Geschiedenis Noord-Nederland 18

 overzicht
Inhoud
Start
ACHTTIENDE HOOFDSTUK


Grondwet van 1815. - Teruggave der Koloniën. - Lofwaardig gedrag van Doeff in Japan. - Tuchtiging van Algiers. - Huwelijk van den prins van Oranje met de grootvorstin Anna Paulowna. - Nadeelen der vereeniging met Belgiën. - Radikalen en Liberalen. - Oorlog met den sultan van Palembang. - De liberale begrippen in Nederland gehuldigd. - Invloed der lessen en schriften van Bilderdijk. - Regeeringswijze van Willem I. - Ridderorde. - Amortisatie-Syndikaat. - Groote ondernemingen en werken tot stand gebracht. - Besluiten betreffende het onderwijs. - Oorlog op Java tegen Diepo Negoro. - Concordaat. - Beginselen van ontevredenheid. - Weifelende houding der Regeering. - Vereeniging der Katholieken en Liberalen. - Grieven. - Petitiën. - Hevigheid der dagbladen. - Orde der Scahnde. - Spanning in de Kamers en elders. - Boodschap des Konings van 11 Dec. 1829. - Nieuwe inwilliging der Regeering, gevolgd door nieuwe eischen der kwalijkgezinden. - Omwenteling te Parijs. - Gerustheid hier te lande.


   (1815). Gedurende het schrikkelijk tusschenspel van den inval der Franschen was een kommissie, thans gedeeltelijk uit Belgen bestaande, voortgegaan met de haar opgedragen taak om de Grondwet van 1814 te herzien en met den nieuwen toestand des Rijks, door de inlijving der Belgische provinciën, in verband te brengen. Het ontwerp, dat, als vrucht van dien arbeid, den Koning (13 Juli) werd aangeboden, behield niet alleen de isntellingen, die, ofschoon onder oude benamingen voorkomende, aan de nieuwe begrippen waren ontleend, maar voegde er nog andere bij, geschikt om ons staatsbestuur geheel op de leest der Engelsche en Fransche besturen te schoeien. Groot-Brittanje had een Huis van Lords (of Pairs): en zoo moest men nu hier een Eerste Kamer hebben, wier leden uit de aanzienlijken des Lands voor hun leven door den Koning zouden benoemd worden; - maar men bedacht niet, dat die leden van het Britsche Hoogerhuis evenknieën waren des Soevereins, en, door hun geboorte, door hun macht, door hun rijkdommen, door hun invloed, in tijden van nood ten bolwerk van den troon tegen muitzucht, maar ook ten bolkwerk der vrijheid tegen de aanmatigingen der Kroon konden strekken: - terwijl de leden der Eerste Kamer hier te lande, ook de aanzienlijkste, met al hun medeburgers gelijk staande, ontbloot waren van genoegzame onafhankelijkheid en zelfstandigheid, om de diensten te bewijzen, die men van hen zou vorderen. Een niet minder gewichtige wijziging was deze, dat de beraadslagingen der Tweede Kamer voortaan om 't andere jaar te Brussel en te 's Gravenhage zouden gehouden worden en openbaar zouden zijn; de laatste bepaling achtte men onafscheidbaar van het konstitutioneel beginsel, 't welk vordert, dat de lastgevers in staat zijn te beöordeelen, hoe hun lasthebbers zich van hun taak kwijten; - doch zij leverde geen waarborg ter wereld op, waar - gelijk hier bleef geschieden - de eigentlijke lastgevers - de Natie namelijk - niets met de keuze te maken hadden, en bracht tevens het nadeel mede, dat vele sprekers van zelve verlokt werden, minder de wet waarover gehandeld werd en de belangen des Lands, dan wel hun eigen Ik op den voorgrond te stellen, en door sierlijke redeneeringen de gunst der met klanken te paaien menigte na te jagen. Voorts werden, naar het nieuwe ontwerp, de vaste inkomsten en uitgaven slechts voor 10 jaren bepaald, 't geen den Staat aan eene op gezette tijden terugkomende krizis en aan gevaren van ontbinding bloot moest stellen. Eindelijk zou de Vorst niet langer gehouden zijn, den Hervormden godsdienst te belijden: het godsdienstig onderwijs van de openbare scholen geweerd worden: de Regeering zich niet mogen bemoeien met de innerlijke huishouding der godsdienstige Gezindheden, ook al ontvingen die subsidie: en geen voorafgaand verlof zou er noodig zijn om te laten drukken wat men goedvond; ten gevolge van welke laatste bepaling, naast de bestaande Staatsmachten, wier gezag door de wet afgebakend was, een nieuwe en door geen grenzen beperkte macht gechapen werd, die namelijk de Dagbladschrijvers, als tolken, of vermeende tolken althans, der Volksmeening.
   Het ontwerp werd door de Vergadering der Noord-Nederlandsche Staten-Generaal, die ter behandeling daarvan in dubbelen getale was opgeroepen (8-19 Aug.), met eenparigheid aangenomen: zoo algemeen was hier de ingenomenheid met de daarin vervatte beginselen, of liver, het vertrouwen, dat men in den Koning stelde. In Belgiën daar-en-tegen wekte het hevigen tegenstand. De Belgische Geestelijkheid vooral verzette zich tegen een staatsregeling, waarbij aan de Kerk niet de minste invloed gelaten werd: en toen het ontwerp aldaar (18 Aug.) aan een stemming van Notabelen werd onderworpen, verklaarden zich 527 voor en 796 tegen. Des-niet-te-min kondigde de Koning aan (24 Aug.), dat het ontwerp was aangenomen: en zulks op de vrij zonderlinge gronden, dat 1. de niet ter stemming opgekomen personen ondersteld werden er hun goedkeuring aan geschonken te hebben: 2. 126 tegenstemmers verklaard hadden, dit alleen gedaan te hebben uithoofde van eenige artikelen over de eerediensten, die het gevolg waren van overeenkomsten met de Soevereinen, en waarover zij alzoo niet hadden te oordeelen: 3. er, na de eenparigheid van gevoelens in Noord-Nederland, geen twijfel kon bestaan aangaande de gevoelens en wenschen der groote meerderheid van de gezamentlijke onderdanen.
   Ondanks deze afkondiging begrepen de Bisschoppen in Belgiën den tegenstand niet te moeten opgeven en zonden een manifest in 't licht, waarbij de eed op de nieuwe Grondwet een zondige daad verklaard en den geloovigen verboden werd. Dit gaf aanleiding tot hevige botsingen; die echter na verloop van een paar jaren werden weggenomen, ten gevolge der verklaring van de hooge Geestelijken, die den eed hadden afgelegd, dat zij zulks alleen gedaan hadden ten aanzien der burgerrechten, zonder de anti-katholieke leerstellingen te beämen. De partij der Geestelijkheid was echter verre van in Belgiën alvermogend te zijn. Van de lieden van gezag en invloed aldaar hadden verreweg de meesten de begrippen der Fransche wijsbegeerte en der nieuwe politiek ingezogen: en de steun, dien zij den Koning verleenden, strekte niet weinig om den tegenstand der Geestelijken te bedwingen of krachteloos te maken. Eerst later zouden deze het hoofd weder opsteken: wij zullen zien met welk gevolg.
   Ten gevolge der nieuwe Grondwet, of liever der verdragen met de Mogendheden aangegaan, bestond het Koninkrijk der Nederlanden thans uit zeventien Gewesten, als Noordbrabant, Zuidbrabant, Limburg, Gelderland, Luik, Oostvlaanderen, Westvlaanderen, Henegouwen, Holland, Zeeland, Namen, Antwerpen, Utrecht, Friesland, Overijsel, Groningen en Drenthe; terwijl ook het Groot-Hertogdom Luxemburg zijn Afgevaardigden zond tot de Staten-Generaal, hoezeer zijn betrekking behoudende tot het Duitsche Rijk; zoodat de Koning, als Groot-Hertog, stem en zitting verkreeg bij den Duitschen Bond.
   Ofschoon, volgens het traktaat van 1814, de O.I. Bezittingen binnen zes maanden door de Engelschen hadden moeten teruggegeven worden, had de oorlog met Frankrijk belet, dat aan deze voorwaarde voldaan kon worden. De troepen, hier te lande in gereedheid gebracht om naar Java te trekken, hadden moeten gebezigd worden tot verdediging van den vaderlandschen bodem tegen Napoleon: en zoo verliep een geruime tijd eer aan een afzending van legerbenden naar de Koloniën kon gedacht worden. Nog dat jaar vertrok een smaldeel onder den vice-amiraal Van Braam naar de West-Indiën (11 Nov), 't welk derwaarts de Goeveneurs overbracht van Suriname, Curaçao, St. Eustatius, Saba en St. Martin: de overgave geschiedde zeer vreedzaam. De vloot, naar Java bestemd, zeilde af in 't begin van 't volgende jaar (1816). Zij had aan boord de Kommissarissen-Generaal Elout, Van der Capellen en Buyskes, waarvan de tweede tevens met de waardigheid van Goeveneur-Generaal was bekleed. Niet gemakkelijk was hun opgelegde taak. De val van het Nederlandsch gezag had bij de Indische vorsten en volkeren het droombeeld doen verdwijnen, 't welk de ondervinding van eeuwen hun aangaande onze onoverwinnelijkheid had doen opvatten; en weinig schenen zij geneigd, zich op nieuw aan dat gezag te onderwerpen. Doch ook Sir Stamford Raffles, de Engelsche landvoogd, bleef een tijd lang weigerachtig, de kolonie aan de Nederlanders in te ruimen, voorwendende daartoe geene bevelen ontvangen te hebben. Eindelijk had ook hier de overgave plaats.
   Deerlijk was de toestand, waarin de Kommissarissen-Generaal de eens zoo bleoeiende Kolonie vonden, thans, zoo door het noodlottig beheer van Daendels als door het stelsel, daarna door de Engelschen ingevoerd, ten eenenmale uiteput. Intusschen begrepen zij, dat een terugkeer tot het oude stelsel onmogelijk was, en namen alzoo het Engelsche stelsel onder eenige wijzigingen aan, met zoo gunstig gevolg, dat in zes jaren de vermeerdering der inkomsten, van de grondbelasting alleen, over de 22 tonnen gouds bedroeg.
