Nijmegen: deel 4
deel 1
deel 2
deel 3
deel 5
deel 6
deel 7
deel 8
deel 9


Inhoud
Start
In de buurt van Nijmegen - deel 4

   Wij brengen een bezoek aan het kasteel. Onder weg echter kunnen wij beproeven, of wij van de "meulenbelt" achter de herberg het ruime uitzicht kunnen genieten, waarom die hoogte eenige vermaardheid heeft. De lucht is nog bewolkt, maar de torens van Nijmegen en de heuvels bij de stad zijn toch zeer goed te onderscheiden en het rijke landschap is in wijden omtrek te overzien. Dat het op een helderen avond een schoon panorama is, mocht ons later blijken.

Het kasteel te Wychen
Het kasteel te Wychen.

   Het kasteel is van drie zijden ingesloten door een bosch met laag, dicht hout en forsche eiken, dat nergens een gezicht er op geeft. De toegang is, aan den grooten weg op Nijmegen, niet ver van het huis verbreed tot een plein, door de talrijke witte paaltjes als het terrein voor de vee- en paardenmarkten kenbaar. Tusschen het kasteel en den weg is een open ruimte, waaraan een bijgebouw met trapgevel en ronden toren ligt. Het hoofdgebouw is regelmatig van vorm, met een hoogen, sierlijken toren in het midden, ronde hangtorentjes op de vier hoeken, achtkantige schoorstenen, leien daken, in rijen geplaatste vensters, en smaakvolle dakkapellen [1]. Het muurwerk is van rooden steen, met wit uitgemonsterd, en de muurankers zijn fraai van vorm. De ingang is door een poort, niet juist in het midden van een wat vooruitspringend gebouw, met iets lager dak. Op de lijst van de poort staat het borstbeeld van een man; daarnevens op de hoeken een figuur, die, evenals de helft der muurankers, op twee in elkander geslingerde letters E gelijkt, door een kroon gedekt. In den gevel van het poortgebouw staan acht smalle ramen nevens elkander en daarboven een rij van acht medaillons, beurtelings ruitvormig en rond, met zinnebeeldige voorstellingen en latijnsche onderschriften [2]

    1. Een zon en een zonnebloem. - Onderschrift: Non inferiora secutus. (Niets lagers gevolgd).
    2. Vijf palen, door een slang omstrengeld. - Vis nescia vinci. (Kracht die niet weet van overwonnen worden.)
    3. Een korenveld. - Spes altera vitae. (De hoop op een ander leven).
    4. Een vogel Fenix, te midden van een brandend vuur, door de zon beschenen. - Renovata juventus. (De jeugd vernieuwd).
    5. Twee uit de wolken komende in elkander gestrengelde handen. - Ditat servat fides. (Trouw maakt rijk en behoudt.)
    6. Een leeuw, met den klauw op afgeknaagde bekkeneelen rustende. - Cessat victoria victis. (Den overwonnenen wijkt de overwinning.)
    7. Een hand uit de wolken die den bliksem slingert. - Quis contra nos. (Wie zal tegen ons zijn.)
    8. Een gekruiste scepter en houweel, met een doodshoofd er boven. - Mors sceptra ligonibus aequat. (De dood maakt scepters en spaden gelijk.)

