De torens


 overzicht
Inhoud
Start
VAN EEN NIEUWE PASTORIE NAAST EEN OUDE KERK.


VREEMDELING in eigen land kunt ge u voelen, als ge voor het eerst hier op de Groninger klei komt, om een reis te maken langs de oudste Nederlandsche dorpskerken. Denk niet, dat ge het allemaal wel weet, als het dreuntje Groningen - Sauwerd - Bedum - Stedum - Loppersum - Appingedam - Delfzijl nog van de schooljaren in uw hoofd hangt. Dat hebben we allemáál geweten. En de doorsnee-Nederlander heeft sinds hij zulke rijtjes leerde nog zóóveel jaren op hade banken gezeten, dat het geen wonder is dat hij zich verbeeldde dat hij het echt allemaal wist, toen de schooldeur voorgoed achter hem dicht viel. Maar daarom weet hij het nog niet! Vraag tien zulke gediplomeerde landgenooten waar ge in ons land oude Romaansche kerken kunt vinden, en op zijn best zijn er drie, die u naar Zuid-Limburg laten reizen. Waarom zoudt u zich ook druk maken over het boerenland tusschen Eems en Lauwers, zoolang u acht dagen naar het Berner-Oberland kon gaan voor zesenveertig gulden uit en thuis?
   Niettemin, die kerken staan er. Het feit wordt jaar op jaar geconstateerd door een Groningsch professor, wanneer die met zijn studenten excursie gaat, en eens in de zooveel jaar door een mijnheer van de Rijkscommissie voor de Monumentenzorg. Verder kijken er niet zooveel menschen naar die oude kerk om. Ook de kerkgangers niet: die zijn vóór de preek te veel in beslag genomen door buren- en famliebelangen en na de preek hebben ze trek in koffie. En de koffie is goed op het Groningerland en de kokek dik!
   Maar nogmaals, de kerken staan er. Wilt ge ze allemaal zien, dan kost het u een extra maand vacantie en een paar fietsbanden. En zelfs dat is het waard. De weg wijst zich vanzelf: voorbij het derde korenland staat een stuk vlas, dan een veld koolzaad en nog eens drie akkers tarwe, en u rijdt het volgende dorp al weer binnen. Toch kunt u misschien beter een klein reisprogram opmaken, en waar zoudt u dan beter om raad kunnen vragen dan in het strenge studeervertrek van dien Groningschen professor aan den Praediniussingel? Tenslotte is hij ook vrijzinnig en de naam staat op de deur. Dan kunt ge trachten met spitse ooren en een dito potlood den stroom namen te verwerken van alle plaatsen, die u moet bezoeken. Vele van die namen klinken u zoo vreemd, als waren het dorpen op Jutland of in Joego-Slavië. En teruggekeerd in uw hotelkamer buigt ge u met ue kostbare notities over uw nog onbeduimelde provinciekaart, om alle gegevens onder te brengen in een praktisch reisplan. Op uw briefje staat Eenrum. Klinkt misschien niet onbekend, hè? Leerde u dat op school? Of woont er misschien een predikant, die wel eens voor u gepreekt heeft? Op de kaart stuit u op Eenum... Nee, niet doorschrappen die r! Straks zult u Eenrum ook nog vinden. Ja, u moet goed opletten met het noteeren van die plaatsnamen: Oterdum, Obergum en Olbersum staan ook alle drie op de kaart, evenals Sauwerd en Solwerd en twee keer Selwerd. Nu ziet u eens wat dat Groningen een interessant land is. En hoe noodig het is om een tocht door Groningerland even zorgvuldig voor te bereiden als een buitenlandsche reis! Maar met zoo'n reisplan komt u in een week toch een heel eind. Tenzij u ergens in een gastvrije pastorie blijft hangen...

