De torens


 overzicht
Inhoud
Start
DWINGELANDIJ DER DORPSDESPOTEN


ALS ge in Uskwerd lang het gemeentehuis komt, dan stapt ge onwillekeurig even af, om dat gebouw wat beter te bekijken. Niemand minder dan Berlage heeft dat hier gebouwd. Waarom ook niet? Geld zit er genoeg hier in het dorp Uskwerd, dat niet alleen heel hoog in het Noorden ligt, maar ook heel hoog staat in het ranglijstje van Nederlandsche gemeenten waar de meeste vermogensbelasting wordt betaald. Maar dat hebt u zelf al wel begrepen toen u langs de kolossale villa's reed, waarmee de boeren hier hun bedrijfsgebouwen, - altijd nog schuren van tegen de tachtig meter! - schijnen te camoufleeren. En ginds in de "millioennairsbuurt", daar staan "rentenijershoezen", die in Wassenaar niet uit den toon zouden vallen.
   Misschien valt het u voor het gemeentehuis van Uskwerd voor het eerst op, dat monumentale raadhuizen, die elders in ons land een sieraad zijn van dorp of stad, een symbool van welbewusten poorterstrotsch en burgerzin, in de Ommelanden als regel ontbreken. Doorgaans is het raadhuis hier een bar vervelend bouwsel uit de vorige eeuw, waarvoor een ontwerp destijds uit voorraad geleverd kon worden door het Departement van Waterstaat, hetwelk ook teekeningen verstrekte voor spoorwegstations, openbare lagere scholen en brugwachterswoningen, waardoor het landseigene van deze gebouwen ten plattelande nog heden ten dage op zeer bijzondere wijze is geaccentueerd. Een waardige, zinvolle traditie, waarbij de hedendaagsche bouwmeester kan aansluiten, is afwezig. Zoo staat daar dan Berlages schepping met al de voor- en nadeelen van het experiment. Het is een zeer bruikbaar gebouw, dat wil zeggen: het voldoet aan de uiteenloopende eischen, die het administratief en het representatief gedeelte van het gmeentebeheer aan een raadhuis stellen. Dat het op zulk een ongelukkige plaats staat, het was Berlages schuld niet, dat de positie van het gemeentebestuur in Groningen van oudsher een secundaire is geweest. En wanneer het u verbaast, dat het bouwwerk van zulk een groot architect zóó weinig aansluit bij het landschap, vergeet dan niet, dat dit een probleem is, dat voor de huidige generatie sterker leeft dan voor Berlage en voor zijn tijdgenooten.
   Het ontbreken van historische raadhuizen in de Groninger dorpen vindt verklaring in de omstandigheid, dat de taak der wereldlijke overheid hier van oudsher door de kerkvoogdijen is uitgeoefend. Nog tot diep in de 19e eeuw hebben kerkvoogdijen zich belast met de zorgen voor het onderwijs, hebben ze wegen doen aanleggen en straatverlichtingen bekostigd. Deze op het eerste oog wat merkwaardige structuur van het openbare leven was een uitvloeisel van de de ontwikkeling der kerk in dit gewest. Haar oorsprong ligt in de dagen van voor de Reformatie.
   Met de vestiging van het Christendom en van het daarmede hand aan hand gaande Karolingsch staatsgezag, - in de oogen der overwonnen heidenen was de nieuwe godheid vooral de God, die machtiger was dan de oude goden - werden de lage landen opnieuw opgenomen in een Europeesch cultuurverband, en ditmaal lagen zij niet zoozeer in een achterhoek als in den Romeinschen tijd het geval geweest was. In de boeken leest ge, dat Ludger en Wilhad hier als eerste zendelingen gearbeid hebben. Willebrord had tevoren deze streken wel administratief onder het bisdom Utrecht gebracht, maar was zelf nimmer tot het Noorden doorgedrongen. De Utrechtsche bisschop Bonifacius moest zijn vermetelen tocht naar de Friezen met den dood bekoopen en zijn opvolger Ludger zocht zijn arbeidsveld dan ook liever aan den anderen kant van de Friesche wouden. Hij genas den blinden Frieschen zanger Bernlef, "bij de buren bemind, omdat hij de daden der ouden en de oorlogen der koningen harpspelend wist te bezingen", en wanneer deze als een bekeerling Ludger op zijn verderen tocht vergezelt, weten wij, dat de laatste vonken van een uitgegloeide Germaansche cultuur nog dienen om warmte en kleur te verleenen aan de nieuwe leer. En gij ziet hen verder trekken van oord tot oord op hun beurt wonderen doende in de oogen der heidenen als zij zieken genezen, of door de verbetering der dijken het zout uit den bodem doen verdwijnen. Geen bewoonde stee zullen ze verlaten alvorens de bewoners hoofd voor hoofd de vragen van het doopformulier beantwoord hebben:

Forsaschistu diobolae?
