Geschiedenis Noord-Nederland 16

 overzicht
Inhoud
Start
ZESTIENDE HOOFDSTUK


Lotgevallen en karakter van Willem I. - Overkomst der zijnen. - Hellevoetsluis en de Zeeuwsche eilanden, behalve Walcheren, door de Franschen ontruimd: gelijk mede Bommel, Breda en andere plaatsen. - Vrijwillige opbrengsten aan 's Lands schatkist. - Volkswapening. - Samenstelling eener Grondwet. - Aanbod, door Lodewijk Napoleon gedaan. - Verrassing van 's hertogenbosch. - Overgave van Gorcum. - Aanneming der Grondwet. - Inhuldiging van Willem I tot soevereinen Vorst. - Afstand van Napoleon. - Lodewijk XVIII hersteld. - Algemeene vrede. De nog met Fransch krijgsvolk bezette vestingen ontruimd. - Wakkerheid van Rijk, door Ver Huell naar Parijs gezonden. - Walcheren door de Frnaschen verlaten. - Organizatie van het Algemeen bestuur. - Herlevende welvaart. - Het voorloopig bestuur over Belgiën en voorts het oppergebied over al de Nederlanden, benevens dat over het groot-hertogdom Luxemburg, aan Willem I opgedragen.


   Eer ik voortga met het verhaal der gebeurtenissen, die het eind van 1813 kenmerkten, zal het niet ongepast zijn, u eenigszins nader bekend te maken met den Vorst, die, onder zijn landgenooten terug gekeerd, op eenmaal een negentienjarige ballingschap met de soevereiniteit verwisselde.
   Ik heb in een vorig hoofdstuk melding gemaakt van de korte en vruchtelooze verschijning des Prinsen op den vaderlandschen bodem, ten tijde van de landing der Engelschen in Noordholland. Sedert dien tijd hadden de wederwaardigheden naauwlijks opgehouden, hem te vervolgen. In den zomer van 1806, kort na zijns vaders dood, waren hem zijn erflanden in Duitschland door Napoleon ontroofd en aan het groot-hertogdom Berg toegevoegd geworden: en in den herfst van 't zelfde jaar was hem, als generaal in Pruisischen dienst, en dus als vijand van den Franschen keizer, ook het vorstendom Fulda ontnomen: terwijl hij zelf een tijd lang in Fransche krijgsgevangenschap doorbracht. Sedert zijn ontslag had hij zijn dagen in tille afzondering, meest in Engeland, gesleten.
   Hier te lande wist men, ja, dat hij bestond; doch maar weinigen zelfs onder zijne warme aanhangers, waren met zijn geäardheid en hoedanigheden, of zelfs met zijn lotgevallen bekend. Van zijn vroegere krijgsdaden te Landrecies en Fleurus sprak niemand: en de roem, nu onlangs door den Erfprins in den Spaanschen oorlog behaald, had in de oogen der Nederlanders den zoon emt zulk een stralenkrans omgeven, dat men er den vader bijna door vergeten had.
   De hartelijke ontvangst, die dezen bij zijn overkomst hier ten deel viel, gold dan ook minder zijn persoonlijke eigenschappen, dan wel de beginselen van herstelling, van onafhankelijkheid, en van vrijheid, die hij vertegenwoordigde. Hoe weinig men intusschen wist, wat men van hem als mensch en als vorst te wachten had, zal u uit het volgende staaltje blijken. Toen, weinige uren na zijn komst te 's Gravenhage, de aanzienlijke mannen, die hem omringden, in luidruchtige woorden hem betuigden, hoe zij in hem den man zagen, die het vervallen Nederland weder tot den vorigen lusiter zou opheffen, had hij, met een bewogen stem, zijn onvermogen betuigd om immer te voldoen aan de hooge verwachtingen, die men van hem koesterde, en tevens, hoe hij schier duizelde bij de gedachte aan de zware verplichtingen, hem door het vertrouwen der natie opgelegd. Een der aanwezigen, de warme prinsgezinde Van stralen, nam deze betuiging des Prinsen op, niet voor 't geen zij was - een uitboezeming aan een betamelijk gevoel van nederigheid ontlokt, - maar voor een bewijs van zwakheid en gebrek aan zelfvertrouwen, en, den prins met beschermende goedhartigheid op den schouder kloppende, voegde hij hem deze bemoedigende woorden toe: "wees maar niet bekommerd, Uwe Hoogheid: als de taak u te zwaar is, dan zijn wij er immers ook, om het werk voor u te doen." - Gewis, velen dachten toen ook, gelijk die man sprak; - maar hij zelf en al wie hem aanhoorden, zullen ongetwijfeld later niet zonder meesmuilen aan de hem toen ontvallen woorden gedacht hebben; want zoo er ooit eenig Soeverein geleefd heeft, ongezind om de hem opgedragen taak op anderen over te brengen, of zich in regeeringszaken door anderen te laten leiden, dan is het Willem I geweest. Met dat stalen geheugen bedeeld omtrent zaken en personen, 't welk een kenmerk der vorsten van oranje schijnt te zijn, werkzaam meer dan iemand in den lande, en bij den arbeid van geen vermoeienis wetende, was hij tevens onverzettelijk in zijn meeningen en door geen menschlijke welsprekendheid af te brengen van den weg, dien hij eenmaal begrepen had de rechte te zijn. Van welken invloed deze eigenschappen van Willem I op zijn regeering waren, zal uit het vervolg blijken. Ik heb mij hier te bepalen bij het geven eener schets van zijn karakter, en wil die voltooien, door te zeggen, dat hij, aan vorstelijke waardigheid, die geen inbreuk op hare rechten duldde, innemende vriendelijkheid paarde: dat hij, met onbekrompen mildheid, altijd bereid was, armoede te lenigen, rampen te herstellen, ondernemingen wier doel of strekking hem nuttig voorkwam, krachtdadig te ondersteunen. In voor- en tegenspoed bleef hij zich zelven gelijk: en waar hij achtte, als mensch het zijne gedaan te hebben, gaf hij met kalme berusting het overige aan de Voorzienigheid over.
   Nog in den loop der maand, die op zijn overkomst volgde, had de Prins het geluk, zijn beide zonen nevens zich te zien. Prins Frederik kwam het eerst (Dec.) en begaf zich dadelijk met den generaal Bulow naar het oorlogstooneel: en slechts elf dagen later (19 Dec.) verscheen zijn broeder, de erfprins van Oranje. Deze had, op het vernemen van het alhier gebeurde, het leger van Wellington, 't welk thans niet langer in Spanje, maar op Frnaschen bodem den krijg doorzette, verlaten, en was over Engeland naar herwaarts gekomen, waar hij door zijn vader (20 Dec.) tot Generaal der infanterie en tot Inspekteur-Generaal der troepen werd aangesteld.
   Bij al de redenen van blijdschap, die het terugtrekken der Franschen en de wederkomst der vorsten uit het Huis van Oranje aan de natie schonken, kon de vreugde nog niet onverdeeld noch algemeen genoemd worden, zoo lang nog enkele plaatsen in 't hart des lands door den vijand bezet, en met de daar omgelegen streken ten prooi bleven aan afpersingen, geweld, en al de verdere rampen, die de oorlog met zich sleept. De eerste zorg der nieuwe Regeering moest alzoo daarheen gericht zijn, om, met behulp der Bondgenooten, zoodanige middelen te beproeven, als strekken konden om de bedoelde plaatsen van overheersching te verlossen, of daar, waar zulks nog niet geschieden kon, de wapenen des vijands althans onschadelijk te maken.
   Hoe den Briel zich zelf bevrijdde, heb ik u in het vorig hoofdstuk verhaald. Deze bevrijding had spoedig die van Hellevoetsluis ten gevolge. Deze plaats, na drie dagen achter elkander door de Brielsche burgers en de boeren uit den omtrek ingesloten te zijn geweest, werd (5 Dec.) op de komst van 50 Engelsche mariniers door de Franschen verlaten, diêe, zich naar de Willemstad begaven, Voorne en Putte waren hierdoor volkomen van de overheersching ontslagen.
   Genoegzaam gelijktijdig met Hellevoetsluis werd Oeltjesplaat bemachtigd door de kustkanonniers van Goeree, wier korporaal Lorenz den Franschen generaal Rostolan, die er zijn bevelen kwam geven, bij de borst vatte en gevangen nam, waarop de Bezetting de wapenen nederleide. Wel poogden de Franschen uit de Willemstad de plaats met schepen te heroveren; doch de luitenant-ingenieur Van Ingen handhaafde zich in het bezit daarvan en wist den vijand met aanmerkelijk verlies terug te slaan. De Franschen, na de oorlogsvaartuigen, die zich (10 Dec.) in de haven der Willemstad bevonden, in den grond gehakt te hebben, trokken op Bergen-op-Zoom terug, ruim 200,000 ponden buskruit en 132 kanonnen achterlatende, die den onzen in handen vielen; terwijl ook de beschadigde schepen spoedig weder in goeden staat gebracht werden.