   De pastorie in het dorp is een heel bijzonder huis. Het is doorgaans een oud huis en altijd een groot huis. Er is voldoende ruimte voor een gezin met zes kinderen en twee inwonende dienstboden. Dat is prettig voor de logé's. De gangen zijn breed, de kamers groot en de ramen hoog. Dat is prettig voor den stofferder en voor den brandstoffenhandelaar. Dominee heeft het niet kwaad in zoo'n groot huis, zegt de goe-gemeente. Maar de domineesvrouw heft daar zoo haar eigen gedachten over als ze zegt: "De pastorie van het dorp hiernaast is nog grooter, dat wil zeggen: nog onbewoonbaarder".
   Eenmaal in de honderd jaar wordt de pastorie verbouwd. Als de gemeente meer dan vijfjaren vacant geweest is, en ieder beroep uiteindelijk is gestrand op de pastorie; als er vele en hartige woorden gesproken zijn tusschen den kerkeraad en de kerkvoogdij; als alle dakgoten van de pastorie lek zijn en de gemeente half verloopen is, dan gaat het koord van de beurs der kerkvóógden (met drie klemtonen op de tweede lettergreep) los, en de pastorie wordt verbouwd. Nu gebeurt het ook grondig. De plafonds gaan een meter naar omlaag, de pomp uit de keuken wordt weggebroken, de studeerkamer krijgt een stookgelegenheid en er komt een echte W.C. mèt een fonteintje. Tenslotte wordt dan in den zijgevel, waar de oude moerbei weggekapt is, een granieten gevelsteen geplaatst, die tot in lengte van dagen van dezen ommekeer zal spreken, mèt vermelding van de namen der kerkvoogden, en daaronder, kleiner, die van architect en aannemer. Als dan de jonge dominee en zijn vrouw goed en wel geïnstalleerd zijn, komen de oude emeritus en zijn eega van het renteniersdorp naast de stad nog eens een dagje over naar hun oude gemeente, om de veranderingen, waarnaar zij een halven menschenleeftijd lang hebben gehaakt, ook in oogenschouw te nemen. Ze zullen de handen in elkaar slaan, want de heele tuinkamer is niet meer terug te vinden, en de huiskamer is zooveel lichter geworden, hoewel die nu toch lager is. En ze zullen breed-uit oude herineringen ophalen, en de grijze emeritus zal in de studeerkamer zijn jongen collega probeeren uit te leggen hoe hij, toen hij een dagje ouder werd en wat last kreeg van rheumatiek, het stookprobleem had opgelost door het bovenlicht van het raam er heelemaal uit te laten nemen, en daar kwam een plank in, met een rond gat, zie je, en daar stak dan de kachelpijp door naar buiten. En nou al die vaste waschtafels op de slaapkamers, en overal electrisch licht met zooveel stopcontacten.... Nou, ik moet zeggen, de kerkvoogdij heeft wel voor je in den zak getast. Dat heb ik wel eens anders meegemaakt in mijn tijd. Nee, ik zeg nog eens, je kunt hier niet met twee jaar weer weggaan, collega.... En ondertusschen verhaalt de lieve oude emevrouw haar gastvrouw, hoe zij in dien strengen winter, was het nou in '17 of was het in '29, nee het moet in '29 geweest zijn, want in 1918 kwamen ze hier pas, hoe zij in dien strengen winter hadden moeten sukkelen, toen de pomp in de keuken drie weken lang bevroren was, en er elken dag twee bussen water van de melkfabriek werden gebracht, één met koud en één warm water....... Ja, ja, dat was een andere tijd!