End allum diobolgelde?
End allum dioboles werkum?
Ek forsacho diobolae.
Ek fordacho allum diobolgelde.
End ek forsacho allum dioboles werkum and wordum, Thunar ende Woden ende Saxnote ende allum them unholdum the hira genotas sint.
Gelobsitu in got alamechtigan fadar?
Gelobistu in Christ godes suno?
Gelobistu in halogan gast?
Ek gelobo in got alamechtigan fadar.
Ek gelobo in Christ godes suno.
Ek gelobo in halogan gast.



Verzaakt gij den duivel?
En alle duivels?
En alle werken van den duivel?
Ik verzaak den duivel.
Ik verzaak alle duivels.
En ik verzaaak alle werken en woorden van den duivel, van Donar en Wodan en Sanot en van alle boozen geesten die hun genooten zijn.
Gelooft gij in God, den almachtigen vader?
Gelooft gij in Christus, Gods zoon?
Gelooft gij in den heiligen geest?
Ik geloof in God, den almachtigen vader.
Ik geloof in Christus, Gods zoon.
Ik geloof in den heiligen geest.

   De persoonlijke relatie van Ludger met de Groningers verklaart waarom deze landstreek, nadat de evangelieprediker als eerste den bisschopszetel van Munster had bestegen, weer aan het Utrechtsch gezag wordt onttrokken om onder het diocees Munster te worden geplaatst. De kerken van Warfhuizen en Oldenhove zijn aan Ludger gewijd en op de 15e-eeuwsche klokken van Middelstum en Zandeweer kunt ge zijn beeltenis nog aanschouwen.
   Zoo zal dan in de volgende eeuwen wel eens een bisschop van Munster de lange reis door Westfalen aanvaard hebben om langs den Hondsrug te komen naar het Groninger terpenland. Vond de bisschop daartoe geen tijd, dan hield toch een archidiaken, die mede zitting had in het domkapittel, een inspectiereis langs de zes Groninger dekanaten, hier proosdijschappen genoemd. Aan het hoofd van elk dekanaat stond een deken of proost, een priester, die rechtstreeks door den bisschop aangesteld was, om toezicht te houden op de in zijn proosdij gelegen kerspelen of kerkdorpen. Het beheer van de kerkelijke goederen was aan hem onderworpen, en de handhaving der kerkelijke wetten, waaronder ook de huwelijkszaken der kerspelbewoners ressorteerden, vormde een niet minder belangrijk deel van zijn taak. En zoo zien wij den proost zijn jaarlijksch bezoek brengen aan de kerken. Geen onderdeel werd verwaarloosd: zelfs van den kerkhofmuur vindt men vermeld, dat de proost er driemaal tegen schoppen moest, zonder dat deze mocht bezwijeken! De rechtspraak in alle kerkelijke aangelegenheden, het synodaal recht dus zouden wij zeggen, was hier zeendrecht geheeten, en de invordering van de daarbij opgelegde boeten werd eveneens aan den proost toevertrouwd. Aanvankelijk werden deze gelden door de archidiakenen weer bij de proosten geïnd. Raakte echter een bisschop in geldverlegenheid, dan benutte menige proost zijn kans en kocht de rechten van zijn proosdijschap voor een bedrag in eens af. De positie van den proost werd een meer en meer onafhankelijke. Vermogende lieden maakten van de voor d ehand liggende gelegenheid gebruik, om in het bezit te geraken van een erfelijk proosdijschap, dat daarmede van een oorspronkelijk geestelijk ambt een wel zeer wereldsch machtsmiddel was geworden, dat den weg opende tot afpersing en willekeur. Ook deze kruik ging zoo lang te water, tot ze brak. Dat geschiedde toen een nieuwe bisschop van Utrecht het proosdijschap van Farmsum verkocht ten behoeve van een onmondig kind. Het volk liep te hoop en het ouderlijk huis van den proost werd met den grond gelijk gemaakt. De Munstersche bisschop redde zijn prestige niet door het volk in den ban te doen en alle godsdienstige plechtigheden in het Oldambt te verbieden: de priesters werden door de menigte voor de keus gesteld onder dwang de mis te bedienen of het land te verlaten. Daar ook de