De torens


 overzicht
Inhoud
Start
GE KENT ONZE KERKEN NOG NIET .....


ER zijn arme menschen en rijke menschen, en arme kerken en rijke kerken. Nu moet ge niet denken, dat ge de arme menschen rondom de arme kerk zult vinden en de rijke kerk te midden van rijke menschen. Vaak is het juist omgekeerd en ge vraagt u af hoe het mogelijk was, dat die kerken al maar rijker zijn geworden, terwijl oude geslachten verarmden. Of hoe de kerk arm bleef en een welvarend land. Maar in het leven is nu eenmaal alles mogelijk en hier in Groningerland ging het leven aan menschen en kerken niet voorbij.
   Er staat hier ergens in een vergeten hoek van het land een kerk, die zoo oud is als tuf en zoo arm, dat er zelfs geen harmonimum af kon, gezwegen dan van een orgel. Men behielp zich met een voorzanger, maar ook die had zijn stem reeds versleten in een menschenleeftijd an koraalgezang. Toen kwam daar een nieuwe predikant, wiens naam nog thans overal in den lande in grooten eerbied wordt genoemd. Die toekomstige leidsman avn het vrijzinnig protestantisme was toen nog maar een jonge dominee, het Groninger dorp was zijn eerste gemeente. Van zijn studentenkamer verhuisden vele boeken naar de pastorie, maar zijn kleine orgeltje werd naar de kerk gesleept en de koster was niet zoo goed of hij moest en hij zou orgel leeren spelen. Want deze dominee wist wat hij wilde en de dorpelingen zouden het spoedig ook weten. De koster oefende en oefende en na verloop van tijd speelde hij. Zij het dan ook met één vinger. Met dien eenen vinger bespeelde hij het uniek instrument met al zijn hartstocht. Totdat het orgeltje eigenlijk heelemaal op was. Geen sterveling kon er meer een toon uithalen. Alleen aan dien eenen ouden kostersvinger gehoorzaamde het nog kreunend maar getrouw, en de gemeente over er wel bij. Maar toen er vele jaren later weer eens een nieuwe predikant naar de gemeente geroepen was, begrepen de kerkvoogden dat het zoo niet langer ging. Noch met het orgeltje, noch met den organist. Men wilde de steedsche gasten van den intreedienst niet ontvangen met unisono orgeltonen. Alle kostersprotesten ten spijt sleepten de kerkvoogden bij nachtelijk duister een gehuurd harmonium de kerk binnen en op dien Zondagmorgen ruischte er door de gewelven en hemelsche muziek, zooals daar nimmer te voren had geklonken. Maar de zuster van den dominee, die de klavieren en registers had bespeeld, vertrok weer naar de stad en ook het huurinstrument had men weer weggereden. Op de eerste vergadering met het kerkbestuur bezichrigde en beproefde de nieuwe dominee het oude orgeltje, dat staande de vergadering dienst weigerde. De voorganger zinspeelde op de mogelijkheden een kerkorgelfonds in het leven te roepen, maar de kerkvoogden achtten het ijzer nu heet genoeg om het te smeden: een commissie ging de gemeente rond, haalde prompt vierentwintighonderd gulden op en zoo verscheen daar tenslotte een echt kerkorgel. Maar wie moest het bespelen? De oude koster stond op zijn stuk en sloeg elk aanbod van orgellessen af. Zoo gebeurde het, dat een der dorpsdochters voor het organistenexamen ging werken, en toen ze het eindelijk haalde, kwam ze overspannen naar huis terug. In de kerk zit nu haar broer achter het orgel. Die had ook wel eens zoowat op de witte toetsen geliefhebberd en mogelijk zelfs op een paar zwarte. En iederen Zondag wordt daar nu het orgel bespeeld, niet beter en niet slechter dan men in menige dorskerk gewend is. Het oude orgeltje werd door de kerkvoogden verkocht aan een christelijke school voor zwakzinnige kinderen. Ik voor mj had het liever in een vrijziniig protestantsch museum zien staan met het kaartje er op:

Dit is het orgeltje,
dat de latere Prof. Dr. H.T. de Graaf
aan zijn eerste gemeente ten geschenke gaf.

