Telegrafie deel 6
inhoud
deel 1
deel 2
deel 3
deel 4
deel 5
deel 7
deel 8
deel 9
deel 10


Inhoud
Start
Het gebruik der optische telegrafie te velde (1)

Uit: De Natuur - Populair Geïllustreerd Maandschrift, gewijd aan de
Natuurkundige Wetenschappen en hare toepassingen.

Onder redactie van Dr. A. van Hennekeler en Dr. N. van de Wall.
Negende jaargang 1889.
Utrecht, J.G. Broese



   De groote diensten, die de optische telegrafie in de jongste oorlogen heeft bewezen, zullen hoogstwaarschijnlijk oorzaak zijn, dat dit correspondentiemiddel, ook in de toekomst op ruime schaal toegepast zal worden.
   Het optisch seinen geschiedt door:
    a. Toestellen, zooals spiegels, lenzen, enz.
    b. Teekens, die men met elkander wisselt; overdag met behulp van vlaggen, signaal-armen of manden en 's nachts met lantaarns, vuurpijlen, enz.
    c. Teekens, omtrent welke men van te voren overeenkomt.
   Bij het gebruik der optische instrumenten, behoeft men een geoefend personeel, dat geheel op de hoogte is van de dikwijls samengestelde inrichting dezer toestellen. Bij de onder b genoemde methode kan men volstaan met personen, die van te voren eenig onderricht hebben ontvangen; terwijl bij de manschappen, die noodig zijn bij de onder c genoemde methode, slechts eenige korte aanwijzingen voldoende zijn.
   Het doel der volgende bladzijden is een overzicht te geven omtrent het gebruik der optische telegrafie te velde, dat in hoofdzaak ontleend is aan het belangrijk werk: Traité de télègraphie optique, appliquée aux arts militaires par R. van Wetter, lieutenant d'Artillerie de l'armée Belge.

   Het inwinnen van berichten zal te velde bijna altijd zonder groote bezwaren kunnen geschieden. Moeielijker echter is het, te zorgen, dat de ingewonnen berichten op den juisten tijd worden overgebracht; - en dit is toch bepaald noodig - wil een bevelhebber in staat zijn, nauwkeurig zijne bevelen te geven, ook aan meer verwijderde afdeelingen.
   Het overbrengen dier ingekomen tijdingen neemt in belangrijkheid toe, naarmate de afstanden, - waarop de verschillende afdeelingen van elkaar verwijderd zijn - grooter worden, en het zal wel geen betoog behoeven, dat juist dan de daaraan verbonden bezwaren, zich meer en meer zullen doen gevoelen.
   Vooral tegenwoordig nu - tengevolge van de groote getalsterkte der opereerende legers - de verkenningen tot op zeer groote afstanden zullen plaats vinden, wordt de zaak meermalen besproken.
   De verschillende middelen, waarover men beschikt voor het overbrengen der ingewonnen berichten zijn:
   1. de bestaande telegraaflijnen;
   2. de veldtelegraaf;
   3. de telefoon;
   4. de acustieke seinen;
   5. het zenden van ordonnansen.
   Bij verkenningen zal men echter meestal de bestaande telegraaflijnen vernield vinden en zoo niet, dan zal men er maar hoogst zelden gebruik van kunnen maken.
   Van de onder 2 en 3 genoemde middelen kan alleen in bijzondere gevallen partij worden getrokken, terwijl het aanwenden van acustieke seinen wel altijd tot de uitzonderingen zal behooren.
   Juist op een tijdstip, dat de troepen er het meeste belang bij hebben zich zooveel mogelijk te verbergen, wordt hunne tegenwoordigheid door deze seinen verraden.
   Het overbrengen van berichten met bereden of onbereden ordonnansen geschiedt langzaam, is onzeker en gaat bovendien met vele bezwaren gepaard.
   De optische telegrafie daarentegen biedt vele voordeelen aan, zoowel bij verkenningen als op marsch, in het kantonnement, gedurende den strijd en bij belegeringen.
   Te velde - vooral bij verkenningen - komt het er echter op aan, dat het te gebruiken materieel zoo eenvoudig mogelijk zij. Het optisch seinen met spiegels, heliografen, enz. zal echter te velde moeielijk of niet in praktijk te brengen zijn; terwijl het telegrafeeren met vlaggen, manden of lantaarns - hoewel veel eenvoudiger - toch nog altijd een zekere praktische kennis vereischt.
   In de volgende bladzijden zal men echter zien, dat ook met zeer eenvoudig - ja zelfs zonder - materieel, ten allen tijde en op alle plaatsen meer of minder goede optische verbindingen kunnen tot stand gebracht worden, door aan verschillende teekens een bepaalde beteekenis te geven.
   Deze optische verbindingen kan men o.a. tot stand brengen door middel van rookseinen, vuurpijlen, vuurwerkpatronen, bommen met vuurwerk, fakkels, geweren, armen, enz.