   De Javanen over 't algemeen waren niet ontevreden met den terugkeer van 't Nederlandsch bestuur; doch het ontbrak er, als ik zoo even zeide, niet aan misnoegden, en op Java braken weldra opstanden uit, die echter spoedig en krachtdadig gedempt werden. Meer moeite kostte het, de Amboinezen te beteugelen, die zich aan den moord van den resident Van den berg en zijn huisgezin en van een honderdtal Europeanen schuldig hadden gemaakt. De vice-amiraal Buyskes, een der Kommissarissen, vertrok zelf derwaarts, met twee linieschepen, een fregat en eenige kleinere vaartuigen, en dwong de ingezetenen tot onderwerping.
   Het terugkeren der Nederlanders op Java had ook wederom de betrekking geöpend met Japan. Het was daar, aan dien uithoek der aarde, dat, ook toen ons Vaderland onder vreemd geweld moest bukken, de oude vlag bestendig was blijven waaien. Verdient deze omstandigheid vermelding, niet minder merkwaardig is het gedrag, door den gezagvoerder aldaar, Hendrik Doeff, gedurende een reeks van jaren, waarin hij van alle berichten uit het moederland verstoken bleef, gehouden. In 1799 in Japan gekomen, was hij in 1803 aan Willem Wardenaar als opperhoofd opgevolgd. De gewone duur dezer betrekking was vijf jaren, en zoo mocht Doeff zich dan ook in 1803 met de hoop vleien van afgelost te worden. Maar toen de tijd, dat men schepen van Batavia verwachtte, daar was, verscheen er geen Hollandsch, maar een Engelsch schip, welks bevelhebber, onder Hollandsche vlag genaderd, twee door Doeff afgevaardigde ambtenaren verraderlijk liet gevangen nemen, die hij echter, ten gevolge der krachtige dreigementen van den goeveneur van Nangazaki, zich genoodzaakt vond weder los te laten. Eerst in 1809 ontving Doeff eenig bericht uit java; doch toen verliepen er wederom vijf jaren eer hij en de zes of zzeven Hollanders, die met hem waren, de droevige en pijnlijke eentoonigheid van hun verblijf op het 600 voet lange en 220 voet breede eiland Decima afgewisseld zagen door de komst van een paar vaartuigen. Maar wederom moest Doeff een grievende teleurstelling ondervinden. Op die schepen bevond zich het oud-opperhoofd Wardenaar, doch die thans - het was Augustus 1813 - door Raffles afgezonden, kwam eischen, dat Doeff zich aan hem, als Kommissaris der Engelsche Regeering, zou onderwerpen, en Decima in zijne handen stellen. Dan, noch logenachtige mededeelingen betreffende een zoogenaamde kapitulatie, waarbij ook Decima aan de Engelschen zou zijn afgestaan, noch beroepen op vroegere vriendschapsbetrekkingen, noch aanbiedingen van belooning en bevordering, noch bedreigingen eindelijk, waren in staat, Doeff te bewegen, aan zijn plicht ongetrouw te worden. Te schooner was zijn handelwijze in deze, naarmate de verzoeking grooter voor hem wezen moest, om het land te verlaten, waar hij in ballingschap, en van alles verstoken, zijn dagen doorbracht, en hem de keus werd aangeboden om zijn dagen in gemak en overvloed te slijten. Doch verre van zelfs te aarzelen, dreigde hij op zijne beurt Wardenaar, dat, zoo deze niet spoedig vertrok, hij zijn verraderlijke voorstellen aan het Japansche Bestuur zou bekend maken: ja hij wist hem en den met hem gekomen Engelschen kommissaris zoo beängst te maken, dat zij de afdoening bewerkstelligden eener schuld van over de f 100,000, die het kantoor, ten gevolge van het stilstaan des handels, op zich geladen had. - Nog eenmaal, en wel in 't jaar 1814, beproefde Raffles de trouw van Doeff te doen wankelen en hem een medeopperhoofd toe te voegen; doch deze reis was Doeff, voor wien men de bevrijding van Nederland niet geheim kon houden, nog veel minder over te halen (6 Dec.). Het leed echter nog drie jaren eer de zoo lang reikhalzend verwachte Hollandsche schepen kwamen en hem uit zijn langdurige ballingschap verlosten. Twee jaren vertoefde hij nog te Batavia en keerde toen met den kommissaris-generaal Elout terug.
   Intusschen wa 's Lands zeemacht in de gelegenheid geweest, zich, niet slechts bij 't Vaderland, maar bij geheel Europa, verdienstelijk te maken. De geweldenarijen, door de Algerijnen gepleegd, hadden de Britsche Regeering tot het besluit gebracht, hen daarvoor op een gestrenge wijze te tuchtigen, en zulks in overeenstemming met de onze. Een smaldeel van 12 oorlogsschepen onder Lord Exmouth, en van zes Nederlandsche schepen onder den vice-amiraal Van Capellen, stevende naar Algiers: de stad werd bijna half in brand geschoten, de geheele zeemacht der roovers verbrand (27 Aug.), en ten gevolge van een met den Dey gesloten verdrag, 1083 kristenslaven in vrijheid gesteld.
   Nog door een andere gebeurtenis was dit jaar merkwaardig. Kort na de omwenteling was de prins van Oranje verloofd geworden met Charlotte, dochter en erfgename van den prins van Wallis, die het regentschap uitoefende voor zijn nu ouden en zwakken Vader George III. Dit huwelijksplan was echter afgesprongen, 't zij, dat men het, zoo in Engeland als hier, onraadzaam achtte, een toekomstigen koning der Nederlanden aan een toekomstige koningin van GRoot-Brittanje te verbinden, 't zij, dat de redenen, waaruit de breuk ontsproot, buiten de staatkunde gelegen waren. Er moest nu naar een andere vorstendochter worden uitgezien: en voor den Prins werd de hand gevraagd en verworven van de grootvorstin Anna Paulowna, zuster van keizer ALexander. Dit huwelijk, in dit jaar (21 Febr. 1817) voltrokken, werd reeds in het volgende gezegend door de geboorte van een zoon (19 Febr.), aan wien de namen van Willem Alexander Paul Frederik Lodewijk werden gegeven. Prinses Charlotte was inmiddels uitgehuwlijkt geworden aan Leopold, hertog van Saxen-Koburg-Gotha (6 Nov.); maar slechts kort duurde de vereeniging dewijl zij eerlang overleed. Haar echtgenoot bleef zich sedert in Engeland ophouden, van waar hij eerst na 13 jaren over kwam om ook in onze geschiedenis een belangrijke rol te vervullen.
   (1817). Gunstig waren de uitzichten, die zich, na de opheffing der belemmeringen, waaronder zeevaart en handel zoolang hadden gebukt gegaan, voor Nederland opdeden, en Holland vooral begon weder een hoogte te bereiken, waardoor het op nieuw het vooruitzicht had, eene der hoofd-marktplaatsen van Europa te zullen worden. En toch mocht ons Vaderland, ook gedurende een vijftienjarigen vrede, en met middelen waar het vroeger van verstoken was, zich nimmer weder verheffen tot den bloei, dien het in tijden van oorlog en verwarring had. De redenen hiervan lagen deels in den algemeenen staat van zaken, die zoo geheel van den vroegeren verschilde, deels in de verkeerde, deels in de verkeerde beginselen van staathuishoudkunde, die men volgde.
   Wat de verandering in den staat van zaken betrof, zoo dient in 't oog te worden gehouden, dat ons Land zijn voormaligen bloei voornamelijk aan twee oorzaken schuldig was, te weten: 1 aan den ondernemingsgeest en de veerkracht onzer voorvaderen, die overal ter wereld, waar maar iets te verdienen of eenig voordeel tehalen viel, voet hadden weten te verkrijgen om zich te vestigen: 2 aan het monopolie of den "alleenhandel", welken zij zich dien ten gevolge hadden weten te verschaffen. Ons Land, en inzonderheid Amsterdam, was daardoor de marktplaats geworden, waar alle mogelijke voorwerpen van handel, 't zij door onze, 't zij door vreemde kooplieden, werden aangevoerd, en waar zij, die aan die voorwerpen behoefte hadden, wel moesten komen, om zich die aan te schaffen. Dewijl nu hij, die hier zijn waren ter verkoop aanbood en hij, die ze koopen wilde, zelden in staat waren, dit in persoon te komen doen, zoo moesten zij hier lieden hebben, die hun belangen waarnamen, en zoo genoot men hier, behalve de voordeelen, die men trok uit hetgeen men verkocht, ook nog vooral geen mindere voordeelen uit hetgeen vreemden aan vreemden door middel van de zoogenaamde tusschenhand verkochten. Maar toen, ten gevolge van den oorlog onze handel had stil gestaan en de betrekkingen zoo met onze koloniën als met het buitenland stilstonden, en ons Land alzoo ophield markt te zijn, waar men zich wat men noodig had verschaffen kwam, was men elders begonnen, de koopwaren, in plaats van hier, aan de plaats zelve van haar oorsprong te gaan zoeken, en, voor zoo verre dit al niet geschiedde, werd de markt verplaatst naar andere koopsteden, inzonderheid naar die, welke buiten het tooneel des oorlogs, b.v. in Amerika, gelegen waren. WEl kregen wij met den vrede een gedeelte an onzen eigen handel terug en ook eenigen tusschenhandel, inzonderheid dien in granen, maar een en ander was zelfs in de verte niet te vergelijken met den handel van vroeger dagen. Engeland, de Vereenigde Staten van Noord-Amerika, Hamburg, Bremen en andere landen en steden waren ons op zijde of vooruitgestreefd en genoten nu voor zichzelve die winsten, welke vroeger ons uitsluitend ten deel vielen. Daarbij kwam nog, dat de gemakkelijke wijze, waarop men in de vorige eeuw, ten gevolge van het bestaand monopolie, zijn geld verdiende die veerkracht en dien ondernemingsgeest, waardoor men zich voorheen dat monopolie verworven had, geheel hadden uitgedoofd, zonder dat die genoegzaam weder ontwaakt waren: zoo dat men over 't algemeen meer bezorgd was om te bewaren wat men had dan om door krachtsinspanning nieuwe bronnen van welvaart op te sporen.