   Of ge nu van Groningen komend voorbij Winsum den weg naar het Hoogeland inslaat, dan wel of ge uit den Westpolder koment ten Noorden van Zoutkamp den dijk beklimt, en ook als ge aan het Reitdiep op de sluis bij Aduarderzijl staat, altijd en overal in dien Noordwesthoek van Groningen vindt ge een vast baken op uw zwerftochten: in den hoogten toren van Eenrum kunt ge u niet vergissen. Het dorp Eenrum is niet belangrijker dan een van de andere dorpen in de streek; zelfs ligt het wat in een uithoek, want de groote weg van Winsum naar Warfum en die van Winsum naar Zoutkamp gaan er beide op enkele kilometers afstand langs en slechts een vriendelijk ommetje van de autobus bewaart het voor het isolement. Maar de toren van Eenrum wint het van alle andere. Natuursteen en baksteen zijn hier vereenigd tot zulk een gaaf bouwwerk als alleen de renaissance in zijn beste burgertrots kon voortbrengen. De kerk zelf is veel ouder: het gebruik van tufsteen wijst er op, dat ze dateert uit den tijd, toen de baksteenbouw nog onbekend was. Wanneer dat precies geval was is nog nimmer met zekerheid vastgesteld. De rijksbouwmeester C.H. Peters meent, dat hier in de tweede helft van de 11e eeuw al met baksteen gebouwd werd. Anderen zijn voorzichtiger en spreken van omstreeks 1200. In Brugge werd naar men met zekerheid weet, in 1127 reeds met baksteen gebouwd, en tegen het eind van dezelfde eeuw ook in het Brandenburgsche, hoogstwaarschijnlijk met steen, die uit onze streken werd aangevoerd. Zoo is het lang niet uitgesloten, dat ook in Groningen reeds voor 1200 baksteenbouw werd toegepast. De kerk van Eenrum blijkt gedeeltelijk in tuf gebouwd en later, waarschijnlijk omstreeks 1250, vergroot in baksteenbouw, maar al dit moois zit verstopt achter een dikke laag pleister, en wie er nog iets van zien wil, moet door den toren naar de baksteenen overwelving der kerk klimmen. Nog tweemaal zoo hoog de ladders op, langs klok en galmgaten, en ge staat in den achtkanten bovenbouw van den toren. Hooger kunt ge er bezwaarlijk bovenuit, boven het Groningsche land, en dat behoeft ook niet, want hier ligt het al diep aan uw voeten. Over het vlakke land waait altijd een stevige bries, maar hier boven op den toren gaat het pas goed te keer en die deur krijgt ge nooit alleen meer dicht. Maar wat een verkwikking om er zoo boven uit te stijgen! Wat zei Pallieter ook weer, toen hij in zijn vliegmachien boven de Leie hing: "Dor wonne na de mensch!.... Dot woene ze na, die denke da'z'allemaal gelijk hemme!"
   Ja, daar wonen ze, onder hun rood pannen daken. De arbeiders onder de kleine daakjes met één schoorsteen, de burgers onder wat grootere, en rondom het dorp tusschen koren en koolzaad en klaver daar wonen de ongekroonde koningen van de Groninger klei. En kijk nu eens heelemaal naar beneden, vlak over den rand heen, als u geen hoogtevrees kent: daar woont de dominee! Eere, wien eere toekomt: hier zijn het de kerkvoogden van Eenrum. Die hebben daar aan den voet van den hoogen toren een pastorie laten zetten, zóó bewoonbaar en zóó praktisch als een domineesvrouw die alleen maar in haar droomen kan hebben gezien. Zoo'n resultaat is natuurlijk allereerst de verdienste van den architect, en de naam Olsmeijer heeft een goeden klank onder de Groninger bouwmeesters. De verdienste van de kerkvoogden is niet dat ze het geld er voor over hadden: plicht van de kerkvoogdij is niet alleen de gelden te beheeren, maar ook ze te besteden. Dat wordt nog al eens vergeten. Maar hier in Eenrum liet men een pastorie bouwen, waarvan het ontwerp door een prijsvraag tot stand gekomen is. Daardoor werden tal van architecten gedwongen zich te bezinnen op de eigenaardige eischen, waaraan een pastorie behoort te voldoen. Het resultaat mag gezien worden. Of eigenlijk: het zou gezien moeten worden door alle kerkvoogden, die moeten laten bouwen of verbouwen. Noteert u het alvast, mijne heeren: Excursie Eenrum. Van die reiskosten zult u geen spijt hebben!

