Geschiedenis Noord-Nederland 21

 overzicht
Inhoud
Start
EEN-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK


Wensch van velen naar Grondwetsherziening - door anderen gevaarlijk geächt. - Voorstellen daartoe strekkende, eerst ten getale van zeven, later van dertien, aan de Kamers voorgedragen. - De Herziening komt tot stand. - Willem I doet afstand van de kroon. - Zijn huwelijk en dood. - Willem II wordt Koning. - Partijen van Behoud en Vooruitgang. - Vrijwillige geldleening. - Mislukte aardappeloogst. - Landverhuizing. - Petitiën. - Omwenteling in Frankrijk. - Onlusten in Duitschland, Italiën en elders. - Onvoldoende voordrachten van Grondwetsherziening. - Mededeeling van den Koning aan den voorzitter der Tweede Kamer. - Benoeming ener Kommissie tot Grondwetsherziening. - Nieuw Ministerie. - Ontwerpen van Herziening door de Kamers goedgekeurd. - De nieuwe Kamers vangen hare werkzaamheden aan. - Willem II sterft. - Inhuldiging van Willem III. - Besluit.


   (1839). Het tijdstip was thans gekomen, waarop de binnenlandsche aangelegenheden, en vooral het deerlijk geschokt financiewezen, op regelmatigen voet gebracht moesten worden. Niet gemakkelijk was die taak; want nu de Natie niet langer, om de eer der Regeering tegen over vijand en vijandige bondgenooten op te houden, met haar gemeene zaak moest maken en zich darom veel getroosten wat haar ongevallig was, werd die Regeering zelve het voorwerp van aanval en berisping. Het blind vertrouwen, zoo lang in haar gesteld, was voorlang geweken, en volslagen wantrouwen in de plaats gekomen. Wel was de Regeering bewust, dat zij niet op de medewerking der Kamers kon rekenen zonder volkomen openlegging van den staat der financiën; doch zij wist tevens, hoe zij, juist door die openlegging, en bij het aan 't licht komen der ontzettende geldverspilingen, waaraan zij had toegegeven, aan heviger aanvallen zou bloot staan: en zij zocht daarom het volbrengen van den plicht, die op haar rustte, al meer en meer te verschuiven.
   Doch het was en kelen onder de leden der Kamers niet genoeg, te eischen, dat men hen bekend maakte met de misbruiken, die zij wisten of vermoeden dat met 's Lands gelden hadden plaats gehad, zij wilden ook, dat het terugkeeren dier misbruiken voortaan onmogelijk zou worden, en vorderden daarom, dat de Grondwet herzien, en nieuwe bepalingen daarin gebracht zouden worden, die waarborgen opleverden voor de toekomst. Deze vordering was billijk op zichzelve; maar toch werd, in het oog van velen, het nut, dat een herziening zou kunnen aanbrengen, geächt niet op te zullen wegen tegen het gevaar, dat, naar hun oordeel, in elke verandering van staatsinstellingen gelegen was. Een Grondwetsherziening - zoo redeneerden deze laatsten - was, wel beschouwd, niet anders dan een omwenteling: en een omwenteling had, gelijk de treurige ondervinding leerde, altijd geld gekost. Daar en boven - zoo gingen zij voort - wie waren, behalve eenige weinige leden der Kamers, zij, die het sterkst op de Herziening aandrongen? In de eerste plaats, geleerde theoristen, die 't goed meenden, doch geen praktische kennis bezaten en zich zeer verlegen zouden vinden, wanneer zij eenmaal geroepen wierden om hun plannen te verwezentljken; ten anderen, jonge lieden zonder ondervinding, ontevredenen, die geen betrekking konnen bekomen en zich vleiden dat een verandering in het bestuur hun die wellicht bezorgen zou: ten derde, dagbladschrijvers, diem ten einde veel lezers te trekken, spekuleerden op de bedoprvenheid der menschelijke natuur,

die 't erghste liefst gelooft.

en daarom niet alleen alles afkeurden wat de Regeering deed, maar ook zich niet ontzagen, alle Ministers, of wie met hen stemden, persoonlijk aan te randen, soms in een belachlijk daglicht te plaatsen. 't Zou weinig baten - altijd volgens de tegenstanders der Herziening - of men aan de vorderingen van de zoodanigen toegaf; want morgen zouden deze, even als vroeger de Belgische oppozanten, met nieuwe en zwaardere eischen terug komen, en zoo zou, van lieverlede, van inwilliging tot inwilliging, de macht der Regeering, het ontzag, aan Koning en wetten verschuldigd, geheel te niet gaan, en een terugkeering tot 1795 het onvermijdelijk slot zijn.
