Nijmegen: deel 8
deel 1
deel 2
deel 3
deel 4
deel 5
deel 6
deel 7
deel 9


Inhoud
Start
In de buurt van Nijmegen - deel 8

   De laatste dag van ons uitstapje is bestemd voor een bezoek aan een groot gedeelte van Maas en Waal en van het Rijk van Nijmegen, dat een aantal dorpen aan den Waaldijk, benevens een tweetal meer landwaarts in gelegen plaatsen bevat, door ons nog niet bezocht. Bij de vaststelling van het reisplan moest rekening worden gehouden met den beschikbaren tijd, in verband met het gemis aan openbare vervoermiddelen.
   Wij gaan eerst met de boot naar Druten en keeren van daar langs den grooten weg naar Nijmegen terug, met een paar afwijkingen naar Horsen en Burgharen. Beide laatste dorpen behooren eigenlijk door 't karakter van het landschap en door hunne geschiedenis meer tot de landstreek, die wij op den tweeden dag doorwandelden. De afstanden waren echter wel wat te groot, vooral bij de onzekerheid, of er wel, zoo noodig, een nachtverblijf, of althans een wagen naar herbergzamer oord, zou zijn te vinden. Wij kunnen nu deze schade inhalen - want beide dorpen niet bezocht te hebben, zou inderdaad schade zijn geweest - en de tocht zal daardoor ook rijker aan afwisseling worden. Verreweg het grootste en belangrijkste gedeelte van de landen tusschen Maas en Waal zullen wij dan hebben leeren kennen. Alleen de uithoek, westelijk van de lijn tusschen Druten en Batenburg getrokken, moet ongezien blijven.
   De stoomboot brengt ons naar Druten. Een watertochtje op een schoonen zomermorgen is altijd aantrekkelijk. Dit riviervak is echter geenszins een der belangrijksten. Over 't algemeen zijn de landschappen, vooral die aan den linkeroever, weinig afwisselen. Van de dorpen komt niet veel meer te zien dan de kerktorens, boven den dijk uitstekend. Voorts is 't meest vlak, groen land. Het fraaiste partijtje aan dezen kant is wel te vinden bij het veerhuis van Deest. Daar is iets van wat de zoomen onzer rivieren vaak zoo bekoorlijk maakt, - de witte veerweg, opklimmende tegen den dijk, het schilderachtig geboomte, de weide met de rustige zwart- en roodbonte runderen, de oude schuren met hun geteerde wanden en bemoste daken.
   Meer verscheidenheid biedt de rechteroever. Daar zijn van die zandige, afgebrokkelde kanten, uiterwaarden, waar het vee in het water verfrissching zoekt, ruime uitzichten ook over het vruchtbare land. Daar ligt, niet ver van den stroom, de witte kerk van Slijk Ewijk, met haar dikken, sierlijk gevormden toren; daar rijst Doodewaards hooge toren, in wiens muur de oude Romeinsche grafsteen is gemetseld; daar prijkt het dichte, donkere bosch, waarin zich het kasteel van Loenen verschuilt. Soms stopt de stoomboot of legt zij aan en dan brengen rappe handen de mandjes met de vruchten der rijke Betuwsche boomgaarden aan bood. Ditmaal zijn 't aalbessen, die verscheept worden. Enkele steenbakkerijen en een kleine scheepstimmerwerf vertegenwoordigen de nijverheid, zonder de schoonheid der rivieroevers te verhoogen. Druk is de scheepvaart niet. Een paar booten met korter of langer sleep komen ons voorbij. Misschien is 't zoo stil, omdat de Rotterdam de bootwerkers staken. Zeker is het daaraan te wijten, dat de vaartuigen het ongewone schouwspel van soldaten aan boord te zien geven.
