De torens


 overzicht
Inhoud
Start
"Heere, vergeeft ons onse schult ..."


GE hebt het wellicht zelf reeds bemerkt, maar het zij u ten overvloede nog eens gezegd: dit boek is geen Baedeker voor het Noorden. Wie dit verwachtte, zal vele namen missen, die niet minder belangrijk zijn dan Eenrum of Fransum, en zich verbazen, dat het merkwaardige kerkorgel van Midwolde met zijn beschilderde zijvleugels ongenoemd blijft, terwijl één bladzijde nog niet genoeg was voor het zieltogend harmonium van professor De Graaf. Maar deze hoofdstukken bevatten slechts de reisherinneringen van iemand, die zijn vreugde zocht in het zwerven van plaats tot plaats, begeerig om met open oog en oor iets op te vangen van de schoonheid en de eigen aard van menschen en dingen. Het is de onbewuste selectiviteit der eigen zintuigen, die den reiziger naar huis doet keeren met duizend geestelijke momentopnamen, die tenslotte stuk voor stuk toch weer verschillen van ie van uw reisgezel. Wanneer ge dan, thuisgekomen, de film der herinneringen in de donkere kamer der overdenking ontwikkelt tot een helder en zichtbaar beeld, dan is van dezen afdruk de sluier der subjectiviteit nooit meer te verwijderen. Maar ligt hierin niet de eenige rechtvaardiging voor het beschrijven van reisindrukken van een land, dat reeds eeuwen geleden in kaart werd gebracht?
   Wilt ge dus de overige Groninger dorpskerken in al hun schoonheid en al hun ontluistering leeren kennen, dan moet ge uit uw luien stoel! Dan moet ge zelf op stap naar Aduard en Ter Apel, naar Zuidbroek en Zandeweer, naar Ezinge en Pieterburen, naar Bierum, leermens en Oldenzijl. Kerk uit, kerk in, kunt ge gaan, en nog heeft de week dagen te kort. Den Dinsdag echter zult ge eerbiedigen: ge wilt immers met de doode steenen niet genoegen nemen, maar het leven meeleven, en op Dinsdag gaat men naar stad. De stad biedt veel vertier en ik laat u gaarne de keus, als ge de Universiteit maar niet verzuimt. Geen andere academiestad in ons land onderhoudt zulke hechte banden met de provincie. Nergens telt een boerenland zooveel academisch gevormde zonen en zoo vond ook menig huwbare boerendochter wel aardigheid in de geleerde wereld. In dit intellectueele centrum wordt ook welbewust gearbeid aan de moderne ontwikkeling van landbouw en industrie en het is niet toevallig, dat deze universiteit een doctoraat honoris causa verleende aan Dr. R.J. Mansholt, den leider van een vooraanstaand landbouwbedrijf, waar men zich op den teelt van zaaizaden toelegt. In de Senaatskamer zult ge verwijlen bij de portretten van hen, die in drie eeuwen deze academie groot gemaakt hebben, en na den oorlog kunt ge in de aula de gebrandschilderde glazen van den Groningschen kunstenaar Johan Dijkstra weer aanschouwen. Daar ziet ge dan ook de sage van het Riepster Licht in beeld gebracht. Daar ziet ge de twaalf wijze mannen, die den wil van den nieuwen koning hebben getrotseerd. Waartoe zouden zij ook het bevel de nieuwe wetten op te schrijven gehoorzamen? Had men zich niet altijd wèl bevonden bij de oude, ongeschreven wet, die leefde in ieders hart? Maar de nieuwe vorst regeert met harde hand. Hij eischt den dood van de weerspanninge lieden. Ze mogen kiezen: het zwaard, de strop, of de zee op in een schip zonder roer. Zij kiezen het laatste: ik zei u al, dat het wijze mannen waren. Wanneer zij dan stuurloos op het water door den nacht zwerven, steekt er een storm op en ze dreigen te vergaan. Nog wordt het schip willoos heen en weer gesmeten, maar straks zal het stukslaan op de kust of ondergaan in hooge golven. Wèl was de nieuwe koning machtiger dan hun volk, nu zegeviert ook zijn god over de hunne. In dit laatste uur weten de mannen, dat de oude goden hen verlaten hebben en in vertwijfeling werpen zij zich op de knieën en bekeeren zich tot den nieuwen God, wiens heil onlangs verkondigd was. En opstaand van hun gebed zien zij, dat ze niet langer met twaalf aan boord zijn. Daar staat een dertiende man aan dek; zwijgend ziet hij hen aan, zijn vuist klemt zich om een rondhout, waarmee hij de boot door de zeeën stuurt. Als zij weer veilig aan land zijn gegaan, zien zij hoe de onbekende dertiende het rondhout in den weeken grond plant. Een hooge vlam slaat op in den donkeren nacht. Nu pas zien zij, dat het kapitein Jezus zelf was, die op hun schip den roerstol nam. Maar op hetzelfde oogenblik is hij verdwenen.....
   Zoolang nu Zeerijp aan het water heeft gelegen, hebben de menschen daar 's nachts dien fellen vlam aan de lucht zien staan. En een enkele maal wordt dat licht nog wel gezien door een mensch, die in den nacht van den eigen tijd zijn wil in handen legt van den Heer van Dood en Leven.
   Dit alles kunt ge straks lezen in de glazen van Johan Dijkstra. De Groningers hebben ze alleen nog maar gezien op een Kersttentoonstelling in het zaaltje van Pictura. Wie daar in den stillen Kerstavond over het Prinsenhof ging, zag slechts één gloedvol licht op zijn weg door al die verduisterde straten, en in dat licht voeren twaalf mannen op een boot, gestuurd door den eeuwigen leidsman. Een agent, die het proces-verbaal schreef, zei dat de concierge het licht bij vergissing aangedraaid moest hebben. Maar er zijn menschen in Groningen, die er heel andere dingen van gelooven. Slechts over één ding zijn allen het eens: in dien donkeren Kerstnacht van '40 scheen in Groningen het Riepster Licht!!