   Intusschen, ook zij, die zoo spraken, zagen in, dat eenige verandering in de Grondwet onvermijdelijk was, en zij hoorden dan ook (21 Oct.) zonder verwondering den Koning in zijn troonrede aankondigen, dat het tijdstip geboren was om over te gaan tot wijzigingen in de Grondwet, welke de scheiding van Nederland met Belgiën noodzakelijk had gemaakt. In de Tweede Kamer werd nu de wensch geüit, dat, in afwachting der Herziening, die men verwachtte dat belanmgrijke punten zou betreffen, geen begrooting, maar enkel een krediet voor zes maanden zou aangevraagd worden: en tevens legde men zijn misnoegen aan den dag over een geldleening, buiten de Staten-Generaal om, met de Handelsmaatschappij gesloten en tot wier vereffening een thans aangevraagde leening van 56 millioen ten laste der overzeesche Bezittingen mede zou moeten strekken. De voorgedragen Begrooting werd eenparig verworpen (Dec.), en de leening met overgroote meerderheid; terwijl, overeenkomstig het geüite verlangen, een kredietwet voor de eerste helft van 1840 werd aangeboden en goedgestemd.
   De verwachte ontwerpen van Grondwetsherziening werden nu voorgedragen (30 Dec.); doch algemeen was de te-leur-stelling en verbazing, toen men zag, dat zij niets anders inhielden dan een bekrachtiging door de Wet van hetgeen feitelijk ten gevolge der scheiding reeds bestond, als b.v. de geografische omschrijving des Rijks, de plaats van inhuldiging des Konings en van de zitting der Kamers, het getal harer leden en van die des Raads van State, enz. Bij het algemeen misnoegen over hetgeen men een bespotten der Natie noemde, had zich sedert kort bij velen een andere reden van ontevredenheid en bezorgdheid gevoegd, ontsproten uit het gerucht, dat de Koning op een tweede huwelijk bedacht was met de gravin d'Oultremont, een Roomsche en Belgische - hoezeer aan adellijke en Protestantsche geslachten alhier verwante - Jonkvrouw. Weldra werd echter verspreid, dat de Koning van zijn voornemen was terug gekomen, en zich bovendiem zou schikken naar het verlangen der Tweede Kamer tot verbetering der staatsregeling. Zeven daartoe strekkende voordrachten werden ingediend (18 Mrt. 1840), behelzende: 1. Regeling van het stemrecht door de wet: 2. Vermindering van het inkomen de kroon: 3. Beschikking bij de wet over het batig slot der overzeesche Bezittingen: 4. Tweejarige begrooting en beraafslaging bij afzonderlijke hoofdstukken, zonder vrijheid van overbrenging der voor het eene bestemde gelden op het andere: 5. Jaarlijksche bijeenkomst der kiesvergadering in de steden, en periodieke aftreding der Raadsleden: 6. Levenslange aanstell;ing van de leden der Algemeene Rekenkamer: 7. Wijziging in de vorming der militie.
   Ook deze voorstellen schenen aan vele leden der Kamer niet genoeg toe. Vooral drong men aan op de opneming in de Grondwet van de verantwoordelijkheid der Ministers en van het contreseing (28 Apr.). Met dit laatste bedoelt men de mede-onderteekening van elke wet of besluit, door den Minister, tot wiens departement de zaak behoort, en die daardoor de verantwoordelijkheid van den genomen maatregel op zich neemt. De beraadslagingen werden uitgesteld (13 Mei), om de Regeering in de gelegenheid te stellen aan den wensch der Kamer te voldoen, en werkelijk werd dan ook een voordracht in dien geest aangeboden (16 Mei): - waarop de begrooting werd aangenomen (18 Mei). Eerlang volgde de beraadslaging over de verschillende, nu tot 13 gebrachte ontwerpen van Herziening (2 Juni), die allen, behalve dat op de militie, werden aangenomen. In de bepalingen betreffende het getal der Gewesten (10 Juni) was tevens de splitsing van Holland in twee afzonderlijke deelen - Noord- en Zuid-Holland - opgenomen. - De zaak was hiermede echter niet afgeloopen; want de goedgekeurde veranderingen moesten, alvorens in de Grondwet te kunnen worden opgenomen. eerst worden voorgedragen (4 Aug.) aan een in dubbelen getale vergaderde Tweede Kamer. Deze, spoedig bijeengekomen zijnde (6 Sept.), keurde al de voorstellen goed, met uitzondering van dat omtrent de wijzigingen in het kiesrecht voor de steden. Elf leden stemden tegen elke voordracht, om aldus te protesteeren tegen elke herziening, die in hun oog ongenoegzaam was. Anderen, hoezeer van meening, dat men elk voorstel naar zijn innerlijke waarde beöordeelen, en naar dien maatstaf, goed- of afkeuren moest, wilden echter aan den Koning hun wensch te kennen geven naar een herziening, meer overeenkomstig met de eigenaardigheden der Natie, met de verminderde hulpbronnen van den Staat en met de veranderde behoeften des tijds. De overgroote meerderheid echter toonde zich bevreesd, niet enkel voor nieuwe voorstellen of wijzigingen, maar ook voor al wat tot uitbreiding der herziening zou kunnen leiden.
