De torens


 overzicht
Inhoud
Start
Het land der "dikke boeren".


WANNEER een Parijsche vader zijn zoon een lesje in Fransche cultuurgeschiedenis wil geven neemt hij de métro naar het Trocadéro, en bestijgt tegenover den rechter paleisvleugel den heuvel van Passy. Het kleine kerkhof van Passy is minder bekend dan Père lachaise, maar tusschen deze zerken en monumenten doet men geen tien passen of men stuit op een reeds klassiek geworden naam. Hier in Groningerland leeft men wat anders dan in Parijs en men wordt er ook anders begraven. Maar op het oude en nieuwe kerkhof van Zuurdijk kunt ge toch ook wel iets van de grootheid van dit boerenland leeren verstaan. Daar ziet ge tegen den kerkmuur een bescheiden steentje gemetseld, waarop te lezen staat, dat de landbouwer K.J. Beukma van de boerderij Castor onder Zuurdijk op 27 April 1835 met zijn vier kinderen naar Amerika was vertrokken, en dat hij hier in 1846 voor een bezoek is teruggekeerd. Ter nagedachtenis aan zijn eerder overleden echtgenoote heeft hij den steen laten aanbrengen. Beukma was de eerste landverhuizer uit deze streek. Hij vond aan de overzijde van het groote water en nieuwe bestaan in het boerenbedrijf. En toen hij na elf jaren weer den Oceaan overstak voor een bezoek aan zijn geboortegrond, toen spraken die van Zuurdijk over niets anders dan over hun ondernemenden dorpsgenoot. Ze spraken er nu wel anders over dan bij zijn vertrek. Toen had ieder dit een onzinnige daad gevonden. Nu men zag hoe snel Beukma zich er bovenop gewerkt had, was ieder bereid te luisteren naar zijn verhalen. Hij vertelde hoe daar op uitgestrekte landerijen heel anders gewerkt werd dan hier. Grootscher. Moderner. Met machines. Hier op de Groninger klei moest ook met machines gewerkt worden, zei Beukma. Zoo staat daar het volgend jaar op een boerderij onder Warfum een dorschmachine te kijk, die Beukma voor rekening van het Genootschap voor Nijverheid uit Amerika heeft overgezonden. Dan rijden de boeren van het Hoogeland hun sjeezen in de doorrit van de dorpsherberg of ze spannen af bij de boerderij Groot-Zeewijk zelf, want iedereen wil die vreemde machine leeren kennen, waarmee je kunt dorschen zonder vlegel en zonder arbeiders. Dat is het begin van den nieuwen tijd in den landbouw. Velen volgden Beukma in die jaren. Alleen in 1848 vertrekken er wel 344 Groningsche landbouwers en landarbeiders naar Amerika, en daaronder zijn er velen uit de omgeving van Zuurdijk: 53 uit Ulrum en 72 uit Leens! Maar de boeren die blijven, weten nu dat in de machine hun toekomst ligt. Het duurt geen tien jaar meer of de Amerikaansche arendploegen en zaaimachines arriveeren in Groningerland en zoo wordt stap voor stap de landbouw gemoderniseerd.