   Ten anderen volgde men hier, ofschoon dan nog geheel ter goeder trouw, en op het voorbeeld van andere Natiën, verkeerde beginselen van staathuishoudkunde. - Men noemt staathuishoudkunde die wetenschap, welke ons leert wat nuttig en heilzaam, wat daarentegen schadelijk en verderfelijk is, voor de belangen van den Staat. - Men verkeerde toen nog algemeen in het denkbeeld ('t welk men thans weet, geheel verwerpelijk te zijn), dat het middel om de inlandsche nijverheid de mededinging die van het buitenland te doen volhouden, niet moet gezocht worden alleen in het leveren van even deugdzame of betere voortbrengselen, maar ook en bovenal in het beschermen van de eerste ten koste der laatste, 't geen geschiedee, of door het geheel verbieden van den invoer van zoodanige voortbrengselen uit den vreemde, of door die voortbrengselen bij 't inkomen zoo zwaar te belasten, dat men afgeschrikt moest wezen, ze hier heen te zenden. Evenzeer verbood men of leî men zware lasten op den uitvoer van zoodanige grondstoffen, die men hier voor de fabrieken behoefde, en zulks, om voor te komen dat die in buitenlandsche fabrieken van gelijken aard gebezigd werden. Nu was Belgiën een land, dat zich minder door zijn handel dan wel door zijn fabriekwezen onderscheidde, en alzoo bij de Regeering op de bescherming van dat fabriekwezen aandrong. Ofschoon nu Noord-Nederland niet dezelfde belangen had, zoo moest aan den aandrang van Belgiën toch voldaan worden, en dit gaf aanleiding to een Algemeen Belastingselsel, dat, niet zonder hevige tegenkanting der Noordelijke leden door de Staten-Generaal geheel naar den zin der Belgen bekrachtigd werd. Bij dat stelsel werden hooge rechten ingevoerd, de belasting bij den oorsprong geheven en de koloniale waren belast. Aan deze nieuwe wetten was het te wijten, dat de vreemde linnenhandel te gronde ging, de ijzerhandel met Zweden geknakt werd en de veenderijen grootendeels opgeöfferd aan het belang der kooldelvingen. In weêrwil der hierover gerezen klachten, werd op denzelfden weg voortgegaan, en, twee jaren later (1819), tot groot misnoegen der Hollanders, de hoofdtakken van den handel op de Koloniën, de suiker en de koffi, nog meer bezwaard. De aanneming der daartoe strekkende wetsontwerpen, door een meerderheid, bijna uitsluitend uit Belgsiche leden der Kamer bestaande, was de voorbode van oneenigheden tusschen de twee groote afdeelingen des Rijks, waarbij de Tweede Kamer der STaten-Generaal bestendig een kampplaats vertoonde tusschen twee tegen elkander over staande partijen. Wel werd, ten gevolge van de afstemming der Tienjarige Begrooting door schier al de leden, een nieuw belastingstelsel voorgedragen (1821), naar de wenschen van den handel gewijzigd, en waarbij In- en Uitgaande rechten gesteld, en in de plaats veler Indirekte Belastingen een belasting op het Personeel, op het Gemaal en Ggeslacht ingevoerd werden; maar de goedstemming van dit nieuwe stelsel, (waaraan nog de oprichting was verbonden van een Fonds der ALgemeene Nijverheid, ten bedrage van f 1,300,000) door een meerderheid, thans bijna alleen uit Noord-Nederlandsche afgevaardigden samengesteld, - behalve dat zij op nieuw de onmogelijkheid van overeenstemming tusschen het Zuiden en Noorden bewees - was niet genoegzaam om de financiën van den Staat te herstellen. In 1815 had de oorlog een te kort van 40 millioen te weeg gebracht; doch ook nu, in vollen vrede, werd jaarlijks de schuld vergroot, ja was die in zeven jaren met 100 millioen vermeerderd. De inrichting van den Staat, vooral van de krijgsmacht, was te kostbaar, en stond in evenredigheid, noch met de krachten, noch met de bevolking van het land. Bovendien is de konstitutioneele regeeringsvorm de omslachtigste, en daardoor de duurste, niet slechts omdat zij de medewerking, althans de medebemoeienis van zoo vele personen, en daardoor het uitbetalen van zooveel meer jaarwedden, bezoldigingen, reis- en verblijfkosten, enz. vereischt, maar ook, omdat elke zaak, ook van ondergeschikt belang, over zoovele schijven loopt, en bij zoovele verschillende personen en kollegiën rond moet gaan, eer zij tot beslissing kan worden gebracht: al hetwelk niet alleen aanleiding geeft tot veel kostbaar en doorgaans nutteloos geschrijf, maar ook, wat altijd en voeral op den duur het meeste schaadt, een onschatbaren tijd doet verloren gaan. Bij dit alles kwam nog, dat de Staten-Generaal, vooreerst, niet genoegzaam in staat gesteld waren om toe te zien op het gebruik, dat door de Regeering van 's Lands gelden werd gemaakt, en ten andere, dat zij, van hun rechten om toe te zien, voor zoo verre zij het ebzaten, geen gebruik maakten. Wel werden er, zoo hier als in Belgiën, klachten aangeheven, wanneer de eene afdeeling des Rijks boven de andere begunstigd scheen te worden, maar men dacht er nog niet aan, de Staatsinstellingen te berispen, en men leefde gerust voort in een vol vertrouwen op de wijsheid en braafheid des Konings. Ook mocht men zich hier, bij vrede en betrekkelijken voorspoed, gelukkig noemen, zoodra men zich bij andere Natiën vergeleek. In het overige Europa woelde en werkte nog bestendig een geest van onvergenoegdheid en van wederstand tegen de gevestigde machten. In Duitschland, waar bij de Bondsakte het behoud of herstel der Lands-Stenden was toegezegd, werd luide aangedrongen op de invoering van het stelsel der Volks-vertegenwoordiging, en vormden zich, even als in Italiën, geheime Genootschappen tegen de Regeeringen: in Spanje, Portugal en Napels werden omwentelingen door de militairen bewerkt: in Frankrijk, aan hetwelk Lodewijk XVIII mede een konstitutie geschonken had, werden tot leden van de Kamer der Vertegenwoordigers verscheidene bekende tegenstanders der Regeering verkozen, ja zelfs een van hen, die Lodewijk XVI ter dood hadden gezonden: de Hertog van Berry, jongste zoon van 's Konings broeder, werd door de dolk eens moordenaars ongebracht, en pogingen in het werk gesteld, om, door verstandhouding in het leger, staatsomkeering te verkrijgen. De groote Mogendheden, Rusland, Oostenrijk, Pruisen, Engeland en Frankrijk, bevreesd voor een geest van wederspannigheid, die hunne pas weêr gevestigde heerschappij bedreigde, verstonden zich met elkander, om dien, waar hij zich vertoonde, te fnuiken: niet slechts door kongressen, te Troppau, te Laybach en elders gehouden, maar ook door, in Napels en Piemont b.v., en later in Spanje, gewapend tusschen te komen, waar zulks oorbaar scheen. Maar zoo deze interventie (als men 't heette) de geschokte rust in Europa herstelde, zoo werd er geen onderscheid gemaakt tusschen de dwaze eischen van opstandelingen en de gerechte wenschen der Natiën, en gaf het despotismus der Mogendheden meer dan eens even billijke stof tot klachten, als vroeger dat avn Napoleon, waarvoor het in de plaats was gekomen.
   Zij, die er opentlijk voor uit kwamen, dat zij de omverwerping der bestaande instellingen beöogden, werden gewoonlijk met den naam bestempeld van radikalen, van 't Latijnsche radix, "wortel": omdat zij voorgaven, het gebrekkige met den wortel te willen uitroeien. Doch de - in schijn althans - meer bezadigde, meer den wettigen vorm bewarende tegenstanders der Regeeringen, die voorgaven, niet anders te beöogen dan het handhaven en beschermen der Konstitutie tegen de inbreuken, die de Ministers er op maakten, noemden zich, eerst in Frankrijk, later ook elders, liberalen. Dit woord beteekent oorspronkelijk: "Milddadig", doch werd langzamerhand een partijnaam ook voor hen, die in de Staatsinstellingen meer vrijheid verlangden. De uitdrukking verkreeg hierdoor een vrij onbestemde beteekenis; 't geen er in Frankrijk, waar woorden dikwerf maar klanken zijn, minder toe doet; doch men had de dwaasheid het ook over te nemen in onze taal, altijd zoo gezet op woorden, die een stellig en juist denkbeeld medebrengen: en daar het mooi klonk, wilde iedereen, zonder een precies begrip aan 't woord te hechten, liever liberaal, dan anti- op illiberaal geheeten worden: en zoo toonde menigeen, die gehuiverd zou hebben de beginsels en handelingen der Fransche oppozitie toe te juichen, indien met ze revolutionair genoemd had, zich daaraan ganschelijk toegedaan, om dat zij den fraaien naam van liberaal droegen. Hoe weinig vaste beteekenis het woord echter heeft, blijkt daaruit, dat men tot heden vruchteloos gepoogd heeft het te vertalen en met geen andere woorden weet terug te geven, dan met vrijzinnig, dat inderdaad iets anders beteekent, en wel "geneigd om vrij, naar eigen zin, te denken en te handelen," met vrijgevig, of met mild, welke twee laatste woorden ongeveer dezelfde beteekenis hebben, en zeker niet die, welke men er mede wilde uitgedrukt hebben.
   Hoe het zij, men was in Noord-Nederland liberaal, en men juichte den Koning toe, die het mede was, ofschoon eigentlijk meer in den waren, dan in den aangenomen zin des woords. Behalve dat hij zich milddadig toonde en gereed te helpen waar 't zij bijzondere personen, 't zij nuttige ondernemingen, zijn bijstand behoefden, zoo had hij ook veel van zijn populariteit daaraan te danken, dat hij wekelijks algemeen gehoor gaf, aldaar voor een ieder toegankelijk was en dikwijls zes of meer uren achtereen, staande en zonder rust te nemen, met het grootste geduld de wenschen en belangen bleef aanhooren van al wie hem gemaakte. Ook in Belgiën had zijn minzaamheid, en de ondersteuning, die hij aan de nijverheid aldaar verleende, hem de harten van velen gewonnen, terwijl zijn arbeidzaamheid en bekwaamheid aan allen achting inboezemde. De Geestelijkheid, hoezeer nog onverzoend, vond hier geenszins, zoo als in Frankrijk en elders, een vijandige partij te bestrijden, en was daarom rustig; terwijl de Belgische liberalen zich hoogelijk ingenomen toonden met een Regeering, waarbij zij steun en bescherming vonden. Zoo scheen er, wanneer men de haspelingen in de Kamers niet mederekende, geen partijschap in Nederland te bestaan en men bleef er zich, na jaren van onlusten, krijg en vernedering, in 't genot eener herwonnen onafhankelijkheid en in de weldaden van binnen- en buitenlandschen vrede verheugen.