   De hooge, slanke toren van Druten is reeds lang in 't gezicht. Bij dat dorp is de rivier zeer breed. Een gierpont onderhoudt er de gemeenschap tusschen beide oevers. Bij den steiger en op den dijk is het uitzicht ruim en vroolijk. Talrijk zijn de scheepjes op den stroom, en de boomgaarden spreken van de vruchtbaarheid van den vetten grond. 't Is aan alles te zien, dat Druten een welvarende, levendige plaats is. Wij komen het dorp binnen langs een breede straat, met kloeke linden beplant, van flinke huizen omzoomd, waaronder een groot postkantoor, een deftig raadhuis en een polderhuis, met de buste van koning Willem II in de ruime vestibule. Aan het einde der straat is een pleintje, door een zware linde overschaduwd. Hier begint de breede hoofdstraat, uitloopend op een marktplaats, van waar andere straten en wegen uitgaan. Wij vinden er de groote R.C. kerk en het logement de Gouden Leeuw, als "bondskoffiehuis" tot een betrouwbare inrichting gestempeld.
   Zullen wij ons plan voor dezen dag ten uitvoer brengen, dan moeten wij ons hier van rijtuig voorzien. De landstreek is trouwens voor een wandeltocht minder aan te bevelen. 't Is vlak, open land, over 't algemeen wel vriendelijk en welvarend, maar zij biedt weinig afwisseling aan. In wijden omtrek is alles te overzien. 't Min of meer geheimzinnige, het verrassende, dat een voetganger boeit, wordt er gemist. Wat een groote straatweg, als die tusschen Druten en Nijmegen te aanschouwen geeft, vertoont zich even goed, vaak nog beter, uit een rijtuig of van het rijwiel.
   In de verwachting dat het gebruik van een wagentje ons een belangrijke winst in tijd zal opleveren, worden wij ten deele teleurgesteld. De binnenwegen naar Horssen en Burgharen zijn zoo slecht, dat zij nauwelijks voor een kar te berijden zijn. Een er van draagt dan ook van ouds den onheilspellende naam van "Breekwagen". Wij moeten dus de groote wegen houden en dit blijken ons niet onbeteekenende omwegen te zijn.
   Onze equipage, die spoedig gereed staat, is voor ons doel zeer geschikt. Het open brikje geeft gelegenheid tot onbelemmerd rondzien; het stevige paard is tegen den rit bestand, de voerman met het oord bekend, bekwaam om de verlangde inlichtingen te verschaffen, bereid de aanwijzingen te volgen, die schrijver en teekenaar noodig achten.
   Wij rijden het dorp uit, den straatweg op. Hoewel natuurlijk telkens in bijzonderheden gewijzigd, vertoont het landschap, waardoor hij ons voert, tot Nijmegen toe in hoofdzaak hetzelfde karakter. De weg is doorgaans van hoog opgesnoeide iepen omzoomd. Rechts en links breiden weiden en bouwlanden, ook tabaksvelden zich uit, door boomgaarden afgewisseld. Nu en dan is er wat dichter houtgewas langs den weg of in de velden; populieren en wilgen zijn er overvloedig. De streek is goed bevolkt. Tal van huisjes staan er, kloeke hofsteden en heerenhuizen met fraaie bloemtuinen; molens en boterfabriekjes ontbreken er niet. Eenige dorpen komen wij door, grooter of kleiner, maar nooit armoedig of verwaarloosd. Allen hebben groote, meestal nieuwe R.C. kerken, sommigen ook een statig klooster, enkelen - Winssen en Beuningen, evenals Druten - een eenvoudig Protestantsch bedehuis. Wij blijven altijd benedensdijks, vooreerst op vrij grooten afstand van de rivier, maar ook wanneer wij haar naderen krijgen wij haar niet te zien.