   Dat de landbouwmachines het eerst in Groningen met voordeel zijn toegepast ligt voor de hand. Kleine boerenbedrijfjes, zooals die in Gelderland en Brabant regel zijn, kent men ter nauwernood in een schraal hoekje van Westerwolde of het Westerkwartier. Het doorsnee-boerenbedrijf wordt in Groningen uitgeoefend op boerderijen van 45 tot 60 hectare. Er zijn er, die wat kleiner zijn, er zijn er die veel groter zijn. Heeft elders de verdeeling van den grond bij verkoop en vererving vaak geleid tot een versnippering van bouw en weidegronden, die een economische bewerking van het land in den weg staat, hier ligt in den regel elke boerderij op een gunstige plaats te midden van eigen gronden. Dit is een logisch gevolg van het historisch gegroeid systeem van eigendom en pacht, hetwelk geregeerd wordt door het beklemrecht. De leders gebruikelijke vorm van landpacht is in Groningen onbekend. de Groningsche boer, die zelf eigenaar is van zijn gronden heeft een boerderij, die hij "vrij en eigen" noemt. Maar dit is uitzondering. De meeste boeren zijn "beklemde meiers" en de eigenaar is slechts "eigenaar in beklemrechtelijken zin". De beklemde meier heeft een vaster positie dan een huurder. Zijn recht van huur is onopzegbaar, ergelijk, ja zelfs verkoopbaar. Zoo is het geregeld bij een v.a.e.i.a.l.v. beklemming, en ieder schoolkind kan u vertellen, dat dit beteekent: een "vaste altijd en in alle liniën verervende beklemming". Zulk een beklemde meier heeft er nimmer zorg over, dat het boerenhuis met alle schuren en stallen, die alle zijn vollen eigendom zijn, gebouwd werden op andermans grond. Hij voelt zich dan ook zoodanig heer en meester, dat hij altijd zal spreken van "zijn" plaats en van "zijn" grond. Naar den vorm is de meier een pachter, maar in feite is hij eigenaar van een stuk grond, waarop eeuwigdurende lasten rusten. Die lasten bestaan uit de "vaste huur" en de "geschenken". De vaste huur is een jaarlijksche pachtsom, die doorgaans reeds zoolang geleden werd vastgesteld, dat het bedrag in de thans geldende pachtverhoudingen laag is. Twintig gulden per ha is al een hoog bedrag en er zijn beklemmingen, waar de vaste huur maar een paar gulden per hectare bedraagt. De vaste huur wordt eenmaal per jaar voldaan, met midwinter. De geschenken vervallen aan den eigenaar bij bepaalde in den beklembrief beschreven gelegenheden. Trouwt de meier, dan is hij een jaar extra-huur schuldig, hetzelfde betaalt men bij vererving in de rechte lijn; bij vererving in zijwaartsche lijn of bij verkoop is doorgaans twee jaar vaste huur verschuldigd als "afgaand en aankomend geschenk".
   Vele van deze in beklemming uitgegeven landerijen waren vóór de Reformatie kerk- of kloosterbezit. Voor zoover zij na de secularisatie "ad pios usus" zijn aangewend, zijn zij ook thans nog in handen van de kerken, die hieruit jaarlijks goede inkomsten trekken, die geenerlei onderhoud en een minimum aan administratie vergen. In een dorp in het Oldambt, Noordbroek, zijn zelfs alle boerderijen op één na in handen van de kerk! De talrijke kloostergoederen, die weleer het zevende deel van de heele provincie besloegen - alleen de Aduarder abdij bezat al meer dan 5000 ha! - kwamen na de Reductie van 1594 in handen van de Staten van Stad en Lande, en eerst tegen den Franschen tijd is daarvan het belangrijkste verkocht. Maar ook dan zijn vele van die gronden wederom in beklemming uitgegeven en ook in onze dagen zal menig Groninger boer, die als eigenaar van een vrije en eigen plaats in moeilijkheden komt, liever zijn goed verkoopen om het als beklemde meier terug te ontvangen dan er een hypotheek op te nemen.
   Over dit merkwaardig gebruiksrecht van den grond, dat uitsluitend in de provincie Groningen en enkele randgemeenten in Friesland en Drente voorkomt, is in den loop der tijden al heel wat geschreven en gesproken. Daar er buiten Groningen maar weinigen waren, die dit recht goed kenden, is een wettelijke regeling van het beklemrecht nimmer tot stand gekomen. Er zijn er, die het beklemrecht willen afschaffen en een verplichte afkoopbaarheid bepleiten. Maar het geeft te denken, dat men deze stemmen vooral...... buiten Groningen kan hooren! De Groninger boeren zelf bevinden zich bij het beklemrecht heel wel. En dat is geen wonder. Want welke pachtvorm legt het boerenland zoo vast in boerenhand als de beklemming? Waar bleven de boerenplaatsen zoo onversneden gaaf van vorm als op het Groninger land? Welke boeren profiteerden zoo van een stabiele pachtsom als de beklemde meiers?

