De torens


 overzicht
Inhoud
Start
WAT ER OP DEN "STILLEN" ZONDAGMORGEN KAN GEBEUREN.


GESCHIEDENIS is in Nederland geen populaire wetenschap. Maar de reiziger, die in den vreemde rondzwerft zonder iets af te weten van de geschiedenis der menschen in wier midden hij vertoeft, van de gebeurtenissen dus, die de ziel van een volk tot in de diepte hebben geroerd, is slechter af dan iemand die de taal van dat volk niet zou verstaan. Zoolang het contact in den vreemde zich niet verder uitstrekt dan de vreugden, nooden en zorgen van den dag, kunt ge als het moet met een gebaar, een blik en een glimlach overal terecht. De Laplanders, in wier midden gij sprakeloos hebt gezeten toen ge dien onvergetelijken avond voor het eerst het Noorderlicht hebt aanschouwd, begrepen uw aandoening even goed als hij den trotsch van een Spaanschen herder verstond, die u op de stoffige Castiliaansche hoogvlakte zijn veertig geiten toonde. Zonder woorden hebt ge elkander begrepen. Maar wanneer gij de taal spreekt en het verkeer is intenser, dan worden uw reacties met een andere maat gemeten, want nu wordt gij geacht méér dan de taal te verstaan. Stilzwijgend wordt verondersteld, dat ge ook op de hoogte zijt van de zeden, van gebruiken, van gevoeligheden, van de code. Ik behoef u als welopgevoed mensch natuurlijk niet te zeggen, dat ge in den vreemde nooit uw schouders moet ophalen over iets, dat u vreemd voorkomt. Het is alng niet ondenkbaar, dat ge dan den spot zoudt drijven met dingen, die hun oorsprong vonden in de een of andere particuliere of collectieve tragedie, waarvan de pijn nog kan steken als een oud litteeken bij regenweer. Om een concreet voorbeeld te noemen: ge zult de gastvrijheid, die ge in een Groninger dorps-pastorie hebt genoten, niet beloonen door voor uw gastvrouw bloemen te bestellen bij den gereformeerden bloemist. Want de napijn van de Afscheiding schrijnt hier nòg, na meer dan honderd jaren. Nu moet u niet denken, dat ze hier in Groningen de verdraagzaamheid niet kennen of niet eeren, integendeel! Het is dan ook zeker niet toevallig, dat de muurschildering in de trouwzaal van het Groninger stadhuis, - juist van de wand waarop het jonge paar, dat zijn levenskoers gaat bepalen, het oog gericht houdt! - geflankeerd wordt door de woorden van Rupertus Meldenius, woorden, die zoo kernachtig den geest van het Nederlandsche volk weergeven:

IN NECESSARIIS UNITAS - IN DUBIIS LIBERTAS - IN OMNIBUS AUTEM CARITAS
(Eenheid is het noodzakelijke, vrijheid in het bijkomstige, in alles echter liefdevolle verdraagzaamheid.)

   En waar vond de verdraagzaamheid vruchtbaarder bodem dan hier in de Groninger Academie? Waar werd zij raszuiver gekweekt, zoo niet in de school van Hofstede de Groot?

   Ik zei het u al eerder: de pastorie is een heel bijzonder huis, en de dominee en zijn vrouw zijn heel bijzondere menschen, die gemeten worden met een bijzondere maat. In leer en leven zullen zij het volk voorlichten, gelijk Johannes Metelercamp van Eenrum en al die andere duizenden ambtsbroeders het mede hebben gedaan. Verwonder u dus niet, dat er dingen zijn, die een gewoon mensch wèl en de dominee toch niet kan doen. Ruim driehonderd jaar gelegen, in 1641, verbood reeds de Synode den predikanten het dragen van "krulparuiken" en en hun vrouwen hadden zich te onthouden van "opzichtelijken kleedertooi". Wat voor driee eeuwen een Synode meost verbieden, verbiedt thans de code en de beste vertaling van het latijnsche spreekwoord van Jupiter en het rund luidt dan ook: de hoek van de doktersvrouw is nog geen hoed voor een domineesvrouw!
