Geschiedenis Noord-Nederland 9

 overzicht
Inhoud
Start
NEGENDE HOOFDSTUK


Omwenteling. - Verandering zoo van den stedelijken als gewestelijken Regeeringsvorm. - Van de Spiegel en Bentinck gevangen gezet. - De vroedschappen vervangen door Municipaliteiten, de Provinciale Staten door Provizioneele Reprezentanten des volks. - Groningerland en Drenthe door de Engelschen ontruimd. - Bataafsche Republiek. - De Afgevaardigden der Staten-Generaal door anderen vervangen. - De Raad van State afgeschaft. - Willem V vervallen verklaard. - Verschillende Comité's van Bestuur. - Beschikkingen omtrent 's Prinsen goederen gemaakt. - Onderscheidingsteekenen afgeschaft. - Staatsbrabant en Drenthe als zusterlandschappen erkend. - Veranderingen in het Kerkelijke. - Nieuwe eedsvordering. - Tegenstand, door de Municipaliteit van Amsterdam aan het daaromtrent genomen besluit geboden. - Uitzetting van Bilderdijk. - Predikanten afgezet. - De onafhankelijkheid der Republiek op bezwarende en vernederende voorwaarden door Frankrijk erkend. - Treurige toestand des Lands. - Assignaten. - Engeland legt embargo op onze schepen. - Pasteur en Vitriarius naar Londen. - Opbrengst van gemaakt goud- en zilverwerk. - Het Valkenhof te Nijmegen gesloopt. - Werkzaamheden van het Comité van Marine. - De Winter, Opperbevelhebber over 's Lands Vloot. - Bataafsche Vlag. - Ontmoeting tusschen Britsche en Nederlandsche schepen. - Oorlogsmanifest van Engeland. - Verliezen, door den handel geleden.


   (1795). Het vertrek van den Stadhouder en zijn gezin gaf het sein tot de ontbinding van het Staatsgebouw en tot de lang voorbereide omkeering van zaken. De Gezanten der Hoven van Londen, Madrid, Turijn en Hanover verlieten den Haag, en zoo was de band verbroken, die tusschen ons en die Mogendheden bestond. Bijna gelijktijdig op alle punten kreeg de omwenteling haar beslag, hier en daar met verbazende snelheid, 't geen echter geen verwondering kan baren, wanneer men bedenkt, dat zij in de meeste steden was voorbereid geworden door geheime Genootschappen, die reeds met nieuwe voorloopige Besturen en regeerings-reglementen gereed waren. Had er, bij de gestrenge maatregelen, door de Regeering in 't najaar van 1794 genomen en waarvan ik in het vorige hoofdstuk melding heb gemaakt, een tijdelijke verslagenheid bij de omwentelingsgezinden geheerscht en waren de leden van het Comité Revolutionair uiteengestoven, de bevreesdheid was bij de spoedige aannadering der Franschen geweken en de taak door Krayenhoff en zijn medestanders begonnen, was door Gregorius Cruys, Samuel Iperuszoon Wiselius, Jacob 't Hoen en anderen, opgevat en voortgezet. Deze nu wisten, door bij elkander aan huis te vergaderen, den argwaan te ontgaan, en hun taak, zoo door het onderhouden der gemeenschap met de clubs in andere steden en met de Fransche legerhoofden als door het voorbereiden der omwenteling binnen Amsterdam, met ijver en beleid te volbrengen. Hoe men voor 't overige over hunne handelingen denke, zeker is het, dat zij niet geheel zonder grond er het noodzakelijke van betoogden. "Het land," zoo redeneerden zij, "is niet meer te verdedigen: komen de Franschen als overwinnaars hier, dan zullen zij hier, als in Belgiën, de wet stellen en onze nationaliteit is verloren: - verklaren wij zelven ons vrij, en halen wij de Franschen uit eigen beweging in, dan zullen zij ons als Bondgenooten behandelen en ons naar eigen verkiezing onze inlandsche aangelegenheden laten regelen: 't is daarom plicht een nieuwe orde van zaken, en wel spoedig, te scheppen en in alle steden een Regeering gereed te hebben om de bestaande onmiddellijk te vervangen." Beide oogmerken werden dan ook bereikt: nergens ontstond regeeringloosheid, en de verandering van zaken had overal zonder bloedstorten, ja zonder veel verwarring, plaats. In sommmige Hollandsche steden, als Haarlem, Leiden en Schiedam, wachtte men de komst der Franschen niet af, om de leden der Vroedschap van hun postetn vervallen te verklaren en een nieuw Bestuur te vormen. Te Amsterdam geschiedde zulks echter niet dan op de aannadering der Franschen. Een opwekking