Nijmegen: deel 9
deel 1
deel 2
deel 3
deel 4
deel 5
deel 6
deel 7
deel 8


Inhoud
Start

In de buurt van Nijmegen - deel 9 [slot]

   Op Winssen volgt Ewijk. 't Is een klein, vriendelijk dorpje, maar 't bezat sedert eeuwen een zeer aanzienlijk kerkgebouw. De schoone zware toren met hoogte spits, nu witgepleisterd, in Romaansche stijl grootendeels van tufsteen opgemetseld, is er nog goed bewaard van over. Ook het hooge koor, hoewel in zijn tegenwoordigen vorm van wat jonger dagteekening, vertoont nog in sommige gedeelten en in brokken tufsteen de teekenen van eerwaardigen ouderdom. Jammer is 't, dat het schip der kerk, tusschen deze beide opmerkelijke proeven van antieken bouwstijl, een karakterloos product is uit het jaar 1832, een voor de bouwkunst zeer ongelukkig tijdperk. Op het kerkhof, dat de kerk omringt, bloeit een schat van prachtige rozen.

Kerk te Ewijk.
Kerk te Ewijk.

   Een groot, nieuw klooster grenst aan de stille rustplaats der dooden.
   Bij de gelijkheid der namen is verwarring tusschen dit Ewijk en het dorp aan de overzijde der Waal bij het opsporen van beider geschiedenis alleszins mogelijk. Immers, in oude bescheiden zijn zij nog niet als Ewijk en Slijk Ewijk onderscheiden. Het "Awich" in de Betuwe, in eene oorkonde van 1088 genoemd, heeft betrekking op het Overbetuwsche. Z hoog klimt de bekende geschiedenis van ons Ewijk niet op. Maar toch wel tot het jaar 1196, toen Alardus de bruggraaf - van Nijmegen zonder twijfel - aan het door hem gestichte St. Janshospitaal te Nijmegen een manse (hoeve) in "Eewich" schonk. De "hof te Ewijk", aan het kapittel van St. Maria te Utrecht behoorende, in 1219 aan de weduwe van Hendrik van Smithuizen voor haar leven in pacht gegeven, is wederom in de Over-Betuwe te zoeken. Maar in het Rijk van Nijmegen behoorde het edele geslacht van Ewijk te huis, dat in 1242 reeds lang in het - als onrechtmatig erkende - bezit van de tienden der kerk te Wijchen was geweest. In 1307 wordt Johan van Appeltern Heer van Ewijk genoemd; in 1332 werd Robert van Appeltern door den graaf van Gelder beleend met het huis te Ewijk, bij welke gelegenheid hij tevens een belangrijke vermeerdering van grondgebied en inkomsten verkreeg. Dit "huis te Ewijk" is nog als een aanzienlijk kasteel in de nabijheid van het dorp te vinden, maar het komt sedert 1379 onder een anderen naam - dien van Doddendaal - voor. Van hier is het niet te zien, want het ligt in het bosch verscholen, maar van Nijmegen komende trekken de witte muren reeds terstond, als men het dorp Beuningen achter den rug heeft, de aandacht.
   De hoofdtoegang is een eikenlaan, recht tegenover het front van het kasteel van den straatweg uitgaande. Uit het dorp is de fraaiste weg een voetpad door jong eikenhout en langs boomgaarden, dat weldra voorbij den achtergevel en de begroeide slotgracht loopt. Dit gedeelte van het huis is zeer eenvoudig; een rechte muur zonder eenige versiering, met enkele gewone vensters, gedekt door een hoog leien dak met een klein koepeltorentje. Het voetpad leidt voorts naar een eikenbosch en een uitnemend schoone laan van oude, zware, prachtig gevormde eiken, die van den rivierdijk afkomt. Thans is die laan met een paar hekken afgesloten. Eer de tegenwoordige oprijlaan werd aangelegd, was zij de eenige toegang. De omgeving van het kasteel is weinig indrukwekkend, al wordt zij goed onderhouden. 't Is trouwens ook sinds lang niet meer de zetel eener adellijke familie, maar de woonplaats van de familie Van Koolwijk, die reeds omstreeks een eeuw de uitgestrekte bezittingen van den baron van Nagel Doornick in deze streken beheert. De eigenaar, wiens eenzaam slot Stepradt bij Walbeek in het land van Geldern wij in het vorig jaar bezochten en waarvan de beschrijving in het tijdschrift Woord en Beeld voorkomt, woont op zijn kasteel Vornholz bij Munster in Westfalen. Over een kloeke brug en door een ijzeren traliehek tusschen twee wit gepleisterde stalhuizen bereikt men het voorplein. Het hoofdgebouw is een zwaar, langwerpig vierkant gesticht van twee verdiepingen boven de kelders, met weinig ramen en colossaal dak. Een wat nieuwer aanbouw, die aan de linkerhelft van het front uitsprint, is wat rijker versierd met dakvensters in den stijl der 16de eeuw. In den hoek, door den voorgevel en den uitbouw gevormd, is de ingang met een breeden trap van zeven treden. De woonvertrekken liggen dus vrij hoog van den grond. Daaronder strekken dan ook groote kelders zich uit, waarvan de eene, wiens gewelf door sterke vierkante pilaren gesteund wordt, een bizondere vermaardheid geniet. Tijdens de Republiek, toen de oude parochiekerk te Ewijk in 't bezit der Hervormden was, werden hier van 1643 tot 1745 voor de R. Catholieken uit den omtrek de heilige diensten gehouden. Men zegt, dat de ruimte een achthonderd menschen bevatten kon. Een breede deur, nu dichtgemetseld, waarbij de blauwsteenen wijwatersbak in den muur nog over is, gaf toegang aan de schare. Voor de slotbewoners was een, nu evenzeer gesloten trap, die in de gang der eerste verdieping uitkwam. Ook de plaats van het altaar, dat in 1796 aan de kerk te Winssen werd geschonken, is nog duidelijk te herkennen.