ROOKSEINEN.

   Wanneer een troepenmacht in twee colonnes langs verschillende wegen een bepaalde terreinstreek doortrekt, kunnen deze afdeelingen in verband blijven door het gelijktijdig of op verschillende tijdstippen ontsteken van vuren.
   Wil bv. een der bevelhebbers seinen wisselen met de nevencolonne, dan laat hij drie vuren ontsteken, welke door de nevencolonne beantwoord worden, zoodra deze het seinen heeft bemerkt, ten einde te kennen te geven, dat men gereed is de te doene mededeelingen te ontvangen.
   Twee of drie vuurzuilen, die achtereenvolgens omhoog stijgen, beteekenen dan b.v. dat men op zwakke of sterke vijandelijke afdeelingen is gestooten.
   Wil een der bevelhebbers zich in een bepaalde richting vereenigen met de nevencolonne, dan seint hij dit door middel van een zeker aantal rookzuilen, die dan de nieuwe richting aangeven.
    Bijv. Twee rookzuilen duiden het Noorden aan.
        Drie rookzuilen duiden het Zuiden aan.
        Vier rookzuilen duiden het Oosten aan.
        Twee rookzuilen twee aan twee Noordw. enz.
   Door deze combinaties verder uit te breiden, kan men zoodoende tal van depêches overbrengen,
   Om verwarring te voorkomen, worden de verschillende seinen opgeschreven en alleen ter hand gesteld aan de bevelhebbers der gescheiden colonnes.
   Overdag kiest men een schrander persoon uit om deze seinen in alle richtingen waar te nemen. Hij is voorzien van een horloge, papier en potlood, ten einde de gewisselde seinen op te teekenen, alsmede het aantal malen, dat deze herhaald zijn met inachtneming der tusschenruimten.
   Door het verbranden van harsachtige houtsoorten, kan men de duidelijkste seinen wisselen. Wil men dat de rook met gelijke tusschenpoozen sterker opstijgt, dan kan men dit gedaan krijgen door gelijkmatig telkens meer hout op het vuur te werpen.



HET SEINEN MET BEHULP VAN VUURPIJLEN.

   Alvorens nader in beschouwing te treden over bovengenoemd seinmiddel, het volgende tot toelichting. De brandbare mengsels, die in de vuurwerkerij gebruikt worden, noemt men sassen.
   Naarmate der bestemming onderscheidt men:
   1. Drijfsassen; deze dienen als drijfmiddel. Hun voornaamste bestanddeelen zijn: meelpulvers (d.i. buskruit in den poedervorm), salpeter en zwavel.
   2. Brandsassen, die dienen tot ontsteking van andere vuurwerken, alsmede tot brandstichting. Behalve de bestanddeelen der drijfsassen vindt men bij deze nog koolwaterstofhoudende stoffen.
   3. Lichtsassen; deze bestaan uit meelpulver en zwavelantimoon, welke verbinding o.a. een wit licht geeft. Wil men daarentegen een groen licht, dan voegt men er een bariumzout bij en voor een rood licht salpeterzure strontiaan.
   4. Rooksassen, die een sterken rook moeten verspreiden.
   5. Slag- en wrijvingsassen. Voor deze gebruikt men kalium-chloraat (chloorzure potasch) vermengd met zwavel. Doet men er nog salpeter bij, dan ontstaat chloraatkruit. deze sassen bezitten de eigenschap, dat zij reeds bij een zwakken slag of geringe wrijving vuur vatten.

   De lont of z.g. gezwinde lont verkrijgt men door katoenen draden te dompelen in een pap van meelpulver, alkohol en arabische gom en vervolgens te drogen.
   Men onderscheidt vuurpijlen met speel- en met slagwerk. Zie figuur 1 en 2.

Fig. 1. Vuurpijl met speelwerk Fig.1. Vuurpijl met speelwerk



Met eerstgenoemde kan men seinen tot op afstanden van 8000 meter. De huls dezer vuurpijl - die met drijfsas gevuld is - eindigt in een houten schijf, waarop zich een lantaarn bevindt. In deze lantaarn zijn een aantal sterren (bij ons te lande 16), die onder verspreiding van een wit, groen of rood licht in brand vliegen. Deze sterren stellen dan b.v. de cijfers 1, 2 en 3 voor, en door in een bepaalde orde de verschillende vuurpijlen af te steken, kan men een reeks getallen vormen, waarin deze drie cijfers voorkomen en waaruit gemakkelijk een alphabet is samen te stellen.
   Bijv. A-112. B-121. C-211. D-212. E-221. F-122. G-123. H-312. I-213. J-232. K-323. L-231. M-132. N-322. O-223. P-313. Q-131. R-331. S-332. T-133. U-233. V-222. W-311. X-321. Y-111. Z-113.
   Deze wijze van seinen geschiedt echter uiterst langzaam, om reden men voor een bericht van 40 letters circa 100 vuurpijlen behoeft.