   Die vrede was echter niet voortdurend gesmaakt geworden in al de landen, waarover Willem I als Koning gebood. In de Oost had een gevaarlijke opstand onze heerschappij bedreigd. Badr-Eddin, sultan van Palembang op Sumatra, had in 1819 uit zijn versterkt paleis een aanval gedaan op het Nederlandsche fort, en de Europeanen genoodzaakt de aldaar gevestigde faktorij te verlaten. Eenige schepen, derwaarts gezonden onder den schout-bij-nacht Wolterbeek, hadden vruchteloos gepoogd, de rivier, aan elke Palembang gelegen is, op te zeilen: het was hun onmogelijk het paalwerk te vernielen, waarmede de mond des strooms was bezet, die bovendien door sterke batterijen verdedigd werd. Men moest zich dus vergenoegen met een blokkade, en inmiddels de noodige macht bijeen brengen om den geleden hoon te wreken, het gezag der Nederlanders op Sumatra te herstellen, en te voorkomen, dat het gedrag des Sultans navolgers vond. Een rond jaar was met de toebreidselen tot een tweede onderneming verloopen: doch nu zou die dan ook beslissend zijn. Het bevel over de tegen palembang aangevoerde macht, die uit een linieschip, een fregat, twee oorlogsbrikken, en een aantal kleinere schepen bestond was opgedragen aan den generaal-majoor De Kock, een even bedaard als wakker krijgsman. Aan den mond der rivier gekomen (20 Juni 1821), vond men dien nog versterkt als in 1819; maar men had de noodige werktuigen medegebracht om het ingeheide paalwerk uit den grond te hakken, terwil de branders, tot belemmering van dien arbeid door den Sultan afgezonden, door de sloepen van het eskader verwijderd werden. De aanval der Nederlanders werd moedig door den vijand wederstaan: reeds in den loop van den dag waren aan boord van het fregat de Dageraad 60 dooden en gekwetsten, de aan wal gezette troepen werden teruggeslagen: eene der kanonneerbooten, die door het paalwerk gedrongen was, viel den vijand in handen, en een andere werd in den grond geboord. Des avonds was de Sultan nog in 't bezit van al zijn posten.
   Drie dagen later (23 Juni) werd de aanval met voorspoediger uitslag hervat. De overste Bischoff veroverde reeds voor zeven ure het versterkte eilandje Gombora, en tastte daarop met den majoor De Leeuw de verschandingen aan de zijrivier Peladjoe aan, waar drie batterijen bemachtigd werden. De korvetten Venus en Ajax brachten 's vijands waterbatterijen tot zwijgen, het paalwerk werd vernield, de schepen zeilden tot de hoofdstad op, de Sultan, tot de overgave gedwongen, werd naar Batavia gevoerd, en zijn neef in zijne plaats aangesteld.
   (1821). De rust, die de Nederlanden nu genoten, werd begunstigd door de onrust, die elders heerschte. In Frankrijk was de gesteldheid der zaken, ten gevolge van de vermetelheid der vijanden van den troon, hachlijk geworden, toen onder Villêle een schrander en krachtig Ministerie aan het roer kwam, dat aan het bijna tot machteloosheid vervallen Bewind zijn aanzien en gezag terug gaf, dat eenheid in het Bestuur, orde en openbaarheid in de financiën bracht en den bloei van Frankrijk deed herleven. Groote dingen werden onder dat Ministerie verricht. Aan de Emigranten werd een schadeloosstelling verstrekt van 1000 millioen franken, voor de hun gedurende de omwenteling wederrechtelijk ontnomen goederen: in Spanje werd, door een Fransch leger, met ;s Konings broeder aan het hoofd, de revolutiepartij, die aldaar de macht in handen gekregen had, beteugeld en het koninklijk gezag hersteld: en een vermindering van de renten der publieke schuld gaf, terwijl zij de geldmiddelen van den Staat verbeterde, aan de renteheffers meer zekere waarborgen. - Deze en andere maatregelen echter, hoezeer deels billijk, deels door den nood voorgeschreven, deels den Lande hoogst voordeelig, verwekten de hooge afkeuring der Liberalen; doch te meer steeg Willem I, die, naar de roep ging, aan al de billijke eischen van zijn volk gehoor gaf, in hun gunst. Geen wonder, dat de Koning in den hem toegezwaaiden lof een spoorslag vond om dien te blijven verdienen. Algemeene verdraagzaamheid was nu de leus: de vrije drukpers werd aangemoedigd, te meer zoo, om dat zij voor de Regeering slechts lofspraken over had: op de Hoogescholen werd alleen de liberale richting aangemoedigd en beschermd: Brussel werd een toevluchtoord voor fransche gebannenen en misnoegden, uit welke vrijplaats zij het vuur hunner aanvallen tegen de Regeering van hun Vaderland bleven richten: - en zulks onder begunstiging van ons Bewind, ja, wanneer het niet al te grof ging, onder goedkeuring van nederland. Wie anders dacht, wie tegen het zoogenaamde Liberalisme dorst te velde trekken, werd in alle tijd- en vlugschriften (de Noord-Nederlandsche dagbladen bemoeiden zich toen nog zelden met twistvragen) hevig doorgestreken, en uitgemaakt voor een aanhanger van 't absolutisme, voor een dweeper, die de nacht der middeleeuwen wilde terugbrengen. Het was vooral de meer door mij genoemde Bilderdijk, die ten doel aan dergelijke verguizing stond. Eenigen tijd te voren was men op het punt geweest, den grooten man, die in kommervolle omstandigheden verkeerde, den leerstoel der Nederlandsche Taal en Geschiedenis aan 't Atheneum te Amsterdam aan te bieden; en zeker, wat kunde in beide vakken betrof, had men niet licht zijn gelijke kunnen aantreffen. Doch andere geleerden, die den man zoowel als zijner richting vijandig waren, hadden weten te bewerken, dat dit beroep niet doorging, maar werd uitgebracht op iemand, ja van uitstekende bekwaamheid en zachte zeden, maar die in genoemde vakken nog nimmer iets verricht had. Bilderdijk, door deze handelwijs gekrenkt, verliet Amsterdam, waar hij woonde, en zette zich te Leiden neder. Hier deed hij nu, als bijzonder persoon, wat hem niet vergund was geworden als Hoogleeraar te doen, en gaf lessen over 's Lands geschiedenis. Aan de jeugd is doorgaans alles welkom wat vreemd, wat ongewoon, wat in weêrspraak met de algemeene gevoelens is: en deze reden, gevoegd bij 's mans beroemdheid en bij de heusche en hartelijke wijze waarop hij ieder ontving, die zich tot hem wendde, had ten gevolge, dat het hem nimmer aan toehoorders ontbrak, die, over 't geheel, tot de beste en bekwaamste leerlingen der Hoogeschool behoorden. Moeilijk kunt gij in onze dagen, waarin dagelijks allerlei, ook zelfd de gewaagste stellingen uit de hoogte en in 't openbaar worden gepredikt, zonder dat men er zich aan stoort, u voorstellen, welke kreten van ergernis en verontwaardiging er in dien tijd oprezen over hetgeen Bilderdijk zich verstoutte te doen en te schrijven. Men noemde hem een bederver der jeugd, en men zou, ahd men er slechts middel op gevonden, hem wel op nieuw den Lande hebben willen uitbannen, althans hem dwingen, zijn lessen te sluiten. Dit ging echter niet: maar des te feller viel men hem in geschrifte aan. Ongelukkig boden de werken, die hij uitgaf, nu en dan stof tot billijke gisping: zoo wat de juistheid van het door hem in 't midden gebrachte als wat den daarin aangeslagen toon betrof. DOch de dwalingen of onnauuwkeurigheden, welke men in zijne, gelijk in alle menschelijke werken, aantreft, waren doorgaans daaraan te wijten, dat hij, bij gebrek aan boeken, zich op zijn geheugen verliet, en dat, waar hem de weg tot bedaard onderzoek of gesloten was of te moeilijk viel, hij te veel van zijn verwonderlijk vernuft. En verdiende zijn toon wel eens bitter en scherp, afkeuring, men dacht niet genoeg aan het lange ziels- en lichaams-lijden, dat de man, ten gevolge van huislijke en politieke rampen, had ondergaan, en aan de onverdiende krenkingen, die zijn deel waren geweest. En daarbij wilde men, om enkele gebreken, het vele goede en ware niet zien, dat hij verkondigde. Dan, in weêrwil van de tegenspraak, door hem, en door de weinigen, die zijn voetspoor opentlijk dorsten volgen, ondervonden, breidde zijn invloed, eerst binnen een kleinen kring ebsloten, zich van lieverlede al verder en verder uit; en het blin vertrouwen, waarmede men vroeger de begrippen aangaande staatkune en geschiedenis, zoo als zich die in de 18de eeuw hadden gevormd, had aangenomen, maakte plaats voor een zucht tot onderzoek en nasporing, waaraan men de meeste voortreffelijke werken, die later daaromtrent het licht zagen, te danken heeft.