   De Zeeuwsche eilanden waren reeds vroeger (27 Nov.) door de Franschen in staat van beleg verklaard en alle gemeenschap met het vaste land afgesneden. Weldra kwam een Britsche vloot opdagen, uit 10 linieschepen, 9 fregatten en 6 brikken bestaande, die zich tusschen de eilanden verspreidden. Twee dezer fregatten en een kotter lagen (5 Dec.) voor Noord-Beveland ten anker, toen er een voorval te Zierikzee plaats had, dat, zoo op deze plaats als in de omgelegen dorpen, een hevige gisting te weeg bracht. De Jonge, een der Regenten van vóo, óo, r 1795, ontving onverwachts last van den generaal Gilly, die 't opperbevel over 't krijgsvolk in Zeeland voerde, om zich, gewillig of gedwongen, naar Rijssel te begeven. Dan toen hij zich gereed maakte om aan dien harden last te voldoen, belette het volk met geweld zijn vertrek; waarna hij zich verborgen hield, en het gerucht verspreiden liet dat hij in stilte naar de plaats zijner bestemming was gereisd. Intusschen had zich de te Zierikzee aangevangen beweging ook op Bruinisse en Oosterland medegedeeld, en achtte De Brauw, een der invloedrijkste ingezetenen van gemelde stad, het tijdstip niet ongeschikt om een omwenteling te beginnen. Daartoe was echter geene kans zonder hulp van buiten: en zoo zond hij heimelijk bericht aan den bevelvoerder der voor Noord-Beveland liggende vaartuigen, met verzoek om de stad te komen aantasten, in welk geval hij op medewerking van binnen rekenen kon. De Britsche scheepsvoogd voldeed aan dit verzoek (8 Dec.): en de Fransche generaal, geen middel ziende, om Zierikzee onder zoodanige omstandigheden te verdedigen, ontruimde met zijn krijgsvolk die stad en begaf zich naar Tholen. Dit eiland, zoowel als Noord- en Zuid-Beveland, uitgenomen het fort Barth, werden door den vijand weldra verlaten, doch hadden echter nog menigen aanval van hem door te staan.
   Ook elders werden de Franschen uit hun stellingen verdreven. Vianen was reeds vroegtijdig (2 Dec.) door de kozakken bezet geworden, die door Pruisisch krijgsvolk werden opgevolgd. De Tielerwaard was eerlang vol met troepen, die de Waal op vier plaatsen te gelijk overstaken (14 Dec.): te Bommel, Heessel, Varik en Tiel. Bommel werd denzelfden dag door de Franschen ontruimd en spoedig ook Crêvecoeur en St. Andires bemachtigd. De Pruisische generaal Bulow kwam in persoon te Bommel met prins Frederik om de krijgsverrichtingen te besturen; Woudrichem en Loevestein werden denzelfden dag overgegeven: en weldra ook Heusden en Geertruidenberg ontruimd. - Reeds vroeger (10 Dec.) was het wel versterkte Breda, tegen 't welk de Russen, onder Narischkin, oprukten, verlaten geworden door de Franschen, op wie de naam alleen van kozakken thans ook schrikverwekkenden invloed scheen uit te oefenen. Zoo euvel nam Napoleon dit op, dat hij den Generaal, die te Antwerpen het opperbevel voerde, afzette en den last zond, dat men Breda onmiddellijk zou hernemen. Dit werd dan ook door een krijgsmacht van 5 of 6000 man beproefd, die de stad (23 Dec.) kwamen opeischen en beschieten. De belegerden hadden niet meer dan vier stukken geschut: doch gelukkig ontvingen zij verschen voorraad uit de Willemstad en een versterking van kozakken, zoodat de vijand drie dagen later van zijn onderneming afzag.
   De hierboven genoemde plaatsen waren de eenige, die nog voor het sluiten van dit jaar van Fransche overheersching werden verlost. Mij blijft nog overig u de pogingen te vermelden, aangewend tot ontzet van die steden, welke de vijand nog bezet hield.
   Ofschoon Muiden, gelijk ik u verhaald heb, in handen der onzen gevallen was, kende de bevelhebber van het sterke Naarden de kracht zijner stelling te wel, om zich door eenige kozakken en gewapende burgers tot het ontruimen der vesting te laten bewegen. De bezetting der vesting bestond uit ongeveer 2000 man, was van krijgsvoorraad ruim voorzien, en wist uit de omgelegen plaatsen de overige behoeften te trekken. Zoo had het b.v. (29 Nov.) Weesp van lakens, dekens, hemden, kousen, ketels, pannen enz. leêe, ggeplunderd: en alleen de komst van een aantal kozakken had laatstgenoemde plaats voor de hernieuwing van een dergelijk bezoek gevrijwaard. Uit de dorpen in den omtrek werden vee en andere benoodigdheden weggevoerd, en de vesting alzoo in staat gebracht een lang beleg te verduren.
   Ten einde de ingezetenen van Gooiland voor dergelijke strooperijen in 't vervolg te behoeden, vormde Krayenhoff een bijzondere krijgsbende, uit vrijwilligers bestaande, met ruiterij en 8 stukken geschut voorzien, die, onder den kolonel Van den Bosch, zich (11 Dec.) in Gooiland nedersloeg; terwijl de Amsterdamsche schutterij - vroeger Nationale garde - Muiden en Weesp bezette, van waar de kozakken nu (25 Dec.) aftrokken. Te weinig beteekende echter deze krijgsmacht, om iets wezentlijks tegen de vesting te ondernemen: en zoo vergenoegde men zich met haar in te sluiten en de uitvallen, nu en dan door den vijand gedaan, te stuiten.
   Gorcum, van een sterke Bezetting voorzien en in geduchten staat van tegenweer gebracht, was allenks door de troepen der Geälliëerden ingesloten geworden; doch ook hier was men buiten staat geweest, den Bevelhebber tot de overgave te bewegen of eenigen gunstigen aanval tegen de vesting te beproeven.
   Niet minder hardnekkig en nog langduriger was de tegenstand, dien de Helder bood. Hier hadden de Franschen vijf forten aangelegd, met name La Selle, Morland, Du Gommier, Valga en l'Ecluse, met 250 vuurmonden, een ontzachlijken voorraad van krijgsbehoeften, en 1000 man bezetting voorzien. Ook lag hier de vloot, uit 9 linieschepen, 5 fregatten en eenige kleinere schepen bestaande en, even als de Bezetting, onder 't bevel staande van Ver Huell. Deze, zich door zijn eed, aan napoleon gedaan, verbonden achtende, had het voorbeeld van Krayenhoff en Verdooren niet gevolgd, maar zich, onmiddellijk na de uitbarsting der omwenteling, in staat van tegenweer gesteld, uit de Landskas te Alkmaar geld gelicht, en, zoo uit inschikkelijkheid als omdat hij op hunne medewerking niet rekenen kon, de Hollandsche matrozen (5 Dec.) met verlof naar huis gezonden en het vertrek der Hollandsche officieren oogluikend toegelaten. Ter insluiting van den Helder werd de generaal De Jonge afgezonden, die zijn hoofdkwartier (7 Dec.) te Alkmaar vestigde, en zich aan 't hoofd stelde zoo van de vrijwilligers uit Noordholland, als van eenige weinige soldaten en kanonniers, die zich te Medemblik bevonden. De Bezetting van Texel, uit twee officieren en 20 étrangers bestaande, was even te voren door een kompagnie rustbewaarders onder Van Breningen, gevangen genomen, en deze manschap had zich bij de Hollanders gevoegd. Met een zoo geringe macht viel er niet aan te denken iets tegen den Helder te ondernemen: en men bepaalde zich tot een insluiting. Vergeefs poogde eenige zee-officieren, door Verdooren uit Amsterdam afgezonden, Ver Huell tot overgave te bewegen. Het wettig gezag van hun lastgever niet erkennende, weigerde Ver Huell de Afgevaardigden te ontvangen, en alles bleef voorloopig in denzelfden staat. Alleen werden 12 à 1300 Spaansche krijgsgevangenen, die aan den Helder waren opgesloten, onnutte monden, en van wie men een opstand te vreezen had, aan de onzen uitgeleverd.
   's Hertogenbosch was wel op de nadering der Geälliëerden door den Prefekt en de Fransche ambtenaren verlaten geworden, doch niet door de Bezetting, eerlang versterkt door de komst van versche troepen, die, uit verschillende sterkten verdreven, zich hier samentrokken. Molitor vestigde er (12 Dec.) zijn hoofdkwartier, doch bleef slechts zoo lang als noodig was om de krijgstucht te herstellen, en de regimenten op nieuw te organizeeren; waarna hij met deze de stad verliet, er slechts eenige veteranen achterlatende en 300 mariniers, tot bediening van 't geschut. De Bosschenaars vleiden zich nu met een spoedige verlossing, doch vruchteloos. De Bevelhebber verklaarde niet alleen de stad in staat van beleg, maar ook werd de Bezetting van 700 man vermeerderd met de uit Loevestein en Woudrichem gekomen Franschen. Weldra vertoonden zich de Geälliëerden voor den Bosch, begonnen, na dat hun opeisching was afgeslagen (19 Dec.), de stad te beschieten, en vermeesterden de forten Izabella en St. Antonie. Zij zetteden echter de door hen behaalde voordeelen niet door: en zoo gebeurde het, dat de Fransche bevelhebber, die reeds tot onderhandeling bereid was, daarvan weder afzag, en zich integendeel tot een langdurigen tegenweer in staat stelde.