Munstersche kerkvoogd van geen toegeven wist, liep de twist zoo hoog, dat de aartsbisschop van Bremen in allerijl naar Groningerland kwam, om een schikking te bewerkstelligen en de Oldambters waren niet tevreden vóór de Duitsche keizer, die met zijn zegel bekrachtigd had. De proosdijschappen zelf bleven tot aan de Hervorming bestaan. De stadhouder over Friesland en Groningen, Willem Lodewijk van Nassau, had niets liever gezien dan het instituut, op protestantschen leest geschoeid, te handhaven, en begiftigde Doede van Amsweerd als hervormd proost met de proosdijgoederen van Uskwerd. Hem werd opgedragen op te treden tegen de "abuizen en excessen" van het volksleven en deze volgens het zeendrecht te bestraffen, en bovendien moest hij twee maal 's jaars alle kerken, pastorieën en scholen visiteeren, toezicht houden op de kerkvoogden en hun beleid, en tenslotte zou hij er voor zorgen, dat de kerkgoederen ook waarlijk "ad pios usos", tot heil der kerk, zouden worden gebruikt. Wat baten den Stadhouder edele intenties, die slechts het welzijn der kerk beoogen? Wat baat hem de steun der synode, die zich voor herstel van het proostambt uitspreekt? Daar huisden nog andere heeren in de Ommelanden. Hun machtsbegeerte en eigenbaat verdroegen zich kwalijk met een krachtig uitgeoefend proosdijschap. Die heeren hadden oude rechten en een langen arm. En beide wisten ze te gebruiken!

   Van oudsher heeft de kerk bezit gekend. De middeleeuwsche geestelijkheid was niet gespeend van zakelijk inzicht: geen kerk werd gesticht, indien niet de fondsen voorhanden waren, die èn in den bouw der kerk èn in het onderhoud van den priester konden voorzien. Ook voor de toekomstige herstellingen van het kerkgebouw bleef de schenker aansprakelijk. In ruil voor de verplichtingen, die deze op zich nam, verkreeg hij het patronaat- of collatierecht, dat was het recht, den pastoor der kerk te benoemen. Deze werd dan door de hooge geestelijkheid bevestigd en ingeleid, waarna de inkomsten van vicarie en praebende, de onderhoudsfondsen, aan hem werden overgedragen. De patroon was echter gehouden toezicht uit te oefenen op het beheer van de door hem geschonken kerkgoederen. In het Roomsche patronaatsrecht ligt de oorsprong van de kerkvoogdij der gereformeerde kerk.
   Nu is Groningerland al in de middeleeuwen een boerenland geweest, en in een boerenland geldt maar één bezit: grondbezit. Zooals de herdersvolken van het Oosten hun zonen en hun vee telden, zoo telde de bewoner van een "heerd" in de Ommelanden zijn "jukken" of "grazen" land. Wie meer dan dertig jukken land rondom een behuisde heerd had liggen, bezst en "edele heerd" em was gehouden de rechtspraak uit te oefenen wanneer hij bij toerbeurt tot het redgerambt in zijn kerspel geroepen werd. Terwijl in Holland de leenmannen met veel list en last hun gezag uitbreidden ten koste van hun heer, ontwikkelde zich in de Groninger boerenrepubliekjes ene onafhankelijke landadel met als eenigen grondslag de befaamde dertig jukken van het Ommelander Landrecht. De Clants, de Ewsums, de Lewe's, de Inn- en Kniphausens, de Coenders, de Ripperda's en Van Starkenborchs vormen ten tijde van de Hervorming in elk kerspel een macht, die zich van nature verzet tegen een sterk centraal gezag. Zelfs een Willem Lodewijk van Nassau kan verhinderen, dat proost Doede van Amsweerd, bijgenaamd "paus Jutte", er den nek over breekt. Na veel vernedering en strijd laat hij zijn proosdijschap afkoopen voor vierhonderd caroligulden, en schrijft mismoedigd: "Toen heb ick mit suchten myn harte gerichtet tot den lvendigen Godt, en heb myn psa;tertium voer my genomen, ende myn bespreck geholden met den H. Davidt, singende, suchtende ende spelende op sine trurige harpe."

