Rembrandt: deel 3
deel 1
deel 2
deel 4
deel 5


Inhoud
Start
Een reisje met de "Rembrandt" - deel 3



Ouessant
Ouessant


   Ouessant - Heisant zeggen de zeelui - zag er, zoo uit zee gezien, al zeer ongenaakbaar uit en dat is dan ook werkelijk 't geval, want een grillig gevormde gordel van steile klippen benevens de noodige onderzeesche verraderlijke granietriffen omringen het eiland aan alle kanten. Het is een hoog en steil tafelland, waarop de zilte zeewinden, die in alle richtingen er overheen strijken, geen boom noch eenig struikgewas dulden. De steile noord-oostkust bereikt er zelfs eene hoogte van 70 meter waarop de gedrongen witte vuurtoren van Stiff reeds twee eeuwen de gierende stormen trotseert.
   Op het westelijk lager gedeelte verrijst de hooge, ronde, wit en bruin geringde, moderne toren van Creach, die 's nachts zijn prachtig draaiend electrisch licht mijlen ver de Oceaan inwerpt.
   De steile kaneelkleurige granietwanden van het geheele eiland, door de naar het westen dalende zon piquant verlicht, waartegen de donkerbruine uitgerafelde verticaal gespleten klippenreeks zich duidelijk afteekent, vertoonde diepe kloven en grotten, waarin de zee duchtig te keer ging.
   In het midden van het eiland, tusschen zachtgroene akkers en grasvelden, lage groepjes witte visscherswoningen met hier en daar primitieve molentjes, die zoo klein zijn dat juist een mensch er rechtop in staan kan. Behoudens die zachtgroene plekken geen spoor van plantengroei.
   Eenige visschersvaartuigen met bruinroode zeiltjes dansten op de witgekuifde, donkerblauwe baren en verdwenen soms bijna geheel in zee, doch om oogenblikkelijk daarna weer ongedeerd hoog opgetild te worden. Toch was 't bang gezicht, die nietige scheepjes zoo te zien worstelen en dan nog wel zoover van de kust.
   We stoomen met een grooten boog om het eiland heen en kunnen heel in de verte de grillige vormen van Ile de Molène, waar het drama van de Drummond-Castle plaats vond, benevens Queménes en Beniquet door den kijker onderscheiden.
   De westzijde van Ouessant, die 't meest van zee en stormen te lijden heeft, omsluit de baai van Lampaul, waaraan de eenige plaats, tevens de hoofdplaats dus, gelegen is.
   Toen opende zich de reusachtige Golf van Biscaye recht voor den boeg, waar al direct die eigenaardige lange, zwellende Oceaan-deiningen merkbaar waren, die er steeds uit het noordwesten binnen loopen.
   Open zee kregen we nu niet meer; steeds zouden we onder de fransche kust blijven, doch wat zeelui onder de kust noemen is dikwijls zoo goed als volle zee, want dan is er veelal met den besten kijker geen land te bekennen.
   De wind was gaan liggen; de lucht had weer dat eigendommelijk teeder blauw aanzien, waardoor ik meermalen in die streken gefrappeerd was geworden en vooral tegen zonsondergang waren het weer de rozeroode vlokjes en veertjes die ontzettend hoog in een groenachtig aetherische lichtstof ronddrijvend, mij in stilte deden genieten.
   Niets vertoonde zich op zee; in tegenstelling met het Kanaal, waar ons aanhoudend stoom- en zeilschepen zoowel bij dag als bij avond passeerden, kwam er geen zeiltje of rookpluimpje in zicht, en het eenige waardoor de verlaten omgeving toch nog het bestaan van menschen buiten boord deed vermoeden, was het prachtig vuur van Ile de Sein dat tegen donker in oostelijke richting als een lichtende ster aan de kim schitterde, telkens verduisterd alsof het in de golven verzwolgen werd, om iets later met verdubbelden glans terug te keeren.