   Ook Deventer was nog altijd door de Franschen bezet. Reeds vroegtijdig (10 Nov.) was deze stad in staat van beleg gesteld door den generaal baron van Schiner, die er het bevel voerde over een Bezetting van 800 Pupillen en 40 kustkanonniers en gendarmes. Reeds had hij een aanvang gemaakt met de tuinhuizen buiten de stad, die de werking van zijn geschut belemmerden, te doen sloopen, toen het daarmede bezige werkvolk, door de onverwachte verschijning (12 Nov.) van eenige kozakken verrast, hals over kop naar binnen vluchtte. Ja, de kozakken waren bijkans de stad binnengedrongen, had niet de kapitein der ingenieurs, die reeds een sabelhouw ontvangen had, de poort nog tijdig genoeg weten te sluiten. Eerland door 800 van Wezel gekomen manschappen versterkt, nam Schiner de noodige maatregelen tot wederstand en verdedigde zich zoo nadrukkelijk tegen een beproefden aanval, dat de Geälliëerden (23 NOv.), geen genoegzame macht hebbende om de stad door geweld meester te worden, zich tot een insluiting bepaalden. Veel leden de inwoners van Deventer door dit beleg; daar niet alleen d lusthuizen, daar rondom gelegen, werden gesloopt, maar ook een zeer schoon bosch, de Worp genaamd, dat hun tot wandelplaats en uitspannings-oord verstrekte.
   Op denzelfden dag als Deventer (12 Nov.) was Koevorden door Kozakken, hoezeer dan vruchteloos, opgeëischt geworden: en niet alleen had die opeisching den Bevelhebber der vesting beter op zijn hoede gemaakt, maar hem ook aangespoord om zich, door afpersingen in de naburige dorpen, van het noodige te voorzien. Zoo ontving het dorp Dalen drie dagen achtereen (10-12 Dec.) een bezoek van zijn manschappen, die echter telkens door gewapende vrijwilligers en kozakken werden afgeslagen. Bij een vierden uitval (15 Dec.), waarbij de Franschen ruim 300 mans terk, en met 2 stukken geschut voorzien waren, geraakten zij in een geregeld gevecht met de vrijwilligers, onder den kapitein Van den Hoja Kymmel, en een honderdtal kozakken, bij welke gelegenheid de korenmolen van Dalen en twee boerewoningen in assche werden gelegd. Twaalf dagen later (27 Dec.) verstoutten de Franschen zich, tot op den Hardenberg aan te rukken en, ondanks den aldaar van de zijde der kozakken en van 't gewapende landvolk ondervonden tegenstand, behalve anderen buit, een paar honderd runderen mede te voeren.
   In Groningerland eindelijk bleef het verblijf der Franschen binnen Delfzijl een bron van vrees en kwelling voor de bewoners der omstreken. De plaats was van krijgs- en levensbehoeften overvloedig voorzien en werd verdedigd door een bezetting van 1400 man. Ten einde zich nog beter in staat te stellen, het beleg te verduren, zond de Bevelhebber herhaaldelijk krijgsvolk naar Appingadam, Halwierda, Bierum en Spijk, om van daar voorraad te halen, die niet zelden op vrij gewelddadige wijze werd weggeroofd. De onder-prefekt Alberda, en de maire van Appingadam, Cleveringa, ongezind om langer aan die vorderingen te voldoen, riepen de hulp van Rosin, den Russischen bevelhebber, in, die zich terstond bereid verklaarde, de noodige middelen in 't werk te stellen, om de ingezetenen der gezegde plaatsen tegen verdere berooving te beveiligen. Intusschen had de Fransche bevelhebber last gezonden aan den onder-officier der kanonniers op den Zoltkamp, den aldaar aanwezigen krijgsvoorraad en geschut in te schepen en met de kanonniers naar Delfzijl te vervoeren. Dan de renbode, die dat bevel moest overbengen, de reis over Groningen nemende, stelde het in handen van den kolonel der nationale garde, Busch: en deze haastte zich partij te trekken van de mededeeling, door onmiddellijk eenige burgerkanonniers met een officier naar den Zoltkamp te zenden, die zich van dien post meester maakten, de aldaar aanwezige manschappen in dienst des Vaderlands overnamen, en voorraad en geschut naar Groningen brachten. Hierbij kwam, dat de luitenant Edeling, die met een kanonneerboot van Delfzijl was afgezonden om den voorraad af te halen, zoodra hij aan den Zoltkamp aankwam, zich ter beschikking stelde van den Russischen bevelhebber, en door dezen werd afgezonden om uit Helgoland 1500 Engelsche geweeren af te halen.
   Op gelijke wijze als aan den Zoltkamp maakte men zich meester van een post te Oostmahorn in Friesland; terwijl al het aanwezige geschut naar Groningen werd opontboden. Door deze maatregelen had men in die plaats ruim twintig kanonnen bekomen; en Rosin verzuimde niet, aan die van Appingadam de noodige hulp te doen toekomen, doot twee veldstukjes met eenige kanonniers en 400 man derwaarts te zenden. Eenige dagen later vertrok Busch mede derwaarts met 400 man van de Nationale garde, de burgerkanonniers en vier veldstukken; terwijl de Russische kolonel prins Lapoutchin hem vergezelde, om de eenstemmigheid tusschen de krijgsbenden van twee verschillende Natiën te bevorderen. Hoogst verdienstelijk, ja met den moed van oude soldaten, kweten zich de Groningers in het afslaan der uitvallen, door de Franschen gedaan, aan wie zij niet zelden een aanmerkelijk verlies toebrachten. Daar echter hun macht niet aanzienlijk genoeg was om de vesting in te sluiten, werd de Nationale garde door nieuwe manschappen versterkt en bovendien een Landstorm van 2000 man gevormd, die in de bedreigde dorpen post vatte: terwijl onder het bestuur van W. Schmalen, een gewezen officier, een kompagnie scherpschutters, 100 man sterk, werd opgericht, die de gewichtigste posten bezette. Eerlang kwam een afdeeling van 2000 Pruisen met 20 stukken geschut nog krachtiger ondersteuning aanbrengen, en werd Delfzijn van den zeekant door drie Engelsche brikken benaauwd. Voorts droeg Busch zorg, dat gedrukte bekendmakingen van de verheffing des prinsen van Oranje en de afzwering des Franschen keizers binnen de vesting kwamen; 't welk ten gevolge had, dat ettelijke Nederlandsche en vreemde soldaten en ruiters Delfzijl met wapens en paarden verlieten: wier getal voor het einde van Januari des volgenden jaars ruim 300 beliep. Ook de Nederlandsche bemanning van drie in de haven liggende kanonneerbooten wist daarmede (2 Dec.) in zee te komen, waar zij terstond de oude vlag ophesch, en naar Embden koers zette. Met het aanleggen van batterijen om de stad te beschieten, liepen de krijgsverrichtingen dit jaar ten einde.
   Na aldus vermeld te hebben wat ten opzichte van afzonderlijke plaatsen in 't werk werd gesteld, dien ik nog met een woord gewag te maken van de algemeene maatregelen, tot vestiging onzer onafhankelijkheid genomen.
   Twee onmisbare zaken werden vereischt om krijg tegen den vijand te voeren: geld en een genoegzame legermacht.
   Wat het eerste betreft, zoo voorzag men daarin door een vrijwillige opbrengst, die, in aanmerking van den verarmden toestand der landgenooten, aanzienlijk genoemd mocht worden: immers, om een paar voorbeelden te nomen, elf dagen na des Prisnen aansporing om bij te dragen tot ondersteuning der krijgskas, had Amsterdam (17 Dec.) reeds een ton gouds geleverd; en Arnhem, in weêrwil der geleden schade en drukkende inlegering, had zeven dagen later (24 Dec.) een som van f 17,000 gereed; terwijl de gezamentlijke opbrengst der vrijwillige giften, na afloop van dezen voorloopigen maatregel, bij de veertien tonnen gouds bedroeg.
   Wat de wapening betreft, er werd (20 Dec.) een Landstorm opgericht uit alle weerbare mannen van 17 tot 50 jaar, met pieken voorzien en bestemd om in tijd van nood gebruikt te worden. Een deel van dezen Landstorm werd in de steden tot Schutterij gevormd, in den geregelden wapenhandel geöefend, en tot het doen van stadsdiensten gebezigd. Een ander deel (16,000 man infanterie en 4000 man artillerie) zou dienen om den vijand van den vaderlandschen bodem te verdrijven.