   Maar zoo'n museum bestaat nu eenmaal niet. Want voor de kostbaarheden, de oudheden en de rariteiten, die wij in eigen kringen bezitten, hebben maar weinig menschen oog.
   Dat is een van de dingen, waarover ge u telkenmale verwonderen en bedroeven kunt op uw bedevaart langs de oude kerken: dat er zoo achteloos en zoo liefdeloos omgegaan wordt met de goederen, die de kerk ons uit het verleden heeft nagelaten. Ik weet wel, het is de taak der kerk het evangelie te verkondigen en menschen te vormen tot burgers van Gods koninkrijk, dat niet van deze wereld is. Of dat evangeliewoord nu klinkt in een kerkgebouw, een boerenschuur of de zaal boven het dorpscafé, dat behoeft aan het waarheidselelement niet af te doen. Maar ik weet ook, dat wij in zonde kerken schatkamers bezitten, waar een aanzienlijk erfgoed van eeuwen is geborgen, en het minste dat van de beheerders dezer goederen verwacht mag worden is, dat men dit erfdeel welverzorgd aan een volgende generatie overlevert. En ik tril van verontwaardiging als ik zie hoe men in het verleden met deze onvervangbare cultuurmonumenten omgesprongen heeft. Erger nog: hoe men heden ten dage - terwijl het toch waarlijk wel tijd wordt de schatten uit het verleden te waardeeren en te koesteren als een dierbaar eigen bezit! - nog met deze dingen omspringt!
   Ik kan mij voorstellen, dat er kerkbestuurders zijn die principieel weigeren het beginsel te aanvaarden van den kinsthistoricus, wanneer die er voor pleit alles te herstellen in den ouden staat, om het even of dit in overeenstemming dan wel in tegenspraak is met de liturgische eischen, die men heden aan het kerkgebouw en haar inrichting stelt. Het getuigt van onwaarachtigheid, wanneer men een oude kerk gaat conserveeren als een museumstuk, outer om de aesthetische bekoring van een archaïsme. Het is het goed recht van de beheerders der kerk, wanneer zij de bestemming van het kerkgebouw voorop stellen bij hun beleid. Het gaat er ook niet om, de handelingen af te keuren van mannen, die weloverwogen gezichtspunten naast elkander hebben geplaatst, voor- en nadeelen hebben gewikt en gewongen. Maar het gaat er wel om den strijd aan te binden tegen de domkoppen, die maar zonder kennis van zaken beslissingen nemen, en er verantwoordelijk voor zijn, dat timmerlui en metselaars en witters en schilders allerlei dingen doen, die nooit gedaan hadden mogen worden en maar al te vaak onherstelbaar blijken te zijn.
   U meent dat ik overdrijf nietwaar? Welaan, ga dan naar het Westerkwartier. Daar zult ge een kerk zien, even eerbiedwaardig als oud, stemmig gelegen achter het kerkhof met vele smalle grafteekens, gelijk hier het gebruik is. Treedt nu de kerk binnen. Het zerken vloertje, dat hier vroeger lag, hebben de heeren kerkvoogden eens degelijk laten opknappen toen de steenen wat verzakten. De metselaar kwam met een paar zakken Portland en sindsien ligt er een knap glad vloertje over de zerken....
   U meent, dat dit geval op zich zelf staat? Welnu, een half uur gaans van hier ligt een andere kerk, nauwelijks honder jaar jonger dan de vorige, maar toch altijd nog meer dan zeven eeuwen oud. Het is een eenvoudig, rechtgesloten gebouw, en het lijkt wel of daar geen eeuw voorbijging zonder dat de metselaar er iets aan veranderd heeft, maar waar vindt ge hier in het Westerkwartier den kloostersteen zoo vlammend rood als hier? Bezie nu den westgevel met den ingang. Hier is de negentiende-eeuwsche metselaar aan den gang geweest en nu zou het een grondig gebeuren. En daar staat nu voor een fraaie kerk een vlakke muur met een uitgebouwd portaal, zóó schreeuwend leelijk, als ge die alleen maar dacht aan te treffen aan een School met den Bijbel.
   En bent u nog niet overtuigd? Weer een half uur verder vindt ge wederom een kerk. Ik houd niet van witgepleiserde kerken, maar deze ligt daar zoo romantisch, dat ze u zou verzoenen met en gepleisterde muur. Binnen in de kerk, pal voor het orgel langs, staan op vierkante blokken cemebt twee zwartgelakte ijzeren palen, die daar geplaatst zijn ter ondersteuning van den dakruiter toen die naar beneden dreigde te komen. Toen dominee op een Zondagmorgen de kerk binnenkwam stonden ze er, en de kerkvoogden stonden er glunder lachend bij, want zoo'n verrassing had dominee toch zeker niet verwacht....