aan de Burgerij, om zich van het juk te ontslaan, door Wiselius opgesteld, (16 Jan.) heimelijk gedrukt en verspreid, had wel de gemoederen aan 't gisten gebracht, doch nog geen dadelijke uitwerking gehad. De generaal Daendels, inmiddels te Utrecht gekomen, was van daar naar Maarsen getrokken, alwaar hij zijn hoofdkwartier gevestigd had. Van daar zond hij den hem verzellenden Krayenhoff naar Amsterdam, om er zoo mogelijk de omwenteling te bewerken. Terwijl Krayenhoff, (18 Jan.) aldaar gekomen, zich begaf naar den generaal Golowkin, die de bezetting gebood, en alles in beweging was, om te vernemen wat de uitslag van hun onderhoud zou zijn, trokken eenige leden van 't Comité, met den advokaat Rutger Jan Schimmelpenninck aan 't hoofd, naar den voorzittenden burgemeester Straalman en eischte wapenen, ten einde de rust in de stad te bewaren. Ofschoon aan deze vordering niet onmiddellijk voldaan werd, zagen Burgemeesteren in, dat zij voor den drang der omstandigheden moesten zwichten, en gaven aan Krayenhoff, die nu ook bij hen verscheen, te kennen, dat zij hun posten zouden nederleggen; terwijl hij op zich nam, te zullen zorgen voor de handhaving der orde. Hiertoe had hij bereids met Golowkin de noodige schikkingen gemaakt en was in overleg getreden met het Comité. Nog dien zelfden avond trok dit laatste naar de Waag, van waar het, bij fakkellicht, aan de talrijk verzamelde menigte verkondigde, dat de omwenteling volbracht, en de burger Krayenhoff tot Kommandant der stad was aangesteld. De nacht liep verder rustig af. Het Comité had zich permanent verklaard en zitting genomen in het koffihuis de Karseboom in de Kalverstraat, waar Daendels, bericht van den loop der zaken ontvangen hebbende, in die zelfde nacht nog verscheen. Den volgenden morgen (19 Jan.) begaf het Comité zich naar 't Stadhuis, waar de Raad buitengewoon vergaderd was, en verklaarde, uit naam der Burgerij, de gansche Vroedschap ontslagen, aan de leden daarvan bescherming toezeggende. Onmiddellijk daarna nam een nieuw Bestuur, dat, onder den naam van "Provizioneele Reprezentanten van het volk van Amsterdam," 's nachts te voren op den Dam door het Comité was uitgeroepen, of, zoo 't heette, voorgedragen, de ontruimde zetels in. De oud-pensionaris Visscher en andere Patriotten, die sedert 18 November, wegens het indienen van een verzoekschrift tegen de verdediging van Amsterdam, in het werkhuis gevangen zaten, werden van daar afgehaald, in zegepraal naar het stadhuis gevoerd, en verwelkomd door Schimmelpenninck, die tot voorzitter der Representanten verkozen was. Dit alles was met veel waardigheid toegegaan, ja zelfs met heusche vormen van wederszijden, en zonder dat de orde eenigszins verstoord werd. Inmiddels was het gebouw van het genootschap Doctrina et Amicitia, dat bijna geheel uit Patriotten bestond, en twee maanden te voren op last der Regeering gesloten, maar nu weder geöpend was, en waar zoo wel het Comité als de Reprezentanten bij elkander gekomen waren om naar 't stadhuis te gaan, opgevuld met leden en geestverwanten, die er met hun dames, of, om den stijl van den dag te gebruiken, met hun burgeressen, den dag met zang, dans en vrolijkheid doorbrachten. Nog levendiger was het schouwspel aan de poort, waar men de Franschen te gemoet was gesneld om hen als redders en broeders in te halen (20 Jan.). De aangekomen ruiters, slecht en haveloos gekleed, voldeden, wel is waar, weinig aan de verwachting; doch men paaide de menigte met te zeggen, dat de reguliere troepen later zouden komen. Ook zag men er, in de eerste vreugd der verwelkoming, zoo naauw niet op: aan het handdrukken en omhelzen was geen eind, en zelfs welgekleede vrouwen aarzelden niet, zich tussen smeerige huzaren in aandoenlijke eendracht op de kanonnen neder te vlijen.
   Te Rotterdam was de Vroedschap op ernstigen wederstand bedacht geweest; doch den voorspoed der Fransche wapenen, en de onmogelijkheid om de stad, bij strenge vorst, te verdedigen, in aanmerking nemende, legde zij haar betrekkingen neder; terwijl een nieuw Bestuur, doch hier voorloopig onder denzelfden naam, het oude verving.
