Nijmegen: deel 5
deel 1
deel 2
deel 4
deel 5
deel 6
deel 7
deel 8
deel 9


Inhoud
Start
In de buurt van Nijmegen - deel 5

   Daar is toch altijd iets aantrekkelijks aan de zoomer onzer rivieren, wanneer althans aan de natuur de vrije hand is gelaten en de eischen van scheepvaart of waterafvoer niet tot kanaliseeren, normaliseeren en wat dies meer zij noopten. De weg over den dijk tusschen Ravestein en Batenburg behoort volstrekt niet tot de schoonsten van dien aard in den lande. De Maas is niet breed en 't is er zeer stil, het landschap aan weerskanten is vlak en de oevers zijn niet bijzonder schilderachtig. Eenvoudig is alles, maar vriendelijk en vroolijk is 't er toch. Aan de Brabantsche zijde is 't vruchtbaar akkerland en welige weiden vol met vee. Aan de hoeven en kerktorens is 't wel te zien, dat het oude land van Ravestein een wel bevolkte landstreek is. Ook aan den overkant is alles ruim en breed en niet zonder afwisseling. Helder schijnt de zon en frisch blaast de koelte. Hier en daar prijken fraaie boomgroepen aan den dijk, met geestige witte muurtjes en rieten daken.

Poort te Ravestein
Poort te Ravestein.

   Onder statige eiken ligt het oude kerkje van Neerlangel, een smal gebouw met tufsteen in zijn muurwerk en een scherpte torenspits - het voormalige parochiekerkje van Ravestein. Verder, hoog en kaal, rijst de groote kerk van Demen. Daartegenover zien wij den hoogen toren van Batenburg, een stuk der rune, de witte huizen en roode daken van het stadje. Het hooi geurt in de uiterwaarden. Met de langgewenschte droogte haasten zich de boeren, 't op de wagens te laden. Vol van wilde bloemen zijn de kanten van den veerweg, die langzaam afglooit naar den kalmen stroom.
   Een roeibootje brengt ons over en wij zetten weer den voet op Gelders grondgebied.
   Als wij Batenburg een stadje noemen, is 't meer om de wille van wat het geweest is, dan om wat het nog is. 't Is nu niet meer dan een zeer gewoon, niet eens groot en aanzienlijk dorp. 't Bestaat uit een straat met geschoren linden en een paar zijstraatjes met lage woningen. De twee grootste huizen staan aan den dijk - het veerhuis en het huis van den rentmeester der heerlijkheid. Buiten alle evenredigheid met de nederige buurt is het klooster en de R.C. kerk, kolossale gebouwen. Beter op zijn plaats is er het witte Protestantsche kerkje, met rood pannen torendak, in een fraai plantsoen. Maar vroeger was Batenburg inderdaad een stad, met muren en poorten, vrij wat grooter ook dan tegenwoordig. "De afgebrande straat" heet nog een streek, door tuinen ingenomen.

Ruïne van het kasteel te Batenburg.
De ruïne van het kasteel te Batenburg.