   Wanneer ge de kerk van Pieterburen bezigtigd hebt, - en deze kerk moogt ge niet overslaan, want waar vindt ge de kooropening zoo merkwaardig gesierd als hier met rijksbesneden rankwerk in een eiken boog? - dan zijt ge wel hoog in het Noorden aangeland, maar toch nog niet hoog genoeg om alle merkwaardigs gezien te hebben. Noordwaars dus, en voorbij de laatste boerderijen ligt de "coupure" in den dijk, die toegang verleent tot den jongen Linthorst Homanpolder. Daarginds liggen de groene barakken van het kamp "de Slikken", waar driehonderd Amsterdammers gehuisvest zijn, die hier in werkverschaffing de inpoldering tot stand hebben gebracht en nu de laatste hand leggen aan de cultiveering van de nieuwe gronden. De landaanwinning langs de Waddenzee wordt door de natuur begunstigd. Elke nieuwe vloed zet opnieuw vruchtbare klei af, waarop het kweldergras welig opschiet. Zoo ziet men overal buiten den dijk de schapen weiden op de kwelders. De langs den dijk wonende boeren behoeven niet meer te doen, dan een nieuwen dijk aan te leggen, zoodra de kwelder hoog genoeg aangeslibd is, en er is weer een nieuwe polder aan Groningerland toegevoegd. Zoo deed men dat hier, eeuw in eeuw uit. Want het recht van aanwas bezat van oudsher de aangrenzende boer, zooals het Ommelander Landregt leerde: "Alle angeslagen Landen sullen wesen dergenen, den die an haer Landt anslaen, gelyck dat van Oldes is gewoontlick". De aangrenzende boeren "strekten hun heerd op", dat wil zeggen, ze verlengden de zwetslooten, die hun oorspronkelijke eigendom begrensden en deze lijnen vormden dan tevens de verkaveling voor het nieuw gewonnen land. In de praktijk van eenige eeuwen landaanwinning heeft men geleerd de natuurlijke aanwas een beetje te bespoedigen: wanneer door den kwelder evenwijdig aan den dijk wat greppels gegraven worden, belemmeren die het snel terugvloeien van het water, zoodat nog meer kleideeltjes gelegenheid krijgen te bezinken. Een boer, die voor zijn arbeiders geen werk omhanden had in den slappen tijd, zette hen aan het werk in den kwelder. Zoo kwam het, dat het tempo van de landwinning der boeren onderling wel eens verschilde en voor het bedijken moest men toch samenwerken. De staat heeft de laatste jaren met werkverschaffingskrachten geholpen en in de toekomst zal de landaanwinning geheel door den staat ter hand genomen worden. Want een lange rechtsstrijd is inmiddels uitgestreden en het Ommelander Landregt is heelemaal historie geworden. De Groninger aangelanden en het Domeinbestuur, die al van Napoleons dagen aan het rechten zijn geweest over kwelders en wadden, hebben hun rechtsgeschil door een onderling vergelijk ter zijde gesteld. De staat heeft zich verplicht de inpoldering bij voortduring ter hand te nemen. Van de toekomstige inpoldering krijgen de aangelanden erst nog een stuk zonder eenige vergoeding in eigendom, een tweede stuk kunnen zij tegen een matige vergoeding verkrijgen, maar in de verdere toekomst zal alle aanwas staatseigendom zijn. De boren achter den dijk vragen zich nu af, wat de heeren in Den Haag onder "bij voortduring" zullen verstaan. Maar de boeren onder Pieterburen hebben voorlopig de handen vol. Het kweldergras is gescheurd, want nu de vette klei niet meer onder zal loopen, moet het ook hier bouwland worden. Het eerste koolzaad was in den strengen winter 1941/'42 mislukt en de meeste boeren hebben er snel nog wat zomerkoren overheen gezaaid om nog iets te redden van het eerste jaar. Maar dat zijn kinderziekten. Als straks het zout in den bodem bedwongen is, dan beteekent die nieuwe polder 400 ha vette klei. En wat ziet een Groninger boer nu liever?
   De Groninger boerenzoon wordt opgevoed als de toekomstige beheerder van een groot kapitaal. Wanneer zijn vader zoo om en de bij de zestig is, zal deze gaan rentenieren, en hij moet het bedrijf overnemen. Dan moet hij op die boerderij zoo verstandig boeren en zooveel geld overhouden, dat ook hij op zijn tijd kan gaan rentenieren, zonder dat hij zich zorgen behoeft te maken over het bezwaren van de boerderij als er een erfenis verdeeld moet worden. Want het beklemrecht verhindert de splitsing van de boerderij! Deze zich eeuwig herhalende geschiedenis verklaart veel in Groningerland. Zij verklaart de haast en de zucht om veel geld te verdienen; zij verklaart de voorliefde voor twee kinderen; zij verklaart de zorg voor een "goed" huwelijk binnen den boerenstand.