   Te Gouda greep de omwenteling ongeveer op gelijke wijze plaats; doch te Dordrecht geschiedde de Regeeringsverandering op het bevel en onder den invloed van den Franschen reprezentat Alquier. Te Schoonhoven had zij mede geen plaats dan na de inkomst der Franschen: te Delft en in den Briel ging men er niet dan met weêrzin toe over, en in de eerstgemelde plaats vond zelfs de nieuwe orde van zaken zoo weinig toejuicvhing, dat de Fransche generaal Dumonceau zich verplicht achtte, de burgers bij proklamatie aan te sporen, toch opgeruimd en vroolijk te zijn.
   Het Comité te Amsterdam had intusschen zijn taak niet als voleindigd beschouwd. 't Was niet genoeg, de omwenteling daar tot stand gebracht en de stad met een nieuw Bestuur voorzien te hebben: men moest den zegepraal der nieuwe beginselen ook elders voorbereiden. Hiertoe werden de navolgende middelen in het werk gesteld. In de eerste plaats zond men Kommissarissen (21-23 Jan.) naar de Westfriesche steden, met het gevolg, dat Enkhuizen, Hoorn, Medemblik en Purmerend achtereenvolgens een nieuw Bestuur aanstelden. Alkmaar had zulks uit eigen beweging gedaan. Te Edam alleen gaf de Regeering zelve het voorbeeld van vrijwillig af te treden.
   De tweede daad van het Comité was een oproeping van Afgevaardigden uit de verschillende steden, waar de omwenteling had plaats gehad, naar Amsterdam, (24 Jan.), ten einde te beraadslagen over de beste wijze om de Staten van Holland door een ander Bestuur te doen vervangen. In deze Vergadering werd beslist, dat men, twee dagen later, in den Haag zou samenkomen en bezit nemen van de vergaderzaal van Holland. In het uitvoeren van dien maatregel zag men te minder bezwaar, dewijl reeds de generaals Pichegru en Moreau, en na hen de kommissarissen der Konventie, in den Haag verschenen waren en hun intrek in de stadhouderlijke verblijven (26 Jan.) hadden genomen. De afgevaardigden der Comitees en Reprezentanten uit de verschillende steden, overeenkomstig deze uitspraak in 't Heeren Logement aldaar bijeen gekomen, en den beroemden Pieter Paulus tot Voorzitter gekozen hebbende, begaven zich ongestoord naar de vergaderzaal van Holland, die zij gelast hadden dat voor hen zou openstaan, met verbod aan de Ridderschap om er zich te doen vertegenwoordigen. Zij konstitueerden zich nu als Provizioneele Reprezentanten der provincie Holland, en besloten, niet langer Stadsgewijs, maar hoofd voor hoofd te stemmen. De erkentenis der Rechten van Mensch en Burger werd nu bij toejuiching aangenomen, de vorige Staten van Holland, gelijk mede het Stadhouder-, Kapitein- Generaal- en Amiraalschap van Holland vervallen verklaard, en ieder van den daarop gedanen eed ontslagen. In de eerste plaats der kollegiën van Gekommitteerde Raden en van de Rekenkamer werden ingesteld een Comité van Algemeen Welzijn, een tot de Militaire Zaken, en een van Financiën. De vraag deed zich op, of men Va de Spiegel en Bentinck van Rhoon niet nog dienzelfden avond in verzekering zou doen nemen: men besloot zulks toen uit te stellen uithoofde van gebrek aan macht. Wellicht wilde men hun de gelegenheid geven, zich door de vlucht aan alle vervolging te onttrekken; - doch Van de Spiegel wilde zijn ambt niet nederleggen zonder de stukken, die onder hem berustende waren, in andere handen over te geven, en Bentinck was te hooghartig, om het gevaar, dat hem dreigde, niet te tarten. Beiden werden eerlang (4 Febr.) in hechtenis genomen, en eerst naar het Huis ten Bosch, vervolgens naar het kasteel van Woerden, overgebracht. Wat verder met hen voorviel zal ik later gelegenheid hebben te vermelden.
   De kleinere steden, even gelijk het geheele platte land, waren onder de voormalige Regeering zonder eenige Vetegenwoordiging geweest: immers men kon de Ridderschap niet wel als zoodanig aanmerken. Thans vorderden zij mede deel aan 't bestuur van 't Gewest; een eisch, die bij de nieuw ingestetlde orde van zaken alle billijkheid voor zich had, ja een recht was, dat men niet kon afslaan: en zoo gebeurde 't, dat het getal der provizioneele Reprezentanten meer en meer toenam.