   Wanneer ge nu in één uur tijds drie zulke notities hebt gemaakt, dan moet het u toch duidelijk zijn, dat het beheer over onze kerkgoederen maar al te vaak dien naam niet verdient. En het vreemde is, dat wij hiermede maar genoegen nemen.
   Op uw bedevaart langs de Groninger kerken moogt ge het verlaten kerkje van Fransum niet overslaan. Een kerk, die niet meer in gebruik is, is op zichzelf al een zeldzaamheid. Het blijft altijd een triest geval, zoo'n verwaarloosde, buiten gebruik gestelde kerk. Maar het eenzame kerkje van Fransum, dat daar op dien verren terp bij het Aduarder diep zoo stilletjes staat te vergaan, zie ik toch altijd nog liever dan den bouwval, die elders in ons land aan daklooze gezinnen tot onderdak werd verstrekt. Of dan de kerk die in een welvarend dorp als garage wordt gebruikt! Reeds van verre ziet ge het liggen en op uw tocht over het twee steen breede kerkpaadje, dat u dwars door de kleilanden, in den winter glibberig en in den zomer steenhard, naar het kerkje voert, hebt ge ruimschoots tijd u af te vragen, hoe het toch mogelijk is, dat in zoo'n verlaten dunbevolkte streek ooit een kerkje werd gebouwd. Maar vroeger, toen de boerenbedrijfjes klein waren, waren er ook meer bewoners, en die hadden nog geen fiets om in Den Ham ofAduard ter kerke te gaan. In het dak is met gekleurde pannen het jaartal 1809 aangebracht, zeker het jaar waarin het pannen dak werd gelegd. De kerk is in den Spaanschen tijd grootendeels verwoest geweest, maar van den afbraak weer herbouwd. Toen in 1594, na de Reductie van Groningen, de Hervorming in de Ommelanden moest worden doorgevoerd, waren er voor de vele dorpen geen predikanten beschikbaar en zoo heeft ook Fransum behoord tot de forpen, waar de ingezetenen "als schapen zonder herder, buiten orde of tucht, er geheel in het wilde liepen. Dog deze en diergelijke klaghten zijn, wanneer ook derwaards arbeiders in 's Heeren oogst werden uitgezonden, eindelijk uit den weg geruimd." Ruim drie eeuwen later waren die van Fransum weer als schapen zonder herder. En het ziet er naar uit, dat tachtig jaar verwaarloozing voor de kerk van Fransum even noodlottig zal worden als tachtig jaren krijg. Het is nog wel geen bouwval, maar het dak is al flink stuk en als er niets aan gebeurt zal het er snel genoeg een worden. Een jaar of wat geleden is er sprake van geweest het heele bouwwerk over te brengen naar het Openluchtmuseum te Arnhem. Daarvan is echter niets gekomen. Zoo blijft daar het kerkje van Fransum langzaam wegteren. Een paar boerenkinderen spelen krijgertje rondom de zerken en een enkele maal gluurt een bezoeker door een verweerde ruit naar de baksteenen preekstoel. Maar dat is dan ook al wat er zoo rondom deze kerk nog gebeur....

   Erger, duizendmaal erger dan het verval van een enkel verlaten kerkgebouw is de verwaarloozing en het wanbeheer binnen de kerk van een levende gemeente. Het ergste is, dat zij geen uitzondering zijn. Niet ver van Fransum staat een juweel van een kerkje, hoog op een leelijk afgegraven terp. De lage, vrij naast de kerk staade toren met muren als van een vesting, dateert uit de vroege middeleeuwen. In het aangebouwde kostershui wijst men nu nog het oude schoolvertrek. Tegen gindschen muur stond de katheder, waarin de kosterschoolmeester de ganzenpennen versneed; hier op deze afgeloopen plavuizen stonden de banken, waarop de jeugd het haneboek spelde; in den hoek ziet ge nog den turfbak met den koker, die boven naar den turfzolder loopt. Op het kleine kerkhof bloeien de struiken tusschen dischtbijeenstaande zerken; een bolle wind waait door het waschgoed, dat de kostersvrouw aan den lijn heeft hangen. Ge gaat het kerkhof op door een houten poorthek, en ge bevindt u in een hof, waar de druk der tijden van u afvalt. Hadt ge de zekerheid, dat het zonlicht altijd zoo weldadig scheen als op dezen zomermiddag nu de raamkozijnen hagelwit in den gevel staan, ge zoudt uw leven lang koster willen wezen in dit stille Groningsch dorp. Ga nu de kerk binnen, en ge wrijft uw oogen uit. Niet om de zandsteenen zerken uit de gothiek, of de hardsteenen uit den renaissance-tijd; niet om de wapendragende heerenbank of de preekstoel met gesneden evangelisten. Want dit alles valt voor u in het niet bij het roefje. Het roefje is de nieuwste verbouwing van deze kerk. Het roefje zit onder het orgel. Met surrogaat-triplex is de ruimte onder het orgel brutaalweg dichtgetimmerd. O zeker, keurig netjes! Vensters zijn er in uitgespaard en gordijntjes hangen er voor. Het roefje is knus ingericht met tafels en banken langs de wanden, met kussens in kruissteek om op te zitten, met plaatjes van een kalender om naar te kijken. En ge moet toegeven: het is allemaal zeer vernuftig, en zeer praktisch in een tijd van kolennood en verduisteringsplicht. Maar toch slaat ge de handen in elkaar, dat zoo iets binnen de muren van een uniek middeleeuwsch kerkje kan geschieden....