   Wat den Koning betrof, hij was tot geen verder toegeven te bewegen: reeds had hij meer gedaan dan hij wellicht ooit gedacht had te kunnen doen, door voor altijd van de kroon van Belgiën af te zien, door tegen zijn wil veranderingen in de Grondwet voor te slaan en zich zelfs die wegens de ministeriëele verantwoordelijkheid te laten afpersen; - doch, had hij dit laatste offer gebracht, hij achtte het beneden zijn waardigheid, zoowel als tegen de beginselen naar welke hij geregeerd had, zich met het in praktijk brengen daarvan te belasten. De man, die, zes-en-twintig jaren achtereen, zelf alles bestuurd, beheerd en bewerkt had, wilde niet op zijn ouden dag een naamkoning worden, afhankelijk van zijn staatsdienaars en van de Kamers: - onverwachts teekende hij, op het Loo (7 Oct.), een akte van afstand en gaf de kroon over aan den prins van Oranje, tot reden dezer daad gevende, dat een vaste, krachtige, mannelijke hand, jeugdiger leeftijd, bevrijd van den druk van geklommen jaren en niet weifelende door vroege herinneren, voortaan tot het bestuur werd vereischt.
   Slechts kort na zijn afstand vertoefde Willem I, die thans den titel aannam van Koning Willem Frederik, graaf van Nassau, in het Vaderland. Hij begaf zich naar Berlijn, en de Vorst, die eenmaal onder het daverend vreugdegeluich van opgetogen landgenooten als de soeverein hunner keuze was ingehaald geworden, die later in niemands oogen anders dan goed scheen te kunnen doen en wien men alom den naam van Vader Willem toekende, liet bij zijn vertrek schier niet dan louter voor hem verkoelde en onverschillige harten achter. Dan ook zij, die zich thans beklaagden, dat zijn stelsel van volharding Nederland zoo duur te staan kwam, die hem van eigenbaat en stijfhoofdigheid beschuldigden, vergaten het deel, dat zij aan die volharding gehad hadden, vergaten, dat zoo wel de Kamers als de Natie hem jaren achtereen daartoe met luider stemmen hadden aangespoord, en dat, bij minder blinde volgzaamheid van hunne zijde, de zaken nimmer dien noodlottigen keer hadden kunnen nemen.
   De grijze Koning, zich in 't volgende jaar met de gravin d'Oultremont in 't huwelijk begeven hebbende, overleed op 12 Dec. 1843, te Berlijn, op een-en-zeventig-jarigen ouderdom, aan een aanval van beroerte, terwijl zijn stoffelijk overschot herwaarts overgevoerd en in den vorstelijken grafkelder te Delft werd bijgezet.
   De prins van Oranje, onder den naam van Willem II de regeering aanvaard hebbende, werd eerlang ingehuldigd (28 Nov. 1840) in de Nieuwe Kerk te Amsterdam, waar hij tevens de grondwet bezwoer.
   Gewis, hoogst ongunstig waren, voor een Vorst van zijn karakter, de omstandigheden, onder welke hij den troon besteeg. Wel wist de Natie, dat zij vertrouwen kon op het hart, op den goeden wil van hem, die zijn bloed voor het Vaderland veil gehad, en tweewerf de zonen van Nederland ter overwinning geleid had; maar zou hij, wiens ridderlijke dapperheid geheel Europa huldigde en wien het misschien alleen aan de gelegenheid ontbroken had om zich den eersten Veldheer van zijn tijd te toonen, zou hij evenzeer als Koning en Regent de hem opgelegde taak kunnen vervullen? - Wel gingen bij hem de beste bedoelingen met een helderen blik en een gezond verstand gepaard; maar, als knaap in ballingschap geleefd hebbende. had hij zijn jongelingsjaren op 't krijgsveld doorgebracht, en, zoo hij, later, door zijn vader aan 't hoofd van den Raad van State was gesteld, hij was na 1830 doorgaans van het staatstooneel verwijderd gebleven, en noch aanleg, noch bijzondere geneigdheid hadden gestrekt om hem tot deelneming aan de politieke bemoeiingen over te halen. Had hij Nederland gevonden, als in 1584 of in 1672, met den vijand in 't hart des Lands, gereed om voor de overmacht van tallooze krijgsheiren te bukken, hij ware, als Maurits of als Willem III, de redder zijns Vaderlands geweest; maar hij vond het, zuchtende onder den last der staatsschuld en gekweld door een gevoel van ontevredenheid met de bestaande instellingen: - en van die beide kwalen kon geen heldenzwaard het verlossen.