   Een derde middel, door de hoofdleiders der beweging te Amsterdam (10 Feb.) te baat genomen, was de vestiging van een Comité van Opstand, dat zijn afgevaardigden naar alle Gewesten zond, om er de omwenteling te bevorderen. Sommige Gewesten echter hadden hun komst niet afgewacht om hun regeeringsvorm te verandren. In Utrecht was de omkeering van zaken krachtig in de hand gewerkt door de aanwezigheid der Franschen, en waren weldra overal de Stads-vroedschappen door Municipaliteiten, gelijk de Provinciale Staten door Volksreprezentanten, vervangen geworden. - In Gelderland had te Arnhem, Nijmegen en Wageningen, sedert de Franschen er waren binnengetrokken, de omwenteling haar beslag gekregen; doch de aanwezigheid van krijgsvolk der Bondgenooten verhinderde elders nog een wijl het navolgen van dat voorbeeld. Zutfen echter was (3 Feb.) zoodra niet door de Keizerschen, die het bezet hielden, verlaten, of het daar bestaande Comité Revoltionair bracht de burgerij in de wapenen en stelde een nieuw Bestuur in. Te Hardewijk ging de omwenteling op zeer ordelijk wijze toe; doch te Tiel niet zonder hevige tegenkanting van den Burgemeester, Van Omphal, die lang de maatregelen der Patriotten krachtdadig weêrstond en niet zwichtte dan voor geweld. Wat de Provinciale Regeering betrof, hoewel de titels van Vorstendom Gelre en Graafschap Zutfen werden afgeschaft, en de naam van Provizioneele Reprezentanten des Volks van Gelderland dien van Staten verving, de vorige vorm der andschaps-Vergaderingen in de steden Nijmegen, Arnhem en Zutfen, alsmede de Kwartiers-vergaderingen, bleven nog een tijd lang in stand.
   Reeds vroeger dan de Geldersche, hadden de Overijselsche Steden, waar meer overhelling bestond tot de nieuwe begrippen, de Vrijheid en Gelijkheid afgekondigd (29 Jan.). Zwolle was hierin voorgegaan: Deventer, Kampen en de kleinere Steden haastten zich, het gegeven voorbeeld te volgen. De Gedeputeerde Staten, te Zwolle vergaderd, werden ontslagen (3 Feb.), de gewone afgevaardigden ter Staten-Generaal terug geroepen en door andere vervangen.
   Terwijl dit voorviel, was een Bezending van de Staten van Friesland te Zwolle aangekomen om in onderhandeling te treden met den Franschen generaal Jardin. Deze verwees hen naar Saendels, die zich mede aldaar bevond. Reeds was dit op zich zelf voor de Friesche edelen, die de Bezending uitmaakten, weinig aanmoedigend, doch zij moesten nog dieper vernederd worden. Daendels bracht hen naar Kampen, en noodzaakte hen de zaak te regelen met de aldaar aanwezige Friesche uitgewekenen. Weinig heusch, als gij denken kunt, was het onthaal, dat hun van deze te beurt viel, en aldra zagen zij de onvermijdelijkheid in, zich in de hun voorgeslagen eischen te schikken, ten gevolge waarvan, na hun terugkomst in Friesland, drie publikatiën werden uitgevaardigd: de eerste, strekkende tot vernietiging van alle vonnissen, ten gevolge der onlusten van 1787 geslagen: de tweede, tot het intrekken der plakkaten tegen de verzoekschriften enz., en de derde tot een burgerwapening. Leeuwarden opende (10 Feb.) nu zijn poorten voor de uitgewekenen: de Regeering werd er veranderd, en de Staatsleden op geen malsche wijze afgezet en door nieuwe vervangen. Weldra was in 't geheele Gewest de omwenteling voltooid; terwijl te Franeker, welke stad, om haar houding in 1787, de deuren uit haar poorten had zien wegnemen, die deuren weder met feestelijken toestel en gejuich op hare plaats werden teruggebracht.