   Een houten valbrug, die de kettingen en windassen nog behouden heeft, leidt over de breede slotgracht naar den ingang.
   Wij treffen 't heden nog, dat ook het inwendige te zien is. Morgen wordt de familie van den eigenaar verwacht en dan is er geen toegang meer. De rentmeester, de heer Jacobs, leidt ons welwillend rond.
   Het binnenplein is indertijd bedorven. Oorspronkelijk was 't omringd door een open galerij met bogen en pilaren. Nu is alles dicht gemetseld en gewit tot de daklijst. Het bovendeel van den hoogen toren, die slank en kloek tegenover de poort oprijst, heeft de natuurlijke steenkleur mogen behouden. Gelijk te verwachten is, zijn er in het huis ruime kamers te vinden. De antieke betimmering is echter grootendeels verdwenen. Een zeer groote zaal aan den achterkant, vroeger, naar men zegt, de kapel, is in vier vertrekken verdeeld. Een daarvan is de keuken, eertijds in een der kelders, waar de ovens nog zijn te zien. In een anderen kelder vinden wij twee reusachtige kisten van graniet, geheel gelijk aan de steenen doodkisten die wij in 't Museum te Nijmegen hadden gezien, met dit verschil, dat eene der Wijchensen dubbel is. Zij moeten hier reeds bij den bouw van den kelder zijn geplaatst, want de deur in den dikken muur is niet wijd genoeg, om deze steengevaarten door te laten. Op de zolders liggen eenige antiquiteiten, waaronder een aantal Romeinsche potten, volgens 't verhaal uit de meulenbelt opgedolven. Zij verdienden wel een betere plaats en verzorging.
   Boven het poortgebouw is een "geheime" zolder, wiens ingang inderdaad niet gemakkelijk te ontdekken is. Waarschijnlijk liep vroeger boven de poort een open galerij. In den grooten toren leidt een breede gemakkelijke wenteltrap naar boven.
   Dat dit statige, kostbare gebouw, blijkbaar uit n stuk, door Emanuel en Emilia zou zijn gesticht, is bezwaarlijk te gelooven. Het getuigt van een rijkdom, waarin zij zich nooit hebben mogen verheugen. Veeleer zou ik (evenals de heer Werner) denken, dat een ruim bemiddeld man, misschien Herman van Bronckhorst, Heer van Batenburg, Steijn en Anholt, die in 1536 de heerlijkheid aankocht, of diens kleinzoon, Herman Dirk, die omstreeks 1595 het prachtige slot te Batenburg herbouwde, - zeker wel op de oude, zware kelders, - een nieuw kasteel heeft doen verrijzen. Alleen zou ik meenen, dat het poortgebouw door den prins van Portugal en zijn gemalin kan zijn vernieuwd. In de onderschriften der medaillons zijn vrij wat toespelingen op den naam Emanuel (God met ons) te vinden. Vooral de herhaling van de figuur van het muuranker, de dubbele E, onder een kroon, op de poortlijst schijnt mij alleen gemotiveerd, wanneer zij daarin de beginletters van beider namen hebben gezien. Men zou daar anders eer een wapenschild of iets dergelijks verwachten.

   Onder het leengoed de Leler behoorde ook "het halve meer". 't Ligt vlak bij het dorp. Langs de groote R.C. Kerk en het armhuis aan de eene zijde, het kerkhof met zijn berceau, dat aan een uitgestrekt klooster paalt, aan den anderen kant, bereiken wij 't in eenige minuten. 't Is een vrij uitgestrekte waterplas, lang en smal, liefelijk blinkend in de stralen der avondzon, rustig sluimerend te midden der velden, hier en daar schilderachtig uitgewaaid geboomte weerspiegelend. Aan de overzijde van het veerhuis rust het oog op een frissche weide met bonte runderen, door houtgewas ingesloten.
   Over die weide loopt het voetpad naar Balgooi. Men spreekt van een kasteel, ginds te vinden. Had de regen der vorige dagen den weg niet in een bijna ondoorwaadbaren modderpol verkeerd, dan zou de wandeling door de korenvelden naar de aardige, uit eenige hofsteden bestaande, buurschap Woord, waarbij het gelegen is, niet onaangenaam zijn geweest. Het zoogenaamde "kasteel" is echter niets dan een vrij nieuw, onbeduidend, ledigstaand huis op een heuveltje. De tocht derwaarts wordt dus weinig beloond.
   Het oude, sterke slot is in 1672 door de Franschen verwoest. Zijn geschiedenis en die van de daaronder behoorende heerlijkheid is belangrijk als een bijdrage tot de kennis van allerlei zonderling ingewikkelde toestanden, uit de middeneeuwen tot het einde der 18de eeuw overgebleven. Een uiteenzetting daarvan zou echter veel te veel ruimt vergen, en daar Balgooi nooit tot het Rijk van Nijmegen heeft behoord, kunnen wij volstaan met de eenvoudige vermelding van wat in dit gedeelte van Wijchens omtrek verwacht mag worden.