Het kasteel Doddendaal.
Het kasteel Doddendaal.

   De ringmuren met vier hoektorens, die eertijds het huis tot een sterken burcht maakten, zijn verdwenen. De laatste toren is in 1825 gesloopt. In 1590 was er bij Doddendaal een schans, in een broekachtigen grond gelegen, door Staatsche troepen veroverd en verwoest. Bij die belegering zal; 't kasteel wel niet gansch ongedeerd zijn gebleven en in 1672 had het veel van de Franschen te lijden, maar het 1 Meter dikke muurwerk kan nog lang den tijd trotseeren. 't Is oud, maar nog geenszins verwaarloosd en vervallen. Het huis met de hooge heerlijkehid en verder toebehooren bleef tot 1415 in het geslacht van Appeltern; 't ging toen door verkoop aan Otto van Buren over en voorts door erfenis aan de Heeren van Kuilenburg. In 1484 werd het verkocht aan ridder Johan Bol, wiens dochter het door huwelijk in 1491 aan Godfried van Stepraedt bracht. Op dezelfde wijze kwam Doddendaal in 1744 aan Willem Caspar van Doornick tot Woningh en in 1769 aan Herman Adolf, vrijheer van Nagel tot Vornholz, in wiens geslacht het sedert gebleven is.
   Als wij het bosch van Doddendaal achter ons hebben, loopt de weg een tijd lang door een open streek, maar wij hebben vr ons het dichte houtgewas, waarin het dorp Beuningen schuilt. Dat is intusschen niet meer het groote woud, waaraan het dorp Neerbosch zijn naam ontleent, dat zich eertijds ver in den omtrek uitbreidde, en waarin o.a. de kerk van Beuningen recht op hout en eikels had, totdat zij in 1303 dit recht aan graaf Reinoud van Gelder verkocht. 't Was waarschijnlijk een bosch in gemeenschappelijk bezit, waarin de erfgenamen een deel hadden afgestaan tot onderhoud van de kerk. Wanneer die kerk is gesticht, is onzeker, maar zij zal in 't begin der 14de eeuw wel reeds lang hebben bestaan. Beuningen is althans reeds een oude plaats. In het jaar 1100 gaf proost Theodoric eene door hem gekochte bezitting in Beuningen aan de St. Adelbertkskerk in Aken, onder voorwaarde, dat zijn broeders zoon Heinricus en diens rechte erfgenamen haar tegen zekeren jaarlijkschen cijns zouden gebruiken. In 1141 en 45 komt een Hendrik van Beuningen onder de hooge Geldersche edelen voor.
   Bij het dorp "aan den wilden heuvel" lag een aanzienlijk adellijk huis met voorburcht en dubbele grachten, de Blanckenborch, eertijds een eigen goed, in 1597 door Otto van Wijhe, Heer tot Echteld en Christina van Wijhe van Hernen tot een onversterfelijk erf- en stamleen gemaakt ten Rijkschen rechten. Een ander adellijk (?) huis was de Oude Tempel, in 1794 afgebrand. Op dezelfde plaats werd in 1839 een deftig landhuis gebouwd. Zulk een huis vinden wij nog in het dorp, en in den tuin daarachter staat een lage, vierkante toren. Als vreemdelingen in het oord durven wij niet beslissen, of dit eenvoudige gebouwtje een overblijfsel van een dezer beide huizen is. Beuningen is een fraai, welvarend dorp, met veel geboomte. Met Wijchen deelde het de eer, dat er een der beide gerichtsbanken van het Rijk van Nijmegen was. Tot haar behoorden de dorpen Beuningen, Winssen, Weurt en Ewijk.
   Het dorp Weurt, het laatste, dat wij doorkomen, is veel kleiner dan Beuningen. Misschien is het echter nog een drietal eeuwen ouder, wanneer hier ten minste de "villa Vurde" gezocht moet worden, waarin zekere Balderik in 814 of 15 een hoeve aan het klooster Laurisham schonk. Een Roelof van Weurde was in 1395 burggraaf van Nijmegen. Bij Weurt lag een adellijk huis, oorspronkelijk een eigen goed, eerst in 1687 door Bertram van Eck van Panthaleon tot leen gemaakt, ten Zutfenschen rechte.
   Volgens van der Aa prijkten in het bosch van het kasteel, behalve andere schoone bommen, eenige heerlijke abeelen. De grachten werden in 1805 door een geweldige overstrooming geheel met zand gevuld. De zelfde watervloed had met het zand in het dorp den kop en het gebeente van een groot, wellicht voorwereldlijk, dier gebracht. Wij zijn hier in een gebied, waar dijkbreuken meer dan eens verschrikkelijke verwoestingen aanrichtten.
   Ook bij Weurt vinden wij nog eenige landhuizen van meer of minder aanzien. Dan naderen wij Nijmegen; de stad met haar heuvels en haar spoorwegbrug komt reeds in 't gezicht. Het witte kerkje van Neerbosch - bekend terrein - hadden wij reeds eenigen tijd in de verte gezien. De straatweg - die wel eens door den Waterstaat onder handen genomen mocht worden! - voert dicht langs den dijk. In het groene weiland vol met vee ligt een stille, blinkende waterplas. Het fort Kraijenhof toont zijn wallen, nu rustig deelend in den vrede van het rijke, vriendelijke landschap. Weldra komen wij langs den breeden weg onder de viaduct de schoone, oude keizersstad met haar weelderige parken en haar enge, steile straten binnen.

