Nijmegen: deel 2
deel 1
deel 3
deel 4
deel 5
deel 6
deel 7
deel 8
deel 9


Inhoud
Start
In de buurt van Nijmegen - deel 2

   De eerste dagen der Julimaand hadden zich gekenmerkt door regen en wind en ook op dezen 9den Juli beginnen wij den wandeltocht onder weinig bemoedigende voorteekenen, wanneer wij in den namiddag aan 't station Groesbeek den trein verlaten. Het programma voor wat ons van dien eersten dag nog rest, omvat een wandeling van Groesbeek naar het slagveld bij Mook en een bezoek aan Heumen.
   Groesbeek zal dus ons punt van uitgang zijn, maar, trouw aan ons voornemen, verliezen wij ons niet in een vermelding van het rijke natuurschoon, dat zijn omtrek aan de talrijke bezoekers en logeergasten aanbiedt. Alleen willen wij een blik werpen op de kerk, in de kleine kom van het dorp, en op de plek, waar het kasteel heeft gestaan.
   Van de kerk is de oude zware toren en het iets jongere koor nog over, alles gepleisterd, zoodat van den ouden steen niets meer te zien is. In de plaats van het schip vinden wij een grasveldje. Het koor is ingericht voor de godsdienstoefeningen der Hervormde gemeente. Uit wat nog gespaard is blijkt, dat het in zijn geheel een kloek en forsch gebouw moet geweest zijn, vooral wanneer wij in aanmerking nemen, dat Groesbeek eerst in de laatste jaren van een zeer armoedig dorpje tot een welvarende plaats is geworden. Het zal dan ook wel grootendeels door de machtige Heeren van Groesbeek zijn gesticht.


Het kasteel te Groesbeek.
Het kasteel te Groesbeek, naar een kaart van 15 Nov. 1570, gemaakt op last van den
Waldgraaf Thomas van Appeltern door den gezworen landmeter Thomas Witteroos.


   Reeds in 1040 schonk koning Hendrik III aan zijn waldgraaf van het Rijkswald een hof in het dorp Groesbeek met al zijn toebehooren, blijkbaar een aanzienlijke bezitting uitmakende. Zijn opvolgers, erfelijke waldgraven (althans waarschijnlijk in een gedeelte van het Rijkswald), namen den naam der heerlijkheid aan. Tot het einde der 14de eeuw bleven zij leenmannen des Rijks, maar in 1403 ontving Johan van Groesbeek het dagelijksch gericht van het dorp en het kerspel van den hertog van Gelder in leen. Het hooge rechtsgebied verbleef aan den landsvorst, totdat het in 1527 door hertog Karel aan een lateren Johan van Groesbeek werd verpand, op voorwaarde, dat het altijd voor 800 gouden rijnsche guldens gelost zou mogen worden. Bij den verkoop der heerlijkheid aan de Staten van Gelderland in 1768 werd, behalve de koopsom, nog 6600 gulden voor het lossen van dit pandschap betaald. Geruimen tijd, anderhalve eeuw ten minste, waren de Heeren van Groesbeek ook in 't bezit van Heumen, Malden en Beek. Voor de beide laatste heerlijkheden waren zij leenmannen van Cleve. In 1639 kwam Groesbeek door erfenis aan het grafelijke huis van Merode, in 1699 door verkoop aan de baronnen van Wachtendonk, van wie het in 1768 "ten behoeve van de Domainen deser provincie" werd aangekocht.
   't Was een hoog aanzienlijk geslacht, dat op het huis te Groesbeek zetelde.
   Tegenover de kerk, aan de andere zijde van den grintweg, is de plaats nog te herkennen, waar het kasteel heeft gestaan en waarschijnlijk ook wel de oude "hof" is te zoeken. In het houtgewas zijn de grachten nog over. Van den burcht in de dagen van zijn bloei is geen afbeelding bewaard. Ook uit later tijd, toen het geen versterkt kasteel meer was, maar zich toch nog als een riddermatige huizinge vertoonde, schijnt geen andere bekend, dan die op eene kaart, 15 Nov. 1570 gemaakt op last van den waldgraaf Thomas van Appeltern, door den gezworen landmeter Thomas Witteroos, waarvan ik een copie mocht ontvangen door de welwillendheid van den heer H.D.J. van Schevichaven, archivaris van Nijmegen. Het huis behoorde destijd aan Zeger van Groesbeek, in 1568 luitenant van den graaf van Aremberg, gouverneur van Friesland. 't Was hem, den tweeden zoon van Johan en Bartha van Goor, in 1549 bij magescheid toebedeeld, terwijl zijn oudere broer het huis te Heumen ontving. In 1536 was hij er "bij transport zijner ouders", mede beleend. Wanneer het gesloopt is, is mij onbekend.
