Rembrandt: deel 4
deel 1
deel 2
deel 3
deel 5


Inhoud
Start
Een reisje met de "Rembrandt" - deel 4



De vuurtoren van Cordouan De vuurtoren van Cordouan.    De zeereis was geëindigd; verscheidene vuren recht vooruit duidden de breede monding der geweldgie Gironde aan, waaronder het machtig vuur van Poit de la Coubre links, dat eene lichtsterkte van 25 000 000 kaarsen moet hebben en 60 KM. ver zichtbaar is, het meest de attentie verdiende. Daar tegenover aan de andere zijde van den zeeboezem schitterde het niet minder prachtig licht van de Cordouan, een der fraaiste vuurtorens van geheel Europa op een eilandje circa 10 KM. uit de kust geheel alleen in zee staand.



   Tusschen die beide vurige oogen, dertien KM. van elkander, moesten we door.
   Toen het begon te dagen en de bakens en vuurschepen uitgedoofd waren, vertoonde zich in het oosten een lange, zwarte streep land, waarlangs we evenwijdig voorstoomden. Het was de rotsige, steile door zeepijnen gekroonde kust van het departement Charente Inférieure waartegen de Oceaan al eeuwenlang zijn reuzengolven uit een doet vliegen, die daar dan ook immer duchtig te keer gaat en er interessante afgeknaagde, ondermijnde en uitgeholde rotspartijen gevormd heeft. Vele diep indringende baaien, "Conches" genaamd, waarin bij eb een zacht hellend strand droogloopt, afgewisseld door ver naar voren springende wilde rotsen maken die kust tot een waar punt van attractie voor menig natuurliefhebber, doch al dat schoon zag ik mij helaas ontglippen; ik moest mij tevreden stellen met een sombere kustlijn, door het aanbrekend daglicht onbestemd van vorm.
   Verderop ligt het zeeplaatsje Royan met zijn groote hotels, bevallige villa's en chateaux, op een vooruitspringend rotsland, gevormd door de conche van Pontaillac ten noorden en die van Royan ten zuiden.
   Het steeds toenemend daglicht vergunde mij toch nog een blik op de witachtige huizenmassa met het kerkspitsje er hoog boven uitstekend.
   We stoomen full speed tegen de gele golven in, die er bij winderig weer schrikbarende afmetingen kunnen aannemen en dan ook alleen door kleur en smaak van de zee verschillen.
   Eindelijk naderen we den linker oever, het land van medoc, dat bij Point de Graves aanvangt en zien tegelijkertijd aan de overzijde, doch tamelijk ver af, de witachtige huisjes van St. George de Didonne met zijn aardig kerkspitsje bijna 3 KM. van Royan aan de rivier gelegen.
   De Gironde heeft, tusschen Point de Graves en de steile rotsen van St. George eene breedte van bijna twee KM., die verderop echter door de vele "Conches" aanhoudend varieert. Op de linkerzijde strekken zich heuvels uit, begroeide duinen waaruit het vierkante, witte vuurtorentje van Graves en verderop het kerkspitsje van Le Verdon verrassend omhoog rijzen.
   Steeds breeder wordt de rivier; we stoomen langs de conches van Suzac, Vergne en Nonnes, waar dichte, donkere bosschen den steilen rechter oever blijven bedekken en passeeren de hooge kust van Meschers waar een rij primitieve windmolentjes, waar achter het dorp van dien naam gelegen is, zich kinderachtig tegen de lucht afteekent.
   In de kustontwikkeling bevinden zich de belangwekkende grotten van Meschers, onderaardsche galerijen, die destijds door menschen bewoond werden en waar men in het mooi seizoen tegenwoordig nog visschersgezinnen aantreft. De rotsen verheffen er zich tot 15 meter uit het water en zijn met struikgewas begroeid.
   Meschers zelf, met zijn visschershaven en oude klokketoren, kregen we niet te zien, want de hooge rotsen benamen ons het uitzicht.
   Negentig KM. waren we nu nog van Bordeaux verwijderd.