   Het eerste doel van onzen tocht is Horssen. Eenigen tijd houden wij den grooten weg op Nijmegen, die straks zich oostwaarts afwendt. Wij gaan rechtuit, den grintweg op, die dwars door Maas en Waal is gelegd, steeds met het gezicht op den alleenstaanden toren van het dorpje Puiflik, ginds in het veld nevens ons. Hij staat op een kleine hoogte - een ouden vliedberg misschien? Blijkens den tufsteen, waarvan hij gebouwd is, gingen er reeds eeuwen over heen. Het schip der kerk is reeds lang verdwenen; het koor, in den tijd der Republiek bij de weinige Hervormden in gebruik, werd voor meer dan een halve eeuw gesloopt. Ook de beide adellijke huizen, die er eens gevonden werden, bestaan sinds lang niet meer.
   Als een vrije heerlijkheid was Puffelick in de 13de eeuw bekend. In 1300 werd zij een leen van Gelderland. Sedert 1672 had zij dezelfde Heeren als het naburige Leeuwen.
   Ook het bosch en de kerk van Horssen zien wij lang vr ons van den open weg. Wij komen de sluizen van de fraaie Rijkswetering voorbij en het landschap verandert eenigszins van voorkomen. De grond wordt schraler, er komen weer zandheuveltjes, 't is meest wei- en hooiland, en populieren zijn er in menigte, maar ook de boomgaarden worden niet gemist. Het dorpje telt maar weinig huisjes, maar 't heeft een schoone, oude R.C. kerk, een Protestantsch kerkje en een paar uitnemend schilderachtige schuren. Ook een eerwaardige linde prijkt er en vervult de lucht met haar fijne bloesemgeuren.
   Ter plaatse van de kerk en aangrenzend terrein stond vroeger het klooster Holtmeer, in het begin der 15de eeuw gesticht door Heer Dirk van Bronckhorst, onder wiens bannerij Batenburg Horssen destijds behoorde.

Oude boerderij te Horssen.
Oude boerderij te Horssen.

   Sedert de eerste helft der 17de eeuw verkocht, bleef de heerlijkheid als leen van Gelderland alle rechten van een hooge heerlijkheid behouden. Meer dan anderhalve eeuw is zij in 't bezit der familie Bouwens. De weduwe van Jhr. Pieter Bouwens van Horssen bewoont het kasteel, vlak bij het dorp gelegen. 't Is een deftig, vriendelijk met klimplanten begroeid, vrij modern gebouw, omringd van een fraai park met statig hout, dat overgaat in een uitgestrekt, wild bosch. Voor het huis ligt een groote weide met een waterpartij en hoog geboomte. 't Geheel vormt een aanzienlijke bezitting en al treft ons niets, dat bizonder merkwaardig is, het loont toch ruimschoots den omweg dien wij ons getroosten moesten, om herwaarts af te dwalen.    Want een omweg is 't. In het dorp wordt ons nogmaals verzekerd, dat het veel nadere spoor naar Burgharen niet te berijden is. Derhalve keeren wij langs den reeds afgelegden weg terug, tot dicht bij Druten, waar wij den straatweg vinden, die ons nu verder vooreerst tot Afferden brengt. Hier houden wij ons eenigen tijd op, terwijl in de herberg ons middagmaal wordt gereed gemaakt. Hotels met table d'hte zijn in dit deel van de landen tusschen Maas en Waal niet te verwachten. Het gebied van den "cuisinier" bepaalt zich tot Nijmegen en de druk bezochte middenpunten van verkeer in den omtrek dier stad. Maar aan de bescheiden eischen tot stilling van honger en dorst kan in de streken, die wij dezer dagen doorwandelden, genoegzaam voldaan worden. Goed toebereid, zindelijk opgedischt, niet karig toebedeeld, matig berekend, met vriendelijkheid aangeboden, daarmede kan een niet verwend reiziger 't een dag of wat wel stellen.

Afferden.
Afferden.

