliging te velde. Wie weten wil, hoe zwaar deze zaken onzen voorouders op het hart lagen, neme den perkamenten foliant in handen, waarin dominee Mensinga, "pastor Zuitlarensis", in sierlijk handschrift te boek gesteld heeft de "Particuliere Besoignes van 't Consistorie van Zuilaren, beginnende 1729". Want een van de besognes van den kerkeraad betreft een "papegaeij-schieterij". Dit papegaai-schieten was een sport, die door de stedelijke schutterijen met groote voorliefde werd beoefend. Het was een zeer oud gebruik, waarvan al in de veertiende eeuw melding wordt gemaakt. In de Haagsche Doelen schoot eens graaf Willem van Beijeren met den voetboog naar den vogel, en zijn dochter Jacoba wist op een schuttersfeest te Goes den kruisboog zoo zuiver te hanteeren, dat zij tot koningin van het schuttersgilde uitgeroepen werd. In dien tijd gold het vogelschieten dus geenszins als een oneerbare aangelegenheid. Maar de broeders in den kerkeraad van dominee Mensinga hadden over dit volksspel zoo hun eigen schriftuurlijke gedachten. Zij meenden in den houten vogel op den staak de duif te herkennen, die als een verbelding van den Heiligen Geest op Jezus neerdaalde bij diens doop, volgens het verhaal in Lucas 3. En dominee Mensinga acht het zelfs "eenigszins waarschijnlijk" dat ten tijde van het vroegste Christendom de heidenen dit spel uitgevonden hebben als een bespotting van den Heiligen Geest.... Zo ziet ge dan dominee Mensinga in zijn verbolgenheid over het aangekondigd papagaai-schieten op zoek naaar een tekst voor zijn volgende preek, waarin hij de zonde van dit heilloos vermaak in alle zwartheid kan schilderen. Het kerkevolk van Zuidlaren luistert op dien eersten Septemberzondag van 1731 naar het woord uit Exodus 23, vers 2: "Gij zult de menigte tot booze zaken niet volgen!" En om allen twijfel weg te nemen volgt na de predikatie nog van den kansel een bekendmaking van den kerkeraad in de volgende bewoordingen:

   "De Kerkenraet van de gemeinte van Zuitlaren in ervaringe zijnde gekomen, hoe dat in deze gemeinte staet gehouden te worden een papegaijschieterij, hebben in des Heeren vreze gezamentlijk goetgevonden (agtervolgens uitdrukkelijke Goddelijke last om te waken tegen de ergernissen die in de gemeinte aengericht worden, ten einde dezelve, zo veel mogelijk is, geweert mogen worden, tot vermijdinge van Gods toorn), niet alleen de gemeinte te waerschuwen tegen deze Christen onbetamelijke handelinge, - als zijnde voornamelijk geschikt om allerleij ijdelheid, ongebondenheit, brasserij, dronkenschap en allerleij ontuchtigheid gieriglijk te bedrijven, behalven dat het is een inslaan van den weg der heidenen, van God verboden, ter eere van hare Goden zodanige spelen hebbende gehouden, ja enigszins waerschijnlijk haer oorsprong hebbende uit die heilloze profanatie en bespottinge der heidenen in de eerste Christeneeuwen van het neerdalen des Heiligen Geestes in een gedaente van een duive, door te schiten na een opgehvene of opgehangene vogel, - maer ook wel ernstig een iegelijk te vermanen, uit liefde tot de eeuwige welstand van uwe kostelijke zielen, zig daer van te onthouden, en geen gemeenschap te hebben met deze afgodische en atheïstische handelinge, tot verhoedinge en voorkominge van Gods toorn en oordelen over de gemeinte en eigen dierbare en onsterfelijke ziele.