   Herhaaldelijk werd de plaats belegerd en beschoten in oorlogstijd, meer dan eens in vredestijd door felle branden geteisterd. Oud is zij zeker, al is 't niet bewijsbaar, dat zij reeds door de Batavieren bewoond en door Romeinen met een burcht versterkt werd. Maar er niets antieks overgebleven, behalve wat er nog rest van het kasteel, en wat daarvan te zien is, draagt voor een goed deel misschien de heugenis van niet meer dan een drietal eeuwen. De rune ligt vlak bij het dorp. Zij is door een ruig begroeide gracht omringd en grotendeels met hout en struiken bewassen. Bij de brug prijkt een prachtige linde. De toegang is met een houten hek afgesloten. Wij zouden den sleutel wel kunnen vragen, maar men zegt ons, dat daar binnen niets is dan tuingrond en struikgewas en dat de kelders, die nog over mogen wezen, ontoegankelijk zijn. 't Voornaamste water nog staat, is een stuk van een hoektoren, zwaar van muren, en een gedeelte van een rondeel van fraai metselwerk, met witte banden. Iets eigenaardigs is, dat het muurwerk van onderen is afgebrokkeld en donkeren steen te zien geeft. Het schijnt alsof in later tijd - misschien bij den herbouw omtrent 1595 - een nieuwe mantel om de oude muren is aangebracht, die boven de gracht weer losliet. Dat geeft er iets slordigs en onsolieds aan. Blijkens de niet zeldzame afbeeldingen was 't in zijn welstand een groot en prachtig gebouw.
   Volgens het opschrift "in oud gotische letters" op een steen, die indertijd boven de hoofdpoort stond en thans op het slot te Steinfurth berusten moet, zou het eerste kasteel in 327 n. Chr. gesticht zijn op de grondslagen van een Romeinschen tempel, aan Mars Victor gewijd. Wij kunnen dit in 't midden laten. Steen is geduldig. Vr de tweede helft der 11de eeuw schijnt de naam van Batenburg niet met zekerheid voor te komen. In 1080 worden drie edelen van dien naam genoemd. Maar sinds 1166 - en dat is in onze geschiedenis reeds vroeg - was 't als een vrije heerlijkheid bekend. Heer Dirk van Batenburg liet bij zijn dood tusschen 1311 en 1317 een eenige dochter na, die met Willem van Bronckhorst huwde. Deze eerste Heer uit een nieuw geslacht werd in 1317 door den keizer met Batenburg en het recht van tol en munt beleend. Na zijn vaders overlijden werd hij ook Heer van Bronckhorst. Zijn kleinzoon Dirk verkreeg in 1356 Batenburg tot zijn deel. Uit hem stamt de linie Bronckhorst Batenburg, in wier bezit de heerlijkheid, behoudens eenige lotswisselingen door verpanding, verovering en verbeurdverklaring, gebleven is, totdat zij door huwelijk in 1641 overging aan Johan, graaf van hornes, en op dezelfde wijze in 1701 aan Ernst, graaf van Bentheim Steinfurth. Aan dit vorstelijk huis behoort zij nog steeds.
   Over haar rechten als bannerij en haar verhouding tot Gelderland zijn herhaaldelijk twisten gerezen. De Staten van dit gewest erkenden de onafhankelijkheid van Batenburg niet, maar een herinnering daaraan bleef nog tot het einde der 18de eeuw bewaard in het eigenaardige gebruik, dat de Ambtman van Maas en Waal, wanneer hij dijkschouw hield en over de Batenburgsche dijken reed, voor het openen van de hekken een rijksdaalder betalen moest. Het muntrecht was aan de Heeren reeds in 't begin der 16de eeuw betwist en werd hun later geheel ontnomen. Was over 't algemeen het bestaan van zooveel zeer uiteenloopende wetten en rechten een rijke bron van allerlei verwarring, het muntrecht met name opende de deur voor allerlei ongerechtigheid, tot voordeel van de Heeren, tot schade der onderhoorigen, niet zelden ten koste der ongelukkige muntmeesters. Laag hing - en nog hangt misschien aan den muur der oude Waag te Deventer de koperen ketel, waarin in 1434 de muntmeester van den Heer van Batenburg "gezoden" werd. Die "Heer van Batenburg" was destijds Dirk, een rijk en machtig man, door zijn moeder ook Heer van Anholt. door zijn vrouw Heer van Gronsfeld en Rymborch. Het door zijn vader in 1408 verpande Batenburg had hij in 1432 van zijn zwager Willem, bastaard van Gelre, teruggekocht. Was hij toen terstond met het munten van zijn slecht geld begonnen? Had hij 't op z groote schaal gedaan, dat reeds spoedig zulk een strenge strafoefening noodig was? Of hadden reeds zijn voorgangers de maat helpen vullen, die nu overliep?
   Door zijn ligging aan de Maas op de grenzen van Gelderland, was Batenburg van groot strategisch belang. Albrecht van Saksen veroverde in 1497 het slot, nadat zijn muren en torens verwoest waren. Die van Nijmegen hadden het "roofnest" in 1525 belegerd en omstreeks 1544 van het vernielde (dat zal wel zijn: Ontmantelde) kasteel weer afgebroken, wat de toenmalige Heer had hersteld. Ook in den Spaanschen oorlog werden stad en kasteel herhaaldelijk aangevallen, beschoten, genomen, hernomen. 't Kasteel moet omstreeks 1595 geheel herbouwd zijn geworden tot het vorstelijk gesticht, dat de bewondering opwekte van allen, die het zagen, totdat het in 1795 door onvoorzichtigheid van een Fransche ambulance in vlammen opging. Sedert ligt het in rune, maar in de eerste helft dezer eeuw moet er toch nog vrij wat meer gespaard zijn geweest dan tegenwoordig. Heldring had de overblijfsels van de ridderzaal nog gezien, Engelen had den toren nog beklommen. Sedert ging het sloopingswerk van den tijd stil en rusteloos voort.
   In het nette kerkje der kleine Hervormde gemeente vinden wij nog eenige herinneringen aan de dagen van Batenburgs luister. Onder de consistoriekamer is de grafkelder der oude Heeren, en aan de muren der kerk hangen een aantal rouwwapens, waaronder ik aanteekende dat van Willem Adriaan graaf van Hornes, gesto. 4 Mei 1694, gehuwd met Justine, dochter van Willem Maurits van Nassau-Grimhuizen, en die van de echtgenooten van twee hunner dochters, Statius Philip, graaf van Bentheim, gest. 1749, en Lodewijk, graaf van Nassau Saarbruggen, gest. 1699.


webdesign & copyright
© 2001-2003 Eveline