   Wie als vreemde de woonkeuken van een boerderij in Gelderland of Overijsel komt binnenvallen en daar het heele gezin met inwonend personeel bij het middagmaal treft, zal ternauwernood boer en arbeider kunnen onderscheiden. Wie een scherp oog heeft ziet, dat de een op een iets betere stoel zit of een wat mooier stuk vleesch op zijn bord heeft. Maar dat is dan ook alle verschil. Kom daarentegen in Groningen! Hier is de arbeider duidelijk een daglooner en de boer is zeer duidelijk de min of meer, - maar vaak méér! - wetenschappelijk gevormde directeur van een groote onderneming op landbouwkundig gebied. Hij zal overdag in een paar modderige laarzen over de glibberige paadjes door de akkers stappen, en hij mag op Zondagavond na den eten even een blauwe kiel aanschieten als hij zelf nog een paar koeien moet melken, maar wanneer hij daarna in de huiskamer verschijnt, draagt hij een goed geperst colbert, dat noch in stof noch in snit bij uw steedsche kleeding ten achter is. En in den normalen tijd zwaait hij zijn achtcylinderwagen met zoo'n onfeilbaren zwier op het parkeerterrein voor het Landbouwhuis in de stad, alsof hij dat op het Rokin geleerd heeft. Kortom, hij is een heel ander man dan zijn Geldersche collega. Hij mist diens Saksische gemoedelijkheid, maar ook het Saksisch arbeidstempo. Zijn gereserveerdheid en zijn gesloten karakter verhinderen hem te toonen, dat hij in zijn hart gevoeliger is dan gij denkt. Toch verrast hij u somtijds door een elders zelden voorkomende openhartigheid: wanneer hem zijn meening gevraagd wordt, zal hij nooit aarzelen tusschen een onaangenaam klinkende waarheid en een beleefde onwaarachtigheid. Hij is geen vlot prater, maar van hetgeen hij zegt kunt ge opaan. Geld speelt een groote rol in zijn leven, maar ook op dat punt is hij betrouwbaar. Gelijk elke tandarts u kan bevestigen met een verhaal over en patiënt, die liever twee jaar lang met een tandeloozen mond liep, dan een kunstgebit op rekening te laten maken.
   Om kort te gaan: makkelijker menschen voor den notaris dan voor den dominee! Het valt hun lichter te rekenen met de realia van het "diesseits" dan met die van het "jenseits". Dominee rekent met waarden, die de orde in een Groninger boerderij heelemaal in de war kunnen brengen. En orde en regel heerschen er. Elk ding en elk mensch heeft daar zijn vaste plaats en zijn eigen maat. Tusschen schuur en woonhuis loopt de brandmuur. Die brandmuur is een bijna symbolische scheidslijn in het Groninger boerenbedrijf. Aan de eene kant mag luxe zijn, mits niet gespeend van deugdeljkheid. Daar staan een piano en een dure radio, daar hangen echte schilderijen, daar vindt ge boekenkasten met romans en een encyclopaedie. Het woonhuis van de boerderij is een volslagen villa, compleet met hall en trappenhuis, vaste waschtafels en Perzische tapijten. Aan den anderen kant van den brandmuur is geen plaats voor luxe. Daar staat een bedrijf, dat een efficiente huishouding vereischt, die ingesteld is op geldverdienen. Aan die zijde van den muur is de plaats van het veldgewas, van het vee, van de paarden, van de arbeiders. Een goede boer zal u door zijn bedrijf voeren en hij zal de tarwe door zijn vingers laten loopen met dezelfde bewondering, waarmee een meubelmaker een glad gepolitoerd stuk wortelnoten streelt. Hij zal u de productie van zijn melkvee noemen en de goede eigenschappen opsommen van elk van zijn acht werkpaarden. Hij zal met waardeering spreken over de arbeiders, wanneer die nooit gestaakt hebben. Maar toch zult ge niet ontkomen aan den indruk, dat alle deze dingen en dieren en menschen aan gene zijde van de brandmuur worden gehanterd in een sfeer van koele zakelijkheid en berekening. En ge moet u toch weer niet verwonderen als ge hoort, dat een kapitale boer het aftansch geworden rijpaard liever voor honderd gulden verkocht, dan het dier het genadebrood te laten eten. En wanneer ge een ouden emeritus spreekt, dan zal die u vertellen, hoe daar in zijn gemeente een boer was, die een inwonende arbeider had, die met een vrouw en twee kinderen een kamer en een kelder bewoonde. Nu stond daar in het dienstbodenhuis nog een kamer ongebruikt, en de arbeider wilde die graag aan zijn woning toevoegen, opdat niet òf het echtpaar òf de kinderen in den kelder behoefden te slapen.... Maar de arbeider kon vragen en dominee kon pleiten, zoo'n luxe paste een arbeider niet!