   Eenige opbeuring echter kon hij vinden in de gedachte, dat in een Konstitutioneel Rijk het niet zoo zeer de Vorst is als wel zijn Ministers, die geroepen zijn om de huishouding van den Staat te regelen en wat verward is te herstellen. Men had aan Willem I verweten, dat hij geen Ministers, maar Kommiezen had. Willem II begreep, aan de Ministers de zelfstandigheid van handeling, die hun tot nog toe was onthouden, te moeten schenken. Ongelukkig vond hij wel Ministers, maar geen Ministerie: namelijk, wel staatsdienaars, wien het elk op zich zelven niet aan bekwaamheid ontbrak, maar die ieder zich uitsluitend met zijn Departement bemoeiende, zonder eenheid van inzichten en bedoelingen werkzaam waren. Ja, de meesten van hen, zoo als Van Maanen, Verstolk en Van Doorn, behoorden tot de zoodanigen, die steeds de staatkunde van Willem I gevolgd waren, en die thans nog, hoezeer lang niet blind voor de gebreken der staatsregeling, van oordeel bleven, dat het gevaarlijk was, die instellingen te verbeteren, zoo lang nog de zaak der geldmiddelen niet op een beteren voet was gebracht. Het was aan hen, en aan de zoodanigen, die, als zij, ook het min goede behouden wilden uit vrees van iets slechters te krijgen, dat de naam gegeven werd van mannen vsn het Behoud, in tegenstelling van de zoodanigen, die, uitgebreider wijzigingen in de Grondwet verlangende, zich met den naam betitelden van partij van den Vooruitgang.
   (1841). Geen wonder, dat, zoo lang de staatsdienaars van Willem I aan het roer bleven, ook de staatkunde niet vernaderde: en zij, die onder een nieuwen Koning een nieuw stelsel van regeering verwacht hadden, zagen zich te leur gesteld. Van lieverlede echter kwam er verandering in het personeel der Ministers. Schimmelpenninck van der Oye, die tot de gematigde Oppozitie had behoord, werd met het departement van Binnenlandsche Zaken belast; en na het verwerpen eener voordracht over de Konflikten, trad Van Maanen af van het door hem zoo lanmg bekleede ministerie van Justitie (1842). Hij werd (Mrt.) opgevolgd door Van Hall, advokaat te Amsterdam, die te voren nimmer eenig werkdadig deel aan de staatkunde genomen had, doch zich door daden en geschriften altijd een voorstander der liberale begrippen had getoond. Men verwachtte nu veranderingen, maar het bleek hier als elders, hoe veel gemakkelijker het is, op verbeteringen aan te dringen, ja zelfs plannen daartoe voor te dragen, dan wanneer men zelf aan 't roer komt en met alle zwarigheden bekend wordt, die plannen te verwezentlijken. Ook de nieuw aangenomen Ministers, even als hun voorgangers, waren van oordeel, dat, vóór alles, de financiën verbeterd moesten worden. Twee daartoe strekkende Wetsontwerpen (1843), door de ministers Rochussen en Van der Heim achtereenvolgens voorgesteldm werden verworpen; en nu werd de portefeuille van Financiën opgedragen aan Van Hall. Deze stelde een gedwongen heffing voor op het inkomen, waarvan men zich echter bevrijden kon door een geldleening van 127 millioen tegen 3%. Hevige kreten gingen, zoo in als buiten de Kamers, tegen deze voordracht op: men was algemeen van oordeel, dat die leening nooit zou volgeteekend worden, in welk geval men tot de heffing zou moeten overgaan en bittere klachten te weeg brengen bij de ingezetenen, steeds ongeneigd om den waren staat van hun vermogen te openbaren. De wet werd echter, hoezeer met een kleine meerderheid, aangenomen (Febr. 1844), en nu bleek het, dat Van Hall zijn landgenooten, de Amsterdammers vooral, wel gekend en beöordeeld had. Immers, liever dan de kans te loopen van hun boeken te moeten openleggen, haasteden zij zich, in de leening deel te nemen, die dan ook omtrent werd volgeteekend; terwijl de Koning grootmoedig aanvulde wat ontbrak. Nog in hetzelfde jaar werden door Van Hall de 5 en 4 per-cents Schuldbrieven, die wrange vruchten van den staat van oorlog, in een minder rentegevend effekt gekonverteerd, en andere maatregelen beraamd om orde en verbetering in 's Rijks geldmiddelen te brengen. Intusschen, omdat ook het door hem verrichte geen duurzaam herstel van den staat der geldmiddelen te weeg kon brengen, en om dat hij gehouden werd voor den man, die nu het herzien der staatsregeling tegen hield, stond hij weldra ten doel aan de hevigste aanvallen der Liberale of Vrijzinnigen, welke namen thans hen moesten aanduiden, die vooruitgang en herziening wilden. Negen leden der Tweede Kamer, met den Leidschen hoogleeraar Thorbecke aan 't hoofd, deden (1845) een voorstel ten gunste dier herziening, 't welk echter bij de Regeering tegenstand en bij de Kamers geen ondersteuning vond.
   De verhooging, door Belgiën, der rechten van sommige aldaar ingevoerde artikelen, had aanleiding gegeven tot onderhandelingen, welke ten laatste (29 Juli 1846,) door een verdrag geëindigd werden, waarbij de uitvoerrechten in beide Rijken aanmerkelijk werden verlaagd.