   Ofschoon de Vorst nog geen eigentlijken Staatsraad bezat, had hij echter spoedig na zijn komst (8 Dec.) eenigen der bekwaamste staatslieden om zich heen verzameld, die geregeld twee malen 's weeks vergaderden en door hem over de gewichtigste belangen geraadpleegd werden. Ook het herstel van 's Lands zeewezen was een voorwerp hunner beraadslagingen geweest, en aan een Kommissaris-Generaal de zorg opgedragen, deswegens de noodige voordrachten te doen; terwijl tevens bij een besluit van den Vorst onmiddellijk de herstelling bevolen werd der Kweekschool voor de Zeevaart te Amsterdam, welke nuttige instelling, even als zoo vele anderen, onder Napoleon was vernietigd geworden. Het Fransche belastingstelsel, voor de ingezetenen zoo drukkend, werd afgeschaft, en het vroeger hier bestaande voorloopig hersteld. Ook de onder Napoleon ingevoerde bepalingen omtrent het Hooger onderwijs werden buiten werking gesteld, en een Kommissie benoemd om een algemeen ontwerp aangaande dat punt in te dienen.
   De zaak echter, die de spoedigste voorziening scheen te vorderen, was het ontwerpen eener Algemeene Grondwet voor den Nederlandschen Staat. Ook dit werd door den Vorst opgedragen (21 Dec.) aan een Kommissie, wier samenstelling reeds het voldingendst bewijs gaf, dat bij hem alle herinnering van vroegere partijschap was uitgewischt. Immers naast standvastige aanhangers van Oranje, die nooit eenig ander Bewind hadden willen dienen, als Van Hogendorp en Van der Duyn, zag men er, die, als Roëll, een hooge betrekking onder koning Lodewijk bekleed, of, als Van Maanen, vroeger tot de ijverigste revolutionairen hadden behoord. Van Hogendorp werd tot voorzitter dezer Kommissie benoemd. Aan Falck werd de betrekking opgedragen van Sekretaris van Staat, terwijl Changuion tot Kommissaris-Generaal bij de Britsche hulptroepen werd aangesteld.
   Niet alleen vestigde zich alzoo de nieuwe Staat van binnen, maar hij begon ook naar buiten de oude betrekkingen weder aan te knoopen, en wel in de eerste plaats met Engeland, waarheen Hendrik Fagel, de voormalige Griffier, als Afgezant heenreisde; terwijl Lord Clancarty als zoodanig bij het Hof van Willem I werd erkend.
   Terwijl de gebeurtenissen, die ik u verhaald heb, in ons Vaderland plaats vonden, was er iemand die, op verren afstand daarvan, in zijn gedachten met het lot van onze Natie en van onzen bodem bezig was. De man, dien ik bedoel, was niemand anders dan de voormalige koning van Holland, Lodewijk Napoleon. Men had in die dagen nog geen spoorwegen, stoombooten of elektrische telegrafen, en de tijdingen werden niet met die snelheid overgebracht als tegenwoordig: echter had Lodewijk, reeds omstreeks half November, te Solothurn in Zwitserland, waar hij zich bevond, het bericht ontvangen, dat de Geällieerden onze grenzen naderden. Onzen landaard kennende, had hij terstond begrepen, dat men hier van die gelegenheid zou willen en kunnen gebruik maken om het juk der Franschen af te schudden, en, vertrouwende op de goede genegenheid, die men hem hier betoonde, schreef hij aan een zevental mannen van invloed hier te lande een brief, waarin hij raad gaf, hoe de Nederlanders 't hadden aan te leggen, om hun onafhankelijkheid te herwinnen en tevens onzijdig te kunnen blijven, en zich te gelijker tijd beschikbaar stelde om hun bij die beweging tot voorganger te strekken. De brief was gedagteekend 20 November, en over den post verzonden; een tweede, van 8 December, werd eenigen tijd later door zekeren baron van Lintz hier overgebracht en persoonlijk aan de bestemde adressen overhandigd. Dat men den goeden Vorst, die niet kon weten hoe de hekken hier intusschen verhangen waren, beleefdelijk voor zijn heusche aanbiedingen, als wat te laat komende, bedankte, spreekt wel van zelf.
   (1814). Was het jaar 1813 onder gunstige voorteekenen ten einde gebracht, blijde werd het volgende geöpende door de komst der prinses van Oranje, die van den kant van Duitschland, over Gelderland en Utrecht naar 's Gravenhage kwam (8 Jan.) en twee dagen later (10 Jan.) gevolgd werd door de prinses-weduwe van Willem V. Uitbundig was vooral het gejuich der volksmenigte, toen deze laatste met hare dochter, de prinses-weduwe van Brunswijk, in het Land terugkeerde, waar zij eenmaal zulk een belangrijke rol gespeeld, waar zij zulke trouwe vrienden en verbolgen vijanden gekend had.
   Nog vóór de terugkomst dier Vorstinnen had een gebeurtenis van anderen aard stof tot blijdschap verschaft, de ontruiming namelijk van Nijmegen door de Franschen. Reeds vroeger had de maarschalk Macdonald zijn hoofdkwartier van daar naar Kleef verlegd, en nu trok ook de generaal Excelmans, die te Nijmegen was achtergebleven, met het in den omtrek gelegerde krijgsvolk naar Venloo. De aldus verlaten stad ontving eenige Pruisische krijgslieden, die voorloopig met de burgerij de wachten betrokken. Gelderland was alzoo weder geheel onder het Nederlandsche bestuur vereenigd.
   Nog in dezelfde maand werd op een min gemakkelijke, doch voor de Natie meer vereerende wijze, ook 's Hertogenbosch van de Fransche overheersching verlost. Eenige ingezetenen dier stad, in stilte bijeenkomende en met de Geälliëerden in verstandhouding, hadden zich onderling bij eede verbonden alles op te offeren tot verlossing der stad. Het gedwongen heffen eener uitgeschreven belasting door den Franschen kommandant had de gemoederen te meer verbitterd en het getal der eedgenooten aldra tot 240 doen aangroeien. Het aanplakken van in heftigen stijl gestelde aansporingen om de uitgeschreven belasting te weigeren en zich te verzetten tegen den dwang, door de Franschen uitgeoefend (6 en 7 Jan.), deed den Kommandant, bij de kennis die hij droeg van de gezindheid der burgerij, tot het besluit komen, de Schutterij te ontbinden, de invordering der belasting acht dagen uit te stellen, en een proklamatie uit te vaardigen, waarin hij de onwilligen met hevige straffen bedreigde. Deze bedreigingen echter, verre van doel te treffen, maakten de saamverbondenen des te ijveriger om hun ontwerp ten uitvoer te brengen: en niet lang duurde het, of het plan tot den aanval was tusschen hen en den Pruisischen generaal Hobe beraamd geworden. De afspraak werd gemaakt, dat op den bepaalden dag (26 Jan.), des morgens te vier uren, aan twee zijden der stad, te weten van het fort Izabella buiten de Vughterpoort en aan het Huis den Bult buiten de Hinthamerpoort, onder het aanrukken van het krijgsvolk, twee kanonschoten zouden gedaan worden, alsmede, dat uit de Ortherschans eenige granaten zouden worden geworpen, om daardoor de aandacht der Franschen op het fort den Bril en de Ortherpoort bezig te houden en hun macht af te trekken van de Vughter- en Hinthamerpoorten, waar de aanval geschieden zou. Hoe geheim de afspraak gemaakt ware, de Fransche kommandant had er echter bericht van gekregen, en daarom de Bezetting in de wapenen gebracht; doch een gelukkig toeval werkte den verbondenen in de hand. De dorpsklok van Vught ging een half uur bij de stadsklokken na, en daardoor werd het van daar verwachte teeken niet te vier uren, maar eerst te half vijf gegeven. De Kommandant, het teeken op het aangewezen uur niet vernemende, begon te gelooven, dat het hem gegeven bericht valsch was, en liet de Bezetting weder aftrekken; doch naauwlijks was dit geschied, of het teeken werd gegeven, waarop de eedgenoten in de stad, elk met een witten armband als onderscheidingsteeken, zich gewapend naar de hun aangewezen loopplaatsen begaven. De Pruisische jagers, de voorwerken der stad genaderd en de bevroren gracht overgetrokken zijnde, beklommen, met de inwoners van Vught als gidsen en helpers, de wallen nabij de Vughterpoort, vermeesterden de batterij aan 't bastion Oranje en dreven de Franschen van daar. Aan de Hinthamerpoort was de wacht reeds door de Burgerij overrompeld, die nu de poort voor de Pruisen ontsloot. Ook in de straten werden de door den Kommandant afgezonden benden op verschillende plaatsen door de burgers aangetast en tot den aftocht genoodzaakt. De Bezetting, in het fort terug getrokken, wierp van daar wel eenige kogels en granaten in de stad, doch achtte het weldra raadzaam, een eerlijk verdrag aan te gaan, waarbij de soldaten gevangen bleven, en aan de officieren werd vrijgelaten, te gaan waar zij verkozen, mids zich verbindende, binnen 't jaar niet tegen de Geälliëerden te dienen. De oud-pensionaris der stad, Bowier, die sedert 1794 een ambteloos leven geleid had, en Verheyen, namen, eenige dagen later (2 Feb.), als kommissarissen-generaal des Prinsen, plechtig bezit van de stad, in naam van den Soevereinen Vorst.