   Werd Willem I algemeen als de liberaalste Vorst van Europa geprezen, hij was er verre af, gelijk ik reeds zeide, zulks naar de aangenomen beteekenis van dat woord te zijn. In tegendeel was zijn bestuur in vele opzichten zoo willekeurig als de Grondwet maar eenigszins, dikwijls meer dan zij toeliet. Als Alleenheerscher zou een Vorst, braaf, kundig en werkzaam als Willem I, zijn gelijke naauwlijks hebben gehad; maar, door een Grondwet belemmerd, zocht hij, waar hij het goede wilde, den band, waarin zij hem omknelde, zoo rekkelijk te maken als mogelijk was. Naijverig op zijn eigen gezag, steeds beducht, dat een ander zich te veel zou aanmatigen, en zelf gaarne alles willende verrichten, poogde hij, waar hij kon, elke macht in den Staat, die der Staten-Generaal, der Provinciale Staten, der Gemeente-besturen, te besnoeien en aan zich te trekken. Ongaarne zag hij de Tweede Kamer zich met zijn Ministers in betrekking stellen en belemmerde zulks waar hij kon: de leden der Staten-Generaal werden verplicht, wanneer zij hun ontslag verlangden, zich tot hem te wenden, als of zij ambtenaren van den Staat, geen vertegenwoordigers der Natie waren. Alle aangelegenheden werden tot hem gebracht, of althans tot de goeverneurs der Provinciën of de burgeneesters der Steden: vele zaken, over welke de Kamers hadden moeten worden gehoord, werden bij eenvoudig koninklijk besluit geregeld: provinciale of gemeente-reglementen, volgens de Grondwet alleen aan 's konings bekrachtiging onderworpen, werden meermalen zoo gewijzigd en veranderd, dat zij niets meer inhielden van wat de wensch en het doel der stellers geweest was: het kiesrecht, reeds uit den aard niet zeer uitgebreid, werd nog meer ingekrompen: de kiezers, die in de steden de raadsplaatsen aanvulden, werden voor negen jaren, de raden voor hun leven benoemd: door het besluit omtrent de konflikten werd de bevoegdheid aan de Goeverneurs verleend, om gedingen, waarin het Bestuur betrokken was, aan de kennisneming der rechtbanken te onttrekken.
   Geen wonder, dat een Vorst, die alles door eigen oogen zien, en die zelf niet slechts regeeren, maar ook besturen wilde, tot staatsdienaars alleen de zoodanigen begeeren en behouden kon, die zijnen inzichten waren toegedaan en zijne plannen uitwerkten of begunstigden. Het noodzakelijk gevolg hiervan was, dat achtereenvolgens alle zelfstandige lieden en die hun begrippen aan geen rang of titel ten offer wilden brengen, als Van Hogendorp, Falck, Röell, Janssen (de voormalige verdediger van de Kaap), van 't bestuur verwijderd werden. De eerste was, reeds in 1819, omdat hij in de Tweede Kamer den vrijen handel had voorgestaan, door den Koning, bij besluit, van zijn waardigheid van Minister van Staat beroods geworden: de tweede werd naar Engeland gezonden, om aldaar Fagel als afgezant op te volgen: de derde werd evenzeer buiten alle zaken gehouden: alleen werd hij om 't andere jaar met het Voorzitterschap der Eerste Kamer bekleed en bleef tot den dood toe kanselier der orde van den Nederlandschen Leeuw, gelijk Janssens van de Militaire Willems-orde. Deze orden waren ingesteld geworden, de eerste om burgerlijke, de laatste om militaire verdiensten te beloonen of te erkennen; doch de miskenning der geschiedenis had aan een Ridderorde in onze dagen een geheel ander denkbeeld doen hechten, dan met den oorpsronkelijken aard eener dergelijke instelling overeenkwam. Te voren was een Ridderorde een soort van Broederschap, die voorrechten schonk en verplichtingen opleide, die een besturend Kapittel aan 't hoofd had, en waar men met bepaalde plechtigheden in werd opgenomen: en zoo worden nog b.v. in engeland de orde van den Kouseband en de Bad-orde eenigermate beschouwd; doch de hier ingevoerde Orden waren geheel op de nieuwerwetsche, of liever op geene leest geschoeid. Men had Ridders zonder onderlingen band, zonder ridderlijken rang, zonder voorrechten en zonder verplichtingen, alleen door den Koning benoemd, zonder raadgevend Kapittel, ja zonder andere ambtenaren dan een kanselier en een sekretaris. Men had even goed een griffier zonder rechtbank kunnen hebben! - ja zelfs zoo schromelijk was de verwarring, dat men den naam van Orde niet aan het lichaam der Ridders meer gaf, maar aan het kruis, dat men aan 't knoopsgat hechtte; en dat een instelling, die nut had kunnen doen, zoo men de ware beginselen geraadpleegd had, niet anders werd, dan een middel voor den Soeverein, om tegenstanders te koopen, de ijdelheid van sommigen te voldoen en die van een grooter getal te leur te stellen.
   (1822). De toestand der Financiën vereischte intusschen verbetering, en zoo 't heette, tot bereiking van dat doel, werd een wet voorgesteld en aangenomen, waarbij een nieuw lichaam werd opgericht, onder den vreemd klinkenden naam van Amortizatie-Syndikaat. Amortizeeren zegt zooveel als "schadeloos maken": en nu moest door dit Syndikaat de staatsschuld verminderd, en in verscheidene uitgaven van algeeen belang voorzien worden. Als middelen hiertoe werden aan het Syndikaat getrokken: 1 de opbrengst van wegen en vaarten: 2 de domeinen, tot een zuiver inkomen van f 1,750,000, met vrijheid van verkoop: 3 een krediet van 68 millioen 2%: 4 een krediet van 26 millioen Werkelijke Schuld: 5 de machtiging tot uitgifte van 116 millioen in schuldbekentenissen tegen 4%. Van het beheer van dit lichaam werd jaarlijks, onder het zegel van geheimhouding, rekening en verantwoording gedaan aan een kommissie van zeven personen. Deze instelling gaf alzoo aan het Bewind het middel, om de bepalingen der Grondwet aangaande de openbaarheid der geldmiddelen en de beraadslaging over de begrooting te ontduiken, en, zonder gemeen overleg, ja tegen den wil der Kamers, de aanzienlijkste uitgaven te doen.
   Tegenover deze verderflijke instelling waren er verscheidene andere, die in vele opzichten nuttig geächt konden worden, en kwamen groote ondernemingen tot stand. Door de oprichting der Nederlandsche Bank was den koophandel een groot gemak verschaft: door de Maatschappij van Weldadigheid, die haar wording te danken had aan den generaal Van den Bosch, een bekwaam staathuishoudkundige, werden op de heiden van Drenthe, Friesland en Overijsel uitgestrekte dorre velden in vruchtbaren grond herschapen en aan talrijke behoeftige huisgezinnen een middel van bestaan verstrekt; den Helder werd door een reusachtig kanaal met Amsterdam verbonden, waardoor de schepen voortaan met ongebroken lading tot in de haven der hoodstad konden varen: even zoo bracht de Zuid-Willemsvaart 's Hertogenbosch en Maastricht, de Willemsvaart Zwolle en den IJsel, het Zederikskanaal Vianen en Gorcum, het kanaal van Voorne de Naas en de Merwe in verbinding. Vooral was de oprichting belangrijk der Nederlandsche Handelsmaatschappij, die aan de vaart op de Oost-Indiën een nieuw leven schonk; terwijl de naamlooze Maatschappij "tot begunstiging van volksvlijt" (1824) te Brussel de belangen der fabrieken moest bevorderen.
   Lodewijk XVIII van Frankrijk gestorven zijnde, werd opgevolgd door zijn broeder onder den naam van Karel X. Deze toonde zich reeds bij den aanvang zijner regeering (15 Sept. 1824) een krachtig beschermer der Priesterpartij en begunstigde, zoo opentlijk als in 't geheim, de Geestelijkheid, vooral de orde der Jezuïten, die sedert den val van Napoleon het hoofd krachtig had opgestoken. Niet zonder reden was Willem I beducht, dat de Belgische geestelijkheid, met de Fransche in verstandhouding, hem op nieuw het hoofd bieden en eerlang te machtig worden zou: en hij was op maatregelen bedacht om zulks te voorkomen. Tot nog toe was de verbetering van het volksonderwijs in Belgiën en het invoeren aldaar der verordeningen, zoo als zij sedert 1806 in Holland bestonden, slechts met langzamen tred gegaan, ja men had oogluikend de bemoeienissen der Geestelijken met het schoolwezen, en het onderwijs door onbevoegde onderwijzers en uit boeken, die een stellig kerkgeloof bevatteden, toegelaten. Wel waren te Brussel en elders armenscholen opgericht; en te Lier een kweekschool voor onderwijzers; doch de Geestelijkheid had van hare zijde door het uitbreiden van kleine kweekscholen of Seminariën en andere inrichtingen, haren invloed op het onderwijs weten te handhaven. Nu begreep ons Bewind, dat het tijd werd, dien invloed voor goed te doen wijken voor een meer liberaal stelsel, en niet slechts het onderwijs in 't algemeen, maar zelfs de opleiding der Roomsche priesters, onder het beheer der Regeering te stellen. (1825) Daartoe strekten: 1o. de besluiten, waarbij geene Latijnsche scholen, kollegiën of athenaea, zonder toestemming van het departement van Binnenlandsche Zaken, mochten bestaan, en op de seminariën geen onderwijs gegeven worden in vakken, die op gemelde scholen geleerd werden: 2o. de oprichting van een Collegium Philosophicum te Leuven, waar de oude talen, de geschiedenis, ook die der Kerk, het kanoniek recht enz. geleerd, en de Hoogleeraren door den Koning benoemd werden: met de bepaling, dat, van 1827 af, geene kweekelingen op de seminariën zouden worden toegelaten, dan die aan gemelde instelling hun studiën volbracht hadden.
   Vruchteloos waren de pogingen, door de Bischoppen, ja door den Paus aangewend, om de toepassing der genomen maatregelen tegen te gaan: en men moet erkennen dat de aangeheven klacht der Roomschgezinden niet ongegrond was. Reeds de naam zelf van Collegium Philosophicum moest hatelijk klinken in de ooren van hen, tegen wie de (zoogenaamde) filozofen der vorige eeuw zoo hevig waren te velde getrokken en een slechten dunk geven van de inrichting zelve. En voorts, welke waarborgen had men, dat hoogleeraren, door een Protestantsch vorst benoemd, in hun onderwijs de kerkleer, de geschiedenis, niet opzettelijk zouden verminken en bestrijden, en aan den Roomschen godsdienst een nieuwerwetsche verlichting in de plaats stellen? - Doch hoe luide de jammerkreten waren der naauwgezette Roomschgezinden, zij werden gesmoord door de jubeltoonen der Liberalen, die geen woorden genoeg vonden om den Vorst te prijzen, en als een voorbeeld aan Europa voor te stellen. Niet slechts juichten zij het toe, toen vreemde geestelijken, die zich in het onderwijs gemengd hadden, door gendarmes over de grenzen werden gebracht, maar zij ondersteunden ook met ijver de pogingen der Regeering, door het oprichten vsn scholen van wederkeerig onderricht, en van maatschappij en genootschappen ter bevordering van het onderwijs. Doch ook in Frankrijk verhieven de Liberalen den lof van onzen Koning, als die door zijn wijsheid de eene partij aan zich had weten te verbinden en de andere krachteloos te maken. Te spoedig zou Willem I ervaren, hoe weinig hij inderdaad geslaagd was, om, 't zij het eene, 't zij het andere te bewerkstelligen, en hoe weinig die stem der publieke meening te betrouwen was, welke hem thans vergoodde.