   Bij den druk der zware belastingen, waaronder Nederland gebukt ging, was zich thans ook een nieuwe en geheel onvoorziene ramp komen voegen, het mislukken namelijk zoo hier als elders van den oogst der aardappelen, dat schier uitsluitend voedsel der minvermogenden. De prijs der levensmiddelen moest hierdoor stijgen, en hoezeer men zich op vele plaatsen vereenigde om door milde bijdragen in den nood der hulpbehoevenden te voorzien en arbeid te verschaffen aan wie gebrek leed, hadden er echter, hier en daar, vooral in Friesland en Groningen, tooneelen van onrust en opschudding plaats, die door militaire tusschenkomst moesten beteugeld worden. Een niet minder droevig verschijnsel was de onlamgs, op 't voorbeeld van Duitschland, in zwang gekomen landverhuizing. Vele huisgezinnen, ook zelfs de zoodanigen, die niet onbedeeld waren van tijdeljke middelen, verlieten hun geboortegrond, om in de Vereenigde Staten van Noord-Amerika zich een nieuw bestaan te scheppen, en het Vaderland zag zich hierdoor van aanzienlijke kapitalen beroofd.
   Luider en luider werden inmiddels de kreten om Grondwetsherziening: meer vinnig en hatelijk tegen de Regeering de toon der dagbladen, en, even als vroeger in Belgiën, sloten zich de rangen van hen, die, tegenover het stelsel van Behoud, Vooruitgang tot hun leus hadden genomen/ Twee hoofdmiddelen werden door hen in 't werk gesteld om den strijd tegen het Bewind te voeren: het eene was, het vormen van vereenigingen, die, voor de openvallende plaatsen in de Kiesvergaderingen, in de Gemeenteraden, in de Staten-Generaal, hunne kandidaten door de meest krachtige middelen, vooral in veel gelezen dagbladen, lieten aanprijzen. Het andere bestond in het verdienen van petitiën bij de Staten-Generaal: een middel, meer geschikt om door ophef van een groot getal namen effekt te maken, dan om den waren geest der Natie te doen kennen, althans niet in Holland, waar over 't geheel de lieden, die er niet bepaald toe geroepen worden, warsch zijn zich mjet politiek te bemoeien: waarvan het gevolg is, dat uit de menigte der onderteekenaren niet tot den geest van 't algemeen kan worden besloten, en dat het inwilligen van 't gevraagde al zeer ligt een kleine, doch haar stem verheffende minderheid over de meerderheid zou laten zegevieren. ook nu was, even als 17 jaren vroeger, toen de Belgen petitiën indienden, onder de teekenaars het getal van hen, die bevoegd konden worden geacht, het gewicht te beöordeelen van wat zij vroeger, uiterst gering in verhouding tot het getal derzulken, die alleen op het voorbeeld of het aandrijven van anderen hun naam zetteden onder wat zij niet of naauwelijks verstonden: en hetzelfde wat men vroeger, toen het door de Belgen geschiedde, hier te lande zoo algemeen en te recht had afgekeurd en bespot, vond nu eveneens plaats.
   (1847). Het liet zich echter aanzien, dat de vrienden van den vooruitgang hun doel bereiken zouden. Bij de opening der nieuwe zitting kondigde de Koning aan (Oct.), dat een voordracht tot herziening der Grondwet zou worden ingediend. Hoog gespannen was nu de verwachting: en ook zelfs zij, die voor ontijdige verandering beschroomd waren geweest, waren van oordeel, dat nu de Regeering wel zou doen, naar de behoeften des tijds billijke wijzigingen in de staatsregeling voor te stellen, en, gelijk men 't noemt, het initiatief te nemen bij het tot stand brengen eener herziening, zonder te wachten, dat die - wat altijd gevaarlijk is - haar werd afgeperst.
   (1848). En zoo immer, dan was dit nu geraden geweest. Een ontzettende gebeurtenis was de voorbode van een staat van verwarring en onrust, gelijk Europa zelden te voren beleefd had. Een nieuwe omwenteling was in Frankrijk uitgebroken. Een schijnbaar nietige aangelegenheid, het verbieden van een openbaar feestmaal, waarop men vermoedde, dat oproerige taal zou gehouden worden, gaf aanleiding tot een driedaagschen straatoorlog te Parijs, eerst, zoo als 't altijd heette, alleen tegen 's Konings ministers gevoerd, doch die eindigde met het omver stooten van den sints 18 jaren door Lodewijk Filips bekleeden zetel. Even als zijn voorganger Karel X, en als moest hier de weder-vergelding in al hare volheid worden toegepast, zag zich de grijze Vorst, wiens krachtigen geest en wijs beleid Europa zoolang bewonderd had, genoodzaakt den staf neder te leggen, dien hij na 't uitdrijven des wettigen Soevereins had opgenomen: even als Karel X, moest hij als balling het land ruimen, en zonder, als Karel X, een talriujke partij achter te laten, wier verkleefdheid voor niets terugdeinsde en onophoudelijk werkzaam bleef ten gunste van het oude Vorstenhuis. Maar niet allen Lodewijk Filips, ook het koningschap werd ter zijde gesteld, de Republiek werd uitgeroepen onder de oude leus van "Vrijheid, Gelijkheid, Broederschap," en een Voorlopig Bewind ingesteld.