   Uit het dorp leidt een grintweg naar de Heumensche baan. Wij kiezen evenwel den iets langer, maar schoner weg, die tegenover den Zuidermolen den grooten weg verlaat om langzaam op te stijgen tegen de hoogte, waarop het bosch van "Rijnsbende" prijkt. 't Gaat tusschen korenelden met heerlijke vergezichten, op dezen regenachtigen namiddag, helaas, even als het vermaarde uitzicht bij den molen, door nevelen omsluierd.
   Bij den ingang van het bosch splisen zich de drie wegen, waarlangs men het slagveld van Mook kan bereiken.
   De langste, aanbevelenswaardig voor wie over genoegzaam tijd kan beschikken, loopt over het schoone landgoed de Jansberg en den Plasmolen. Een tweede, de Mooksche baan, voert naar het dorp van dien naam. Voor ons doel is de derde, de Heumensche baan, 't verkieslijkst. Met de kaart in de hand meenen wij niet te kunnen dwalen. Den grintweg rechtuit hebben wij slechts te volgen. Evenwel, 't kan nooit kwaad, zekerheid te hebben. De vriendelijke tuinmansvrouw onderricht ons, dat dit de Mooksche baan is. De boschlaan, die zich links opent, is de weg naar den Plasmolen. "Maar waar is dan de Heumensche baan?" - "Het hek in". - Nu, zonder die aanwijzing zouden wij geen vrijmoedigheid hebben gehad, de afgesloten buitenplaats te betreden. 't Was ook aan niets te zien, dat dr een publieke weg was te vinden.
   Wij gaan het hek binnen en volgen de breede beukenlaan, die ons door het smaakvol aangelegde park en vrij dicht langs het heerenhuis voert. Onder het dichte bladerengewelf hindert de regen niet veel. Maar toch, hoeveel schooner zou het hier nog zijn, wanneer de dalende zon haar gloed op de stammen en kronen der kloeke boomgroepen, in de lange, statige lanen, op den rijk begroeiden ondergrond der bosschen wierp! Door een tweede hek verlaten wij de plaats.
   Hier komt de grintweg uit Groesbeek zich vereenigen met de Heumensche baan. Wij zijn nu dicht bij den spoorweg, die in de diepte langs den voet der Hoederbergen loopt en waarover straks een brug is gelegd. 't Is een heerlijk landschap met golvende hoogten, dennen en akkermaalshout, breede, schilderachtige zandsporen en witte voetpaden, groene dalen, prachtig begroeide gronden en kanten, zelfs nu onder den grijzen hemel rijk aan tinten en vol van afwisseling door de schoone lijnen.
   Tot dusver blijft de wandeling, al was zij niet wat zij onder gunstiger omstandigheden had kunnen zijn, toch gansch niet zonder loon. Maar straks, als de weg daalt en de groote Maasvallei zich vr ons gaat uitbreiden, eerst nog door de heuvels aan beide zijden der baan begrensd, allengs ruimer en ruimer wordend hoe meer wij vorderen, dan wordt het met iedere schrede duidelijker, hoe veel wij heden missen. Het treffend schoone vergezicht is grootendeels verloren.
   Wij kunnen er alleen juist genoeg van zien, om er iets van te vermoeden, hoe heerlijk 't hier kan wezen! Nu is alles grauw, beneveld, vaag. Daar is de rivier, daar breiden de velden zich uit met huizen en boschjes, daar in de verte, recht tegenover ons, rijst de hooge, vierkante toren van Heumens R.C. kerk, daar schemeren hier en daar nog andere torens, maar alles eentonig van kleur en onbestemd van vorm. Vlak nevens ons ligt de Mookerheide. Wat zouden wij er doen! 't Ontbreekt ons aan den lust en den moed, om er nu te gaan ronddolen door de natte struiken. Uitzicht is er toch niet, en de regen neemt toe. Er is geen enkel blijk, dat de wolken scheuren zullen. Wij moeten maar eens zien of later het lot ons gunstiger zal zijn.
   De brug over de diep ingezonken spoorbaan over, langs een voetpad door het koren - nat als alles - in de richting van den Heumenschen molen, die ginds boven het houtgewas uitsteekt, zoo bereiken wij een buurschap aan den grooten weg van Nijmegen naar Venlo, waar tijdens de Belgische verwikkelingen tot 1839 de grens tusschen N. en Z. Nederland was, door douanen en soldaten bewaakt.
