Nijmegen: deel 1
deel 2
deel 3
deel 4
deel 5
deel 6
deel 7
deel 8
deel 9


Inhoud
Start
In de buurt van Nijmegen

Dit is een verhaal van J. Craandijk die in 1900 een wandeling in de buurt van Nijmegen, met name het Rijk van Nijmegen en het Ambt van Maas en Waal, heeft gemaakt en zijn aantekeningen heeft opgeschreven. Oorspronkelijk bestond het uit 2 delen, maar om het leesbaar te houden heb ik het verhaal opgesplitst in 9 delen.


In de buurt van Nijmegen

(De landen tusschen Maas en Waal).
Door J. Craandijk
Illustratiën naar tekeningen van A.L. Koster.

Uit: De Aarde en haar volken - 1901
Haarlem, H.D. Tjeenk Willink & Zoon.



Ravestein van den Singel gezien.

Wanneer ik den lezers van dit Tijdschrift voorstel, eenige dagen met mij door te brengen "in de buurt van Nijmegen", wil ik hen terstond waarschuwen, dat wij niet zullen rondwandelen op de veel betreden paden, die iedereen kent.
   Dit is geen gemis aan waardeering van het rijke natuurschoon, in Beek en Ubbergen, Groesbeek en Rijkswald, Berg en Daal en de Meerwijken, Hees en Neerbosch zoo overvloedig te vinden, maar eenvoudig omdat aan een nieuwe beschrijving daarvan geen de minste behoefte bestaat.
   Ik wilde eens kennis maken met een veel minder bezochte landstreek in de nabijheid der aloude, vermaarde keizersstad, met "de landen tusschen Maas en Waal", meer bepaald in die gedeelten, die vanouds de namen droegen van het Rijk van Nijmegen en het Ambt van Maas en Waal. In de tweede week der Juliemaand van het jaar 1900 bracht ik er met mijn vriend, den schilder A.L. Koster, een bezoek, waarvan ik in den vorm van een dagverhaal eenig verslag wensch te geven.
   Het landschap heeft over 't geheel een vriendelijk karakter, vooral wanneer het koren te velde staat, maar 't ontbreekt er ook niet aan woeste heide met heuvels en dennebosschen, noch aan kloek en schoongevormd loofhout. Er zijn welvarende dorpen en enkele oude, merkwaardige gebouwen, terwijl de landen tusschen Maas en Waal in menigerlei opzicht uit een historisch oogpunt beschouwd, in hoogte mate de belangstelling verdienen. Er zou stof genoeg zijn, om een flink boekdeel te vullen. Bij niet onbeperkte ruimte een keus uit dien rijkdom te doen, is noodzakelijk, niet altijd gemakkelijk.

   Een enkel woord - waarbij de eisch der zelfbeperking zich reeds terstond duchtig gelden laat - over de vraag: wat is het Rijk van Nijmegen?
   Op een heuvel aan de Waal, den laatsten der uitloopers van het golvende Rijkswald, had Karel de Groote een burcht gesticht, die reeds in 777 den vorst in zijn muren kon herbergen. De groote keizer vertoefde er menigmaal, en ook zijn opvolgers kwamen er dikwijls. We willen aannemen, dat de schoonheid er landstreek hen aantrok; wij weten, dat hun tegenwoordigheid in dezen uithoek van hun uitgestrekt gebied soms werd vereischt; maar ook om een andere reden ontving de keizerlijke burcht te Nijmegen op zijn beurt het bezoek zijner Heeren. Evenmin als de andere vorsten in de Middeneeuwen, hadden de keizers een vaste residentie. Bij de gebrekkige middelen van vervoer en verkeer was 't onmogelijk, dat op ééne plaats gedurende langen tijd in de behoeften van een talrijk hofgezin werd voorzien. Men moest wel trekken, van het eene verblijf naar het andere, om te leven van den voorraad daar samengebracht, van de hulpmiddelen in den omtrek te vinden.
   Onder dergelijke hoven behoorde dan ook altijd een min of meer uitgestrekt domein, en wat later het Rijk van Nijmegen heette, was hoogst waarschijnlijk zulk een domein van den burcht aan den Waal. Een afgerond en samenhangend geheel vormde het niet. Het bestond uit verschillende grootere en kleinere goederen, afgewisseld door bezittingen van geestelijke gestichten en edelen. Wat onmiddellijk tot het keizerlijk domein gerekend werd, stond onder het bestuur van een palzgraaf, die den burcht bewaarde.
   Vermoedelijk behoorde daaronder, althans aanvankelijk, ook wat er in den tijd van den grooten Karel mag zijn overgebleven van de oude "Stad der Batavieren", in elk geval de buurt, die zich uit den aard der zaak in de nabijheid van het paleis ontwikkelde, die in 1230 een stad wordt genoemd, die in 1242 door schepenen bestuurd blijkt te zijn geworden, en misschien toen reeds een aanzienlijk grondgebied: het Schependom, bezat.
   Het jaar 1247 bracht een groote verandering in dezen toestand met zich.
   Keizer Frederik II was door den Paus vervallen verklaard van den troon. De jonge graaf van Holland, Willem II, aanvaardde de hem aangeboden waardigheid van Roomsch-Koning. Maar om de kroon ook werkelijk te verkrijgen, moest hij die met de wapens winnen en ook toen was geld de zenuw van den oorlog. Willems neef, graaf Otto II van Gelder, een rijk en verstandig vorst, verschafte hem belangrijke geldsommen, waarvoor de burcht van Nijmegen met alles, wat er toe behoorde, werd verpand. Graaf Otto vermeesterde het kasteel, dat de aan keizer Frederik getrouwe slotvoogd niet wilde overgeven, en daar het pand- schap nooit werd afgelost, bleef Nijmegen en "het Rijk" sedert aan Gelderland verbonden, terwijl vroeger of later de eigene goederen en rijksleenen der edelen tot Gelderschen leenen werden gemaakt. Werd ook na de verpanding de bewaring van den burcht aan een "burggraaf" toevertrouwd, daarbij bepaalde zich de taak van dien grafelijken ambtenaar. Rechtsgebied over de stad en "het Rijk" had hij als zoodanig niet meer, al was van tijd tot tijd het richterambt in het Rijk en soms ook dat van de stad den burggraaf opgedragen.
   Maas en Waal blijkt reeds in 1203 als een rijksleen in het bezit van den graaf van Gelder te zijn geweest, behoudens de daarin verspreide, van hem onafhankelijke heerlijkheden. In het den grave toekomend gebied werden zijne rechten in zijn naam door ambtlieden uitgeoefend.
   Na de afzwering van Filips II ging de landsvorstelijke hoogheid aan de Staten van Gelderland over en, voorzoover 't bepaaldelijk deze streken betrof, aan die van het kwartier van Nijmegen.

   Stellen wij ons voor, eenige dagen door te brengen in "het Rijk van Nijmegen" en in "het Ambt van Maas en Waal", daarmede verbinden wij ons niet, alle plaatsen, die daaronder gerekend worden te bezoeken, noch om alles, wat buiten dien kring ligt, angstvallig te vermijden. De vrijheid om den voet ook buiten dat terrein te zetten, om de wille van een schoon landschap, een merkwaardige plaats, een historisch plekje, wenschen wij ons voor te behouden.


webdesign & copyright
© 2001-2003 Eveline