   De vrijheidskreet, in Frankrijk aangeheven, vond niet slechts weêrklank, maar het daar gebeurde ook navolging in Europa. Berlijn, Weenen, al de Duitsche Staten, werden achtereenvolgens tooneelen van wanorde en strijd: in stede der oude Bondsvergadering, waar de Vorsten hun Gezanten zonden, vestigde zich in Frankfort een vergadering van afgevaardigden uit de verschillende Staten, die een Centraal Bestuur voor geheel Duitschland instelden met den aartshertog Johan van Oostenrijk aan 't hoofd. Lombardijën en Hongarijën stonden tegen Oostenrijk, Siciliën tegen Napels, Rome tegen den Paus, Sleeswijk tegen Denemarken op: in één woord, Europa was van moord- en schriktooneelen vervuld.
   Hier te lande bleef wel het volk bedaard, en er had, uitgenomen het insmijten (24 Mrt.) van een aantal glasruiten door boeven en baldadige knapen te Amsterdam, geen opschudding noch ongeregeldheid plaats; maar men ondervind hier in andere opzichten de treurige gevolgen der verwarring, die in Europa heerschte. De daling der fondsen en het niet voldoen aan hunne verbintenissen door vele elders gevestigde huizen van handel, hadden ten gevolge, dat ook hier, inzonderheid te Amsterdam, een aantal kooplieden en zoogenaamde spekulannten zich genoodzaakt zagen hun betalingen te staken, en dat een tijd lang bijna ieder beursdag door nieuwe faljieten gekenmerkt werd.
   In dezen stand van zaken stonden voor de Regeering twee wegen open: of, aan den revolutionairen stroom, die ook ons vaderland bedreigen kon, een krachtigen dam tegen te stellen, en door een vaste houding vrees in te boezemen aan al wie het voorbeeld der Fransche of Duitsche vrijheidskraaiers zou hebben willen volgen, of, de beloofde voordracht van Grondwetsherziening, zoo ruim mogelijk, en van die Grondwet eindelijk een echt nationale instelling, te maken. Dan het scheen of de geest van laauwheid en weifeling, die de ministeriën onder Willem I gekenmerkt had, nog onder de tegenwoordige Ministers heerschte: en geheel onbeteekenend wederom waren de voordrachten, waar men eindelijk (Mrt.) mede te berde kwam.
   Algemeen was, meer nog dan te voren, de te-leurstelling - de ontevredenheid. De Liberalen waanden zich bespot; maar ook zelfs zij, die zich nooit veel goeds van een herziening beloofd hadden, keurden af, dat men, door eerst toezeggingen te doen, die men naderhand niet, of niet genoegzaam verwezentlijke, aan de andersdenkenden billijke stof tot klagen gaf.
   In dezen stand der zaken begreep de Koning zelf te moeten doen, wat zijn Ministers niet gedaan hadden, en de wenschen der Liberalen te vervullen. Den voorzitter der Tweede Kamer bij zich ontboden hebbende, noodigde hij dezen uit, aan zijne mede-afgevaardigden te berichten, dat de Koning geneigd en bereid was, grootere uitbreiding aan de herziening te geven. Luid werd deze handelwijze geprezen in de dagbladen van de kleur van Vooruitgang; ofschoon zij die zelfde handelwijze gewis, indien zij in een anderen zin ware geweest, hevig berispt en als hoogst inkonstitutioneel zouden uitgekreten hebben: immers het strookte weinig met de vormen, door de Grondwet voorgeschreven, dat de Koningm buiten zijn ministers om, en op inofficieele wijze, aan de Kamer een verandering mededeelde in het tot nog toe gevolgde stelsel der regeering. Maar, was de vorm verkeerd, de daad zelve toonde de goede gezindheid des Konings om alles ten beste te wenden, en het was overeenkomstig zijn ridderlijke geäardheid, den knoop door te hakken, die anders niet dan met moeite losgewrongen ware. Het sprak van zelve, dat de Ministers, nu de Koning hen verliet, niet aan het roer konden blijven: en een tijdelijk ministerie werd gevormd (15 Mrt.), met den graaf Schimmelpenninck, zoon van den voormaligen Raadpensionaris, aan het hoofd. Doch in stede van aan 't nieuw Ministerie, gelijk regelmatig geweest ware, het opstellen van een ontwerp van Herziening over te laten, droeg de Koning dien arbeid op aan een bijzondere Kommissie, met Thorbecke als voorzitter. Natuurlijk was hieruit het bezwaar te voorzien, dat de Ministers zich geheel of gedeeltelijk niet zouden kunnen vereenigen met het werk der Kommissie, en dit althans in de Kamers niet als het hunne verdedigen. Er ontstond verschil van gevoelen tusschen Schimmelpenninck en de meerderheid zijner ambtgenooten, 't geen zijn aftreden ten gevolge had: dit had ten minste het voordeel, dat daardoor een der mede mede-opstellers van het ontwerp, Donker Curtius, die tijdelijk met het ministerie van Justitie bekleed was, als verdediger der beginselen, in dat ontwerp vervat, voor de Kamer kon optreden. Dit geschiedde echter niet, dan nadat het oorspronkelijke opstel der Kommissie aanmerkelijke wijzigingen had ondergaan.