   In den grond van hun eigen hart zijn dominee en zijn vrouw echter heel gewone menschen. Als het goed is hebben ze ook geen andere pretentie. Wanneer ze die wel hebben, dan merken ze gauw genoeg, dat het niet goed gaat. Een jong predikant, die in zijn eerste gemeente bezoek kreeg van een veel ouderen bevrienden collega, gaf dezen op de vraag hoe het ging met de gemeente ten antwoord: "Het moet nog wat wennen, en het valt ook niet mee om als je zoo jong bent den vaderlijken vriend te spelen." En wat kreeg hij daarop te hooren? "Die rol zou ik maar zoo gauw mogelijk vaarwel zeggen, jongeman! Wees jij maar een zondaar met de zondaren, dan zul je het verder brengen." Ja, dominee en zijn vrouw hebben meer last dan plezier van den glans van het wondere ambt. Ze kunnen niet beter zijn dan: gewone menschen, met grone menschelijke gaven en gewone menschelijke zwakheden. En dan nog zullen ze dikwijls het gevoel hebben of ze op en eiland leven in de menschenwereld. Kennissen van eigen leeftijd en van eigen ontwikkeling zijn dikwijls op het dorp niet aanwezig. En op hoeveel dorpen verbiedt niet de code om zoo maar eens op de pastorie aan te loopen, zonder dat men er een bepaalde boodschap heeft? Voor den man en voor de vrouw is menige predikantsplaats een eenzame post.
   Als ge het voorrecht hebt als gast op een pastorie te vertoeven, dan beleeft ge den dag des Heeren eerst recht als de feestdag van de week. Ik denk nu niet aan den predikant van een middelgroote of groote plaats, die om de andere week of nog vaker des Zondags moet reizen om elders een beurt te vervullen, maar aan den doodgewonen dorpsdominee, die vijftig Zondagen per jaar in de eigen gemeente voorgaat. De dienst begint daar vroeg, althans voor de klok van een stadsmensch. Op zijn laatst om tien uur, of nog beter om half tien. Ik kan zoo'n vroeg uur voor den kerkgang nu wel waardeeren, vooral wanneer de kerk vlak tegenover je huis staat zooals in de pastorie. Het ontbijt op den Zondag telt niet mee, dat wil zeggen: ieder gebruikt het wanneer het hem goed dukt, maar slechts zelden zitten er twe mensschen gelijk aan tafel. Tegen half tien wordt het druk op straat. Wandelaars komen in langzamen pas naar de kerk, enkele ver wonende boeren en landarbeiders arriveeren per fiets. De gasten in de pastorie worden van een bundel voorzien, de huisgenooten scharrelen nog wat onder elkaar met kleingeld. Men neemt afscheid van het huis bij den spiegel in de gang. De torenklok slaat half tien. We zullen nog even wachten tot ook vrouw Tammens, die daar juist hijgend om den hoek komt, binnen is. Nu gaan ook wij ter kerke en nemen plaats in de pastorie-bank. Het binnenkomen van de domineesvrouw is het sein, dat de laatste pijp wordt weggelegd en de stompjes sigaret worden gedoofd. Nu komt de kerkeraad binnen. De gesprekken worden niet gestaakt voordat dominee op stoel staat.

   Ik ken geen mooier Zondagmorgen dan bij een dienst in een oude stemmige dorpskerk, waar het gebroken zonlicht gezeefd langs de muren strijkt, als de kleine gemeente bijeengekomen is voor den dienst des Heeren. Is het omdat het mij zoo aan de dorpskerk van mijn kinderjaren herinnert, dat ik in weerwil van alle voordeelen van de Protestantenbondsliederen en niettegenstaande de prachtige Nieuwe Bundel nog altijd een zwak plekje in mijn hart heb voor dei afgemeten psalmen en gezangen in oude zetting? Zijn het alleen die eerste indrukken van een kerkdienst, die mij nu in zoo'n dorpskerk maar altijd geen vrede doen hebben met dien ledigen voorlezerslessenaar? Maar ook die stramme figuur, die dertig jaar geleden al spierwit was, is naar ik hoorde het vorig jaar verdwenen zonder dat een opvolger zijn plaats heeft ingenomen. En hier in Groningerland, waar men zóó schuw is voor decorum, dat zelfs een kerkelijke huwelijksinzegening een uitzondering is, behoeft ge den laatsten voorlezer ook niet meer te zoeken.