   Wanneer dan de Ommelander kerkenorde tot stand gekomen is, verschilt zij in menig opzicht van het droombeeld van Willem Lodewijk. Zelfs het naar de middeleeuwenn riekende collatierecht, dat het eerste artikel der Stadskerkenorde in strijd acht met de ordening der geünieerde provinciën zoowel als met Gods woord, blijft voor de Ommelanden behouden. Classes en synode nemen de geestelijke taak van het proostenambt over. Hun ijver om de nieuwe religie door de heele provincie te doen zegevieren was zoo groot, dat er vele jaren voorbijgaan alvorens de kerk tot besef komt, dat de rijkdom der geseculariseerde kerke- en kloostergoederen lang niet altijd "ad pios usos" wordt aangewend. Menige boer heeft reeds te lang verzuimd de pacht aan de pastorie te voldoen en meer dan één landjonker bewoont zijn borg als een Groninger Belsazar, "drinckende de wijn uit de vaten des huyses Godes". Acronius stelt in een hartstochtelijk geschreven pamflet al die misstanden aan de kaak en verwijt den patroons, dat zij den ondergang der kerk bewerken. Wèl had de Roomsche kerk de zaken beter voor elkander: ruim zestig Groninger dorpen hadden een kerk en sommige daarvan werden door drie of vier priesters bediend. Tien jaren na de overgang wist men met moeite vijfentwintig predikanten te onderhouden! De heftige uitval van Acronius heeft de heeren collatoren niet uit den zadel gelicht. Zij blijven hoog te paard zitten tot aan den vooravond der vrijheid, gelijkheid en broederschap. Het recht van collatie is een van de elementen eener Groningsche traditie, die stevig verankerd ligt in de nieuwe kerkenorde. En die Ommelander kerkenorde blijkt zoo hecht, dat niemand ooit behoefte heeft gehad haar naar Dordtsch model te herzien.
   Een kleine twee eeuwen bekleedt de Groninger landadel een allesbeheerschende plaats in de dorpskerken. Zij beroept zich op haar oude rechten wanneer het haar uitkomt, en schuift de rechten van anderen ter zijde indien haar dit beter uitkomt. De edele heeren en vrouwen hebben vaak goed werk gedaan voor "hun" kerk. Ze hebben dure orgels besteld en rijk besneden preekstoelen en statige heerenbanken. Ze hebben geld en goed vermaakt aan de kerkvoogdij, aan de pastorie en aan de armen. En in meer dan één kerk wijst men u nog heden ten dage in het koor het vorstelijk beeldhouwwerk bonven hun laatste rustplaats, te mooi om het te verwijderen en toch weinig op zijn plaats in de kantoorruimte. Zóó doen de Clants, de Ewsums en de Inn- en Kniphausens de Groninger kerken lang na dun dood nog iets gevoelen van hun dorpsdespotisme. Hoe lastig en eigengereid die kleine potentaatjes bij hun leven waren, dat vertellen de vergeelde en verweerde kerkepapieren. De Vrouwe van de Nienoord stuurt de afgevaardigden van de classis weer naar huis, als deze den kerkeraad zullen installeeren. De Ripperda's van Farmsum houden het predikantstraktement in, als dominee een reglementaire kerkeraadsverkiezing wil uitschrijven. In Bierum vindt de kerkeraad haar bank op een Zondagmorgen dichtgespijkerd, en de dominee van Midwolde, die niet lang genoeg bad voor het welzijn van zijn hoogedelen collator, en brutaal verklaarde dat hij geen slaaf wilde wezen van den Heer van de Nienoord, vond drie Zondagen achtereen de kerkdeur dicht. En wee den predikant, die het synodale verbod van de lijpredikatie niet wilde overtreden, wanneer daar rouw was op de borg van zijn dorp! Een enkele maal komt de synode tusschenbeide. Maar ook haar gezag rijkt niet verder dan de gracht, wanneer het een borg betreft. Soms ook loopt het volk te hoop. Zoo te Leens op Palmzondag in 1662, waar de collator, jhr. Van Starkenborch eigenmachtig had besloten tot slechting van het kerkhof. Tijdens de viering van het avondmaal stond het op het kerkhof zwart van de menschen. In 1748 zijn het de boeren van het Oldambt, die met duizenden gewapend verzameld zijn, en hun eischen tegenover de aanmatigende jonkers kenbaar maken. Maar dan duurt het nog tot 1773 eer de Staten van Stad en Lande een nieuw reglement invoeren op de "ad pios usos gedestineerde goederen in de Ommelanden". Nu wordt eindelijk besloten tot hetgeen reeds in 1594 gedaan had moeten worden: collatoren en kerkvoogden moeten binnen drie maanden een register overleggen van alle kerke-, pastorie-, kosterie-, vicarie-, prebende- en andere goederen, alsmede van alle jaarlijksche