   Zwaarder dan op 's Hertogenbosch drukten de rampen des oorlogs op het van rondom ingesloten Gorcum. Na dat alle hoop om door verdrag de overgaaf der stad te verkrijgen, was te niet gegaan, waren de belegeraars tot het besluit gekomen, deze zoo gewichtigen vesting met geweld te dwingen, en (22 Jan.) was zij uit zeven batterijen te gelijk ebschoten geworden, tot niet geringe schade der ingezetenen, daar er niet minder dan zestien huizen bij dezen eersten aanval vernield, en ruim vijfmaal zooveel zwaar beschadigd werden: des anderen daags werd de vesting nogmaals opgeëischt, doch de eisch door den generaal Rampon nogmaals afgeslagen, waarop een tweede aanval volgde (24 Jan.), bij welken de kerk, het tuighuis, en het met zieken en gekwetsen gevulde hospitaal derlijk geteisterd werden. Vruchteloos waren de vertoogen, door den Maire gedaan, zoo bij den Kommandant, om de stad voor verdere rampen te sparen, als bij den generaal Zielinsky, die de belegering bestuurde, om geen nieuwe aanvallen te gelasten: noch bij dezen noch bij genen vond hij gehoor: en tot vijfmalen toe werd de aanval hervat, telken reize nieuwe en schrikkelijker verwoestingen aanrichtende, zoo dat de aangebrachte schade op ruim f 100,000 kon begroot worden. Eerst na den vijfden aanval, toen bij de batterij van den Pelwal drie kruitkisten in de lucht gesprongen en een aantal der belegerden gedood of zwaar gekwetst waren, begon Rampon naar voorslagen van overgave te luisteren, en werd, vier dagen later, het verdrag geteekend (4 Feb.), waarbij de stad binnen 16 dagen, indien er voor dien tijd geen ontzet kwam, zou ontruimd en de Bezetting, na met krijgseer te zijn uitgetrokken, gevangen naar Pruisen zou gevoerd worden, gelijk dan ook werkelijk plaats had op den bestemden dag (20 Feb.).
   Terwijl deze krijgsverrichtingen nog duurden, had de Kommissie tot het ontwerpen der Grondwet hare taak voltooid. Men begreep deze reis het aannemen of verwerpen daarvan niet aan de algemeene volksstem te moeten overlaten, maar het oordeel daarover op te dragen aan eenige aanzienlijke lieden of zoogenaamde Notabelen. Een lijst van 600 Nederlanders uit al de Gewesten genomen en zich door geboorte, stand, middelen of verdienste onderscheidene, werd gedurende acht dagen in elk kanton of vredegerecht ter lezing gelegd, en al de hoofden van huisgezinnen uitgenoodigd, de bedenkingen op te geven, die zij tegen een of meer der bedoelde personen mochten willen te berde brengen. Na het verstrijken van den bepaalden termijn bleek het, dat tegen de opgegeven namen geene of geen noemenswaarde aanmerkingen waren gevallen en de Notabelen alzoo bevoegd konden geächt worden, om de Natie te vertegenwoordigen. Zij werden diesnvolgens samen geroepen (29 Mart.) te Amsterdam in de Nieuwe kerk, waar hun, na eene door den Soevereinen Vorst gehouden aanspraak, door Van Maanen, voorzitter van het Hooge Gerechtshof, de beginselen ontvouwd werden, naar welke de nieuwe Grondwet ontworpen was. Deze waren: voor zoo verre den Vorst betrof, opvolging bij erfrecht en eerstgeboorte, recht van vrede en van oorlog, opperbestuur over de geldmiddelen, beschikking over zee- en krijgsmacht: de soevereine rechten, vroeger door de Staten bezeten, thans alleen aan hem opgedragen, doch de gewone huishouding der politie aan de Besturen overgelaten. In de plaats van Departementen had men nu weder negen Gewesten, waarover het huishoudelijk bestuur bij hun Staten berustte. Ter handhaving (zoo 't heette) der volksvrijheid en tot waarborg van een richtig beheer, zou een vergadering van Staten-Generaal, bestaande uit vijf-en-vijftig Leden, door de Provinciale Staten voor drie jaren benoemd, alle buitengewone uitgaven toestaan of weigeren, en, even als de Vorst, wetten voordragen of er over stemmen: voorts zou er een Raad van State zijn, een Algemeene Rekenkamer, een onafhankelijke Rechtsmacht, Algemeene Wetboeken, gelijke bescherming voor de bestaande godsdiensten, doch de hervormd-kristelijke die van den Vorst: een nationale land- en zeemacht, uit vrijwilligers, en, bij gebrek van deze, uit lotingen samengesteld: eindelijk zorg der Regeering voor openbaar onderwijs en armwezen. Veel was er in dit ontwerp, hetwelk goedkeuring verdiende; maar ook veel, hetwelk getuigde, dat, hoe ook de opstellers de gruwelen der Fransche omwenteling afkeurden, zij toch niet konden nalaten de beginselen te huldigen, waaruit die omwenteling was voortgesproten. Hoe vreemd het ook schijne, het is echter onwederspreekbaar, dat in die dagen, en nog zestien jaren later, er naauwlijks één staatsman hier te lande gevonden werd, die niet, ook zelfs zijns ondanks of zonder het te weten, de revolutionaire theoriën, hoezeer dan onder een anderen naam, omhelsde en in praktijk zocht te brengen. Niet slechts de zoodanigen onder de staatsdienaars van Willem I, die tot de partij van 1795 hadden behoord, als Van Maanen, Kemper of Falck, maar ook de oude Oranjegezinden, als Van Hogendorp en Roëll, achtten geen Staat langer mogelijk, dan die uit zoogenaamd verdrag tusschen Vorst en Volk voortsproot: geen staatsvorm wettig of bestemdig, zonder een geschreven Konstitutie, waarbij de rechten der drie staatsmachten, de Wetgevende, de Uitvoerende en de Rechterljke, zorgvuldig waren afgebakend: geen stem zoo krachtig en zoo onfeilbaar, als die der volksmeening. Van daar dan ook, dat men in de ontworpen Staatsregeling zoo veel had aangebracht, 't welk alleen de vrucht was van nieuwe en afgetrokken bespiegelingen, en te weinig gepoogd had, haar in verband te brengen met de verkregen rechten, met de zeden, met de overleveringen, met de geschiedenis der Natie. Men deed, als of nu eerst een nieuw Rijk werd opgebouwd, en men vergat, dat Nederland reeds sedert twee eeuwen als een vrije en onafhankelijke Staat bestaan had. Van dezen ouden Staat waren bijkans allen de namen bewaard, en die namen, hoe welkom zij ook in de ooren der menigte mochten klinken, dienden nu slechts om wanbegrippen op te wekken en daardoor verwarring te stichten. Immers wat beteekende het, aan de Gewesten hun namen te hergeven, nu men hun noch hun titels, noch hun rechten, noch hun eigenaardig karakter hergaf, en er in den grond niet anders van maakte dan Departementen, als onder 't Keizerrijk? wat was het anders dan, terwijl men naar Eenheid streefde, het Provincialismus nutteloos te voeden? - men had weder Staten-Generaal, maar zonder het gezag, dat vroeger bij dat lichaam berustte: en welke waarborgen kon de vrijheid der Natie vinden in zoogenaamde Volksvertegenwoordigers, die, door de Staten der Gewesten gekozen, maar niet door hen afgevaardigd, zonder ruggespraak met hun lasthebbers stemden, en dus metterdaad niemand vertegenwoordigden dan zich zelve? - Men had Provinciale Staten, doch zonder soevereiniteit; terwijl de Fransche prefekten door Goeverneurs werden vervangen: men had Ridderschappen, doch zonder onafhankelijk eigendom: men had weder Burgemeesters, die zich nog Regenten waanden, en niet meer waren dan Bestuurders: men sprak in de Grondwet van de Unie van Utrecht en hoe, volgens de beginselen, waar zij op gegrondvest was, het dragen van wapenen tot handhaving der onafhankelijkheid van den Staat een plicht der ingezetenen was; maar men wist daaruit, zonderling genoeg, het voorwendsel af te leiden, om de bij ons zoo gehate en met onze zeden zoo geheel strijdige Conscriptie, die vrucht van Franschen oorsprong, in onze Staatsregeling binnen te smokkelen.