   In de pastorie is het koffie-uur na de preek een uur van dankbaarheid en voldoening. Ge moet dit uur beleefd hebben om het naar waarde te kunnen schatten. En eigenlijk moet ge er den voorafgaanden Zaterdag ook bij doorgemaakt hebben. Maar waarom zouden wij de Zondagsrust verstoren door over den Zaterdag te spreken? Ge snuffelt toch niet in de keuken, als ge ten eten zijt gevraagd? Geloof mij, of dominee nu vijf punten plus twee slotzinnen op een papiertje heeft staan, dan wel de geheel predikatie in duidelijk handschrift in het preekenboekje voor zich heeft, daar is geen preek, die voor den Zaterdagavond gereed komt en in menige studeerkamer brandt het licht nog tot diep in den nacht.
   Maar ze hebben het hier ook wel anders gekend, op Zondagmorgen na de preek! Daar zijn tijden geweest, - en al is 't al honderd jaar geleden, de wonde pijnt nòg, na zoo diepen houw in 't levend vleesch der kerk - daar zijn tijden geweest, dat de mannen hier op Zondag rondliepen met hoog aangeloopen kop, en oogen die staken van verbittering en haat. Voor u en mij is dit een stuk historie geworden, dat ge kunt naslaan in een handboek tot de Geschiedenis der Kerk. Ge kunt het er allemaar haarfijn uitgeplozen vinden, de feiten en hun ontwikkeling als een reactie op de voorgaande ontwikkeling, de motieven en de doeleinden als versche vrucht der -ismen van dien tijd. Alevel blijft de lectuur u zoo droog als gort. Maar fiets nu op een schoonen voorzomeravond naar Ulrum, Niekerk of Zuurdijk en stap af bij den eersten den besten ouderling die daar in zijn tuin aan het kool planten is, zeg iets gunstigs over Groningen in het algemeen en over zijn pronkboonen in het bijzonder en vraag dan langs uw neus weg of ge hier niet in de streek zijt waar de Afscheiding van 1834 zich voltrokken heeft. De man zal u voorgaan in zijn huis en met een gul gebaar een halfpondszak beste baai op tafel plaatsen, zijn vrouw zal dien avond tweemaal versche koffie zetten, en als ge op den drempel afscheid neemt ligt daar het plantmes, nat van dauw, te glazen in den maneschijn. Maar uw hoofd is vol van een verhaal, zoo ruig van verf, zoo warm van kleur, dat ge daarvoor heel de objectiviteit van den hooggeleerden handboekschrijver naar den duivel wenscht, die hier in de gedaante van Borries, een zwartbonten waterhond met vurig gloeiende oogen zoo groot als dobbelieren, te middernacht in telgang door de velden sloop.
