Scheepspraet


 overzicht
Inhoud
Start
Scheepswijzer Scheepswijzer

   Aan boord van een onzer kleine oorlogsschepen bevond zich een lichtmatroos, die zich weinig plezierig voelde. In het gewone leven was hij kellner, maar daar er altijd bedienend personeel voor de longroom noodig is, was deze geheide landrot plotseling tot zeemilicien gebombardeerd. Op zijn eerste reis kwam deze zoetwatermatroos wat witjes van de weeïgheid op de brug en vroeg beleefd: "Meneer, moet het raampje in uw kamertje dicht?" De aangesprokene antwoordde: "Hoor me dat nou. Hij moest eigenlijk vragen: schipper, moet de patrijspoort in uw hut dicht? Voor de rest klinkt het al aardig...."
   Dit ten bewijze dat er op zee een ander taaltje gesproken wordt dan te land. Nu is het niet onze bedoeling om een volledig overzicht te geven van de gebruikelijke zeetermen, maar een paar moet men dat toch wel weten om geen al te landrottig figuur te slaan.
   Zoo is er op een schip geen links en rechts en dat is begrijpelijk, want als je je omdraait, dan wordt links rechts en rechts links. Dus spreken we van "bakboord" en "stuurboord". Stuurrrrrboord is, als je in de vaarrichting kijkt rrrrechts, die r is dus het hulpmiddeltje om het voor altijd te weten. Er is weinig slimheid voor noodig om hieruit te concludeeren, dat bakboord links is.

Noormannen

   De naam stuurboord stamt waarschijnlijk uit den tijd toen de Noormannen met hun 30 m lange Vikingschepen tot zelfs den Atlantischen Oceaan durfden oversteken. Deze schepen werden niet met een roer, maar met een riem bestuurd. Het boord waar deze riem op rustte heette stuurboord. Waarschijnlijk komt de naam "bakboord" van het Engelsche "back" of het Oost-Friesche "backe", hetgeen rug beteekent. Dat was de zijde van het schip waar de stuurman met zijn rug naar toe stond.

   We spreken ook van loef- en lijzijde. De kant waar de wind vandaan komt heet de loefzijde en de andere dus de lijzijde. Voor zeezieken heeft deze aanwijzing eenige beteekenis, omdat het niet erg practisch is om aan de loefzijde demonstraties van misselijkheid te geven. Men mag drie keer raden waarom ... En wie het niet mocht raden, moet het maar een keer ondervinden, dan weet hij het voorgoed.

   Op een schip spreken we ook niet van "voorkant", middenin" en "achterkant", maar van "vooruit", "midscheeps" en "achteruit". De opbouw "vooruit" wordt aangeduid met den naam "bak", die "achteruit" met "kampanje" of het Engelsche woord "poop". Als je nu nog weet dat de midscheeps de opbouw is om de machinekamer, dus in het midden van het schip, dan weet je al weer meer dan de eerste de beste landrot.


Binnenkant schip

   Het inwendige van een schip is verdeeld in "luiken" of "ruimen". Zij bevinden zich tusschen twee dwarsscheepsche waterdichte schotten, die voor de veiligheid uitermate belangrijk zijn. Zou er een aanvaring plaatsvinden en de scheepshuid scheuren, dan loopt er maar één ruim vol en kan het schip dus drijvende gehouden worden. Mits natuurlijk zoo'n waterdicht schot den eenzijdigen druk van het water kan weerstaan. Belangrijk voor de veiligheid is ook, dat de meeste moderne schepen een dubbelen bodem bezitten. Scheurt bij een stranding het kielvlak (de bodem) open, dan stroomt het inwendige niet vol water.
   Nu nog even over de dekken, waarvan er verschillende op een schip zijn. Onder het eerste, geheel van voor naar achter loopende dek strekt zich van voor naar achteren het boventusschendek (B.T.D.) uit, dan volgt het ondertusschendek (O.T.D.) en tenslotte het onderruim. Op sommige passagiersschepen spreekt men van A-, B- en C-dek, waarvan dan het A-dek het hoogste ligt. Onthoud nog dat de "luiken" van voren naar achteren genummerd worden.
   Ziezoo: nu loopt ge tenminste niet als een kat in een drijvend pakhuis.


webdesign & copyright
© 2000-2003 Eveline