   Iets anders is 't met een bezoek aan het stadje Ravestein, waarmede wij den volgenden morgen een nieuwen tocht beginnen. Ravestein ligt eigenlijk in 't geheel niet binnen de lijst dezer wandeling. Tot Nijmegens omstreken kan 't niet meer meegerekend worden, evenmin als tot het Rijk van Nijmegen of tot het Ambt van Maas en Waal. 't Behoort zelfs niet eens meer tot Gelderland.
   Ja, al was 't een Brabantsch leen, tot 1800 toe maakte het geen deel van ons tegenwoordig vaderland uit. Is er verontschuldiging noodig, dan moge als zoodanig gelden, dat wij van Ravestein uitgaande, een aangenamen weg langs de Maas naar Batenburg vinden, dat de plaats op zichzelve wel bezienswaardig is, en dat ook aan haar zich een eigenaardig stuksken vaderlandsche geschiedenis verbindt.
   De spoortrein brengt er ons in korten tijd, door een vlakke vruchtbare landstreek, waarboven eenige hooge torens uitsteken, over de spoorwegbrug, in de onmiddellijke nabijheid van het stadje, dat aan de rivier te midden van overvloedig groen is gelegen en zich van daar recht vriendelijk vertoont. Wij stappen echter nog niet uit. Om de sterke helling door de hoogte van de brug en van den dijk is het station een goed kwartier van de stad geplaatst. De aanvankelijk open weg derwaarts wordt echter reeds spoedig door krachtig geboomte beschaduwd. Aan deze zijde van het stadje liggen vrij wat tuinen aan de breede grachten, die eertijds de grimmige vestingwallen beschermden. Ook aan de rivierzijde is 't een fraai landschap, rijk en opwekkend. Er is een veer op Niftrik, daar ginds aan de overzijde met zijn slanken toren, en een aanlegplaats voor stoombooten. In de hoofdstraat vinden wij een groot aantal deftige heerenhuizen. De groote R.C. koepelkerk, in de vorige eeuw gesticht, is een zeer schoon gebouw, met sierlijken toren door een smaakvol dakkoepeltje gekroond, terwijl een dergelijk boven den koepel oprijst. Het Protestantsche kerkje, in 1641 vooral ten behoeve van het garnizoen gebouwd, is eenvoudig maar doelmatig ingericht. Er zijn twee poorten overgebleven, beiden doorgangen onder de huizen. Eene er van, aan het einde eener korte straat, tusschen het kazerne-achtige gemeentehuis en een rij geheel gelijke woningen naast de R.C. kerk en pastorie, maakt een deel uit van de woning van den Hervormden predikant. Zijn wij haar doorgegaan, dan zien wij aan de eene zijde een groot klooster, aan de andere zijde tuinen in een haag en overblijfsels van grachten, vr ons het hooge hout van een uitgestrekten tuin, die aan den dijk uitkomt. Deze poort was de buitenpoort van het kasteel. In die tuinen lagen de slotgebouwen, door grachten omringd. Het paalde dus onmiddellijk aan de stad. In 1741 was het nog een groot kasteel met zwaren, vierkanten toren, alleen toegankelijk door een lange houten brug, over den zeer breeden vijver gelegd. Tegen een verrassing was het in dien staat zeker genoegzaam bestand, maar zijn sterkte werd niet meer op proef gesteld, sedert de graaf Van den Bergh in 1621 te vergeefs had beproefd, het toen wel bevestigd huis te overmeesteren. Staatsche tropen hadden er in 1590 een vruchteloozen aanval op gedaan. Eertijds moet het een sterkte burcht zijn geweest, in 1354 langen tijd tegen den hertog van Brabant, in 1387 tegen den bisschop van Luik verdedigd. De portier, die in 1672 alleen het slot bewaakte, was ten volle verantwoord dat hij 't aan de Franschen overgaf.
   Ravestein was aanvankelijk alleen de naam van het kasteel, maar werd allengs ook die van de stad en van de gansche heerlijkheid. In de 12de eeuw heette de heerlijkheid Herpen en was een vrij, eigen goed. Eene dochter Sofia van Herpen, huwde in de eerste jaren der 13de eeuw Heer Hendrik van Cuijk. In 1328 ging de bezitting, wederom door huwelijk eener erfdochter, aan Johan van Valkenburg over. Diens zoon Walraven stichtte er een slot, dat hij naar zijn naam Ravestein noemde. Door erfenis kwam zij in 1363 aan den grave Van Salm, reeds vier jaar later als losprijs voor haar gevangen Heer aan den eersten hertog van Cleve, die haar aan zijn jongsten broeder schonk. In 1527 weer met het hertogdom vereenigd, bleef zij daarbij behooren, totdat in 1609 tusschen verschillende vorsten de twist over de nalatenschap van den kinderloos gestorven hertog van Gulik, Cleve en Bergh uitbrak.
   De Staten legden bezetting in de toen versterkte stad en handhaafden zich in dit recht, waarvan echter na 1670 geen gebruik meer gemaakt werd. De keurvorsten van de Pfalz, wien Ravestein in 1629 was toegewezen, bleven in het bezit tot 1794. Toen werd het land van Ravestein bij de Fransche Republiek ingelijfd en ten slotte in 1800 aan de Bataafsche Republiek verkocht en afgestaan, nevens een aantal andere enclaves binnen haar grondgebied.

[1= Een uitstekende afbeelding is te vinden in de Huisvriend 1886, met een zeer belangrijk artikel van den heer H.M. Werner. 't Was mij een groote voldoening te zien, dat ik in verscheidene punten tot dezelfde slotsommen was gekomen als deze degelijke schrijver, die blijkbaar dezelfde bronnen had gebruikt als ik.]

[2= Ik ontleen ze aan Robid van der Aa: Oud Nederland in zijn burgen en kasteelen. Zij zijn moeilijk meer te onderscheiden.]


webdesign & copyright
© 2001-2003 Eveline