   Ons uitstapje kan hiermede als geeindigd worden beschouwd. Maar een kleine, naar mij verzekerd wordt nog nergens vermelde bijdrage tot de topografie van het oude Nijmegen moge hier nog een plaats vinden.
   Hadden wij bij het eerste deel van den tocht onzen intrek genomen in het nieuwe, vriendelijke en aanbevelenswaardige Oranjehotel vlak tegenover het station, in verband met onze verdere plannen kozen wij bij ons tweede vertoef in de stad ons hoofdkwartier in het reeds sedert meer dan een eeuw bekende hotel Arins, dicht bij de rivier, bij de aan legplaats van de gierpont naar Lent en de stoomboot naar Druten.
   Door de groote koetspoort in het achtergebouw, dat aan de Nonnenplaats uitkomt, reden in vroeger dagen de diligences van Van Gend en Loos het hotel binnen. Ook dit is een stukje, door het tegenwoordige geslacht nagenoeg vergeten geschiedenis van het "hotel- en reiswezen". Maar 't is ons om de herinnering daaraan niet te doen.
   In dit deel van het groote perceel toont ons de tegenwoordige eigenaar van het hotel een paar eigenaardige overblijfsels uit vroeger eeuwen: - een grooten, diepen kelder, die door een gang op de Lage Markt uitkwam, en een van boven dichtgemetselden steenen wenteltrap. Men giste, dat hier eertijds een klooster was geweest. Dit nu is, volgens mijn raadsman in zake Nijmeegsche oudheden, den heer van Schevichaven, zeker 't geval niet. De ligging van alle voormalige kloosters in de stad is genoegzaam bekend, en het adellijke Praemonstratenser nonnenklooster was er door een vroeger nog wat grooter pleintje van gescheiden. Misschien was het eene der vele brouwerijen, waar het geliefde Molbier gebrouwen werd, die even als vele huizen aan de later belangrijk opgehoogde Lage Markt een ingang had. Blijkens mededeelingen van den wethouder Graadt van Roggen waren bij de verbouwing van zijn huis aan de Lage markt, en van dat zijns broeders aan de Priemstraat, ruimten gevonden met vensters, die in overoude tijden op de straat hadden uitgezien en die thans nog onder de kelders liggen. In eenig verband met het klooster kan toch wellicht het oude achterhuis wel hebben gestaan. Op den platten grond van Blaeu vond de heer van Schevichaven, ter hoogte waar thans het hotel ligt, een groot, oud gebouw tusschen Priemstraat en Nonnenplaats, met een hoog dak en een trapgevel op ongeveer 2/3 van den voorgevel. Er waren twee deuren en daar boven negen kleine vensters op een rij, met een venster in den top van den trapgevel. Vergeleken met de huizen daarnevens, had dit gebouw een eigenaardigen vorm en colossale afmetingen. Het huis, door Arins in 1792 gekocht, werd beschreven: "met een pakhuis annex, uitkomende op de Nonnenplaats". In verband met een en ander zou vermoed kunnen worden, dat hier een voorraadschuur of de brouwerij van het nonnenklooster werd gevonden.
   In de schuren van dit klooster had Dirk van der Voord in 1581 zijn ruiters ingekwartierd en zijn paarden gestald. Geen wonder, dat de zusters klaagden over het rumoer, door paardengetrappel en hoornsignalen veroorzaakt! De stedelijke raad was haar ter wille en verwijderde de onrustige naburen. Dit groote gebouw met zijn uitgang aan de Nonnenplaats, zou voor tijdelijke cavaleriekazerne misschien niet ongeschikt zijn geweest.


webdesign & copyright
© 2001-2003 Eveline