Fig.2. Vuurpijl met slagwerk Fig. 2. Vuurpijl met slagwerk
   Voor het gebruik der cavalerie en voor dagseinen, worden vuurpijlen met slagwerk aanbevolen. Hun ontsteking gaat met een knal gepaard, dien men tot 4000 meter kan hooren; terwijl zij zelfs tot op 12 KM. afstand zichtbaar zijn. Deze knal is het gevolg van het in de lucht ontploffen van een moordslag, die gevormd wordt door een met buskruit gevulden zak, welke ontploft, zoodra de beide einden lont, die buiten deze zak hangen, het vuur op de lading overbrengen.
   Nog op een andere wijze kan men zich deze vuurpijlen ten nutte maken.
Een vuurpijl, waarin witte sterren, stelt bv. het nummer voor van de geheele arméee, een met roode het 1e legercorps, een met groene het 2e corps, enz. Wil nu de opperbevelhebber een beweging gelasten voor het geheel, dan laat hij het te geven sein voorafgaan door eerst een vuurpijl met witte sterren te ontsteken; moet echter de beweging alleen door het 1e legercorps worden uitgevoerd, dan ontsteekt men een vuurpijl met roode sterren.
   Bevinden zich tusschen het hoofdkwartier en het korps waaraan men seint, andere afdeelingen, dan moeten deze de te wisselen signalen verder overgeven.
   In 1870 maakten de Duitschers veel gebruik van vuurpijlen op marsch, maar nog meer gedurende den eigenlijken strijd. Tal van vuurpijlen van verschillende kleur doorkliefden toen de lucht en meermalen slaagde men er in juiste inlichtingen te verkrijgen omtrent de stelling der tegenpartij.



VUURWERKPATRONEN.

   Zoodra deze patronen, die circa 30 cM. lang zijn, ontbranden, geven zij een wit, rood of ook wel tegelijk een rood en wit licht, al naar den aard harer lading. Van buiten staat op elke patroon een nummer, dat overeenkomt met de kleur, die men verkrijgt, zoodra de patroon ontbrandt. Iedere kleur komt overeen met een der 10 cijfers van 0 tot 9 of met 2 van te voren afgesproken teekens. Het eene teeken dient om de aandacht tot zich te trekken, terwijl het tweede als sein van antwoord dient. Stel b.c. dat men het getal 365 wil overseinen, dan begint men met de patroon te ontbranden, die gemerkt is met een "A" (d.w.z. Geeft acht), ten einde den waarnemer te waarschuwen, die daarna een patroon ontsteekt, gemerkt "B" (d.w.z. Gereed) om te laten zien, dat hij gereed is de te doene seinen te ontvangen. Daarna ontsteekt men achtereenvolgens de patronen, die gemerkt zijn 3, 6 en 5.
   De waarnemer herkent aan de kleur der vuren het nummer van iedere patroon en leest nu 365 af, een getal, dat overeenstemt met een bepaald woord, voorkomende in een hierbij behoorend seinregister.
   Heeft men een getal overgeseind, dan wacht men eenigen tijd (b.v. 30 secunden) en gaat daarna verder met de volgende getallen over te seinen.
   Men bevestigt de patronen gewoonlijk aan het uiteinde eener lens en dan zijn zij voorzien van een stuk gewone lont; doch men kan ze ook ontsteken met behulp van een pistool zonder loop, maar voorzien van een schacht. (Zie figuur 3.)

Vuurwerkpatronen
Figuur 3.

   Een portugeesch vuurwerker, de heer Tavarès, heeft een vuurwerkpatroon uitgevonden, waarmede men tot op 110 KM. kan seinen. In verschillende landen zijn deze patronen beproefd en hebben steeds goede uitkomsten opgeleverd.



BOMMEN.