uitgaven. En de administreerend kerkvoogd zal ieder jaar rekening en verantwoording moeten doen aan zijn mede-kerkvoogden en om de drie jaren aan Gedeputeerde Staten. Zoo staat het in het reglement. Maar het papier is geduldig en de traditie is taai. Vanuit den Franschen hoek waait een revolutie over Groningerland, die de burgers van de borgen op één lijn stelt met de burgers, die de slooten graven in de vette klei. Wat raakt de kerk een burgerljke revolutie? De burgers van Wehe kunnen zich wenden tot de Staten van Stad en Lande en dezen verzoeken Ds. Meinardus Vinkers emeritaat te verleenen wegens verouderde staatkundige begrippen, Ds. Vinkers gaat zijn eigen gang. Zoo doet ook Ds. Hagenouw van Ulrum, die nog in 1794 in zijn kwaliteit van administreerend kerkvoogd halsstarrig weigert aan Gedeputeerde Saten opgave te doen van den staat der kerkefondsen, bewerende alleen rekening en verantwoording schuldig te zijn aan den heer van Ulrum, die hem had aangesteld. De eigengereidheid en de afkeer van het centraal bestuur is van de adellijke borgbewoners op hun burgerlijke ambtsopvolgers overgegaan. Zij beheeren de kerkegelden wat nauwkeuriger en met minder eigenbaat, maar ook zij zien niet gaarne verder dan de belangen der eigen parochie. Zoo zal het u niet verwonderen, dat wanneer in een welvarend Groningsch kerkdorp, waar na de Afscheiding een gereformeerde kerk is opgericht, welks lidmaten bij de kerkvoogdij der hervormde kerk moeten aankloppen om een bestrating van hun kerkepad, dit verzoek van de hand gewezen wordt. Weliswaar heeft de kerk alle wegen van het dorp doen bestraten, maar zij doet dat alleen, opdat de dorpelingen zonder bezwaar de oude dorpskerk kunnen bezoeken....
   En het moet u ook niet verwonderen, dat er vandaag den dag in Groningen een schatrijke kerk staat, welks lidmaten net als de dorpelingen van het Westerkwartier in 1607 "als schapen zonder herder, buiten orde of tucht, er geheel in 't wilde loopen". Want die gemeente is nu al meer dan tien jaren vacant. Wel komt er daar elken Zondag een predikant van elders preeken, maar daarbij blijft het dan ook. Geen dominee te vinden? Dat dorp kon tegenover zijn beroemde kerk een pracht van een pastorie laten zetten en op een flink salaris een dominee naar zijn smaak beroepen. Want ze zitten er ook niet op het geld. Zorgde de kerk hier niet voor bele kilometers verharde wegen? Liet zij niet al in 1873 een straatverlichting aanleggen? Deed zij de dorpsschool niet op voorbeeldige wijze inrichten en steunde zij de burgerlijke gemeente niet in de kosten van het Ulo-onderwijs? Gaf zij niet kapitalen uit voor een kerkrestauratie, die zonder eenig overheidssubsidie geheel uit eigen middelen werd bekostigd? Men geeft het geld graag uit in dit dorp. Als het dan ook maar tot den laatsten cent aan het eigen dorp ten goede komt. Maar nu de huidige kerkenorde voorschrijft, dat de rijke gemeenten aan den Raad van Beheer bij moeten dragen, opdat ook de arme gemeenten een predikant kunnen beroepen, betoonen de beheerders der kerkerijkdommen zich even halsstarrig als eens de machthebbers der reeds afgebroken borgen. Zij schijnen er zelfs blind voor te zijn, dat hun beleid er toe leidt, dat een eertijds flinke dorpsgemeente haar einde tegemoet gaat. Dit is zichtbaar voor ieder, die het handjevol ouderen ziet, dat op den Zondag voor den kerkdienst bijeenkomt. Met een Zondagspredikatie alleen wordt geen gemeente opgebouwd! Komt ge echter op een weekdag in deze kerk, adn kunt ge u verlustigen aan alles wat het voorgeslacht tot stand gebracht heeft. Maar toch zal het u niet ontgaan, dat deze kerk van een godshuis een bezienswaardigheid geworden is. Naast het bezoekersregister, waarin ge uw naam kunt zetten, vindt ge een papier waarop ge onder meer kunt lezen, wat er hier in het dorp al niet met kerkegeld tot stand gekomen is. Het is niet zonder zin, dat dit papier zijn plaats kreeg op de tafel, waaraan eertijds de gemeente door Christus genood werd tot het heilig avondmaal. Kunt gij een welsprekender symbool vinden om uit te drukken, dat de zorg voor het kerkegoed hier leidt tot den Mammonsdienst? Het wachten is op den evangelieprediker, die hier straks in Ludgers voetspoor onder de heidenen kan gaan met het oue doopformulier: Forsachisto diobolae? End allum diobolgelde?


webdesign & copyright
© 2001-2003 Eveline
→