   Ja, de geschiedenis van de Afscheiding van Ds. de Cock leeft nog in de Marnstreek, en hier noemt men u man en paard en huis en stal. Toen in 1829 de Ulrummer predikant Hofstede de Groot den kansel verliet om den katheder te beklimmen, waaarop Ubbo Emmius als eerste leermeester der Groninger Hervormde predikanten het woord had gevoerd, droeg hij zijn gemeente in vol vertrouwen over aan zijn vriend Hendrik de Cock, die als voorganger van Eppenhuizen en later van Noordlaren in deze provincie geen onbekende was. Dat was op den laatsten Zondag van November. Nog geen drie jaren later was het duidelijk, hoezeer de beide vrienden zich in tegengestelde richting ontwikkelden. Beiden waren opgegroeid in de eersten jaren van het nog jonge koninkrijk. Het in de Napoleontischen tijd opgelaaid verlangen naar nationale onafhankelijkheid had zijn bedding gevonden in een stroom van geestdrift voor de eigen regeering, van uitingen van vaderlandsliefde, van maatregelen in het belang van de volkseenheid. "Ontworsteld aan de slavernij, zijn wij door eendracht groot en vrij" klink het in een bekroond lied van die dagen. Ook de kerk ontkwam niet aan den tijdgeest en moest de bakens verzetten. Op aandrang van den koning kwamen nieuwe bepalingen in de reglementen van de Nederlandsch Hervormde kerk tot stand, welke beoogden het kerkverband te handhaven ook bij verschil van waardeering der beruchte "Formulieren van Eenheid". Toch kon het wel niet anders of deze geforceerde tolerantie moest in botsing komen met wat er in de diepte leefde in het hart der kerk. Ook een koning, die zijn wil doordrijft tegen de volksziel in, vindt onder in den zak de rekening: terwijl een verdiept rationalisme, dat de beginselen van het logisch denken ook voor den godsdienst aanvaardde, zijn vorm vond in de Moderne Richting, hervonden anderen hun steun in de oude belijdenis en de oude catechismus, en zij brachten Calvijns denkbeelden tot rijpheid in een steeds luider klinkend Confessionalisme. Nog voor den dood des konings ontstond de Babylonische spraakverwarring van secten en richtingen: het land stond niet bòven, maar ònder geloofsverdeeldheid.
   Hendrik de Cock van Ulrum was een diergenen, die zich minder en minder veilig achtte in een kerk, die haar confessioneele muren liet ondergraven door reglementaire bepalingen; die haar kansel vrij gaf voor den ondogmatischen geest. Hij zag met afgrijzen, hoe het spook der Fransche revolutie zich vermomde in de geesten van den tijd, die de menschellijke kenbronnen met gezag bekleedden; die zich losmaakten van alle bovennatuurlijke machten; die in hun overmoed zelfs wetenschappelijk wilden aantoonen, dat er geen God bestond. En daar op den kansel van het afgelegen Groninger dorp klinkt zijn roep: Terug naar de dagen van Dordt, in trouw aan de Drie Formulieren, met handhaving van het Kort Begrip. Terug naar de kerk der vaderen, waar men na een psalm geen "sirenisch minnelied" op de lippen nam! En zijn roep vindt wèl gehoor: niet slechts uit Ulrum en omgeving, maar zelf van uit het Westerkwartier en de Friesche wouden stroomen de kerkgangers toe. Wanneer dan ook van verre de catechisanten komen, wanneer de borelingskes uren met wagen en paard naar Ulrum ten doop worden gereden, schuift Hendrik de Cock de kerkelijke reglementen welbewust ter zijde: hij cathechiseert, hij doopt. De kerkelijke tuchtcolleges zetten zich achter het groene laken. Men schorscht. Men geeft bedenktijd. Men ontzet uit het ambt. In het Hollandsche standje D. zal de heer Van Naslaan aan oom Statok vragen of deze het ook in het nieuwsblad heeft gelezen, waarop tante het gesprek zal leiden naar de lange preeken van Ds. S. en de kou in de kerk. Maar in Ulrum perst het bloed naar de slapen en de burgemeester laat in allerijl vier met verlof in het dorp vertoevende miliciens in de wapenen komen.