   Java had inmiddels weder een nieuwen en gevaarlijken krijg zien uitbersten. De bewerker daarvan was Diep Negoro, een prins uit het Huis des sultans van Djokjokarta, en voogd van den minderjarigen Sultan. Het fort, waarin zich naauwlijks 200 man bezetting bevonden, belegerd hebbende, had hij een opstand in het geheele grondgebied van Djokjokarta weten aan te stoken, ten gevolge waarvan al de daar aanwezige Europeanen en Sineezen vermoord werden. Het voorbeeld van Diepo Negoro werd gevolgd door den Pangerang (of Vorst) Serang, die, met ruim 10,000 man naar Demak opgerukt, aldaar een kleine bende Nederlanders, welke hem uit Samarang tegentrok, afmaakte of uit een dreef. Samarang zelf stond veeg, toen de generaal Van Geen aldaar gelukkig met een krijgsmacht aankwam (15 Sept.), en den vijand op de vlucht dreef. De Kock, wien, ten gevolge van het op handen zijnde vertrek van Van der Capellen, de waarneming van het Goeverneur-generaalschap was opgedragen, met een leger naar Djokjokarta getrokken, verloste de Europeaansche Bezetting van den hachlijken toestand, waarin zij onder een vijandelijke bevolking verkeerde, en herstelde aldaar het Nederlandsch gezag; doch Diepo Negoro wist zich te Dixo aan de rivier Progo te handhaven en van daar de Nederlandsche troepen door gestadige aanvallen te verontrusten. Wel werd hij in het volgende jaar (1826) van daar verdreven; doch hij slaagde er in, zijn benden bij zich te houden en te vermeerderen; terwijl de krijgsdans hem een geruimen tijd meer en meer voordeelig werd, en hem gestadig nieuwe helpers toevloeiden. Zoo machtig werd zijn aanhang, en zoo nadeelig werkte zijn voorbeeld, dat men hier te lande reeds voor het verlies der Kolonie begon te vreezen. Twee linieschepen met troepen werden van hier gezonden; doch tot overmaat van jammer werden zij, naauwlijks uit Texel gezeild, van een hevigen storm uit het noordwesten beloopen, waardoor het eene, de Wassenaar, op de Noord-Hollandsche kust strandde (ofschoon de manschap werd gered), en het ander, de Waterloo, zwaar beschadigd in een Engelsche haven binnenviel en hersteld moest worden. Hierdoor werd het zenden van hulp vertraagd; doch intusschen had men op Java een nieuw, en in de uitkomsten voorspoedig stelsel van krijgvoeren in 't werk gesteld, daarin bestaande, dat men overal op het betwiste grondgebied bentings of zoogenaamde kleine houten vestingen oprichtte, en tevens acht mobiele kolommen, om die te verdedigen en den vijand terug te dringen. Wel wenschte Du Bus de Ghisignies, een Belg, die thans Van der Capellen had vervangen, den oorlog op een meer krachtige wijze te doen voortzetten; doch De Kock, op vroegere ondervinding steunende, wist hem te overreden, het dempen van den opstand aan hem over te laten: en de uitkomst bekroonde dan ook zijn verwachtingen: hoewel eerst na een vijfjarigen oorlog Diepo Negoro het hoofd in den schoot lede en in ballingschap gezonden werd.
   (1827). Ik keer terug tot de gebeurtenissen hier te lande. Op het voorbeeld van de buitenlandsche waren ook de Nederlandsche dagbladen langzamerhand begonnen, hoewel nog op gematigde toon, de handelingen der Regeering, zoowel als de diskussiën in de Tweede Kamer, te beöordeelen: en de Vertegenwoordigers, van hunne zijde, de wetsontwerpen scherper te onderzoeken. Vooral bleek dat bij het behandelen van een voorgedragen Wetboek van Strafrecht, 't welk bijna eenstemmig verworpen werd, en van een Wet op de Rechterlijke Organizatie (April), waarbij een Hof in elk Gewest, zelfs in Drenthe, werd opgericht. Wel werd dit laatste aangenomen, omdat het aan ieders provinciale belangen voldeed: maar de wet had niet-te-min heftige bestrijding ondervonden.
   Ten einde de Roomschen eenigszins te vrede te stellen, sloot (18 Juni) de Koning een konkordaat met den Paus, waarbij bepaald werd, dat er te Mechelen een Aartsbisschop, te Gent, Namen, Luik, Brugge, den Bosch en Amsterdam Bisschoppen zouden zijn, door den Paus te benoemen, op een voordracht door het Kapittel van personen, den Koning welgevallig, en voorts, vrijheid van onderwijs in de seminariën werd toegestaan. Dit konkordaat, in stede van de gewenschte uitkomst te hebben, bevredigde niemand. De Liberalen en Protestanten waren er over geërgerd; de Noord-Nederlanders niet minder daarom, dat het behandelen dier zaak door den Koning was opgedragen geworden aan den gehaten De Celles, wien men, even als zijn ambtgenoot De Stassart, met leede oogen sedert eenigen tijd in de Staten-Generaal zitting had zien nemen; en, wat de Roomschen betrof, hoewel in den aanvang wel te vrede, werden zij ras (5 Oct.) verbitterd door een vertrouwelijke circulaire (rondgaanden brief) van den Minister van Binnenlandsche Zaken, waaruit bleek, dan het Bewindt zich vrij wat voorbehouden had.
   (1828). Omtrent terzelfder tijd had ook Karel X zich gedwongen gezien tot verandering in zijn staatkunde, en het Ministerie van Villéle verwijderd om dat van Martignac aan 't Bewind te roepen (4 Jan.): en hoezeer dit laatste slechts anderhalf jaar leefde, zulks was genoegzaam om de kracht der Liberalen tegenover de weifelende Regeering te doen aanwassen.
   Ongelukkig versterkte deze handelwijze van de Fransche Regeering ook de onze in de meening, dat men den roem van Liberaliteit moest blijven verdienen. Dan nu bleek het spoedig, dat de partij, die men had gevleid, onverzadelijk was in haar eischen. Het is het kenmerk van den revolutiegeest, dat hij door geen inwilliging te winnen is, maar altijd meer verlangt en krachtiger toon voert: en zoo ging het ook hier. Nu Willem I niet meer de eenige Vorst was in Europa, die aan de vorderingen der Liberalen toegaf, en dus niet meer aan anderen als uitsluitend voorbeeld kon worden voorgesteld, verdoofde de stralenkrans, waarmede hij vroeger omgeven was geweest. Aangemoedigd door hetgeen zij in Frankrijk hadden zien gebeuren, begonnen ook de Belgische liberalen meer en meer stout en overdreven te zijn in hun eischen. De Fransche instellingen, zoowel als de gehuldigde beginselen, waren voortaan het model, waar de Belgische liberalen op wezen, en die zij ook hier begeerden te zien ingevoerd: en omdat de Regeering zich niet haastte te voldoen aan hun vorderingen van b.v. een rechtspleging met gezworenen, een verantwoordelijk Ministerie, de afschaffing van de wet op 't Gemaal en van het verplicht gebruik der Nederduitsche taal bij de rechtbanken, werd zij voor despotiek en illiberaal uitgekreten. Slechts weinig weêrklank vonden die kreten in Noord-Nederland, ofschoon aldaar ook de meerderheid nog ingenomen bleef met de Fransche liberalen, wier zaak men, omdat zij tegen de Jezuïeten te velde trokken, met die van het Protestantismus verwarde - maar het was genoeg, dat in de Zuidelijke afdeeling des Rijks een kreet werd gehoord, om dien in de Noordelijke afkeuring te doen vinden: en de betrekking tusschen beiden werd hoe langer hoe hatelijker en onaangenamer.
   Wat ware in dezen stand der zaken raadzaam geweest? - Het was blijkbaar, dat de vereeniging der Nederlanden geen ineensmelting was geworden, noch bij verschil van belangen en inzichten worden kon: het ware nu tijd geweest, door overlegd met de Mogendheden, die de vereeniging hadden te weeg gebracht, gepaste wijzigingen in hun werk te brengen en de beide landen wel onder eenen schepter te behouden, maar met een afzonderlijk Bestuur: voorts zich te onthouden van die bemoeienis met godsdienstzaken, die ergernis bij het meest naauwgezet gedeelte der bevolking van Belgiën verwekte: en eindelijk te voorzien in de klachten over de wijze van bestuur en over de duisternis in het financiewezen. Niets van dit alles geschiedde: verre van beducht te zijn voor de faktiën, die het hoofd opstaken, liet men zich in slaap wiegen door de populariteit, die de Koning werkelijk bij het grootste deel der Belgen genoot; terwijl men zich vleide, de misnoegden, deels door gestrenge bestraffing, deels door gedeeltelijke tegemoetkoming, ja door onderscheidingen, tot zwijgen te brengen. Noodlottiger staatkunde kon wel niet gevolgd worden: want het toegeven diende alleen om tot nieuwe eischen aan te vuren, het weigeren om verbittering te stichten, het winnen of onderscheiden van de partijhoofden om er nieuwe te doen ontstaan en om de welgezinden, die de schreeuwers boven zich begunstigd zagen, moedeloos en onvergenoegd te maken.
   De Liberalen volgden wederom, bij hun pogingen tot omverwerpen van het Bestuur, de taktiek, waarvan hun in Frankrijk het voorbeeld gegeven was. Hoezeer hun aanvallen inderdaad het gezag des Konings en de grondwet moesten ondermijnen, betuigden zij integendeel, dat hun handelingen alleen ontsproten uit gehechtheid aan beiden: en zoo waren het alleen de Ministers, tegen wie hun pijlen gericht werden; terwijl zij veinsden, niet te weten, dat de Koning zelf bijna elken maatregel, die genomen werd, verordend of er althans deel aan genomen had.