   Hier vinden wij de oude, eertijds vermaarde brouwerij, een buitenverblijf Cerisia en eene groote herberg. 't Is daar althans droog in de ruime gelagkamer, waar wij naar den eisch met het product der brouwerij, het vroeger zeer geroemde en gezochte "Nieuwlicht", kennis maken en van de kasteleines - vriendelijk en spraakzaak als alle menschen, vrouwen vooral, die wij bij onze omzwervingen ontmoetten - onder andere bizonderheden betreffende deze streek, ook vernemen, dat er van het kasteel te Heumen geen steen meer over is. Wij meenden, dat er althans nog een toren was gespaard, al wisten wij ook, dat het oude, prachtige slot reeds in de vorige eeuw was gesloopt en ook een nieuw toen gesticht huis weer was afgebroken.
   Niettemin, Heumen moeten wij toch bezoeken. Wat er te zien is, het dorp en het monument in de Hervormde kerk, is desnoods ook met regen wel te zien. Alzoo maar weer getroost, niet de wandelstaf maar het regenscherm opgevat en de weg ingeslagen naar de ongeveer 20 minuten verwijderde plaats. 't Is - bij goed weder althans - een aardige weg, tusschen wei- en bouwlanden, langs fraaie, rijk met kamperfoelie doorgroeide hagen, met ruime uitzichten, over de uiterwaarden, op de spoorwegbrug over de Maas, op de torens van Mook en Katwijk aan de rivier, op de heuvels en bosschen in de verte. Voor een deel loopt hij over den dijk. Een korter pad beneden 's dijks is dezer dagen een modderpoel en dus minder verkieslijk. Liefelijk ligt vr ons het dorp met het dichte geboomte, waartegen het witte muurwerk der Hervormde kerk met zijn torenspitsje zich even vertoont, en waarboven de toren zonder spits der R.C. kerk hoog oprijst, het eenvoudige landschap wel wat drukkend en de harmonie van het geheel min of meer verstorend.
   De tamelijk lange dorpsstraat prijkt nog met veel van de linden, die haar eertijds versierden; - niet allen ontkwamen aan de bijl der Franschen, wier verkleumde leden zij in den winter van 1795 verwarmen moesten.
   De groote R.C. kerk is betrekkelijk nieuw, maar naar het schijnt, niet zeer solide gebouwd. Er zijn verdienstelijk uitgevoerde statin binnen haar gewijde wanden. De Protestantsche kerk is veel ouder. Het was vroeger de parochiekerk. De witte pleister geeft er iets vriendelijks aan, maar het terrein er omheen, misschien de speelplaats der jeugd, die de vlak bij gelegen school bezoekt, zou er veel bij winnen, als er, evenals bij de R.C. kerk, wat opgaand en bloemhout werd gepland. Een doode en een kwijnende boom dragen nu juist niet zooveel tot versiering bij.
   In de kerk is het gedenkteeken, in 1891 opgericht ter herinnering aan Lodewijk en Hendrik van Nassau, op de naburige Mookerheide gevallen. Om het te bezien, moeten wij den koster opzoeken en om den koster te vinden, moeten wij het geheele dorp verder door. Wij komen dan een goed onderhouden hek tusschen twee zware steenen palen voorbij, waarop de naam Luden van Heumen staat te lezen. Dit was indertijd de hoofdtoegang tot het kasteel, dat eenige minuten verder aan de rivier lag. Er is nu niets meer, wat ons derwaarts zou noodigen, tenzij dan het schoone uitzicht, waarvan deze avond ook niets te verwachten is. Nevens het hek staat het gemeentehuis, een wit gebouw met sousterrein, eertijds een "speelhuis" of groote koepel, onder het kasteel behoorende, eenvoudig maar deftig en met dat eigenaardige, dat men "stijl" kan noemen.
   Bij den tuin der Hervormde pastorie zien wij een der groote kolken, zooals er in den omtrek meer worden gevonden, uit een vroegere dijkbreuk afkomstig. In vorige eeuwen moet de Maas hier vaak geweldig hebben huisgehouden. De heugenis daaraan is echter sedert lang uitgewischt en de Beersche Overlaat, niet ver van hier te vinden, beveiligt deze landstreek voor de buitensporigheden der rivier, wier te hoog gezwollen wateren zich nu over de lage velden van N. Brabant ontlasten, den overlast dien zij aandoen, door hun vruchtbaar makend slib vergoedend.