   26 September. - Reeds bij het aankleeden en wasschen ondervond ik moeilijkheden door het geweldig slingeren en stampen van de Rembrandt, die weer een echte wilde bui scheen te hebben. Vooral het stampen - de op- en neergaande beweging van voor- en achtersteven - was nog niet zoo sterk geweest, omdat we pal tegen den wind instoomden.
   Hooge, blauwgroene zeeën braken aanhoudend met een doffen slag op den voorsteven en stoven in een fijnen regen over het dek tot zelfs op de brug, waar ik mij met den stuurman achter een zeildoek windscherm in veiligheid gebracht had.
   We vorderden weinig en oppervlakkig beschouwd geleek 't of we niets deden dan steigeren, maar de loglijn stond strak, het beste bewijs, dat we toch wel vooruitkwamen.
   Van de brug af was 't een interessant gezicht de Rembrandt zoo te zien duiken, terwijl de schroef dan gelijktijdig een "doorslaand" bewijs gaf dat het achterschip zich onbehoorlijk hoog uit het water optilde. Maar ook het omgekeerde was belangwekkend om aan te zien, wanneer het voorschip eenige oogenblikken hoog boven de kim opgeheven werd alsof we een luchtvaart gingen ondernemen.
   Een fransche visscher, van Nantes, passeerde ons op circa honderd meter aan bakboordzij, die voor den wind over de hooge zeeën heen wipte en met groote zwarte letters "Loire" in het gereefde grootzeil voerde. De bemanning, een vijftal gebruinde kerels, met een stoer, eenigszins uitdagend uiterlijk keken onder het zeil door naar dien kleinen steigerenden steamer en beuidden ons dat zij visch te koop hadden, doch wij antwoordden door een weigerend gebaar.
   Inmiddels kwam er weer een eiland in zicht, dat we tegen elf uur dwars kregen.
   Het was Belle-Ile, een hoog, vlak granietplateau, in kleur vooral sterk gelijkend op Ouessant, doch veel grooter in oppervlakte en niet door zoo'n klippenring omsloten. Tallooze verspreid liggende witte huisjes verlevendigden dat kaal, plantenloos, rotsig hoogland, in welks midden zich de zuilvormige lichttoren als een witte fabrieksschoorsteen hoog in de lucht verheft.
   Eenige kleine visschersvaartuigen kruisten ook daar voor de kust en kampten als het ware met de hooge zeeën, doch bleken er eveneens uitmuntend mede vertrouwd te zijn.
   Van de hoofdplaats La Palais, aan de noordoostzijde gelegen, was niets te zien.
   Tegen half zes, vijftig eng. mijlen van Belle Ile, stoomden we voorbij het derde eiland, het slechts 1o KM. lange Ile d'Yeu, eene herhaling op kleinere schaal der beide voorgaanden, welks slanke, witte vuurtoren nog langen tijd zichtbaar bleef.
   Dat was dan ook het laatste wat we van de reeks eilanden te zien kregen, die zich langs Frankrijks westkust uitstrekt, want het daarop volgend Ile de Ré en Ile d'Oleron zouden we pas des nachts dwars krijgen.
   Den geheelen middag was er aanhoudend naar een loods van Bordeaux uitgezien, waarbij ik niet in gebreke bleef ijverig met den kijker de zee te bespieden. Even voorbij Ile d'Yeu kwam er dan ook werkelijk een zeil in 't zuiden opdagen, doch voordat ik kon onderscheiden wat 't eigenlijk kon zijn, wist men mij al direct te zeggen dat het geen loods maar een makreelenvisscher was. Toen het schip naderbij gekomen was, zag ik dan ook duidelijk de lange, zijdelings buiten boord schuin opwaarts gerichte hengels, die aan dat tweemast, geestig getuigd vaartuig niet alleen een zonderling, maar een tevens hoogst schilderachtig aanzien gaven.
   De zee was wonderlijk vlug bedaard en de lucht had weer dat onbeschrijfelijk zacht, smetteloos teeder blauwe voorkomen, waardoor ik mij steeds zoozeer getroffen gevoelde. Reusachtige lange deiningen, waardoor de Rembrandt onmerkbaar opgeheven werd, hadden de hooge zeeën vervangen; geruischloos, traag, olieachtig volgden die zwellende waterheuvels elkander gestadig op, om heel ver weg aan den onafzienbaren horizon te verdwijnen.
