Rembrandt: deel 1
deel 2
deel 3
deel 4
deel 5


Inhoud
Start
Een reisje met de "Rembrandt".

Door M.A. Koekkoek.
(Met platen naar teekening van den schrijver.)

Uit: De Aarde en haar volken - 1901
Haarlem, H.D. Tjeenk Willink & Zoon.



Het stoomschip Rembrandt

   In geen vijf jaar had ik een scheepsdek onder de voeten gehad. Sterk begon ik dan ook naar een zeereisje te verlangen om weer eens terdege eenige dagen van die frissche zeelucht, die ruimen gezichteinder en dat kalm scheepsleven te kunnen genieten.
   Mijn tijdsbestek liet echter een groote reis niet toe, dus besloot ik een trip van twee weken te maken met een der booten van de Koninklijke Nederl. Stoomboot-Maatschappij te Amsterdam. Ik koos een reisje naar Bordeaux, waar juist 13 14 dagen mede gemoeid zijn, namelijk: 4 of 5 dagen heen, een paar dagen voor laden en lossen en 5 of 6 dagen terug met inbegrip van n dag te La Lalice, de havenplaats van La Rochelle waar cognac geladen wordt.
   Den 22en September 1898, 's avonds te half negen begaf ik mij aan boord van het stoomschip Rembrandt, een der kleinste en oudste booten der Maatschappij, die den volgenden morgen vr dag en dauw onder stoom zou gaan.
   Het is een sierlijk, zeewaardig scheepje van 232 ton, met drie masten en een gaffelschoenerstuig; in de laatste jaren werd de Rembrandt speciaal voor de Bordeauxvaart aangewend.
   Aan boord gekomen, waar men van mijn komst reeds verwittigd was, vond ik alles nog in de grootste wanorde, zooals dat op kleine vrachtbooten gedurende het laden en lossen dan ook doorgaans het geval is. De groote achterkajuit lag geheel over hoop terwijl het dek, met een laag fijn kolengruis bedekt, onder mijn schoen knarste. Doch dat zou den volgende morgen wel anders worden, want eerst onder stoom zijnde is het mogelijk schoonschip te maken en te houden.
   Ik maak kennis met den tweeden stuurman, den eenigen op dat oogenblik aan boord zijnde van de equipage, en raak aan den praat over schip en reis. Twee leelijke bizonderheden van de Rembrandt worden mij lachend door hem medegedeeld, doch zij zijn niet in staat mij vrees aan te jagen, want die beloven het reisje eerder piquant te maken. Eerstens heeft dat scheepje een bijnaam onder de zeelui; zij noemen het "de Dronken Schilder", een titel die mij op zee werkelijk gerechtvaardigd bleek, terwijl het tweede euvel het dek betreft, dat nimmer droog placht te blijven, wat ook al door de ondervinding volkomen bewaarheid werd. Niettemin heeft deze kleine, dronken schilder zich toch maar kranig in wer en wind tot heden toe gehouden en zeven-en-veertig jaar der Maatschappij uitstekende diensten.
   In den loop van den avond maakte ik achtereenvolgens met den eersten stuurman en beide machinisten kennis en werd een noodhulp-bed op de bank in de achterkajuit voor mij in orde gemaakt.
   23 September. - 's Morgens te vier uur werd de stoom in de cilinders gelaten en een paar proefslagen met het nkrukkig tandem-machinetje voor-en achteruit gemaakt, waarbij het handig manoeuvreeren van den eersten machinist om dat ding over het doodpunt te krijgen, merkwaardig was om aan te zien. We lagen nog aan den steiger gemeerd, zoodat het geheele achterschip omhoog getild werd, tot eensklaps een gekraak van splinterend hout een einde aan die manoeuvre maakte. De Rembrandt had een zwaren ring uit den steiger getrokken.
   't Was koud aan dek; een grauwe, dikke lucht gaf de loodsen, gebouwen en kranen om ons heen een somber en triestig aanzien, maar het vroege uur liet overigens nog niets met zekerheid omtrent het weder bepalen. Eindelijk tegen vijf uur galmt de schorre stoomfluit door de kille ochtendlucht en doet een fijnen regen op de brug neerkomen; de trossen worden los gegooid, de machine stelt zich andermaal in beweging en langzaam glijdt de Rembrandt voorbij pakhuizen, steigers en werven, het stille, effen grachtwater zacht voor den boeg rimpelend.
   Na een trage vaart van drie uur door het lijnrecht Noordzeekanaal met zijne eentonige vlakke, boomloze kleioevers, stoppen we te kwart voor negen in de schutsluizen van IJmuiden, waar we verplicht zijn een klein uur te blijven liggen. De kanaalloods, die onderweg met een vlet aan boord gekomen was verliet ons hier terwijl een paar kooplieden met bier en kramerijen nog even zaken dachten te maken. Te kwart voor tienen stoomen we fullspeed zee in.