   Bedenkingen gelijk deze werden echter niet of schaars gemaakt in een tijd van opgewondenheid als die, waarin de Grondwet werd voorgedragen, toen de vijand nog in 't land, en men algemeen geneigd was, alles toe te juichen, wat door of van wege de nieuwe Regeering geschiedde. De Notabelen, die ten getale van 474 aanwezig waren (126 hadden zich om verschillende redenen verschoond) keurden met 448 tegen 26 stemmen het ontwerp goed; waarop den volgenden dag (30 Mrt.) de plechtige inhuldiging van Willem I als Soevereinen Vorst plaats had in dezelfde kerk, en, zoowel door luisterrijke feesten als door een plechtige bedestond (6 Apr.), werd gevierd.
   Niet weinig werd de vreugde, door deze gebeurtenis opgewekt, vermeerderd door de overtuiging, dat de nog steeds woedende oorlog weldra een einde nemen zou. Belgiën was, met uitzondering alleen van Antwerpen, door de wapenen der Geällieerden gewonnen en den krijg op franschen bodem voortgezet. Vruchteloos waren de onderhandelingen behaalde zegepraal hem zijn zelfvertrouwen hergeven had, van de zijde der Geällieerden, beproefd. Intusschen, 's Keizers raadslieden zelve deelden niet in zijn overmoedige hoop: terwijl de legermacht der Bondgenooten onder Blucher en Schwartzenberg op Parijs aantrok, had Bordeaux zijn poorten voor Wellington geöpend en was Lyon door de Oostenrijkers ingenomen. De Keizerin, de groot-dignitarissen des Rijks en daarna ook Jozef Bonaparte, verlieten Parijs, welke stad laatstgenoemde vruchteloos gehoopt had tot het uiterste te kunnen verdedigen. Marmont, hertog van Raguza, verzocht nu een wapenstilstand (30 Mrt.), en weldra werd het verdrag geteekend, waarbij de aanstaande intocht der Bondgenooten geregeld werd. Nu was voor de voorstanders van het oude Vorstenhuis het tijdstip gekomen om zich te vertoonen. Een hunner, de Vauvineux, las (31 Mrt.), op een der pleinen van Parijs, overluid de proklamatie voor, waarbij de prins van Schwartzenberg de Parijzenaars tot orde en rust vermaande, en zette toen de witte kokarde, de leus der Bourbons, op den hoed. Weldra werd dit voorbeeld gevolgd en langzamerhand vermeerderde het getal van hen, die het: leve de Koning! aanhieven. Dien zelfden dag trok het leger der Geällieerden binnen, en gaven de keizer van Rusland en de koning van Pruisen aan de maires van Parijs hun voornemen te kennen, om de rechten der Fransche Natie te eerbiedigen en met Napoleon niet langer te onderhandelen. De Senaat, vroeger het gedienstige werktuig des dwingelands, haastte zich nu een Tusschenbestuur in te stellen, waarbij de soldaten van hun eed ontslagen werden. Niet langer bleef de uitwerking van deze verklaring achter, want toen Napoleon, die zich met zijn leger te Fontainebleau bevond, bevel gaf om op Parijs aan te rukken, schroomde de tot nog toe hem zoo getrouwe maarschalk Ney niet, hem te zeggen, dat zijn heerschappij een eind had, dat hij niet langer over 't leger te bevelen had en geen wijzer partij kon kiezen, dan vrijwillig afstand te doen en naar billijke voorwaarden te hooren. Hij liet zich hiertoe overhalen, doch poogde nog steeds de kroon voor zijn zoon te bewaren. Toen dit voorstel echter door de Mogendheden werd afgeslagen, en hij de overtuiging bekomen had, dat zijn leger hem niet langer volgen zou, zwichtte hij voor de noodzakelijkheid, en teekende (11 April) een verdrag van afstand voor zich en zijn opvolgers: terwijl hem het eiland Elba, als een afzonderlijk Vorstendom, met een jaarlijksch inkomen van 6,000,000 franken, tot verblijfplaats werd aangewezen. Negen dagen later (20 April) nam hij afscheid van de 3000 man der Garde, die hem nog waren getrouw gebleven, en trok, van de generaals Bertrand en Drouot en van een behoorlijk geleide vergezeld, naar de plaats zijner bestemming. De maarschalk Soult, die nog steeds nabij Toulouse weêrstand bood aan Wellington, koos nu den aftocht, en terwijl de Senaat Lodewijk Stanislaûs Xaverius, oudsten broeder van den onthoofden Lodewijk XVI, tot den troon riep, nam diens jongste broeder, de graaf van ARtois, de teugels van het bewind voorloopig in handen.
   Kort daarop trok de nieuwe Koning, die zich gedurende zijn ballingschap in Engeland had opgehouden, naar Frankrijk over, deed zijn intocht binnen Parijs en aanvaardde de regeering (3 Mei) onder den naam van van Lodewijk XVIII. Die naam zelf duidde aan, dat, naar de beschouwing der Bourbons en van hunnen aanhang, de regeering van Napoleon alleen een regeering door de daad was geweest, en dat die der Bourbons rechtens onafgebroken was in wezen gebleven: zoodat na den dood van Lodewijk XVI, diens zoon als Lodewijk XVII, en thans de tegenwoordige Koning als Lodewijk XVIII, waren blijven regeeren. Hij telde de jaren zijner regeering dan ook niet van het tijdstip zijner terugkomst in Frankrijk, maar van dat, waarop zijn koninklijke neef geächt werd gestorven te zijn. - Een algemeene vrede werd tusschen de Geällieerden en Frankrijk gesloten (30 Mei) en de onwettig overheerde landen weder van dit Rijk gecheiden. Bij dien vrede werd Willem I als Soevereine Vorst van Nederland erkend, en aan dezen Staat vermeerdering van grondgebied toegezegd. De vreemde troepen ruimden den Franschen bodem: Lodewijk XVIII schonk (4 Juni) een Konstitutie of Charter aan zijn volk, en de rust van Europa scheen op nieuw verzekerd. - Wij zullen later zien, dat zulks werkelijk niet meer was dan schijn.
   De troonafstand van Napoleon en de troonsbestijging van Lodewijk XVIII hadden de ontruiming der plaatsen, die hier te lande nog in handen der Franschen waren, ten gevolge. Van de middelen, in den loop dezes jaars - hoezeer dan ook vruchteloos - beproefd, om die plaatsen met geweld te bemachtigen, moet ik hier nog met een woord gewag maken.
   Reeds in het eind van 't vorige jaar was de gewichtige vesting Bergen-op-Zoom door de Engelschen, onder Sir Thomas Graham, ingesloten geworden, en hadden de ingezetenen al de onaangenaamheden van een beleg moeten verduren. Niet slechts was de gemeenschap naar buiten gestremd, waardoor de prijzen der levensmiddelen tot eene ontzettende hoogte stegen, maar ook perste de bevelvoerende generaal Bazanet, wiens krijgskas ledig begon te worden, hun niet minder dan 35,000 franken af. De felle vorst, die de verdediging der vesting belemmerde, de zwakheid der Bezetting, en de medewerking, die men bij de burgerij hoopte te vinden, hadden in het Engelsche hoofdkwartier reeds het denkbeeld doen ontstaan om de stad bij verrassing te bemachtigen: en toen, na den slag bij Montmirail, het aanvankelijk terugtrekken van Bulow de vrees deed ontstaan voor den terugkeer der Fransche legermacht, die alsdan in Antwerpen, Bergen-op-Zom en Grave belangrijke steunpunten zou gevonden hebben, achtte Graham het noodzakelijk, hoe eer hoe beter het beraamde plan ten uitvoer te leggen. Terwijl een schijnaanval op de Steenbergsche poort de aandacht der Bezetting derwaarts afleidde, trokken drie kolommen, bij donkere nacht, de gracht over op verschillende punten: twee daarvan geraakten op den wal, en vermeesterden spoedig het eene bastioen na het andere, zoodat de Bezetting overal week en de Kommandant alles reeds verloren waande; toen zijn adjudant, een man van buitengewone geestkracht en moed, de verstrooide Franschen op de markt weder herzamelde, de aanvallers tegentrok, hen achtereenvolgens al de bastioenen weder uitdrong, en hen de vesting op nieuw deed ruimen. Behalve aan de wakkerheid van dezen krijgsman, wiens naam ik niet heb kunnen vinden, schijnt de ongelukkige afloop der onderneming te moeten worden toegeschreven aan het in den aanvang sneuvelen van verscheidene Engelsche officieren, waardoor verwarring onder de manschappen ontstond, en verzuimd werd, de noodige gemeenschap met de troepen daar buiten te openen. - Er veliep nu ruim een maand (15 April) eer de FVransche bevelhebber bericht kreeg van de nieuwe orde van zaken, de driekleurige vlag en kokarde werd nu wel door de witte vervangen, doch de stad niet overgegeven, dan toen Bazanet daartoe bevel van zijn nieuwen Soeverein had ontvangen.
   Eerst eenige dagen later (3 Mei) werd Grave door de Franschen ontruimd. De Kommandant der vesting, van wiens plundertochten de omgelegen landstreek vrij wat last leed, had niet slechts geen geloof willen hechten aan de tijding van den afstand van Napoleon, maar zelfs geweigerd de vijandelijkheden te staken in afwachting van stelliger berichten; en niet eer besloot hij tot de overgave, dan toen hij met zekerheid vernomen had, dat ook Venloo en Maastricht waren ontruimd.