   Het ligt voor de hand, dat de Groninger universiteit een grooten invloed heeft gehad op het kerkelijk en godsdienstig leven in de provincie. Zij was dan ook opgericht om het tekort aan predikanten op te heffen, daar Franeker niet in de na de Reductie ontstane behoefte kon voorzien. En waarom zou men in Groningen leerlingen beroepen van de Leidsche hoogeschool, wier professoren juist in den luiden praedestinatie-strijd gewikkeld waren, als men zelf de opleiding in handen kon geven aan mannen, die vast stonden in de rechtzinnigheid van den Heidelbergschen catechismus? Zoo komt in 1614 de universiteit tot stand, vrij van Arminiaansche ketterijen. Het volgend jaar wordt zelfs de onverzoenlijke Gomarus van Leiden naar Groningen geroepen. Het star dogmatisch Calvinisme zal in de kerken van Groningerland den toon aangeven. Er waren echter wel tegenkrachten. Al vonden die dan geen officieele erkenning in een leerstoel, ze lagen te vast verankerd in het menschenhart om geheel verdrongen te worden. Hun werkzaamheid draagt er toe bij, dat het algemeen religieus aspect van Groningerland tenslotte toch een ander karakter toont dan dat der elders wonende Dordtsche broeders. Voor den Groninger is het geloof een zaak, die het hart beroert. Een spitsvondig kanselbetoog over leerstellige haarkloverijen wekt in een Groninger gemeente meer slaap dan stichting. De geest van ondogmatische, innige vroomheid, die in elke eeuw zijn vertolkers vond, stamt wellicht uit de fraterhuizen van de Broederschap des Gemeenen Levens. En zeker werd zij krachtig gevoed door de denkbeelden van Wessel Gansfort. In de korte jaren van zijn verblijf te Aduard en Groningen ontwikkelen zich deze plaatsen tot middelpunten van geestelijk leven. Hun beteekenis reikt tot ver over de provinciegrenzen. Evenals de mannen van de moderne devotie grijpt Wessel bij voorkeur naar den Bijbel, voor hem de eenige bron van het ware geloof. En hoewel hij nimmer met de kerk gebroken heeft, Wessel zat boordevol kritiek. Dogma's wilde hij geen algemeen bindende kracht toeschrijven. Hij verwierp het priesterschap, de vereering van Maris en de heiligen, en de uitspraken der concilies. Alleen dat al was genoeg om hem tot een rasechten ketter te maken. Na zijn dood verbranden de dominikanen elk geschrift van hem, dat in hun handen valt. Maar kan men met het vuur den levenden geest bestrijden? De denkbeelden van Wessel ontketenden wel geen volksbeweging, maar een kring van vooraanstaande personen, die leiding geven aan het geestelijk en staatkundig leven in dit gewest, heeft hij weten te bezielen. Deze dragen de nieuwe leer op hun beurt weer uit. Op de St. Maartensschool wordt een generatie opgevoed, die haar stempel zal drukken op het geesteljik leven van de 16de eeuw. Formeel nog behoorend tot de kerk van Rome, heeft men zich toch in feite reeds bevrijd van de kerkelijke overheid. Zelfs een bisschop van Munster voelt zich meer thuis onder de hervormingsgezinden dan op zijn eigen plaats in de kerkelijke hiërarchie. De ketterplakkaten worden dan ook feitelijk egsaboteerd tot aan den dag, dat Alva de orde in de Nederlanden komt herstellen.
   De St. Maartensschool telde zoowel geestelijken als vooraanstaande leeken onder haar leerlingen. Menig landjonker of welgesteld eigenerfde zond zijn zoons bij Praedinius ter schole of ook wel naar de school van de Aduarder abdij. Zoo ontstond op het platteland een ontwikkelde bovenlaag, die gevormd was in de christelijk-humanistische school van Wessel Gansfort en zijn volgelingen, die in den geest op sommige punten verder gaan dan Luther, wiens afscheiding zij echter niet volgen: de kerk had zichzelf al goeddeels gereformeerd.
   Een man, wiens geest meer dan honderd jaar na Wessels dood nog doortrokken is van diens idealen, is Doede van Amsweer, dien gij reeds als hervormd proost hebt leeren kennen. In het volgend citaat staat hij voor u als de belijder van een christendom boven geloofsverdeeldheid. Zijn woorden zouden op een hedendaagsch oecumenisch congres gesproken kunnen zijn:

   "Voor Christi Richt-stoel daert wert ons Christus so hart niet vraghen, wat wij van hem geweten? Of wij veele ende meesterlijck van sijne Godtheit, ende ware aenghenomen Menschheijt, hebben weten te segghen ende te disputeeren. Hij wert ons niet vraghen, wat wij van sijn Lichaem gheloovet hebben, ofte datselve in ende onder den Broodt des Avontmaels, oock in den Monstrancien besloten ende verborghen sij, ende dat hetselve beijde van Gheloovighen ende Ongheloovighen in den ghebruijcke des Avondtmaels genoten ende ontfangen wordt. Gelijck dese Leere bij den Romanisten ende oock vele onrouwige vleeschelijcke Evangelischen, met Bannen, Fulmineeren ende verdammen, ooc met Vuijr ende Sweerdt, tegens grondt der Schrifft, ende de gemeene reghel der Liefde, seer hardt gedreven wordt. Men wert ons niet vragen, oft wij Luthers, Zwinglisch, Calvinisch, Papistisch, ofte ooc noch anders van eenige vreemde irdom ende meeninghe gewesen zijn, die nu vele onder Christi name opstaen.
   Neen niet alsoo, hiervan sullen wij gheene Rekenschap behoeven te gheven, want bij Godt den Heere is geen aensient van Persopnen. Luther, Zwinglius, Calvinus, Augustinus, Cyprianus, Ambrosius, zijn Menschen ende gheene Goden: Ende zijn na haeren beroep Dienaren Jesu Christi. Nu is en recht Herders ende Predigherampt, niet sick selvest te predighen, sonder (maar) Jesum Christum. Waar ze dit doen, daar sullen wij se hooren ende annemen als Christi dienaren. Overst, daer se opten wege irren ende glibberen, ende na haer eijgen menschelijcke affectie, oock bij wijlen hoeij ende stoppelen onder de leere Moijsis ende der Propheten mede in menghen willen, daer sullen wij se niet hooren, sonder sullen achten in den valle, als swacke, sterflijcke Menschen, die ooc irren ende feijlen connen, ende moeten dagelijcx met ons ende met allen Hillighen bidden: Heere vergeeft ons onse schult; niet ons Heere, niet ons sonder dijnen Name geef de Eere."