   Steeds wordt de Gironde breeder, terwijl de duinen op den linkeroever in lage, groene weilanden overgaan, die een scherp contrast met de steile kustontwikkeling op de rechter zijde vormen, welke niettemin zoover terugweek dat zij zich als een lange smalle streep aan het oog vertoonde. Een mijl verder hadden we de grootste breedte bereikt, die juist ter plaatste waar het vuurschip van Talais geankerd lag, niet minder dan acht KM. bedraagt. 't Kan er dan ook geducht spoken op die zoetwaterzee, zooals ik op de terugreis terdege ondervonden heb, en vooral bij hevigen oostenwind en vloed dreigt het lage Medocland te dier plaatse door de woeste, groote, gele baren verzwolgen te worden.
   Onze loods die geen woord spreekt en met gefronst gelaat recht naar voren tuurt en slechts nu en dan met de hand instructies aan den roerganger geeft, brengt de Rembrandt langs de ondiepe plaatsen en banken, zich niet bekommerend om een hoogen of lagen, mooien of leelijken oever, doch wat mij betreft, ik gevoelde mij meer tot de rechter dan tot de lage linkerkust aangetrokken, waar zich nog voortdurend groene weilanden vertoonen die nauwlijks boven het niveau uitsteken.
   We stoomen voorbij het dorpje Talomont-sur-Gironde, met eene oude romaansche kerk op een vooruitspringende rots, welker voet door de inwerking van het water afgevreten en uitgeholde oppervlakten vertoont. Deze kerk, die door haar compacten bouw en hooge ligging wel wat op een citadel of Burcht gelijkt, moet inderdaad groote kunstwaarde bezitten en wordt dan ook aanhoudend door archeologen en touristen druk bezocht.
   Zes k.m. verder stroomopwaarts ligt St. Seurin d'Uzet aan een der vele "Conches" die de kust blijven karakteriseeren, waarnaast het Chateau de St. Seurin op eene boomrijke rotspartij even uit het groen komt kijken, terwijl eenige visschersvaartuigen in de kleine tijhaven in artistieke wanorde op het droog geloopen slib dooreen lagen, wachtende tot de machtige, gele wateren hen op kwam beuren.
   Zeven k.m. verder passeeren we weer een dorpje, welks grauwwit torentje iets meer landwaarts in, helder boven de omgeving uitsteekt en een echt landelijk aanzien heeft. Het is Mortagne-Sur-Gironde met slechts 1600 inwoners en ook zoo'n miniatuur haventje La Rive genaamd.
   De kust neemt er in hoogte af, de rivier versmalt zich aanmerkelijk, zoodat het wijnland van Medoc naderbij komt.
   Nu werd het zaak goed op te letten, want het land dat daar voor mij lag is dicht bebouwd en vol afwisseling. Kasteelen beginnen er zich te vertoonen groene heuvels, lanen van populieren, en verstrooide huisjes stoffeeren het landschap en alles wijst op een streek waar de wijnbouw het hoofdmiddel van bestaan is.
   Het spitsje van Valeyrac, een eindje landwaarts in, de ronde toren en het kasteel van Bey op heuveltoppen gelegen en welbekend door de uitmuntende wijnsoort die aan hun voet verbouwd wordt, en verderop het vlak aan den oever gelegen dorp St. Cristoly met de groote chemicaliënfabriek van den heer Skawinski ten behoeve van den wijnbouw opgericht, krijgen we achtereenvolgens van de brug af uitstekend te zien, terwijl de rechteroever die zoo goed begonnen was, thans een eentonig aanzien kreeg.
   Het was alsof de Chateaux, naarmate we opstoomden, talrijker en belangrijker werden, zoodat het bijna ondoenlijk was op alles acht te slaan.
   Eensklaps trekt een groot buitengoed op een heuvel dicht aan de rivier gelegen, met landingsplaats en parkaanleg voor het front, onz' aller aandacht. Het is het Chateau "Loudenne", eigendom van de H.H. Gilbey uit Londen, waarbij 190 Hectaren grond behooren, waarvan ruim 100 voor den wijnbouw aangewend worden. Het Chateau met bijbehoorende werkplaatsen maakt eene royale vertooning te midden van de groene omgeving, afgewisseld door hoog geboomte met het torentje van St. Yzans op den achtergrond. Niettemin viel er in die heele schilderij een zekere stijve deftigheid niet te miskennen en wel voornamelijk door het gemis aan eenig levend wezen of bedrijvigheid.