   Van de oude tufsteenbrokken naar de moderne pastorie is een sprong van zeker zevenhonderd en vijftig jaar. In en om de kerk van te zien hoe al die tusscehnliggende eeuwen hier eigen vorm en gestalte hebben gekregen. De twaalde en dertiende eeuw staan daar stoer en sterk opgebouwd in de kerkemuren, overkoepeld door een zwaar gemetseld Romaansch gewelf. Het oude doopvont, dat lang als kalkbak door een metselaar werd gebruikt, staat nu veilig in het Museum van Oudheden te Groningen. In de Gouden Eeuw verrijst dan in zes jaren de hoogte toren, waarnaar de schippers op de Waddenzee nu al bijna drie eeuwen hun koers bepalen, en iets ouders nog is uit hetzelfde tijdvak de kunstig gedreven zilveren avondmaalsbeker. De achttiende eeuw omringt u bij het binnentreden van het torenportaal: daar staat de zerk van De Edele Driewes Claesen Stuirwolt naast die van de Deughtsame Hilye Evers, zijn huisvrouw, gerust verwachtende een salige opstandinge in Christo:

Ick heb adie geseijt de werelt met haer lust,
mijn ziel beveel ick Godt, het lichaam hier te rust,
tot dat Godts helbasuijn slaet "menschen komt
ten oordeel" om dan met al sijn volck te
krigen heijl tot voordeel.

   Zie, nu moogt ge gerust een grapje maken over die rare leeuwen, die hier als wapendragers zijn uitgehakt, want zelfs in 1692 groeide aan een leeuw de staart niet midden uit zijn rug. En dat die gebeitelde bazuinengelen op ons den indruk maken van prentenboek-elfjes met een waldhoorn, och, dat ligt misschien net zooveel aan ons als aan den maker. Als ge nu ook maar iets aanvaardt van de onaantastbare hoogheid van dien eenen schoonen versregel:

Ick heb adiu geseijt de werelt met haer lust.....

   Wanneer ik na een dag zwerven in den stijven Groningschen wind niet anders in mijn opschrijfboebje zou meebrengen dan die kostelijk zacht vloeiende woorden van een onbekend gebleven dichter, de dag zou niet vergeefsch zijn geweest. De steenen kroniek verhaalt ons maar weinig van de deughtsame Hilye Everts. Geboortejaar en leeftijd ontbreken, maar een vergelijking met de zerk van haar echtgenoot doet zien, dat zij hem nog éénendertig jaren heeft overleefd. Als vrouw van den collator behoorde zij tot de aanzienlijken van het dorp en waarschijnlijk was zij dus reeds een oude vrouw toen ze stierf. Maar sta hier nu in de schemerstilte van het torenportaal, waar ge, omringd door de hardsteenen bladen van het dorpsgeschiedboek niet anders hoort dan den tragen tik van het torenuurwerk, als ge dan de deugdzame weduwe met haar hagelwitte speldewerkskant nog niet om den hoek van het kerkplein ziet aankomen, dan zijt ge een botterik zonder verbeeldingskracht en ge kunt bij nieuwe maan veilig van Eenrum naar Den Hoorn loopen zonder ook maar iets te bespeuren van de schim van Eenrummer Aagt, die hier toch bij nacht en ontij over het veld moet spoken. Dan zult ge ook hier afgeslepen grafschrift niet ontdekken tusschen de verweerde zerken op het kerkhof.

Hier ligt begraven Aagt.
Zij is gestorven maagd.
Dat zij niet was getrouwd,
Dat had haar nooit gespeten,
Maar niet te zijn gevraagd,
Dat kon zij niet vergeten.

   Maar ja, Aagt had het er dan ook naar gemaakt. Wie het fijne van de geschiedenis wil weten moet er de oude Eenrummers maar eens naar vragen, maar het haantje van den toren bloost nòg koperrood als hij er aan denkt.
   Hoe zwieriger de krullen en ranken van de Louis XV zerken worden, hoe verder vorderen we in den tijd. Met het grafdicht van de Eer- en Deugt-Rijke Juffrouw Anna Bakker, predikantsvrouw van Eenrum, zijn we al midden in den pruikentijd beland:

Sta til, o Medemensch,
hier legt de bloem der Vrouwen,
Die EENRUMS Heijl-Gesant
Als Ega Mogst aenschouwen,
De deugt was haere Kroon, Mildadigheijt haer lust,
Zij spoede door de Zee des Werelts, om met Rust
De Schoone Haven van den
Hemel in Te Streven,
Wen Gods Basuine Klinkt
Zal ook haer Lichaem Leven.