In de Groningsche christenwereld is Doede van Amsweer de laatste loot op dezen stam. Hoe de landadel zijn proosdijschap weigerde te erkennen hebt ge gezien. Dat de door hem georganiseerde gereformeerde kerk, een man met zoo verdraagzame denkbeelden ter zijde moet schuiven in een tijd, waarin de zuivering nog een aanvang moet nemen, is duidelijk. De Calvinisten zijn in aantocht. Zij hebben er voor gezorgd zoowel in Franeker als in Groningen de dogmatische leerstoelen te bezetten: weldra zal geen predikant om toelating tot de classis verzoeken of hij is gegarandeerd vrij van paapschen superstitiën, arminiaansche en sociniaansche dolingen en afkeerig van doopersche excessen. Zulke mannen vroeg de kerk in die dagen. Want de kerk moest gezuiverd worden....

   Wanneer ge van Leens in de richting Winsum rijdt, dan passeert ge tusschen Wehe en Mensingeweer een nieuwe Roomsch-Katholieke kerk in het dorpje Den Hoorn. In een nis van den torenmuur ziet ge een zandsteenen Mariabeeld en niemand zal er aan twijfelen of het is veel en veel ouder dan de kerk zelve. Inderdaad is het nog afkomstig van de Aduarder abdij. Mij dunkt, de pastoor van Den Hoorn had zulk een kostbaar stuk wel binnenshuis kunnen zetten. Want waar vindt ge in de Ommelanden nog een gaaf beeld uit den kloostertijd? Toen de predikant van Mensingeweer in 1629 op den kerkezolder een paar heiligenbeelden onder het stof vond, ontstelde het hem zoo, dat hij de synode om raad moest vragen....
   Maar niet alleen in de kerken zijn de beelden, de doopvonten, de miskelken en de sacramentshuisjes met grooten ijver opgespoord, ook de beelden, boeken en rozekransen, die men bij het volk in huis aantreft worden openlijk verbrand. Tenslotte worden ook de belijders van het oude geloof, waar mogelijk, vervolgd. Merkwaardig is daarbij in onze oogen, dat het de kerk een menschenleeftijd en meer kost, om het eigen huis vrij te maken van Roomschen invloed en Roomsche functionarissen. Telkens weer worden gelijksoortige bepalingen afgekondigd. Zoo schreef de synode van 1603 voor, dat de koster-schoolmeesters lidmaat moesten zijn òf ontslagen moesten worden. Zes jaar geleden had de synode al aan de Staten verzocht de roomsche kosters af te zetten. In 1609 wendt de synode zich tot GedeputeerdenL nog altijd hebben acht dorpen paapsche koster-schoolmeesters! In 1605 bepalen de Gedeputeerden dat "papistische, mennistische en andere scandaleuse kerkvoogden" afgezet moeten worden. Op de synodale vergaderingen regent het klachten over hen, nog tientallen jaren daarna! Pas in 1650 laat de overheid de eerste processen tegen Roomsche kerkvoogden aanhangig maken. En het moet tot 1679 duren alvorens men durft optreden tegen roomsche en mennistische collatoren..... Vanwaar toch die slapheid van beleid? Zeker zit in de soms op lijdelijk verzet lijkende houding van de overheid ook wel het element van vriendjesdienst en eigenbaat. Maar het heeft er veel van dat zich in het overheidsbeleid een bijna instinctieve afkeer demonstreert van de ketterjagerij der Calvinistische dominees.
   Ge moet al ene zeventiende-eeusch papenvreter zijn, als uw sympathie in deze Ommelanden der onvrijheid niet uitgaat naar de enkele Jezuietenpaters, die in die tijden de verstrooide geloovigen der moederkerk hebben bediend. Als wild worden ze opgejaagd, maar ze ontkomen door ramen en deuren, over slooten en door bouwlanden, nu eens vermomd als boer, dan als koopman of als rondreizend ketellapper. Daar is er een in een kalverhok gestorven aan de pest en men heeft onder het stalstroo een graf gegraven. Daar brak er een in den nacht een arm bij het springen over een sloot. Hij vermeldt het terloops in het verslag over zijn werk, en wij lezen dat er alleen in Uithuizen meer dan 200 roomschen gevonden worden. Missen worden des nachts opgedragen, gebeden en liederen worden geleerd, kinderen ontvangen onderwijs en dat alles gebeurt in het verborgene. Een dier paters laat ons weten hoe onze roomsche landgenooten in de stad Groningen leefden in een tijd, dien wij gemeenlijk de Gouden Eeuw noemen:

   Gedurende een half jaar zijn de huizen der Roomsch Katholieken in de stad negenmaal gevisiteerd. Zoodra men vermoedt dat hier of daar een priester zijn intrek heeft genomen, neemt de standswacht de vrijheid een woning te inspecteeren. Vooral wanneer iemand in doodsnood verkeert, een moeder een kind ter wereld gebracht heeft, of een huwelijk moet voltrokken worden, en alzoo het sacrament des priesters begeerd wordt, neemt de controle een scherpen vorm aan. Dan wordt aangeteekend: hoeveel, wie en wanneer er uit- of ingaan. Wint daardoor het vermoeden veld, dan wordt de woning, ja de geheele buurg door soldaten omsingels. En opdat de buit niet ontsnappe, dringt men als woedende Eumeniden het huis binnen, keert alles onderstboven, opent kisten en geheime plaatsen en gebruikt kindern, dienstboden, vrouwe, enz. om achter de waarheid te komen. Zij houden vreemdelingen op straat aan; of als deze komen aan de stadspoort wordt hun gevraagd: wie? van waar? waarheen? Ja, des nachts zetten zij ladders tegen de vensters der Roomsch Katholieken of er misschien een priester te snappen is.

   Wanneer ge nu deze dingen weet, dan kunt ge u wellicht voorstellen, dat er niet weinig over gepraat werd toen één van die paters, Ignatius Martens, elf jukken land kocht te Den Hoorn en daarop een Roomsche kerk liet bouwen. Weliswaar waren de vervolgingen niet meer zoo fel, maar de grootvaders wisten er hun kleinkinderen toch nog heel wat van te vertellen! Sedert is die kerk van Ignatius Martens al weer afgebroken. Er staat een nieuwe voor in de plaats. En gelijk gezegd, aan den toren ziet ge het beeld. Of ge ziet het niet. Want daar gaan menschen dagelijks over dezen weg, die het alevel nog nooit gezien hebben. Wanneer ge geen gevoel voor deze dingen hebt, kunt ge dit boek wel sluiten en als ge in Den Hoorn komt, behoeft ge ook niet naar dit beeldje op te zien. Wilt gij weten hoe deze heilige moeder Gods aan die rampzalige vernieling van de Aduarder abdij is ontkomen, waar zij een schuilplaats vond voor de beeldenbrekende ketterhanden, wie heimlijk aan haar voeten lag geknield? Zie naar den nauw zichtbaren glimlach van Maria en ge weet het: ge vraagt te veel. Zoo zal ik u ook niet verhalen wat die pastoor zei, die dit beeld van de moeder Gods na zooveel honderd jaren ongeschonden voor zich zag staan. Pas in zijn binnenkamer heeft hij de woorden gevonden, die iets konden vertolken van de dank en ontroering, die leefden in een bewogen hart.

   Wanneer gij dan op uw zwerftocht door het Groningsche land langs de Roomsche kerk van Den Hoorn zult komen, dan hoop ik, dat gij een oogenblik zult opzien tot deze steenen moeder Gods. Misschien dat dan ook uw gedachten terug gaan naar den tijd, dat onze Roomsche landgenooten door onze eigen gereformeerde voorvaderen werden vervolgd in naam van "het ware geloof". En al staat gij daar ook tegenover een kerk, die de onze niet is, mogelijk is de geest van christelijke verdraagzaamheid drie eeuwen na Doede van Amsweer zoo gerijpt, dat ook gij hem na kunt prevelen: "Heere, vergeeft ons onse schult...."


webdesign & copyright
© 2001-2003 Eveline
→