   Ten einde hun inzichten te bereiken, kon er geen geschikter middel gevonden worden, dan om zich te verzekeren van de meerderheid in de Tweede Kamer, en door deze de Regeering tot onderworpenheid te dwingen. Alle snaren werden dan ook gespannen, om hun tegenstanders in de Kamer door andersdenkenden te doen vervangen, of door bedreigingen en kreten te verschrikken.
   Onder de eischen, die men deed, was geen der minste de instelling van een verantwoordelijk ministerie, even als in Engeland en frankrijk. De Grondwet had zoodanig ministerie niet voorgeschreven, en niemand kon er meer afkeerig van zijn dan Willem I om aan te vullen wat in de Grondwet verzuimd was, en aan een ministerie de taak over te dragen, die hij zelf vervulde. En toch, niet alleen kon zoodanig ministerie onafscheidbaar geächt worden van een konstitutioneelen regeeringsvorm: maar ook zou in de bestaande omstandigheden een ministerie, verantwoordelijk of niet, maar althans één in beginsels en bedoelingen, onmisbaar zijn geweest. Zoodanig ministerie zou, door eenstemmigheid van taal en hadelingen, op de ambtenaren, op de Kamers en op het algemeen, een nuttigen en krachtigen invloed hebben kunnen verkrijgen en den tegenstand ontzag inboezemen. Nu was er geen ministerie: er waren alleen ministers, verschillend van inzichten, en werkzaam zonder gemeenschappwelijk overleg; terwijl de Koning zelf meer naarmate het de omstandigheden schenen te vorderen, dan naar een vast plan, bleef handelen, nu eens den oproergeest krachtdadig willende beteugelen, dan weder geneigd, hem door toenadering en inwilliging te sussen. Niets was meer tegenstrijdig dan de redeneeringen der Ministers of der Regeeringsdagbladen: terwijl de een beweerde, dat de bron van alle gezag bij den Koning gezocht moest worden, schilderde de ander de Grondwet af als een wederzijdsch verdrag tusschen vorst en volk, den Koning als een burgervorst, de openbare meening als de beheerscheres der wereld, en de wijsbegeerte der 18de eeuw als een hoorn des overvloeds, waaruit rijke zegen ons toestroomen zoou. Ook was de Regeering doorgaans ongelukkig in de keuze der personen, aan wie zij het opdroeg, in de dagbladen hare maatregelen te verdedigen: meestal waren dir Franschen, met de behoeften en belangen onzer natie onbekend, en wier lichtzinnig en ongodsdienstig geschrijf bloot ergernis wekte zonder nut te stichten.
   Bij de Noord-Nederlanders vond de Koning weinig steun. Wel keurden zij algemeen de oproerige kreten der Belgen luide af; doch den meesten ontbrak alle zucht om deel te nemen aan de politieke aangelegenheden, en bij gevolg alle bekendheid met de ware toedracht der zaken: en juist de vrees, mede tot de oproerigen gerekend te worden, was oorzaak, dat menige wet doorging en in menigen maatregel der Regeering lijdzaam berust werd, waartegen men zich anders had verzet.
   Terwijl de Koning aldus ook in zijn trouwste aanhangers geen steun had, werd de tegenstand sterker, tten gevolge van het tot stand komen eener vroeger naauwlijks denkbaar geächte vereeniging tusschen de Belgische Katholieken en Liberalen. Bij dit Bondgenootschap kwam men overeen, alle onderlinge verschilpunten ter zijde te stellen, en, onder de leus van "vrijheid voor allen en in alles" de Regeering te bestrijden. Zonderling klonk het nu, door de priesters, in hun dagbladen, de vrijheid der drukpers te hooren vragen, waartegen Rome steeds den banvloek geslingerd had, en de Liberalen in de bres te zien springen voor de vrijheden der Kerk, waartegen zij te voren het Bewind de hand hadden gereikt. Nu kwam men met een opeenstapeling van zoogenaamde grieven voor den dag. Belgiën, 't welk in de laatste 13 jaren een te voren ongekenden bloei had genoten, werd voorgesteld, als ware het, sedert den val van Napoleon, door een onduldbare dwinglandij verdrukt en ten verderve gebracht geworden: overal werd het volk opgezet tot het teekenen van petitiën (verzoekschriften) aan de Staten-Generaal, waarbij in heftige bewordingen geklaagd werd over de te groote macht des Konings; over het onderwerpen van bijzondere aangelegenheden der Gewesten of Gemeenten aan het algemeen Bewind, over het niet invoeren der Rechterlijke Organizatie, over de duisterheid in het financiewezen, over de ondragelijke belastingen, vooral die op het Gemaal, over het niet ten uitvoer leggen van het konkordaat, over het onderwijs, over het niet invoeren van de ministeriëele verantwoordelijkheid en den jury, en over de partijdigheid der Regeering tegen de Roomschen en belgen. Men aapte Brederode en zijn Eedgenooten uit 1566 na, met dit onderscheid, dat nu niet meer alleen de zoodanigen verzoekschriften aanboden, die er belang bij hadden, maar dat men duizenden tot het onderteekenen daarvan overhaalde of dwong, die niet eenmaal wisten welk onderwerp het gold. Zoo b.v. stonden, onder petitiën om de Fransche in plaats van de landtaal voor de rechtbasnken te bezigen, dikwijls de namen van landlieden, die niets dan hun Vlaamsch of Brabantsch verstonden. Ondertusschen bleef men betuigen, dat men het niet op den geliefden en geëerbiedigden Koning, maar op zijn Ministers geladen had, en vooral was het Van Maanen, die aan de hevigste verwijtingen en beschimpingen ten doel stond. Te meer zorg moest dit alles baren, omdat de debatten over de Tienjarige Begrooting voor de deur stonden, en dat een leus uit den vroegeren tijd, toen nog de Landheer om verschuldigde hulpbetooning vroeg, "geen herstel der grieven, geen subsidiën," als een thans nog gedend en toepasselijk beginsel werd aangenomen, even alsof de Volksvertegenwoordiging gerechtigd was, de middelen ter voorziening in de behoeften van den Staat te weigeren om redenen, niet uit de Begrooting zelve ontleend.
   (1829). Niet weinig merkwaardig was de zitting der Kamer, die nu volgde. Een voorstel van twee leden, Corver Hooft en Le Hon, de laatste een der hoofden van de liberale partij, om den Koning te verzoeken, den zorgelijken toestand van Belgiën, blijkbaar uit de ingekomen petitiën, in overweging te nemen, werd in de Tweede Kamer, (5 Maart), met een meerderheid hoofdzakelijk van Zuidelijke leden, aangenomen, doch in de Eerste Kamer verworpen (28 Apr.): een wet op de drukpers werd met 84 tegen 4 stemmen aangenomen, nadat men het ontwerp eerst aanmerkelijk verzacht, later, door wijzigingen, krachteloos gemaakt had. Om de tegenpartij te winnenm was een verslag van den Minister van Binnenlandsche Zaken bekend gemaakt, waarbij de waarschijnlijkheid van wijzigingen in het onderwijs werd aangekondigd, terwijl later beloften van bezuiniging, van afschaffing der belasting op 't Gemaal, enz., werden gedaan. Des-niet-te-min werd de Tienjarige Begrooting verworpen (14 Mei), en de dagbladen kenden geen grenzen meer in hatelijkheid van uitvallen tegen de Regeering, die Belgiën ten profijte van Holland verdrukte, tegen de Hollanders en Protestanten, voor wie al de gunsten werden weggelegd: tegen de Ministers, ja nu ook tegen den Koning zelven, wien men met het ongenoegen des volks bedreigde. Aan dezen viel bovendien, op een reis door de Zuidelijke Gewesten (juni), een veelal koele ontvangst ten deel; hoezeer hij aan het Stadsbestuur te Luik zijn tevredenheid betuigde, over de onmiskenbaar goede stemming der ingezetenen, die ten blijk strekte zoo van "de naauwe vereeniging tusschen vorst en volk, als van het schandelijk gedrag dergenen, die de kreet vasn vermeende grieven hadden bewerkt," een uitdrukking, die terstond aanleiding gaf tot de oprichting, in Vlaanderen, eener zoogenaamde orde der schande, met een zinspreuk, naar die der geuzen geparodiëerd en luidende: fidèle jusqu'à l'infamie. - Er vormden zich zoogenaamde konstitutioneele vereenigingen, ten einde de keuzen voor de Staten-Generaal te leiden, die dan ook meestal in den geest der oppozitie uitvielen (Juli). Intusschen waren De Potter, vroeger een der warmste lofredenaars der maatregeen, tegen de Roomsche Kerk genomen, Tielemans, ambtenaar bij een der Ministeriën, Barthels, dagbladschrijver, en De Neve, drukker, beschuldigd geworden van het vormen eener vereeniging ter omverwerping van het Bewind, en tot ballingschap verwezen. Dit geding, hoezeer aantoonende, hoe vele mannen van aanzien in Belgiën, in weêrwil hunner voorgewende getrouwheid aan den Soeverein, mede niets anders zochten dan een omwenteling te bewerkstelligen, had geen ander gevolg, dan dat het hun partij te heviger deed uitvaren tegen hen, die zulke brave lieden als de beschuldigden dorsten vervolgen en verbannen.
   Intusschen had de Regeering in Frankrijk het nuttelooze en gevaarlijke ingezien, om langer, door inwilligen aan de Liberalen, de partij der revolutie in de hand te werken, en de prins van Polignac was aan 't hoofd gesteld van een nieuw Ministerie. Deze uitoefening van een grondwettig recht werd den Koning als een misdaad aangerekend, en de personen der nieuwe Ministers werden in de bladen en vlugschriften gruwzaam gesmaad en aangerand, zonder zelfs dat men het geduld had, hunne daden af te wachten.