   Maar ge kent onze kerken nog niet. Waarlijk, er gebeuren nog veel gekker dingen! Om die te beleven behoeft ge slechts in elke kerk, die ge bezoekt, naar het avondmaalszilver te vragen. In een terecht beroemde dorpskerk zal men u een beker laten zien, waarin gegraveerd staat: By dese beker een kanne". Evenwel is de kanne niet meer bij de beker. En dat is ook zoo'n wonder niet. Want als ge nu stelselmatig naar den "nachtmaalsbeker" vraagt, let er dan vooral op waar die zilveren beker, - die toch niet zelden zoo om en bij de driehonderd jaar oud is en vaak een staal van prachtig drijfwerk, - vandaan gehaald wordt. In Leens zeggen ze dan: "Als u even meegaat naar de Bank, de beker wordt in de kluis bewaard." Maar niet ieder Groningsch dorp heeft zooveel "rentenijershoezen" en zooveel bankkantoren als Leens. En niet overal weten ze, dat zoo'n zeventiende-eeuwsch stuk zilverwerk een waardevol ding is, dat zorgvuldig opgeborgen moet worden. Zoo komt de beker dan doorgaans bij den koster uit de huishoudkast. Soms is hij verpakt in een krant. Soms moet de goede man er naar zoeken. Ik weet ook een koster, die hem in zijn beste kamer als bloemenvaas gebruikt. In dat dorp zou ik kerkvoogd willen wezen!

   Ja, er gebueren vele rare dingen met onze kerkschatten. Ook al zijn ze allemaal geteld en beschreven door de Rijksmonumenten-commissie. Doopvonten en avondmaalsbekers en zandloopers zijn aan musea cadeau gedaan. Kerkklokken zijn verkocht aan andere gemeenten, kaarsenkronen versjacherd aan kunstliefhebbers met een goede beurs. Grafzerken zijn verzaagd tot kerkdeurdrempels, of een stoepje voor de pastorie, een nekele maal zelfs gebruikt als bouwmateriaal voor een urinoir. En dat laten we nu allemaal maar rustig gebeuren. Omdat het in de kerk gebeurt. Want kunt ge u voorstellen, dat in een zakelijke onderneming van gelijken kapitaalsomvang als een dorpskerk zulke misstanden mogelijk zijn en mogelijk blijven? Zoudt ge niet denken, dat de openbare meening protesteeren zou, indien een overheidsbedrijf of een vereeniging een dergelijk beheer tolereerde?
   Het is voor ieder onbevooroordeelde duidelijk, dat in het bijzonder in vele dorpen het beheer over de kerkegoederen in handen is van functionarissen, die voor hun taak in het geheel niet berekend zijn. Voor iemand die weet hoe deze lieden tot zulke posten geroepen worden, is dat niet zoo verwonderlijk. Een gedesillusionneerd predikant heeft er ruim dertig jaar geleden al opgewezen, dat het ondenkbaar is, dat iemand die gespeend is van elk begrip inzake de economische en sociale structuur van ons volk den toon aan zou geven in een politieke organisatie, of dat iemand, voor wie de beginselen van het alcoholvraagstuk abacadabra zijn, de leiding opgedragen wordt van een geheelonthoudersvereeniging, terwijl de ervaring menigen predikant leert, dat kerkbeheer en kerkbestuur in handen liggen van menschen, die zich om de vraagstukken van hun ambt weinig of niet bekommeren. Helaas is er na dertig jaar nog niet zoo heel veel veranderd. Zou dit echter niet mogelijk zijn? Het is nog maar kort geleden, dat iemand die kapper of kruidenier wilde worden, een winkel huuurde en liet inrichten en hij was er. Ook al kon hij geen scheiding recht knippen en geen suiker van zout onderscheiden. Nu studeeren al deze lieden braaf voor een kappersexamen en een middenstandsdiploma, al had enkele jaren geleden niemand gedacht, dat dit mogelijk zou zijn. Wij behoeven geen examens voor kerkeraadsleden en kerkvoogden in te stellen, maar de vraag dringt zich toch op of de kerk geen wegen zou weten te vinden om daadwerkelijke leiding te geven en krachtig toezicht uit te oefenen. Wie meent, dat dit niet broodnoodig zou zijn, make een fietstocht langs onze dorpskerekn. Hij behoeft er waarlijk niet voor naar Groningerland te gaan!


webdesign & copyright
© 2001-2003 Eveline