   Zullende de Kerkenraet genootzaekt zijn, na de magt hun van God verleent diegene, die onze welmeenende waerschuwinge en vermaninge komen te veragten en tegen dezelve zig aen deze zonden schuldig te maken door meede te bedrijven of te bevorderen en voort te zetten, volgens des Heren woort, praktijk des eersten Christendoms en stanvastige ordeningen der Kerken, als profane zondaers en die met de daet zig de Christen-naem onwaerdig maken en gedragen te houden, en dieswegen door de sleutelen des hemelrijks te weren van de gemeenschap der heiligen en heilige dingen.
   En opdat niemant van het quaet en strafwerdige van deze handelinge onkundig verleidet en ingewikkelt mogte worden in het uiterste gevaer van des Heeren toorn op zig te laden, heeft de Kerkenraet goetgevonden, dat dit de gemeinte zoude worden bekend gemaekt.
   Wenschende en biddende dat de Here zijn vreze in het harte geven om te wijken van het quade. Amen."

   Op het eerste gezicht getuigt het nu van weinig vertrouwen in de gemeentenaren, wanneer ge leest dat de kerkeraad dienzelfden Zondagmorgen na den dienst in vergadering bijeenkomt om te beraden welke maatregelen er verder getroffen moeten worden om Zuidlaren voor het dreigend onheil te behoeden. Maar er was dan ook al een heele voorgeschiedenis. Zuidlaren namelijk is een Drentsche gemeente. En de papegaai-schieterij zou aanvankelijk in een Groningsch dorp plaats gevonden hebben, maar daar had de overheid dit op aanstichten van den kerkeraad verboden. De organisators kozen toen als feestterrein een stuk land van de weduwe Voskuil uit Zuidlaren, alwaar men zich op Drentsch territoir bevond! Zoo besluit het consistorie van Zuidlaren zich onverwijld te wenden tot den Drost van het Landschap Drenthe, om ook dezen magistraat tot een verbod te bewegen. Dien middag versnijdt dominee Mensinga zijn ganzepen voor een grooten brief aan den Hoogwelgeboren Gestrengen Heer, Baron van Egten, Here tot Egten en Egtens Hoogeveen, Drossaerd van Coevorden en der Landschap Drenthe, etc., etc., etc. Door de koelte van den zomernacht rijdt spoorslags de Zuidlaarder bode. Zijn reis heen en terug vergt drie dragen en komt den kerkeraad op twee volle guldens te staan. Maar zelfs in Zuidlaren betaalt men dat graag, uit liefde tot den welstand van zooveel kostelijke zielen....

   Zooveel is zeker: wanneer op Vrijdag den 7en September op het land van de weduwe Voskuil de staak hoog staat opgericht en het volk van her- en derwaart is gekomen om in weerwil van de welmeenende waarschuwinge en vermaninge te zien wie de vogel met een welgemikt schot naar beneden zal halen, dan heeft de kerkeraad gedaan wat zij kon om het zondig spel vol heidensche superstitiën te verhinderen. Zij heeft den Landdrost overtuigd, dat dit een vermaak is, dat de gemeente aanstoot en ergenis geeft, en een zaak, waaruit "niet anders als allerleij onordentelijkheid, suiperijen, ongebonentheit en zondige wulpsheden zullen voortvloeien", en deze heeft dan ook aan den brenger van den brief een schrijven meegegeven vor de weduwe Voskuil, waarin deze op poene van vijfentwintig goudguldens is gesommeerd den paal te doen wegnemen. Het geen echter niet verhinderde, dat het papegaai-schieten op dien Septembermiddag plaats vond!