   Daar is in Afferden iets eigenaardigs. Het dorp bestaat uit twee, op eenigen afstand van elkander gelegen gedeelten. Het eene, het nieuwste, is aan den straatweg gebouwd. Daar staat ook de R.C. kerk, als naar gewoonte een aanzienlijk gebouw, maar niet met een hoogen, slanken toren prijkend. Dit had wel zoo moeten zijn, maar de fundamenten bleken te zwak en "de vinger die naar den hemel wijst", bleef hier ontvoltooid. Toch heeft Afferden wel een toren, hoog uitstekend boven den dijk en van de rivier te zien, maar die verheft zich meer landwaarts in, in het andere, oudere deel van het dorp. 't Is een eerwaardig, forsch bouwwerk, even als die van Puiflik op een hoog kerkhof gesticht, maar niet als deze van tufsteen opgetrokken en van wat jonger dakteekening.
   't Is hier een miniatuur-dorpje op zich zelf, met de school, een herberg, eenige huizen en hofsteden, te midden van het bouwland. Beide deelen zijn door een grintweg verbonden, maar van onze rustplaats aan den straatweg is de naaste weg een voetpad door de weiden.
   Van ouds bezat het domkapittel te Utrecht een aantal meierhoven met daaronder behoorende landerijen, die in bepaalde maanden bij afwisseling de noodige levensbehoeften voor de kanunniken en de dienaars leveren moesten. Ook hier, te Afferden, was zulk een hof, maar terwijl de anderen op hun tijd schapen en varkens, rogge en tarwe, gerst en haver, hoenders en kazen verzonden, verschafte deze, van 8 Sept. Tot 1 Oct. In den tijd waaruit onze berichten stammen, - de eerste helft der 13de eeuw - het zoo zeldzaam genoten rundvleesch aan de tafel der kapittelheeren. Hier alleen schijnt de grond voor veeteelt en vetweiderij genoegzaam geschikt te zijn geweest.
   Als wij weer eenigen tijd den straatweg met zijn groene hagen en welige boomgaarden gehouden hebben, slaan wij een grintweg in voor onze tweede afwijking - 't woord "Abstecher" weet ik in onze taal niet juist weder te geven. Deze grintweg, met popels en wilgen beplant, ziet er landelijker en gezelliger uit dan de voorname heirbaan. Door het houtgewas aan de kanten en de bochten is niet alles zoo terstond met n oogopslag te overzien. Er blijft iets te gissen, iets te verwachten, dat de aandacht levendiger houdt. Voor 't overige, het uitzicht is bijna onbegrensd over de wei- en hooilanden aan wederzij, en 't zou er een uitgestorven landstreek schijnen, wanneer niet de hooioogst in vollen gang was en daardoor thans een bijzondere levendigheid hier heerschte.
   De Oude Wetering, die stil en rustig tusschen de uitgestrekte velden vloeit, geeft iets vriendelijks aan het eenvoudige landschap, zooals het water 't door zijn wonderbare toovermacht doen kan. En als wij de brug zijn overgereden, dan verwisselen wij al spoedig het gebied van den vruchtbaren maar eenvormigen kleigrond voor den zandbodem, veel rijker in schoonheid en verscheidenheid. De deels kale, deels met hakhout begroeide heuvels, waarboven de torenspits van Burgharen even uitsteekt, het overvloedige houtgewas, dat zich als een bosch vertoont, van verre reeds gezien en allengs genaderd, liggen nu voor ons met hun bevallige lijnen en hun rijk geschakeerde kleuren. Wij komen weer tusschen golvende korenakkers, en in sierlijke bochten slingert de grintweg straks door de wijd uiteen verspreide huizen en boerderijen van het groote dorp, dat een geheel anderen stempel draagt dan de in lange rij geschaarde woningen der dorpen aan den straatweg. Dit is een echt "landelijk" dorp, met tal van zijpaden, akkermaalsboschjes, graanvelden, hagen, boomgroepen, wild bewassen wallen en kanten van den weg, vol van afwisseling, droomend in de zomerrust, rijk in den zomerzegen.