   Reeds vroeger had de overgave plaats gehad van den Helder en de Hollandsche vloot. Ik heb u hierboven verhaald van de middelen, door den generaal De Jonge in 't werk gesteld, om het noordelijk gedeelte van Holland tegen een aanval van de zijde der forten aan den Helder te verdedigen. - Van de ondersteuning der kozakken beroofd, die bevel hadden ontvangen om hooger op te trekken, had hij hun gemis pogen te vergoeden door het oprichten eener ruiterbende van 78 man, met lansen gewapend, en die, aan de voorposten geplaatst, geen geringe diensten bewees. Wijders ontving hij nog een versterking van 300 man uit den Landstorm van Alkmaar, een aanzienlijken voorraad geweeren en, uit het tuighuis te Medemblik, twee veldstukken, benevens twee twaalfponders, het eenige bruikbare geschut, in Noord-Holland voorhanden.
   Zich aldus versterkt ziende, zond De Jonge (9 Jan.) een onderhandelaar aan Ver Huell, met bericht van de overgave van Gorcum en den Bosch en van de vorderingen, door de Geälliëerden in Frankrijk gemaakt, en met aanmaning om de forten over te geven. Bedenkelijk was de toestand, waarin zich de Amiraal bevond. Door het Hollandsche zeevolk, en later ook door de Nationale garde verlaten, had hij nauuwlijks 1100 man onder de wapenen, en bovendien gebrek aan geld, waarin hij, die geen gedwongen heffingen wilde doen, had voorzien door een geldleening van de Helderschen, onder waarborg des noods van zijn eigen goederen. Doch waar hij meest mede te kampen had, was met de raadslagen zijner Fransche onderbevelhebbers, die luide er op aandrongen, dat men het eskader in brand steken, de forten laten springen, het Nieuwe Diep stoppen, den zeedijk doorsteken en met de beide fregatten ontsnappen zou. Gelukkig stuitten deze eischen der wanhoop af op de vastberadenheid van Ver Huell.
   Doch evenmin als hij daaraan toegaf, achtte hij, in weêrwil van zijn benarden toestand, zich gerechtigd, aan den eisch tot overgave te voldoen. Intusschen was het voor hem van belang, onderricht te bekomen aangaande de ware gesteldheid der zaken in Frankrijk, waarvan hij onkundig bleef, als aan de landzijde door onze troepen, aan de zeezijde door de Engelschen ingesloten. De luitenant Rijk, een bekwaam zeeöfficier, en die eenmaal geroepen zou zijn, aan het hoofd van ons zeewezen te staan, redde hem uit de verlegenheid, door het aanbod van zelf zich naar Parijs te begeven ten einde aldaar bevelen te ontvangen. Gretig werd het voorstel aangenomen, en Rijk, zich vermomd en in een visschersboot hebbende ingescheept, stak (12 Feb.) van wal, en wist, door het ijs en de Englschen heen, in de open zee te komen. Doch nu had hij met nieuwe zwarigheid te worstelen; daar de schipper en zijn knecht, vernemende, dat de bestemming naar een Fransche haven lag, weigerden hun dienst daartoe te verleenen. De vaste houding van Rijk wist echter hun tegenzin te overwinnen: en zoo kwam hij (15 Febr.) te Duinkerke aan wal, van waar hij zich, langs de kust, om de legers der Geällieerden te vermijden, over Boulogne naar Parijs begaf. Hier, bij den Minister van Marine toegelaten, wist hij, door kracht van taal en overreding, van dezen te verkrijgen, dat Ver Huell gemachtigd werd, naar bevind van zaken te handelen, terwijl hem 10,000 franken in goud werden medegegeven tot stijving der krijgskas.
   Doch nu begon de nieuwe zwarigheid, die van den terugtocht (13 Mrt.). Te Duinkerke zijn boot weder bereikt hebbende, werd hij van daar door stormweêf genoodzaakt (23 Mrt.) te oostende binnen te loopen. Eerst 10 dagen later kon hij weder uitzeilen, wanneer hij, met koene stoutmoedigheid, de Engelsche kust langs zeilde en zoo voor-de-wind (25 Mrt.) weder aan den Helder terugkeerde. De berichten, die hij met zich bracht van de voordeelen, onlangs door Napoleon behaald, moesten natuurlijk strekken om Ver Huell in zijn weigering van overgave te doen volharden: en het was dan ook eerst een maand later (21 April), dat de witte vlag van de forten uitgestoken, en vervolgens (4 Mei) de vesting ontruimd werd. Ver Huell, thans ontslagen van den eed, aan Napoleon gedaan, wendde zich tot den Soevereinen Vorst en verzocht in dienst der Nederlanden te worden aangenomen, met behoud van zijn rang. Ongelukkig was Willem I tegen den rechtschapen krijgsman ingenomen. Hij sloeg het verzoek af, hem gedaan: en zoo werden de diensten van een kundig, ervaren zeeheld, aan wien men het behoud der forten, der vloot en van zoovele menschenlevens te danken had, voor het Vaderland verloren. Te vreemder was deze weigering, om dat de getrouwheid van Ver Huell aan zijn eed een te zekerder waarborg opleverde, dat hij met niet minder trouw zijn Vaderland zou dienen, - en om dat vele anderen, die vroeger, 't zij de Republiek van en na 1795, 't zij Napoleon gediend hadden, thans, op grond hunner ervaring en bekwaamheid, als bij voorkeur door den nieuwen Soeverein in zaken gebruikt werden. Ver Huell begaf zich naar Parijs, waar hij sedert verbleef, en als Pair van Frankrijk in hoogen ouderdom zijn nuttig leven eindigde.
   De overgave van den Helder was voorafgegaan door die van Deventer (26 April), waar de ingezetenen zoowel als de landlieden in den omtrek niet weinig dankbaar waren, verlost te worden van al de kwellingen van het beleg. Koevorden hield het langer uit: en zelfs werd aldaar, nog na de overgave van andere plaatsen, meer dan een heftige strijd geleverd. Zeven malen was de vesting vruchteloos opgeëischt geworden, toen (3 Mei) een Fransche overste aan de Bezetting den last kwam brengen om haar te ontruimen.
   Even hardnekkig als die van Koevorden, was de Bezetting van Naarden weêrstand blijven bieden: en het herhaald beschieten der vesting, op last van Krayenhoff, had wel vrij wat verwoesting in de stad aangericht, doch niet gestrekt om den moed der belegerden te verminderen. En inderdaad, de bevelvoerende generaal Quitard, of liever de kolonel der artillerie Falba, die de verdediging bestuurde, kon gerust den spot drijven met de aanvallen van een macht, gedeeltelijk uit ongeöefende vrijwilligers bestaande, en geheel ontoereikend om een vesting te bedwingen, zoo sterk als Naarden, door meer dan 2000 man verdedigd, en ruim van krijgs- en mondbehoeften voorzien. Herhaalde uitvallen en strooptochten verschaften den belegerden wat hun ontbrak: de burgers, voor zoo verre zij bemiddeld waren, werden tot zware opbrengsten genoodzaakt: en de onvermogenden, die niet in hun onderhoud konden voorzien, ten getale van 200, (10 April) de stad uitgedreven. Eerst in de volgende maand werd op de last, door Lodewijk XVIII gezonden, (12 Mei) de vesting ontruimd.
   Niet minder dan de omstreken van Naarden hadden die van Delfzijl te lijden gehad van den overmoed der Fransche bezetting, en mer dan één molen of rijke boerewoning, ja de meeste huizen van Farnsum, Uitwierda en Birsum waren ter gelegenheid der gedane uitvallen in de asch gelegd. Wel had men een poging willen doen om de vesting met geweld te bemachtigen; doch toen daartoe door de Pruisische en Engelsche legerhoofden en den kolonel Busch de noddige maatregelen waren genomen (2 Feb.), werd er onverwachts tegenbevel door den Hollandschen generaal Otto van Stirum gegeven. Dit had ten gevolge, dat de Engelschen en Pruisen aftrokken, en de taak der insluiting voortaan geheel op de schouderen der Nederlandsche burgers en boeren bleef rusten, door wie niet dan met gestadige moeite en volharding de uitvallen des vijands konden worden te keer gegaan. Wel werden zij later door eenig geregeld krijgsvolk gesterkt, doch in geen toereikend aantal om iets van belang te ondernemen: en zelfs nadat aan de Franschen kommandant het herstel der Bourbons was bekend gemaakt, wilde hij niet tot de overgave besluiten, voor dat een zijner officieren naar Parijs gegaan was, om zich van de waarheid van het verhaalde te vergewissen. Eerst na diens terugkomst (28 Mei) werd de witte vlag opgestoken en de vesting verlaten.