   Men schrijft 12 October 1834 als de lang gebalde vuisten geheven worden. En ze komen neer op het hoofd van Ds. Smith van Leens, als deze op dien tweeden October-Zondag in Ulrum van den kansel stapt. Als consulent heeft hij de morgenbeurt vervuld en hij heeft bekend gemaakt, dat hij niet kon toestaan, dat een geestverwant van Ds. de Cock dien dag de middagpredikatie zou houden. Zoo gebeurde het, dat er dien middag in Ulrum voor het eerst sinds eeuwen weer een hagepreek gehouden werd. Staande op een boerenwagen heeft Ds. Scholten daar gepreekt en van nu af gaat het hard tegen hard. Acht veldwachters zijn den volgenden Zondagmorgen in de kerk aanwezig als Ds. Helm, van Niekerk, zal komen preeken. Maar wat beginnen acht dorpsveldwachters tegen een verbeten menigte? Ds. Helm zag althans geen toegang vrij naar den preekstoel. Te midden van het tumult verschijnt Ds. de Cock en hij leest de verklaring van Afscheiding voor, geteekend door 53 personen. Wat baat het nu nog of kapitein Vrij met een bataljon infanteristen Ulrum binnenrikt? Wat baat het of de rechtbank van Appingedam Ds. de Cock voor drie maanden naar het gevang zendt? Als Hendrik de Cock zijn water- en broodkuur beëindigd heeft, wordt hij immers met veel geestdrift weer ingehaald. De pastorie moge voor hem gesloten blijven, de bakker Jan Jakobsz. Beukema stelt er een eer in, dat de martelaar voor de zuivere leer bij hem in kost is, en die preekt dan ook al den volgenden dag voor meer dan driehonderd volgelingen, staande in de schuurdeur op een boerenwagen. En dat blijft hij Zondag op Zondag doen. De breuk met de kerk is niet meer te lijmen. De koninklijke intenties hebben gefaald. En bij Koninklijk Besluit van 14 Februari 1839 wordt dit erkend: dien dag is de oprichting toegestaan van de eerste Christelijke Afgescheiden Gemeente.
   Hier loopt ge dan op het schouwtooneel waar de gansche tragedie zich heeft afgespeeld. De coulissen staan nog overeind en aan de spelers heeft men nog heugenis, overgeleverd van vader op zoon. Nu ziet ge die statige pastorie van Ulrum met andere oogen aan, nu is een bezoek aan de kerk, door architect Peters waardig gerestaureerd, een tocht met drie sterren in uw privé-Baedeker. En ze wijzen hem u nog met den vinger aan, den man wiens overgrootvader negen maanden gezeten heeft, omdat hij in Zuurdijk de kerk binnendrong en den predikant met den kreet: "Wolf, kom af!" van den stoel haalde, terwijl zijn maat uit protest tegen die gehate ezangen voor den voorlezerslessenaar een psalm inzette. De gebeurtenis greep dominee zoo aan, dat zijn ziekbed zijn sterfbed is geworden. En na hem heeft nog menige collega hartzeer gehad aan de gereformeerde kerk, die de hervormden heel wat bloed aftapte. Vooral de boerendaglooners voelden zich aangetrokken tot de nieuwe leer. Was het wonder dat zij, wier sociale positie zoowel voor henzelf als voor hun kinderen zonder eenig reëel uitzicht was in een streek, die zelfs voor rijke boerenzoons geen grond genoeg bood, zich gaarne vergeleken met het uitverkoren volk Kanaäns, dat gekromd lag onder Pharao's juk? Was niet hun eenige hoop en troost gelegen in het hiernamaals? Welke leer was hiervan zoo verzekerd als de gereformeerde? En ook de wereldverzakende mennisten verdwenen hier één voor één door de deuren van foeileelijke gereformeerde kerkgebouwen.
   En wanneer vandaag of morgen nog een enkele maal een gezin den weg naar de oude dorpskerk verlaat om het bij de gereformeerden te zoeken, hetzij dan dat de twijfel aan de zuiverheid der leer, dan wel een ruzietje op de catechisatie daarvoor de grond was, dan is de verslagenheid in de pastorie beladen met heel den jammer eener historische tragedie. Oud zeer blijft lang gevoelig!
   Ik neem aan, dat u nu wel begrepen hebt, dat het voor de vrouw van dominee hinderlijk is, als de gereformeerde bakker lekkerder koekjes bakt, dan de bakker-lidmaat. Want ik heb het u al gezegd: domine en zijn vrouw zijn ook maar heel gewone menschen. De domineesvrouw vindt het tòch niet leuk als ze bij den dokter altijd lekkerder koekjes presenteeren. Maar wanneer u als gast op de pastorie toch een enkele maal die lekkere koekjes bij de thee krijgt, dan heeft de dienstbode dien middag de boodschappen gedaan. Met haar eigen boodschappentasch. Want zoo wil het: de code!


webdesign & copyright
© 2001-2003 Eveline
→