   Toen volgden de dorpjes: St. Seurin de Cadourne, St. Estèphe, het Chateau Ségur-Garamey en tallooze andere gedeeltelijk in het groen en achter heuvelhellingen en lanen verscholen chateaux en chalets alsof er geen einde aan zou komen.
Het kasteel Lafitte
Het kasteel Lafitte.


   Juist door eene opening kwam nog het artistieke kasteel "Lafitte" te zien, gehuld in een mantel van geboomte met een steenen terras voor het front. Het werd destijds gekocht door Baron James Rotschild voor de aanzienlijke som van 4.500.000 francs.
   Tegelijkertijd zien we recht voor den boeg midden in de rivier de eilanden Paliras en St. Louis dicht begroeid met hoog opgaand hout.
   Te negen uur stopt de machine voor het stadje Pauillac recht tegenover den vuurtoren van het eerstgenoemd eiland.
   Een hoorbare stilte, om zoo te zeggen, verving het regelmatig gestamp, waaraan ik zoozeer gewens was dat het gemis er van mij even als een nieuw geluid in de ooren klonk.
   We drijven zachtjes op onze vaart door en werpen ten slotte het anker, want te Pauillac komt een nieuwe loods aan boord.
   Pauillac is een aardig stadje van 5200 inw. dat zijn bestaan uitsluitend aan den wijnhandel te danken heeft, zooals dan ook trouwens de groene heuvelhellingen en verspreide landhuizen eromheen duidelijk aantoonen.
   Eene breede, glooiend in de rivier afdelende kade "la Rade de Pauillac" strekt zich langs het plaatsje uit, waarop enkele zeer steile straten uitloopen, die van af het water gezien, bijna niet te berijden schijnen.
   Ten noorden, stroomafwaarts dus, bevindt zich de loodshaven, waar kotters en kleine schoeners in het geelgrijze, drooggeloopen rivierslijk op zijde lagen.
   De huizen zijn vuil witachtig en grijs van kleur, door zwak hellende, rood en grijs gemengde pannendaken gedekt en niet zeer hoog. Een witachtig klokketorentje steekt pittoresk boven het plaatsje uit en geeft eenigszins een stadskarakter aan het rustig en stil ensemble.
   Merkwaardig was om te zien hoe op dat betrekkelijk vroege uur de nietsdoeners reeds de café's langs de kade vulden, en men verzekerde mij aan boord dat men dat slag luidjes tot middernacht er kan vinden.
   Eenige kaailieden of sjouwers met verbrande gezichten, versleten baretten en blauwe broeken bij enkele door een soort sjerp om de heupen bijeen gehouden, liepen zich klaarblijkelijk te vervelen en rookten sigaretten en spraken op dien overluiden toon, dien men in zuidelijk Europa zoo veelvuldig aantreft. Het is een onverschillig en onbezorgd soort volk, waarvan ik in Bordeaux nog uitstekende typen te zien kreeg.
   Eindelijk steekt een stoomsloep van wal, terwijl onze loods zich gereed maakt de Rembrandt te verlaten.
   Ik nam afscheid van hem, doch verstond maar half 't geen achter elkander uit dien bewegelijken mond rolde; doch op de rivier was hij stil genoeg geweest; de fransche welsprekendheid kwam dus nu in eens voor de dag.
   Inmiddels kwam het bootje langszij en werden de loodsen verwisseld.
   Had ik mij op zee verwonderd, toen er in plaats van een typischen zeebonk, een man aan boord klom met een echt landrottengezicht en een grooten slappen hoed op, nog meer was ik verbaasd toen een fijn gekleed heer, met strooien hoed, staande boord, bonte das, manchetten en sierlijke puntschoenen, aan mij voorgesteld werd als de loods van Pauillac.
   Over den arm droeg hij een blauwe jas naar het scheen, doch op de brug gekomen bleek het zoowaar een ontzaggelijk wijde blauwe broek te zijn, die hij over de burgerkleeding aantrok en met een schuifband om de heupen dichthaalde. Ook had hij nieuwsbladen bij zich, o.a. "La petite Gironde", een orgaan dat in Bordeaux op straat tot vervelens toe door jongens rondgevent wordt, en dat spoedig in de handen van den 1en stuurman overging.