   Het eenige grafdicht, dat door den maker onderteekend werd, is weinig meer dan gerijmel. Maar het geeft toch een te eigen kijk op den tijd van het ontstaan om het voorbij te gaan. Het betreft Ds. Johannes Metelercamp, echtgenoot van Anna Bakker, en luidt als volgt:

Hier binnen in dit duister Graf.
Rust hij die zig nooit ruste gaf.
Maar in den dienst des Heeren.
Zij kragten liet verteeren.
Die zijn volk ijverig heeft gestigt.
In leer en leven voorgeligt.
Dees gulde mond zwijgt nu stil.
Want het was dus 's Heeren wil.
Vrouw, Zoon, Broeder en Gemeente.
Betreurt het kil koud gebeente.
Van een Man bij ijdereen
Bemind ook bij groot en kleen.
Men volgt het voorbeelt van Gods knegt.
Welk in dit graf begraven left.
Dien God nae den strijd de kroon
Schenkt tot een genadenloon.

   Ga nu de kerk binnen en aan de negentiende eeuwsche kerkemeubelen zult ge bespeuren, dat ook het Keizerrijk met zijn voorliefde voor klassieke vormen op de christelijke kunst in het Groningerland zijn stempel heeft gezet. Daar staat de heerenbank met het wapen der Alberda's. Twee engeltjes drapeeren het achterschot met een zoo zwierig in het eikenhout gestoken guirlande van bloeiende rozen, dat ge er niet meer aan twijfelt of een knap en gevoelig vakman dien beitel gehanteerd heeft. En dat alles wordt geschraagd door kwasi-zuiltjes met Grieksche voluten en daar op de hoeken staan weer de onvermijdeljke vazen van het Empire. Aan de voorzijde van de dubbele heerenbank, recht tegenover den kansel, bevindt zich nog de voorlezerslessenaar. En ziet ge dat kleine merkwaardigheidje daar wel aan den muur, de wetstafelen van Mozes, met de beginwoorden van de tien geboden er in gebeiteld? De vijf kuippaneelen van den preekstoel, - waarschijnlijk van denzelfden beeldhouwer - met voorstellingen van de herders in den stal, de vlucht naar Egypte, de graflegging, de hemelvaart en de opstanding, zijn wel opmerkelijk, want we hebben niet zoo veel christelijke sculpturen uit dien tijd, maar ze missen toch de kracht om ons te ontroeren; de kunst van de arcadische herders en herderinnetjes komt ook hier wel wat al te liefelijk om den hoek.
   Zoo spiegelt zich ook in een afgelegen dorpskerk elk tijdvak in het monument, dat ahet voor de gemeente tot stand bracht. In enkele kwartieren volbrengt ge hier een wandeling van eeuw tot eeuw. En dan kan het wel niet anders of zoo'n hink-stap-sprong door dehistorie doet u ook iets beleven van de geweldige continuïteit, die ebsloten ligt in één zoo'n kerk, in zeven, acht eeuwen evangelie-verkondiging. Stormen zijn over het land gegaan, dijken zijn doorgebroken, het water steeg tot de lippen, maar de kerk bleef staan. Onderlinge twisten zetten dorp op tegen dorp. Stad en Ommelanden voeren strijd over het gewestelijk bestuur, vreemde benden stroopen het land, maar de kerk blijft staan. Monniken worden vermoord, pastoors uit het land verbannen, predikanten afgezet. De kerk blijft staan. Vrijheden worden te niet gedaan, rechten geknot, barmhartigheid gebrandmerkt. De kerk blijft staat. De kerk laat niet af het woord te verkondigen, dat voor alle eeuwen geldt, en van geslacht tot geslacht vindt de mensch daarin zijn heul en heil, dat hem tenslotte doet zeggen:

Ick heb adiu geseijt de werelt met haer lust......

webdesign & copyright
© 2001-2003 Eveline
→