   Behalve de gemelde steden werd ook eindelijk het eiland Walcheren van de Fransche overheersching ontslagen. Hier was, bij het uitbreken der omwenteling, alle gemeenschap met de omliggende gewesten door den Prefekt verboden geworden: verdachte personen en anderen, die men als gijzelaars in verzekerde bewaring wilde houden, werden naar Vlissingen en sommigen van daar naar Frankrijk opgezonden, welk lot onder anderen den rechter A.C. van Citters, en J.J. de Bruin, oud-Baljuw van Middelburg, trof. Drukkende opbrengsten werden, gedurende den tijd der afsluiting van Walcheren, van de inwoners gevorderd. Reeds in November hadden 220 paarden voor den artillerietrein geleverd moeten worden: en eerlang werden 800 arbeiders in dienst gesteld voor de vestingwerken. Van December tot in Maart werden dagelijks 100 wagens met de daarbij behoorende paarden en voerlieden gevorderd tot vervoer van allerlei voorwerpen, zonder dat daarvoor iets werd betaald. OM het loon voor de bovengemelde 800 arbeiders te vinden, moest wekelijks een som van 2100 franken door de 100 meest gegoede inwoners worden opgebracht. Drie kooplieden, Serlé, Andriessen en Meyners, weigerden aan deze afpersing te voldoen, waarop hun goederen gerechtelijk aangeslagen en verkocht werden. Voorts werd de volle belasting voor 1814 in drie termijnen ingevorderd vóór het einde van Maart, terwijl wat die minder dan tot een som van 400,000 franken opbracht, uit de bijzondere kassen van een dertigtal vermogende ingezetenen moest worden aangevuld. Doch bovendien moesten levensmiddelen en andere noodwendigheden voor de vestingen worden geleverd, zoo dat alles te zamen ten minste een som van anderhalf millioen bedroeg. - Ter geruststelling der ingezetenen werd beloofd, dat het Fransche bestuur al het geleverde betalen zou, waartoe dan ook zoogenaamde bons werd afgegeven; intusschen was door de landlieden reeds veel geleverd, zonder dat zoodanige schuldbekentenissen hunwaren ter hand gesteld. Gaf dit aanleiding tot gemor, niet weinig werd het misnoegen vermeerderd door een afkondiging van den Prefekt (3 Jan.), dat de landlieden al hun vee in de vestingen zouden brengen, op straf van bij verzuim hun bezittingen te zien verbranden. Hiertegen werd door sommige gemeenten, niet zonder reden, bezwaar ingebracht, doch met weinig goed gevolg. De goeverneur, Gilly, verklaarde (10 Febr.), dat hij elke gemeente, die tot de verdediging des eilands weigerde mede te werken, als vijandig behandelen, en elke gemeente, die achterlijk bleef in het opbrengen van haar aandeel, door krijgsvolk zou dwingen het dubbel daarvan te leveren. Deze bedreigingen werden echter nimmer ten uitvoer gelegd, maar wel een besluit (11 Febr.), waarbij de aflevering van alle schietgeweeren bevolen werd, en 't welk aanleiding gaf tot een heftigen, hoezeer dan ook vruchteloozen tegenstand. Een bende van 40 man was tot het ophalen der geweeren naar de dorpen Brigdamme en St. Laurens gezonden. De bevelvoerende officier had last om met den maire dier gemeenten, Verheyen van Citters, de noodige middelen te beramen, om dien last met zachtheid en voorzichtigheid uit te voeren; doch reeds was op zijn aankomst de dorpsklok te St. Laurens geluid, 't welk in de naburige gemeenten herhaald werd, en waren op dat sein de landlieden van Serooskerke en andere plaatsen met stokken, vorken en dergelijke wapenen aangerukt. De officier, vreezende ingesloten te worden, trok met zijn bende naar Middelburg terug, door het landvolk achtervolgd, 't welk nu mede de stad binnendrong. Hier deed een wel ingericht geweervuur van de Bezetting der ordeloozen hoop uit een stuiven, die weldra, met achterlating van eenen doode en eenige gekwetsten, zich verstrooide en een goed heenkomen zocht. Nu werd een genoegzaam aantal krijgsvolk naar Brigdamme en Serooskerke gezonden, en de wapenen overal zonder tegesntand opgehaald. Negentien landlieden, naar Vlissingen gevoerd, bleven aldaar gevangen tot aan de verlossing des eilands. Ook eenige ingezetenen van Middelburg, de maire van Aagtekerke en Brigdamme en de predikant van Serooskerke werden in verzekering genomen, doch met bescheidenheid behandeld, en na verhoor weder ontslagen. Alleen Noels, maire van Buttinge, werd, als verdacht van den tegenstand, door zijn gemeente geboden, te hebben aangestookt, van zijn post ontzet, en een tijd lang gevangen gehouden.
   De toestand der Franschen op Walcheren was onder dat alles meer en meer bedenkelijk geworden. De gemeenshap met hun vaderland was hun afgesneden: vergeefs hadden zij gepoogd weder voet te krijgen op het bevrijde Noordbeveland, waar een bende van 60 man, door Gilly afgezonden, krijgsgevangen gemaakt en op de Engelsche schepen gebracht was. Wel was het hun gelukt een batterij op Zuidbeveland, die hun gemeenschap met Bath belemmeren kon, tot tweemalen toe te vernielen; doch latere pogingen, met 500 man beproefd, om Zuidbeveland te heroveren, waren telkens afgestuit op den wakkeren wederstand, hun door de Engelsche bezetting te Borselen en den gewapenden landstorm des eilands geboden. Kort daarna werd de gemeenschap met Bath door Engelsche troepen geheel afgesneden. Eindelijk kwam ook op Walcheren de blijmaar aan van Napoelons val; doch, zelfs nadat de witte vlag van den toren te Middelburg was uitgestoken, bleef de Prefekt, en, na diens vertrek, zijn Sekretaris-Generaal zich even willekeurig als vroeger gedragen: - en de kwellingen hielden niet op dan met de komst van den Franschen generaal d'Arboville (6 Mei), die met de ontruiming belast was, welke nu eindelijk plaats vond.
   Zoo waren dan al de Vereenigde Gewesten van vijanden verlost, en nu onder denzelfden staf weder vereenigd: en men kon de handen in een slaan, om het binnenlandsch beheer te regelen en het deerlijk geschokte finantiewezen te herstellen.
   Wat de wijze van bestuur betrof, zoo bleven, gelijk ik reeds hierboven heb aangemerkt, de Fransche grondstellingen van regeering en de meeste door Napoleon ingevoerde inrichtingen onder Nederlandsche namen in stand; terwijl ook. behalve de afschaffin van tabaksmonopolie, de belastingen niet van aard veranderden. Tot het verkrijgen der benoodigde gelden werd in een buitengewone vergadering der Staten-Generaal (2 Mei) een wet goedgekeurd, waarbij daarin voorzien werd, alle effekten in een 2 % effekt gekonverteerd (14 Mei), en tevens naast de werkelijke een uitgestelde schuld werd vastgesteld, ter herleving van de 2/3, die men onder Napoleon door de toerceering verloren had. In de eerste gewone vergadering van hetzelfde lichaam (7 Nov.) werden al de middelen op 40 millioen, de uitgaven op 51 millioen v=berekend; maar er was uitzicht op vermindering van behoeften, zoodra de vrede bestendig bleef, en op vermeerderde opbrengst bij het herkrijgen der Overzeesche Bezittingen, waarvan de teruggave door Groot-Brittanje was toegezegd (13 Aug.). Het publiek krediet herleefde: de 2 % klommen van 30 op 46%, en reeds gaven de lijsten van de Maas en Goeree aan 't einde des jaars het binnenkomen van 1284 en het uitzeilen van 1308 schepen op, terwijl dit getal in 1808 slechts 63 en 67 had bedragen.
   Terwijl men zich hier bezig hield met de nieuwe organizatie van 't bestuur, arbeidden de Mogendheden aan het organizeeren van Europa. Men wilde Holland, in het belang der algemeene rust, tegen het altijd woelige en gevaarlijke Frankrijk versterkten, en daarom met de Belgische Gewesten samensmelten. Over deze laatsten was eerst, namens de Mogendheden, een provizioneel Bestuur aangesteld geworden (11 Febr.), en later ten gevolge van het te Parijs gesloten vredesverdrag, een Tusschenbestuur van Willem I; terwijl hem nu (15 Aug.), op een te Weenen gehouden algemeen kongres der Mogendheden, het oppergebied over al de Nederlanden, met den koningstitel (1815), werd opgedragen, en tevens, in ruil voor zijn Nassausche erflanden Dillenburg, Siegen, Dietz en Hadamar, het groot-hertogdom Luxemburg. Oostenrijk had met Engeland het ijverigst voor deze samenvoeging gepleit: wel moest het daardoor afstand doen van zijn rechten op Belgiën; doch het zag gaarne af van een ver afgelegen en moeilijk te besturen landstreek, om, ter vergoeding daarvoor, het gebied over Lombardijen en Venetiën te bekomen.


webdesign & copyright
© 2001-2005 Eveline
→