   Sinds de dagen van dezen dominee is er in de sociale verhoudingen hier op het platteland wel een en ander gewijzigd. De scherpste kantjes van de tegenstellingen zijn afgesleten. Soms in harden, taai volgehouden strijd. Soms in eerlijke pogingen tot toenadering en wederzijdsch begrip. Boeren- en landarbeidersorganisaties namen plaats aan dezelfde groene tafel. En zoo hier en daar begint zich in de praktijk al iets af te teekenen van het besef, dat boer en arbeider beiden kinderen zijn van één Groninger volk. Dat volk staat voor één groot probleem: land! In Drente was lang genoeg om te ontginnen. Daar werkte een flinke arbeider zich op tot de eigenaar van een bescheiden bedrijfje. In Groningen is die kans uitgesloten. Daar is geen plekje grond onbenut en menig rijke boerenzoon moet van "armoe" gaan studeeren in de stad. Ook in boerenkringen is men echter tot het inzicht gekomen, dat de landarbeider een vakman is, die niet gemist kan worden. Men begrijpt, dat de scholing van deze arbeiders in het verleden veel te wenschen overliet, en dat hierin een oorzaak lag voor wederzijdsche ontevredenheid, die zich uitte in menig conflict. Voor de toekomst van het algemeen welzijn van Groningerland ligt hier nog een terrein, dat veel studie en arbeid zal vragen.
   Over al deze dingen zult ge nog menigmaal uw gedachten laten gaan als ge die imposante boerenbehuizingen te midden van de golvende akkers ziet staan. Of wanneer ge een koppel vlastrekkers aan het werk ziet in de brandende Julizon. Is dat niet een schilderachtig tafreel, als daar een twintigtal mannen, vrouwen en kinderen met zonnehoeden en bonte hoofddoeken aan den arbeid zijn in het gelend vlas? In strakken cadans buigen zich lijven, grijpen handen en zwaaien armen. Maar de boer, die bij dien arbeid toezicht houdt, beziet dat werk met heel andere oogen. Hij verlangt, dat de aardkluiten stevig van de wortels worden geschud en hij weet, dat elke arbeider voor honderd schooven een vast trekloon krijgt. Gisteracond is hij nog met keurenden blik langs de velden gegaan en hij heeft de oogst op 18.000 schooven geschat. En hij weet wat het hem extra kost als de arbeiders de schooven iets dunner maken, zoodat er straks 24.000 schooven op het land liggen. Zoo wordt daar van weerskanten van tijd tot tijd wat gescholden en gevloekt. Ook dat hoort bij "het lied van den arbeid".
   Wanneer ge nu vanavond op boerenvisite zijt en ge zit tot laat in den avond in de aan geen boerderij ontbrekende ruime serre, behaaglijk uitgestrekt in een makkelijke rieten steol, dan hebt ge alle gelegenheid uw kennis van het boerenland en zijn bedrijf aanzienlijk te verrijken. Want daar wordt eerst veel koffie gedronken en daarna komen de glaasjes op tafel. De geheelonthouding heeft hier nooit veel veld gewonnen. Dat ervoer een spreker uit Holland, die een langen winteravond in Groningerland had gesproken over "de gevaren van den alcohol". "Waarom zouden wij die leelijke alcohol gaan drinken, zoolang we hier nog overal zuvere jenever en brandewijn kunnen krijgen?" zei een oudere boer na afloop tegen dominee. En ik geloof, dat ze er zoo nog over denken. Maar als ge ze niet "zuver" lust, kunt ge de dames gezelschap houden met een glaasje pruimen of frambrozen. Misschien zijn die alcoholvrij. In elk geval maakt het de tongen los. Maar laat u niet verleiden om te gaan pleiten voor afschaffing van het beklemrecht ten gunste van vollen eigendom met hypotheek, want tien tegen een, dat er iemand hardop tegen zijn buurman zegt: "Wat dut dei dwarse kerel hier mit zien Hollaandsche wiezegaid?"


webdesign & copyright
© 2001-2003 Eveline
→