Fig. 4. Bommen en mortieren
Fig. 4. Bommen en mortieren
   Deze bommen, die 0,1 à 0,2 meter in middellijn zijn, zijn gevuld met schitterende sterren. Zij zijn voorzien van een bijzonder soort lont, die maakt dat zij eerst op een vrij groote hoogte uit elkaar barsten. De mortieren, waaruit men deze bommen werpt, zijn 0,6 à 0,9 meter lang, terwijl hun middellijn afhankelijk is van die der bommen. Deze bommen en mortieren worden gedragen door menschen; is echter de afstand te groot, dan gebruikt men lastdieren.
   Het optisch telegrafeeren met behulp van rookseinen, vuurpijlen en vuurwerkpatronen is moeilijk waar te nemen, indien men niet nauwkeurig bekend is met het terrein; want al weet men ten naastenbij hunne richting, zoo kan hun afstand nog dikwijls geheel onbekend zijn. Bovendien zullen atmosferische invloeden (mist, enz.) en terreinhindernissen (bosschen) meermalen oorzaak zijn, dat men de gewisselde seinen moeielijk of niet kan waarnemen. Daar bovendien deze seinen alleen zeer algemeene aanwijzingen verschaffen, kunnen zij nimmer eenigszins nauwkeurig de sterkte der gesignaleerde troepen aangeven.
   Rookseinen evenals teekens, die men wisselt met behulp van vuurwerkpatronen, hebben daarenboven het groote nadeel, dat men er door op een dwaalspoor komt. In den oorlog toch ontwaart men meermalen - vooral 's avonds - in vele richtingen ontstoken vuren, zoodat men uit bovengenoemde seinen dikwijls niets kan besluiten.



SEINEN MET FAKKELS OF FLAMBOUWEN.

   Deze seinen, die 's nachts worden gebruikt, kan men waarnemen tot op 7000 meter. Zij bestaan uit een zes à zevental einden gewone lont, die men tot één bundel vereenigd heeft en vervolgens vlamgevend heeft gemaakt door hen te koken in een mengsel van sterk brandbare stoffen. Men bevestigt hen aan 't uiteinde eener lat, die een lengte heeft van 2 à 3 meter en eindigt in een schacht.
   Evenals bij alle lichtseinen komt men van te voren overeen, dat een bepaalde houding als waarschuwing zal dienen. Tot dit doel plaats men voor den seiner een tweeden brandenden flambouw of fakkel. Reeds in Gallië moet deze wijze van seinen in gebruik zijn geweest.
   Bij het seinen kan men van verschillende registers gebruik maken. Stel b.v. dat bij het seinen met fakkels gebruik wordt gemaakt van een seinregister, bestaande uit 6 elementen.
   Om dan de cijfers aan te geven, wordt als volgt gehandeld:

Voor het cijfer 1 brengt men den fakkel in schuinsche richting rechts naar boven;
Voor het cijfer 2 brengt men den fakkel aan dezelfden
kant ter hoogte van den schouder;
Voor het cijfer 3 houdt men den fakkel in schuinsche richting rechts naar beneden;
Voor het cijfer 4 brengt men den fakkel als bij 1, doch
naar links;
Voor het cijfer 5 brengt men den fakkel als bij 2, doch
naar links;
Voor het cijfer 6 brengt men den fakkel als bij 3, doch
naar links. (Zie hierover de figuur 5).
Fig. 5. Het seinen met fakkels
Fig. 5 Het seinen met fakkels

Ook kan men bij dit seinen gebruik maken van andere seinregisters.
Fig. 6. Het seinen met fakkels voor een register met 3 elementen.
Fig. 6. Het seinen met fakkels voor een register met 3 elementen.
In de figuur is dit o.a. aangevens voor een register, bestaande uit 3 elementen.
   Bij deze wijze van seinen is het gewenscht, dat men over vele personen kan beschikken, want hoe meer fakkels, des te sterker zal het licht zijn, dat zij afgeven. Bovendien is het zaak, om - zoodra een fakkel is uitgebrand - dezen onmiddellijk door een anderen te vervangen.


Seinregister, bestaande uit 6 elementen.

   A-11. B-21. C-31. D-41. E-51. F-12. G-22. H.-32. I-42. J-52. K.13. L-23. M-33. N-43. O-53. P-14. Q-24. R-34. S-44. T-54. U-15. V-25. W-35. X-45. Y-55. Z-16.

Cijfers.

   1-26. 2-36. 3-46. 4-56. 5-66. 6-61. 7-62. 8-63. 9-64. 0-65.



SEINEN MET BEHULP VAN STAANDE EN ZITTENDE MANSCHAPPEN.

   De manschappen zijn op één gelid geplaatst, terwijl een bepaald gedeelte is neer- gehurkt en de overigen staan, al naarmate het sein, dat men wil geven. Stel b.v. dat men beschikt over een 30 tal personen, dan verdeelt men deze in afdeelingen van 9 man, die door een bepaalde ruimte gescheiden zijn en zoodoende kan men verschillende getallen overseinen, waarin voorkomen de honderdtallen, tientallen en eenheden.     K.


webdesign & copyright
© 2001-2003 Eveline
→