   Kort daarop werd het anker gelicht; de machine stelt zich andermaal in beweging, terwijl onze nieuwe loods op de burg zijn instructies geeft.
   Hij is spraakzamer dan zijn voorganger en interesseert zich zeer voor mijne schetsen die ik hem laat zien.
   We stoomen tusschen het langgerekt, boomrijk eiland Paliras en de Medoceensche kust, waar de rivier tot op de helft versmald is.
   Achtereenvolgens passeeren we: St. Julien de Médoc, een plaatsje met bijna 2000 inw. welks naam reeds voldoende is om een wijnsmaak tusschen de tanden te krijgen; verspreide chateaux, chalets, groene heuvels met wijnstok en popels bezet; het kasteel Beaucaillou; het dorp Beychevelle met het sierlijk chateau van dien naam, vermaard door den wijn, en eindelijk het haventje van Beychevelle, slechts de uitmonding van een smal riviertje, zooals er zoovelen in die kust te vinden zijn.
   Recht daartegenover strekken zich weer twee langgerekte, met loofboomen begroeide eilanden uit, Ile Bouchaud en Ile Sans Pain, waarachter de sinds lang verdwenen rechteroever juist door eene opening zichtbaar werd.
   We verlaten meer en meer de kust van Medoc, koersen op de zuidpunt van Ile sans Pain en zien eensklaps het stadje Blaye op den rechteroever als eene grijsachtige massa te voorschijn treden.
   Blaye telt 4800 inw. en is wel een der oudste steden van Zuid-west Frankrijk, met een zeer belangrijk verleden achter zich. Het ligt zooals gezegd is, op den rechter Girondeoever, heeft een natuurlijke haven beschermd door een in de rivier vooruitsrpingende hooge landtong van waar een Citadel, in 1680 door den beroemden vestingbouwkundige Vauban gebouwd, de geheele omgeving domineert.
   Recht voor het stadje, bijna in het midden van den stroom, ligt een eilandje waarop een grijs koepelfort, het fort Paté genaamd, een uitmuntend kruisvuur met de Citadel kan onderhouden, terwijl daar recht tegenover op den linkeroever het fort Medoc dicht bij het dorp Lamarque de rivier aan gene zijde bestrijkt.
   Tusschen laatstgenoemd fort en de Citadel bedraagt de breedte der Gironde iets meer dan 2.5 k.m.
   Zevenendertig k.m. waren we nu nog van Bordeaux verwijderd.
   Onze loods oordeelt het noodig dicht langs den oever van Blaye te blijven stoomen; een laatste blik op het torentje van Lamarque aan de overzijde en den linker Girondeoever zijn we voor goed kwijt, want een kolossaal langgerekt, met boomen bewassen eiland, feitelijk drie eilanden aan een stuk, belet ons elk uitzicht in die richting. Langs Ste Luce, dicht onder Blaye gelegen, en Plassac aan den voet van hooge heuvels, stoomen we naar Villeneuve, waar de rivier zich plotseling versmalt tot op één k.m. om zich niet meer te verbreeden.
   Het zooeven genoemd eiland, dat ons trouw aan stuurboord terzijde blijft, bestond eertijds uit drie afzonderlijke deelen: Ile verte, Ile du Nord en Ile Cazeau, doch tegenwoordig is het slechts een reusachtige dam, die de Gironde over eene lengte van circa 13 k.m. in tweeën deelt.
   De beide eerste, stroomopwaarts gerekend, dragen uitmuntende wijngaarden, waartusschen eenige Chateaux, o.a. het Chateau Carmeil en de noodige gebouwen ten dienste der verzending, als in het groen verscholen liggen.
   Belangwekkend inderdaad wordt nu de rechter oever; eene hooge kalksteenformatie die bij Roque de Thau begint zet zich onafgebroken voort. Aan den voet loopt een weg langs de rivier en bovenop een tweede nagenoeg evenwijdig daaraan, die het reeds gepasseerde Villeneuve met Bayon verbindt, waar de formatie eindigt.
   Beide wegen zijn door steile, in de rots uitgehouden voetpaden of trappen verbonden, waartusschen huisjes die tegen de helling als 't ware opgehangen zijn, en meestal door karrevoerders, steenhouders en bootslieden bewoond worden.


webdesign & copyright
© 2001-2003 Eveline