   Dat ontwerp van Gewijzigde Grondwet, nu aan de Kamers aangeboden, was in twaalf wetsvoordrachten verdeeld. In vele opzichten werden de bepalingen der bestaande Grondwet daarbij behouden: de Raad van State, zoowel als de Eerste en Tweede Kamer bleven in wezen. Doch de leden der Eerste Kamer zouden niet, gelijk tot nog toe, een schadeloosstelling van f 3000 ontvangen, maar voor niet hun betrekking waarnemen; en tevens niet langer door den Koning, maar door de Provinciale Staten, worden verkozen. Ook zouden zij niet voor hun leven, maar voopr negen jaar zitting nemen. De Provinciale Staten zoo wel als de leden der Tweede Kamer zouden in 't vervolg in kiesdistrikten, de eerste voor zes, de tweede voor vier jaar, benoemd worden door de meerderjarige ingeztenen, Nederlanders, die in de direkte belastingen een som betaalden, afwisselende tusschen f 20 en f 160.
   Over het geheel was het nieuwe ontwerp verre van welgevallig aan de beide Kamers. De Eerste zou, door het aan te nemen, een soort zelfmoord begaan: en ook in de Tweede was de groote meerderheid der leden tegen sommigen der daarin uitgedrukte hoofdbeginselen - als: vrijheid van onderwijs, afschaffing van het recht van Placet (waardoor geene bevelen of rondgaande brieven der Hooge Geestelijkheid zonder 's Konings verlof mochten worden afgekondigd), rechtstreeksche verkiezingen en recht van vereenigingen - hevig ingenomen; maar, hoe luide zij er tegen spraken, de meeste tegenstanders, beängst, dat hetgeen men in duitschland en Frankrijk gezuen had, ook hier zou plaats vinden, begrepen, dat het beter was den tijdgeest te huldigen dan te tarten, en stemden voor; en even zoo de Eerste Kamer, waar men het zonderlinge schouwspel had, dat velen onder hen, die vroeger onder de zoogenaamde mannen van 't Behoud gerekend waren, nu hun goedkeurende stem aan de wetsontwerpen schonken; terwijl anderen, die mede tot de voormalige Oppozitie behoorden, onder welke de bejaarde Van Nes, die sedert dertig jaren op een meer liberale Konstitutie had aangedrongen, thans tot de hevigste tegenstanders en tegenstemmers behoorden. Dat de aangenomen Voordrachten, nu nogmaals aan het oordeel eener in dubbelen getale vergaderde Tweede Kamer onderworpen, aldaar zonder moeite doorgingen, was te voorzien: en, nadat zij nu nogmaals de Eerste Kamer hadden doorloopen, werden zij plechtig den volke afgekondigd (3 Nov.). De rechtstreeksche verkiezingen hadden nu plaats, en nieuwe Kamers - de eerste uit 39 leden bestaande en, voor deze eerste reis, door den Koning benoemd (1 Dec.), uit dubbeltallen, door de Stemgerechtigden gekozen, de Tweede uit 65 leden (een op de 45,000 zielen) - namen zitting in den aanvang des volgenden jaars.
   Zoo liep het jaar 1848 ten einde, dat immer merkwaardig zal zijn in de geschiedenis van Europa. Treffend vooral was de tegenstelling, welke het opleverde, wanneer het vergeleken werd met het jaar 1648, toen de Munstersche vrede een reeks van langdurige oorlogen sloot, terwijl thans, na een langdurigen vrede, bijna overal het zwaard getrokken werd. Het tweede eeuwgetijde van dien vrede van Munster bleef dan ook niet onherdacht in een land, dat er zijn rang onder de Staten van Europa aan verschuldigd was. De predikanten op hun kansel, de dichters in hun verzen vermeldden wt toen was gebeurd, en op het plein te 's Gravenhage werd, op den jaardag van dien vrede, het standbeeld van den grondlegger van Nederlands vrijheid, van Prins Willem I - door Royer gebeeldhouwd en bekostigd door de Natie - plechtig onthuld.
   Nederland had, gelijk wij gezien hebben, ook zijn aandeel gevoeld van den schok, dien Europa bekomen had. Meer bijzondere aanleiding tot droefheid had men hier te lande gevonden, vooreerst (20 Feb.) in den dood van den algemeen om zijn innemend karakter en heuschen omgang beminden prins Alexander, 's Konings tweeden zoon, die op Madera, waar hij zich tot herstel zijner verzwakte gezondheid begeven had, overleed, en ten anderen (7-9 Juni) in het mislukken van een krijgstocht, door onze scheeps- en landmacht in de Oost ondernomen tegen het eilamd Bali, wels Vorsten ons gezag aldaar weêrstreefden. Die nederlaag werd echter, een jaar later, op 't glansrijkst gewroken.