   Nauwelijks buiten de pieren gekomen, beginnen de voor een noordenwind flink wegloopende dwarszeen de Rembrandt aardig heen en weer te wiegen, waarbij ik al direct het gemis aan zeebeenen ondervond.
   IJmuiden en de pieren worden snel kleiner, terwijl de blanke zandduinen, hier en daar met een schrale vegetatie dun bewassen, zich als een lange, smalle, lichte streep aan het oog vertoonen.
   Hoe verder we zee ingingen, hoe meer ons schip begon te rollen en het duurde dan ook niet lang of de spuigaten haalden beurtelings aan bak- en stuurboord volumen water aan dek die in breede stroomen van het eene boord naar het ander overliepen en zoodoende het geheele achterdek klets nat maakten. In plaats dus van te spuien, namen deze laaggelegen openingen juist water binnen boord dat dan natuurlijk niet zoo vlug weg kon - de nadeelen van een kuildek - en mij menigmaal een paar natte voeten bezorgd heeft.
   Het zeewater werd fraai doorschijnend groen, de echte Noordzeekleur, terwijl witte kuifjes de golven hier en daar begonnen te kronen. Er kwam dan ook meer wind opsteken en de kapitein profiteerde er in zooverre van dat hij een paar zeiltjes bij liet zetten.
   Zoo deed het scheepje werkelijk goed.
   Een schoon gewasschen dek, de hutten en kajuit in orde, een looper door de gang en het tuig strak aangehaald, met op dat oogenblik bolle zeiltjes, zoowaar een geheel ander vaartuig dan gisteren avond.
   De lucht bleef dik en grauw; eenige sneeuwwitte meeuwen zweefden gestadig om het achterschip en schenen van plan ook naar Bordeaux te gaan.
   Vr Zandvoort, dat zich duidelijk bovenop de duinenrij tegen de lucht afteekent, was de zee met tallooze, wijd verspreide visschersvaartuigen gestoffeerd, doch spoedig daarop raakten we de nederlandsche kust geheel uit zicht en onderbrak niets de uitgestrekte, onafzienbare waterplas, waar de hemel als 't ware aan alle kanten op rustte.
   Wij koersten rechtstreeks op South-Foreland. Tegen donker ging de wind liggen; de seinlantarens en hutlampen werden aangestoken en de zeilen die nu geen dienst meer deden weggenomen.
   24 September. - Nauwlijks ontwaakt haast ik mij door een patrijspoortje de zee in westelijke richting te overzien. Ik ontdek de flauwe omtrekken van eene hoogte steile kust, die zich over eene groote breedte aan den gezichteinder uitbreidt en verder zuidelijk met de lucht ineensmelt.
   Vlug kleed ik mij aan en snel naar dek. 't Is zes uur; een frissche morgenbries waait mij in 't gezicht terwijl ik mij haastig naar de brug begeef.
   Bleeke teedere wolkjes drijven op duizelingwekkende hoogte aan het uitspansel en de rustige onafzienbare zee heeft op dat vroege uur nog een mat, fijn grijs aanzien, dat gaandeweg voor een helder doorschijnend blauwgroen plaats zal maken.
   Niets vertoonde zich rondom ons; de blanke, zilte plas was volkomen verlaten. Slechts de blauwachtig grijze hooge kustontwikkeling belemmerde in het westen het oneindig vergezicht. Het waren de "Cliffs" van Hastings die op vele plaatsen loodrecht uit zee rijzen en wier fijn grijswitte rotswanden door de etherische morgenlucht ons tegenblinkten.
   De kruin van dezen krijtmuur die zich over eene groote lengte langs het kanaal onafgebroken voortzet is zeer afwisselend van hoogte, waardoor op vele plaatsen flauwe inzinkingen ontstaan die zacht naar zee afloopen, om eensklaps in een steilen afgrond van eenige honderde voeten te eindigen, op welks bodem zich bij laag water een smalle strook strand vertoont.
   Boomgroei ontbreekt op die geheele kustformatie; slechts een mos en heidekleed bedekt er den witten krijtbodem die overal tusschen het schraal plantendek zichtbaar blijft.
   Half acht hastings precies dwars. Van een strand was niets te zien en eigenaardig was het effect van een kottertje dat voor die kust kruiste, waarvan alleen het tuig boven de golven uitstak. Het was de invloed der bolronde gedaante van het niveau der zee, waarvan ik later nog vreemde staaltjes te zien kreeg, doch hier was de afstand niet groot genoeg om een goed begrip van die welving der aarde te krijgen. Voor zeelui is dat verschijnsel natuurlijk zeer alledaagsch, doch voor iemand die zelden op zee komt, blijft het een belangwekkend en veelal ongelooflijk schouwspel.
   Voorbij Hastings begon de kust te wijken en verloor ik bijna geheel uit het oog, doch 15 Eng. m. (knots) verder, treedt zij weer onder den naam van Beachy-Head als en steile kaap naar voren.


webdesign & copyright
© 2001-2003 Eveline