   Voor zoover hier van een "kom" gesproken kan worden, zou die naam moeten worden toegepast op een plek met hooge eiken, waar niet ver van elkander de zeer schoone R.C. kerk, het gemeentehuis, de school en de herberg worden gevonden. Op eenigen afstand ligt de Protestantsche buurt - de pastorie, met grooten fraaien tuin, de bizondere school met onderwijzerswoning en de oude witte kerk in 't geboomte, de voormalige parochiekerk, in 1311 door den Keulschen aartsbisschop bij de abdij Camp ingelijfd. De kapiteelen der zware kolommen in het kerkje zijn met eigenaardige menschenhoofden versierd. In dit deel van het dorp vinden wij ook een deftig, modern heerenhuis in een wel verzorgden aanleg.
   Vlak bij het dorp verheffen zich de zandheuvels, waarvan een een molen draagt, en niet ver van daar zien wij een dorren boom, het treurige overschot van de "heilige linde", door onzen Heldring in den Gelderschen Volksalmanak van 1839 vereeuwigd.
   Is van deze merkwaardigheid althans nog iets overgebleven, wij behoeven niet meer te zoeken naar een huis in de nabijheid, dat tot voor korten tijd in den omtrek ook zekere vermaardheid had. Het lag aan den weg naar Hernen, aan de Nieuwe Wetering, waar de brug over dat water was gelegd. Het bizondere was niet zoo zeer, dat de bewoner en eigenaar de ook elders niet onvereenigbare betrekkingen van tolgaarder en herbergier uitoefende, als wel, dat de weg door het huis liep en wie de brug over wilde, wel half en half verplicht was, in de herberg in te keeren. Deze localiteit is afgebrand.
   Als wij langs den binnenweg van Horssen herwaarts waren gekomen, zou men ons misschien den heuvel nog hebben gewezen, waar eertijds driemaal 's jaars de gerichtsbank van Haren werd gespannen. Hertog Karel had twee zulke gerichtsbanken voor het ambt van Maas en Waal ingesteld, eene te Haren en eene te Wamel. Onder de eerste zouden behooren Haren, Over- en Nederasselt, Winssen, Afferden, Druten, Puiflik, Appeltern en Altforst; onder de tweede Wamel, Leeuwen, Dreumel en Alphen. De vrije heerlijkheden hadden haar eigen gericht. Van de gerichtsbanken werd geappelleerd "aan den berg te Haren", waar ook de heerlijkheden Doddendaal, Heumen, Balgooi en Hernen in appl gingen.
   Langs denzelfden weg op den straatweg teruggekeerd, houden wij dien verder tot Nijmegen. Als wij het dorp Winssen bereiken, zijn wij weer in het Rijk van Nijmegen, maar een deel der gemeente behoorde tot Maas en Waal. Men onderscheidde dan ook Ambts Winssen en Rijks- of Half Winssen. Voor zoover wij in 't voorbijrijden meenen op te merken, is de zware Romaansche toren der R.C. kerk een overoud bouwwerk. Van der Aa spreekt van "den dikken, stompen toren, meest van tufsteen". In elk geval is Winssen een oude heerlijkheid. Zij wordt reeds genoemd in 1130, als een bezitting van Floris van Winssen, bloedverwant van Folcondus van Bern, graaf in Maas en Waal, die een graaf Wichard had gedood en hier te Winssen met zijn magen een voetval voor den zoon van den verslagene deed. Het schoone kasteel behoeven wij niet meer te zoeken. Na geruime tijd in het bezit der Boetselaers te zijn geweest, werd het in 1805 door den baron van Nagel Doornick gekocht en tien jaar daarna gesloopt.
   't Was in 1584 - destijds als "jonker Johan van Genten behuysingen tho Winsen" bekend - maar men zeide door verraad, in handen der Spanjaarden gevallen. Een honderdtal Nijmeegsche burgers, door een aantal ruiters en voetknechten van het garnizoen versterkt, rukte met twee halve cartouwen, onder bevel van een der burgemeesters uit, om het slot te hernemen. De bezetting gaf zich over en ontving lijfsgenade, met uitzondering van de "schelmen"; het huis werd geplunderd en in brand gestoken.


webdesign & copyright
© 2001-2003 Eveline