   De papegaai van Zuidlaren had nog een heel pikant staartje toen de kerkeraad een harer lidmaten, den oud-luitenant Marinus, die het feest mede had georiganiseerd, voor zich riep en hem bestrafte op een voor die dagen zeer gebruikelijke wijze: men ontzegde hem den toegang tot het avondmaal. De oud-luitenant Marinus behoorde blijkbaar tot de spreekwoordelijk bekende onwillige honden, en hij beklaagt zich over deze behandeling bij het college van Drost en gedeputeerden. Bij deze wereldlijke overheid is hij natuurlijk formeel aan het verkeerde adres, maar in verband met den afloop van de kwestie ziet het er naar uit dat dit niet een domheid, maar een simmigheidje van den luitenant is geweest. Want weliswaar verwijzen deze heeren de zaak naar de classis, die er dan ook twee maal over vergaderen moet om tot een uitspraak te komen, maar wanneer deze zich dan een oordeel over de zaak heeft gevormd geeft zij de kerkeraad van Zuidlaren volkomen gelijk, maar.... besluit niettemin dat luitenant Marinus voortaan behandeld moet worden, als was er niets voorgevallen, en zij draagt den kerkeraad op om alle stukken, die op deze zaak betrekking hebben uit de protocollen van haar vergadering te verijderen! Dat gebeurt dan ook prompt den volgenden dag, in bijzijn van een afgezant der classis en van luitenant Marinus.... Gelukkig dat dominee Mensinga zulk een serieus man is geweest, dat hij thuis nog een privé-boek had, waarin hij de belangrijke zaken uit zijn ambt vastlegde, zoodat het verhaal van deze merkwaardige episode uit den strijd tusschen kerk en volksleven voor het nageslacht behouden bleef.

   Wanneer ge nu het compleet relaas van de papegaai-schieterij van Zuidlaren verneemt, dan zijn er twee dingen die u treffen. Daar is allereerst de serieuze - soms zelfs over-serieuze-wijze, waarop de zieleherder dit volksvermaak beschouwt. Het memorandum, hetwelk hij aan de classis heeft doen toekomen, is te lang om er zelfs maar uit te citeeren, maar daarin toont hij met aanhaling van talrijke bijbelteksten aan, dat dit volksvermaak ergernis aan de gemeente geeft; dat het slechts voorwendsel is voor het aanrichten van een dronkenmansgelag; dat het een afgodendienst der onmatigheid is; dat het zijn oorsprong heeft in een heidensche profanatie van den Heiligen Geest; dat het, door de deelnemers te doen loten over de rangorde bij het schieten en over de verdeeling van de prijzen ontaard is van het prijsschieten tot een verkapte loterij. En aangezien zijn uitvoerig en weldoorwerkt betoog bij de classis niet op verzet stuit, mag men wel aannemen, dat zijn zienswijze overeenkomt met het standpunt van de predikanten uit die dagen. Merkwaardig is vervolgens, dat ondanks alle moeite het feest vroolijk voortgang kan vinden, terwijl tenslotte de man die er voor aangepakt wordt kennelijk de bescherming geniet van machten, waarvoor de classis bakzeil haalt. Was dit laatste nu alleen een persoonlijke aangelegenheid - het besluit van de classis wordt genomen "om alle aanstoot weg te nemen voor de Politiken, die daerdoor meenden benadeelt te zijn in hare jura en privilegia!" - of zijn er nog altijd invloedrijke kringen, die als het er op aan komt zich verzetten tegen de geestdrijverij van de zuivere leer?