   De koster is opgespoord, het kerkje ontsloten. Tegen den zijmuur is het monument geplaatst, ontworpen en uitgevoerd door den beeldhouwer F.L. Strack Jzn. 't Is in renaissance-stil van fijnen franschen steen met onderdeelen van gepolijst marmer. In het middenvak is een zittend beeld geplaatst, de allegorie der Geschiedenis; aan beide zijden staan in nissen de beelden van Moed en Trouw. Daar boven is het wapen van Nassau aangebracht en het geheel wordt gekroond door een knielende figuur, die op een breed lint het devies van graaf Lodewijk vertoont: Plutot mort que vaincu, gnraux sang de Nassau. Op een zwart marmeren plaat aan den voet van het monument leest men het opschrift:
"Hulde en dankbare herinnering aan Graaf Lodewijk van Nassau en zijn broeder Graaf Hendrik van Nassau, gesneuveld 14 April 1574 op de naburige Mookerheide bij de verdediging van de vrijheid des Vaderlands".

   Wij hebben nu nog ruim twee uren voor ons, eer de laatste trein naar Nijmegen vertrekt.
   De lange zomerdag zou ons vergund hebben, ons plan ten uitvoer te brengen, zoowel het slagveld te zien als Heumen te bezoeken, maar de regen drijft ons veel te vroeg naar het station, naar de donkere, ongezellige wachtkamer, teleurgesteld, zij 't dan ook niet geheel voldaan met hetgeen het begin van onzen wandeltocht ons te aanschouwen heeft gegeven.
   Heumen komt reeds in 1183 voor als een hooge heerlijkheid, in 't bezit van den graaf van Dalen, die zekeren ridder Hendrik met het slot had beleend. Later kwam zij aan het geslacht van Groesbeek, dat in 1348 de heerlijkheid Malden, sedert met die van Heumen verbonden, kocht van Dirk van Hornes, den zoon van Gerhard en Ermgard van Cleve, gelijk het reeds in 1342 de heerlijkheid Beek had verkregen. Was, gelijk wij reeds zagen, Groesbeek in 1549 aan Zeger van Groesbeek toebedeeld, de drie andere heerlijkheden kwamen aan Johan, den oudsten broeder.
   In 1660 werd Beek verkocht aan den Heer van Randwijk, Heumen en Malden aan Ludolf van Steenhuys. Genoveva Maria van Steenhuys, gravin van Welderen, verkocht in 1769 beide heerlijkheden met al hun toebehooren aan de stad Nijmegen, die het huis met eenig grondgebied, molen, jacht en visscherij aan zekeren heer Pasquin de Chavonnes overdeed.
   In het jaar 1790 werd het grootendeels gesloopt en door een nieuw gebouw vervangen, na korten tijd wederom door een ander opgevolgd, dat althans in 1839 nog bewoond werd.
   Een afbeelding uit het jaar 1741 vertoont het als een groot en prachtig slot, waarvan de zware, vierkante toren zich door een zeer ongewonen vorm onderscheidde. 't Was toen echter blijkbaar belangrijk verbouwd, sinds het als een sterke burcht van niet geringe beteekenis in den Spaanschen oorlog een rol heeft gespeeld. De destijds Prinsgezinde magistraat van Nijmegen had het in Aug. 1583 ter bewaring toevertrouwd aan den raadsvriend en hopman Dirk van der Voord, wiens nog bewaard dagboek tal van bizonderheden mededeelt. Wij moeten ons bepalen bij de vermelding, dat herhaaldelijk beproefd werd het slot met geweld of door verrassing te vermeesteren, eenmaal door een turfschip, maar met minder gunstigen uitslag, dan aan het vermaarde "turfschip van Breda" mocht ten deel vallen. Den 16den Nov. 1585 werd formeel het beleg om het kasteel geslagen. Zeven zware kanonnen beschoten het drie dagen en twee nachten lang. Den 18den December werd het, als onhoudbaar, overgegeven. De bezetting trok met haar wapens uit, Dirk van der Voort met zijn zijdgeweer, zijn bagage en zijn twee beste paarden.
   Vergeefs boden die van Nijmegen, inmiddels weer aan 's konings zijde gebracht, den Heer van Haultepenne 5000 guldens, als hij hun den blijkbaar zeer gehaten hopman in handen wilde stellen. "Houtephin - zooals van der Voord hem noemt - heefft het haerluyden affgeslagen en als een chryssvorst gelove geholden". Hij voerde zijn wakkere makkers naar Grave en midden door den vijand heen naar Utrecht.
   Het is bekend, dat de toenmalige Heer van Heumen, ook een Johan van Groesbeek, die in 1565 na den dood zijns grootvaders onmondig was beleend, en in 1573, mondig geworden, zelf den leeneed had afgelegd, de Spaansche zijde hield. Zeker vond hij zijn huis na het beleg in tamelijk desolaten toestand.


webdesign & copyright
© 2001-2003 Eveline