   (1849). Had men, bij dit alles, stof tot dankbaarheid, wanneer men den toestand des Lands met dien van de meeste Europeesche Rijken vergeleek, was men algemeen verheigd, nu de Staatshervorming, al voldeed zij niet aan aller wenschen, voor 't minst zonder burgertwist en strijd was tot stand gekomen, nog waren er geen drie maanden verloopen, of een even onverwachte als droevige gebeurtenis dompelde het vaderland in rouw. De Koning, zich naar Tilburg begeven hebbende, nabij welke plaats hij belangrijke grondbezittingen had en waar hij zich gaarne onthield, werd aldaar aangetast door een bezetting op de borst, met koortsen vergezeld. Zoo hevig verergerde de ziekte, dat hij, slechts weinige dagen na zijn komst aldaar, in zes-en-vijftigjarigen ouderdom overleed (17 Mrt.).
   Nog te kort een tijd is sedert het afsterven van Willem II verloopen, om een onpartijdige beschouwing van zijn leven en karakter te geven. Doch dat ook hem in den luisterrijken rij der Oranje-helden een eervolle plaats toekomt, dit mag opgemaakt worden uit hetgeen ik u van zijn daden heb verhaald. Ciudad-Rodrigo, Vittoria, Quatre-Bras, Waterloo, Hasselt, Leuven, en zoovele andere plaatsen zullen voortdurend van zijn moed en krijgsbeleid blijven getuigen: even gelijk geen van allen, wien 't vergund is geweest, hem te benaderen, ooit zal nalaten te spreken van zijn ridderlijk voorkomen, van zijn minzaamheid, van zijn welwillendheid, van zoovele andere hoedanigheden, waardoor hij ook zelfs het hart won van den zoodanige, die, met een vooroordeel tegen hem, in zijn tegenwoordigheid verscheen. Van zijn kunstzin spreken de voortreffelijke gebouwen, onder zijn opzicht, dikwijls naar de door hem zelven gegeven plannen, te 's Gravenhage en elders opgericht, en de kostbare verzameling van schilderijen en teekeningen, in zijn paleis bijeengebracht.
   De prins van Oranje bevond zich in 't Noorden van Engeland, op het oogenblik van zijn vaders overlijden, en het leed alzoo eenige dagen, eer hij, op de hem gezonden tijding, in het Vaderland was teruggekeerd. Wij bevonden ons dus een tijd lang zonder Soeverein en alzoo, in zeker opzichtm in een staat van regeeringloosheid, die aan kwalijkgezinden de meest gewenschte gelegenheid zou hebben aangeboden, om kwaad te stoken. Doch het gezond verstand der Natie en haar zucht tot orde legden zich te dier gelegenheid op een treffelijke wijze aan den dag. De rust werd nergens gestoord: en van den Minister af tot aan den geringsten burger toe, toonde elk zich bereid om mede te werken, ten einde alle zaken den gewonen, regelmatigen gang zouden bewaren. Moge dat gezond verstand, die zucht tot orde, de Natie blijven kenmerken: mogen zij vooral geheiligd worden door den geest van godsvrucht en berusting in Hooger wil, die de schoonste kenmerken waren onzer voorvaderen, dan zullen, ook in den meer nederigen rang, dien Nederland thans onder de volkeren van Europa bekleedt, nog dagen van vrede en welvaart en geluk door onze landgenooten kunnen beleefd worden, en een eensgezinde Natie, gehecht aan de afstammelingen van het doorluchtig Stamhuis, welks lot sedert eeuwen aa dat van Nederland verbonden was, zal met blijmoedigen trots terugzien op den dag, toen zijn Vertegenwoordigers, in de Nieuwe Kerk te Amsterdam vergaderd (12 Mei), dem eed van trouw aflegden aan Koning Willem de Derde.


    En hiermede, mijne kinderen! besluit ik een arbeid, voor ruim zeventien jaren ten uwen gevalle aangevangen, en welken God mij vergund heeft, onder velerlei lotgevallen en bij menigvuldige bezigheden, tot op onzen tegenwoordigen tijd ten einde te brengen. Gij zijt in jaren en kennis gevorderd, sedert die genoegelijke dagen, toen ik aan de oudsten onder u, aan mijn zijde gezeten, de eerste hoofdstukken uit het handshcrift voorlas en poogde te verduideljken: en naarmate uwe vatbaarheid grooter werd, heb ik ook, van lieverlede, in mijn verhaal, den kindertoon verlaten, en als 't ware gelijken tred met uwe ontwikkeling pogen te houden. Mogen de uren, aan dit mijn werk besteed, voor u, voor anderen, niet vruchteloos besteed zijn geweest. Mogen de lessen, die de Geschiedenis van ons dierbaar Vaderland zoo talrijk oplevert, nimmer voor u verloren gaan. Moge vooral de lezing van mijn werk u meer en meer in de overtuiging versterken, dat, zonder gehoorzaamheid aan de Wet, trouw aan de Regeering, eenrachtige gezindheid tusschen Medeburgers, en onderworpen berusting in den wil des Alleenwijzen Albestuurders, geen Rijk op den duur bestaan, geen Natie gelukkig wezen kan.

J. van Lennep.


webdesign & copyright
© 2001-2005 Eveline
→