   Hoe het ook zij, daar was geen kermis in de Ommelanden, of er werd op den papegaai geschotn, en zelfs een placcaat tegen het vogelschieten bracht daarin maar weinig verandering. In Tolbert koos men in 1745 zelfs den Goeden Vrijdag daarvoor uit, en de kerkeraad die daarover bij de overheid klaagde, kreeg van den grietman te hooren, dat hij er geen kwaad in zag en er zich niet verder mee wenschte in te laten, daar er niets onbetamelijks was voorgevallen. Het kaatsen, het kegelen, het dobbelen en het kaarten, het waren evenveel volksspelen die den predikanten en hun kerkeraadsleden veel zorg en ergenis hebben gegeven, en al waren niet alle dansschoolen even berucht als die van Godlinze, ook deze instituten, die men in elk boerendorp aantrof en aantreft, hadden in den kerkelijken kring een slechten naam. Veel is er ook alle eeuwen te doen geweest over de bruiloften, die hier vroeger steeds op Zondag gevierd werden, daar huwelijken voltrokken werden na de Zondagmiddagpreek. Zoo'n Groninger bruiloft ging oudtijds gepaard met veel gejoel, muziek, schieten en vreugdevuren en deze heydensche unordnungh" paste kwalijk bij den ernst van een kerkelijke inzegening. Dat de grenzen van het betamelijke daarbij ver overschreden werden, blijkt uit de vraag van de Damster classis op een synodale vergadering: of de predikant genoodzaakt was een huwelijk te voltrekken wanneer "een Bruydigom in de kercke komt, soo beschoncken, dat hie nouwelix op sijn voeten staen kon, end volgends ganschelik onbequaem in d'stucken tot den godsdienst behorende"! Maar de schrilste klaagliederen klinken op uit de synodale en classicale verslagen, wanneer men te spreken komt over de "utigsten", dat zijn de lijkmalen. De kosters, schoolmeesters en organisten, die telkens weer op de vingers getikt moesten worden, omdat ze als bijverdienste op bruiloften gingen spelen met de vedel, verbood men het bezoeken van een begrafenismaal. Maar voor de predikanten was het en bleef het een lastig dilemma. Want krachtens zijn ambt hoorde hij bij de begrafenis aanwezig te zijn. En geen volksgebruik was zwaarder beladen met heidensche cultusresten dan de uitvaart. De oudgermaansche doodenfeestn kunnen geen rijker maaltijden, geen sjeuiger drinkfestijnen gekend hebben, dan de utigst op het Groninger of het Drentsche land. Dat duurde tot diep in den nacht, zoo niet tot ver in den volgenden dag. Heidensche en paapsche superstitiën leefden het langst bij de begrafenis. Blijkt niet menigmaal bij opgravingen dat ook de doode voorwerpen mee kreeg, die herinneren aan oeroud gebruik en bijgeloof? Tal van gebruiken moesten keer op keer verboden worden: knnielen bij het lijk of het branden van kaarsen, het emde begraven van wapens, kroontjes, het hechten van namen, letters of andere versiereseln aan het lijkkleed. Maar als ge in het Museum van Oudheden te Groningen voor het schilderij van een kinderlijk staat, dan ziet ge dit getooid met kruisjes, palmtak en monogram. En welke resoluties de synode of de wereldlijke overheid ok uitvaardigde, hoe overtuigend men ook aantoonde dat de utigsten van heidenschen oorsprong waren, hoe rigoureus men den predikanten ook het houden van lijkreden en het bijwonen van lijkmalen verbood, alle deze gebruiken lagen zoozeer verankerd in de volksziel, dat de Drentsche boer zich vaak in groote schulden stak voor het lijkmaal van zijn vrouw en dat den Groninger borgbewoner geen machtsmiddel te grof was om den predikant te bewegen tot het houden van een lijkrede. En het was waarlijk ook geen wonder dat de predikanten menigmaal hun eigen gang gingen en dat er klachten inkwamen over pastors, die het lijk in de kerk lieten dragen, of gebeden zegden aan de groeve of de eerste schop aarde wierpen op de kist. Want uit de steeds weer gewijzigde voorschriften, die zelfs bepalingen inhielden over de maximaal toegelaten hoeveelheid bier, kon op den duur niemand meer wijs worden. Het rumoer over al deze dingen, dat nog luid opklinkt, wanneer men de oude geschriften uit die dagen opslaat, is thans historie geworden. De laatste heidensche resten zijn nog altijd bij iederen uitvaart aan te wijen, maar geen predikant maakt er zich meer zorgen over. En de jonge Groningsche dorpsdominee, die onlangs zelfs weer de lijkrede in de kerk binnengesmokkeld heeft, kreeg er zelfs op de classis niets over te hooren! Want elke eeuw heeft haar eigen zorgen over den eeuwigen welstand van kostelijke zielen....


webdesign & copyright
© 2001-2003 Eveline
→