   Weer verscheen een zeil aan de kim, ditmaal een echte Bordeauxloods, dien wij seinden bij te draaien, door de blauwe loodsvlag met een wit blok in top te hijschen.
   Dikwijls levert het groote moeilijkheden om zoo'n loods te vangen, want hoewel talrijk genoeg, zijn zij niet altijd geneigd op dat signaal acht te slaan, daar zij wel degelijk met de grootte van het te loodsen vaartuig rekening houden.
   Zoo ging het ons ook, want inplaats van te antwoorden door eveneens zijn vlag in top te halen, hield hij sterk af en koos meer open zee.
   De kapitein was zeer ontevreden over de houding van dien Franschman en meermalen had hij dan ook letterlijk jacht op zoo'n goed zeiler gemaak, met het gevolg dat de loods mopperend aan boord verscheen. Ditmaal was de afstand te groot om hem achterna te zetten en hadden wij nog tijd genoeg om andere loodsen te ontmoeten. Wij lieten hem dus stil begaan.
   Spoedig was dan ook de reden van die vlucht ontdekt; want een groote transatlantische stoomer, van Zuid-Amerika komende, die heel in de verte in het westen kwam opdagen was het lokaas voor dien onwilligen loods, die liever een vrachtje van 3000 dan van 300 ton naar Bordeaux wilde brengen.
   Een blauw vlaggetje, dat opeens door den kijker duidelijk in zijn top te onderscheiden viel, bewees dat hij het met zijn buit, die intusschen aanmerkelijk op ons gewonnen had eens was.
   Lang behoefden we niet op eene tweede ontmoeting te wachten, want tegen half zeven verscheen andermaal een loodsboot voor den boeg, die door zijn weifelende houding bewees ons opgemerkt te hebben. Een blauw vlagje wapperde van zijn steng en door aanhoudend heen en weer te kruisen bleef hij als 't ware in ons vaarwater de wacht houden, tot we dichter bij kwamen.
   De machine draait langzamer; een touwladder wordt aan lij buiten boord gehangen, terwijl de loodskotter recht voor den boeg op circa driehonder meter met slappe zeilen telkens door een zwellende deining opgeheven wordt. Te gelijkertijd wordt een sloepje, waarin twee mannen gezeten waren, op de Rembrandt afgestuurd. Ieder oogenblik verdwijnt het geheel achter een deining, alsof het nimmer meer te voorschijn zal komen.
   De kotter maakt weer zeil en haast zich uit ons vaarwater te komen, doch blijft met kleine gangetjes op meesterlijke wijze in de nabijheid.
   Iets later klimt een man met een roodachtig, breed baardeloos gelaat, een grijs pak en een zwarte, slappe hoed aan dek, aan wien ik door den kapitein voorgesteld word. De man met het sloepje keert weer over de deiningen naar den kotter terug en full speed vervolgt de kleine, dappere Rembrandt haar reis naar de wijnstad.
   Tegen tienen begaf ik mij ter ruste, recht tegenover den roodgebranden, vreemd uitzienden Franschman die zich op een bank, met zijn jas als hoofdkussen, aan een vasten slaap overgegeven had en voor de Gironde-monding in functie zou treden.
   Ik had den hofmeester verzocht mij om 3 uur te wekken om de prachtige vuren van de riviermonding niet mis te loopen.
   27 September. - 't Was nog donker toen ik den loods op de brug reeds op zijn post vond; een fijne, lauwe regen viel geruischloos uit de stille nachtlucht en ontstemde mij niet weinig, want wat zou die riviervaart bij somber weer eene misrekening zijn op eene breedte van 45o, waar men altijd een blauwen hemel, dito water en zonnige wegen meent te zullen vinden.
   Doch 't viel nog mede, al kwam die voorstelling dan ook niet geheel uit, want niet lang daarna werd 't droog.


webdesign & copyright
© 2001-2003 Eveline