   Hier bleef men nog dralen met het nemen van krachtige maatregelen. Het nagenoeg opheffen van het Collegium Philosophicum (20 Juni), het herstellen van de vrijheid der kleine seminariën, de belofte van waarborgen omtrent het Amortizatie-Syndikaat (2 Oct.), waren inwilligingen, die thans als blijkbaar afgeperst beschouwd werden, en waarvoor men alzoo der Regeering geen dank behoefde te weten. In de Tweede Kamer sloten zich de Noordelijke leden meer dan vroeger aaneen, hoewel een door de Oppozitie ondersteunde voorzitter, met 43 tegen 41 stemmen benoemd werd, en een nieuw lid der Kamer, Brugmans, die als voorstander der Regeering bekend stond,met 45 tegen 41 stemmen werd afgewezen, op grond dat hij, naar men beweerde, als lid der Permanente Kommissie van het Amortizatie-Syndikaat, rekenplicht aan den Staat was. Een ontwerp van wet op het Onderwijs, waarbij geen oprichting van Bijzondere Scholen werd vergund (26 Nov.), zonder getuigschrift van bekwaamheid en goed gedrag, en toestemming van het Gemeentebestuur, werd uitgekreten als een ontwerp van wettelijke tiraanij: de klacht van zekeren Fontan, een dagbladschrijver, die uit Frankrijk geweken en hier over de grenzen gezet was, gaf aanleiding tot een vierdaagsche twistredeneering in de Kamers, die geen bepaalde uitkomst had, doch waarbij men diezelfde Regeering, welke man vroeger zoo geroemd had wegens het uitdrijven der Jezuïeten, nu beschuldigde, dat zij de Grondwet geschonden had, omdat zij geen vreemden onruststooker in het Land had willen dulden.
   Eindelijk begreep de Koning, dat het meer dan tijd was, zijn gezag en zijn rechten met klem en waardigheid te handhaven. Bij een Boodschap aan de Kamer (11 Dec.), ten geleide van een ontwerp van wet ter beteugeling der drukpers, legde hij zijn gevoelens ondubbelzinnig en krachtig bloot, toonde aan, hoe veel er geschied was, en nog geschieden zou, ter tegemoetkoming van billijke wenschen; en hoe weinig billijk de meeste zoogenaamde grieven waren: en verklaarde, met gemeen overleg der Staten-Generaal, op het voorbeeld zijner vaderen, de politieke, burgerlijke en godsdienstige vrijheid der Nederlanden te zullen handhaven tegen de aanmatigingen der verleide menigte, zoowel als tegen buitenlandsch geweld. Den dag daarop (12 Dec.) werden de ambtenaren bij het Openbaar Ministerie, door den Minister van Justitie (Van Maanen) bij rondgaanden brief aangemaand, zich te verklaren, of zij al dan niet zich naar den aangegeven leiddraad zouden richten. Dit krachtbetoon verschrijte de Oppozitie, op geen werkelijken tegenstand voorbereid, en ofschoon zij, na een zesdaagsche beraadslagingen over de Tienjarigen Begrooting, de Tienjarige Middelen verwierp, zij keurde onverwijld en bijna eenparig een nieuwe voordracht goed op de middelen voor één jaar.
   (1830). Ongelukkig werd de krachtige taal, die gesproken was, door geen krachtige daden gevolgd. Wel werden eenige leden der Kamer, die tegen de begrooting gestemd hadden, ontslagen uit de betrekkingen, die zij bekleedden (3 Jan.); doch deze daad van gezag, die slechts enkele personen, en als bij uitzondering, trof, in stede van algemeen te zijn, strekte slechts om nieuw voedsel te geven aan hatelijke uitvallen: - en voor 't overige ging een onschatbare tijd werkeloos verloren. De fraktie werd te stouter, naarmate zij meer de overtuiging verkreeg, dat de krachtsontwikkeling van 't Bewind, met zoo veel ophef aangekondigd, op niets zou uitkomen: en de welgezinden, die bereid waren geweest, de Regeering, zoodra deze het voorbeeld gaf, te ondersteunen, werden ontmoedigd en verslagen.
   De zitting zelve, waarin het Bewind een oogenblik door krachtbetoom gezegevierd had, was niet ten einde geloopen, zonder dat op nieuw de weifeling der Regeering en de macht der Oppozitie gebleken waren. Met een meerderheid van 88 tegen 11 stemmen werd besloten, de petitiën ter griffie neder te leggen: de wet op het onderwijs werd ingetrokken: een wet tot het belasten der koffi, zeer aanstootelijk voor den handel, werd voorgedragen en aangenomen, even als een andere, tot vermindering der renten van het Amortizatie-Syndikaat, mede tegen den zin van het Noorden. Verscheidene voordrachten op de tienjarige ontvangsten werden naar het goedvinden van het Zuiden aangenomen of verworpen: de wet op de drukpers, eerst verzacht, later nogmaals verflaauwd, werd aangenomen met een meerderheid, groot genoeg om het ongenoegzame der verordening te bewijzen. Ja zoo verre ging het, dat, toen in de Kamer de taal, door den Koning aan haar gericht "droeviger gedachtenis" werd genoemd en zijne zienswijze aangemerkt als tot het verkrachtingen der Grondwet moetende leiden, niet eene stem zich verhief om het Bewind te verdedigen. En toch betuigde de Minister, bij het sluiten der zitting, dat zij bekroond was geworden door de gelukkige overeenstemming tusschen Vorst en Volk!
   In de plaats der ingetrokken wet op 't Onderwijs was een Besluit gekomen (27 Mei), waarbij de machtiging van lagere scholen aan de Gemeente-Besturen werd overgelaten, met gelijke bepaling omtrent het middelbaar en hooger onderwijs: een verordening, waardoor de Roomsche Geestelijkheid, in een groot deel der Zuidelijke Gewesten, de overhand in het schoolwezen verkreeg. Bij een ander besluit (4 Juni), op de taal, hield alle voorkeur en bescherming der landstaal in Brabant en Vlaanderen op. Dan, al wekten deze inwilligingen voor een wijl schijnbare tevredenheid op, deze werd aldra vervangen door een dubbel beklag, toen den Haag tot zetel van den Hoogen Raad werd aangewezen.
   De tegenpartij was nu in het Zuiden volkomen meesteres, en zou dit welhaast ook in de Kamer zijn; immers, meer gesloten en meer naar een vast plan werkende dan de Noordelijke afgevaardigden, had zij buitendien een numerair overwicht, omdat de meeste leden uit Noordbrabant met haar stemden. Zoo zou zij nu den Koning welhaast de wet stellen, en het Noorden, op de meest wettige en regelmatige wijs, tot onderwerping aan haar willekeur dwingen. Eer het echter zoo verre kwam, brachten onverhoopte gebeurtenissen een geheele omkeering in den staat van zaken te weeg.
   Te Parijs had de Kamer aan Karel X, in antwoord op zin troonrede, te kennen gegeven (2 Maart), dat er geen overeenstemming tusschen haar en zijn ministerie bestond. De Koning had dien ten gevolgede Kamer ontbonden (16 Mei), en het doen van nieuwe keuzen gelast, die echter nog meer in het nadeel van het Bewind waren uitgevallen. Het stond alzoo te verwachten, dat de voorgedragen wetten nog sterker tegenstand dan vroeger ondervinden, ja de gang van het staatsbeheer geheel gestremd worden zou. In dezen nood begreep de Koning, aangemoedigd door de glansrijke verovering van Algiers door zijn troepen (5 Juli), en op de medewerking en trouw van deze rekenende, een redmiddel te zien in art. 14 van het Charter, waarbij hem vrijgelaten werd, wetten en reglementen te maken, noodig voor de ten-uitvoer-legging der wetten en de zekerheid van den Staat. Bij ordonnantie verklaarde hij (26 Juli) de censuur en de vergunning voor de dagbladen hersteld, de Kamer der Afgevaardigden ontbonden en de Kieswet gewijzigd, terwijl de Kieskollegiën tegen 6 Sept. werden samengeroepen.
   Deze maatregel moest mislukken, om dat hij de wettige volksstem in den afloop der verkiezingen, en de openbare meening tegen zich had: om dat hij niet tegen een partij, maar tegen de algemeene vrijheden en rechten gericht was: om dat nu het geweld schijnbaar van de zijde van het Bewind begon, en de Oppozitie, die ongelijk had, in het gelijk werd gesteld; maar vooral, omdat de noodige middelen ter ondersteuning daarvan schromelijk werden verzuimd. - Een oploop te Parijs werd begunstigd door het weifelend gebruik, dat van de militaire macht gemaakt werd: de hoofden der Oppozitie, eerst ontsteld en gevlucht, kwamen, zoo dra de opstand veilig kon doorgezet worden, uit hun schuilhoeken te voorschijn: de troepen, tegen de volkshoopen afgezonden, maakten weldra gemeene zaak met deze: Karel X en zijn zoon poogden vruchteloos den storm tot bedaren te brengen door afstand te doen van de kroon (1 Aug.) ten behoeve van den hertog van Bordeaux, den zoon van den vermoorden hertog van Berry: een opgeworpen Voorloopig Bewind verklaarde, dat de oudste tak der Bourbons de kroon verbeurd had: de grijze Vorst werd genoodzaakt met al de zijnen Frankrijk te verlaten, en Lodewijk Filips, hertog van Orleans, aanvaardde de hem nu aangeboden waardigheid van Koning der Franschen; terwijl het Charter in zeer liberalen zin werd herzien (7 Aug.).
   Zonderling is het, doch niet-te-min waar, dat deze gebeurtenis ook in Holland, schier algemeen werd toegejuicht. Men zag alleen in Karel X den voorstander der Jezuïeten, den man, die de middeleeuwsche nacht weder over Frankrijk terug had willen brengen; die het Charter overtreden had; die, in alle opzichten, het tegendeel gedaan had van wat Willem I had verricht: en men zag niet, dat de partij, die den troon der Bourbons omver gestooten had, in Nederland en in Frankrijk het zelfde spel speelde, hier als daar, onder het voorwendsel van gehechtheid aan Koning en Grondwet, den zegepraal der revolutionaire beginselen voorbereidde: en dat, daar zoo wel als hier, de meesten der aangevoerde redenen van beklag even ongegrond als onbillijk en onwettig waren. Wat Willem I betreft, volkomen gerust op de toekomst, was hij van al de Soevereinen de eerste geweest om Lodewijk Filips te erkennen: en, vertrouwende oop zijn onderdanen, wier verkleefdheid, ja wier erkentenis hij meende verdiend te hebben, had hij niet een enkele voorzorg doen nemen tot het voorkomen eener oproervlam, die welhaast de helft zijns Rijks in lichterlaaien brand zou ontsteken.


webdesign & copyright
© 2001-2005 Eveline
→