   Omtrent terzelfder tijd was ook te Groningen de Stadsregeering ontslagen geworden en een Municipaliteit aangesteld; terwijl ook door de Ommelanden Volksreprezentanten verkozen werden. Hier waren de Engelschen nog in het bezit van de Langakkerschans, die, in een moerassige streek gelegen, bij het invallende dooiweer niet licht tiegankelijk scheen. Twee kompagniën Fransche grenadiers en een detachement jagers waagden echter een aanval op die plaats, vermeesterden stormenderhand (28 Feb.) de batterijen, en maakten 300 Engelsche bezettelingen, waaronder zich dertig Fransche emigranten bevonden, krijgsgevangen. Een dezer laatsten, een kapitein, die zich tot het uiterste verdedigd en vele wonden ontvangen had, was uit het vorstelijke Huis van Rohan gesproten. Hij werd veroordeeld om op staande voet te worden doodgeschoten. Zijn twaalfjarig zoontje, dat hem verzeld had, werd door den Franschen generaal opgenomen en aan zijn bloedverwanten in Frankrijk terug gezonden. - Niet gering was het aantal der Engelschen, die, zich met de vlucht willende bergen, door het broze ijs vielen en verdronken. Spoedig daarop, toen drie afgevaardigden van het Amsterdamsche Comité ook te Winschoten de omwenteling tot stand gebracht, en de gewapende burgers aldaar zich door de aanrukkende Franschen hadden versterkt gezien, werden de Engelsche krijgsbenden, die zich nog in de nabijheid bevonden, overvallen, en genoodzaakt, met zwaar verlies, het Gewest te ruimen.
   In Drenthe had zich mede een Comité gevormd, dat, op de Landschaps-vergadering (11 Feb.) toegelaten, de leden daarvan, zonder eenigen omslag of tegenstand, ontslagen, en vervolgens de verkiezing van Volksreprezentanten en de volkswapening had doen plaats hebben. Intusschen was de vesting Koeverden nog in 't bezit der Engelschen. Nu gebeurde 't, dat de boeren zich op het dorp Hoogeveen in den wapenhandel oefenden, waarbij de trom geroerd werd. Een patrouille der Engelschen, op de hoogte van gemeld dorp gekomen, vroeg aan een boer, die haar ontmoette, wat dat getommel te beduiden had. Vaardig antwoordde de landman: "dat zijn de Carmanjolen" (een bijnaam, waarbij de Fransche revolutionairen werden aangeduid). Dit gezegde deed de Engelschen met verhaasten stap naar hun vesting terug keeren, die zij eerstdaags verlieten. Hieruit ontstond de vertelling, dat één Drentsche boer de Engelschen een geheele vesting had doen ontruimen. Zoo te Koeverden als in de Bourtange lieten zij bij hun vertrek deerlijke sporen van plundering en verwoesting na.
   Ofschoon in Zeeland de meerderheid der ingezetenen prinsgezind was, moest ook dit Gewest, sedert dat de omgelegen Landen door Fransche troepen bezet waren, de beweging, die elders plaats had, wel volgen. De Staten van het Gewest, een opeisching ontvangen hebbende van den generaal Michaud, die in Staats-Vlaanderen gebood, zonden (30 Jan.) drie hunner Leden tot hem, ten einde de voorwaarden der overgave te regelen. Ten gevolge eener dadiging, waarbij de Fransche generaal meer toegaf, dan men verwacht zou hebben, ja zooveel, dat, zeide men, de overwonnen aan de overwinnaars de wet hadden gesteld, kwam Moreau te Middelburg, en nam den eed der Bezetting af van niet tegen de Franschen zullen te vechten. Bij het aangegane verdrag hadden wel de Staten het behoud van den ouden regeeringsvorm bedongen; doch het was te voorzien, dat zij dien niet lang zouden kunnen in stand houden. Eenige burgers, weldra te zamen gekomen, en aangevuurd door zendelingen uit Amsterdam, perstten eerst aan de Staten een proklamatie af, waarbij de eed, op de vorige Konstitutie gedaan, werd vernietigd: vervolgens werd, in de Staatsvergadering zelve, door de Stad Middelburg voorgesteld, of de betrekking van Eerste Edele niet zou worden afgeschaft. Deze vraag werd, na deliberatie, toestemmend beäntwoord, ondanks het protest van Lynden, die sedert jaren gemelde betrekking, namens den Prins, had vervuld. Een bevel van den Franschen generaal Garnier noodzaakte hem kort daarna, Zeeland binnen 24 uren te ruimen en zich naar Holland te begeven, waar hij zich onder de beschreming stelde van den voorzitter der Vergadering, Paulus, en hem gelast werd, 's Gravenhage voortaan niet te verlaten.
   De raadpensionaris van Zeeland, Van Citters, die reeds niet dan met tegenzin het besluit der Vergadering van zijn Gewest in de zoo even vermelde zaak had opgemaakt, weigerde echter het te teekenen en betuigde, zich liever van zijn post te willen ontslaan, gelijk hij ook werkelijk een dag later deed. Na zijn aftreden namen de Staten ook hier den naam aan van Provizioneele Reprezentanten des Volks van Zeeland, terwijl, zoo hier als overal in de Republiek, de Vroedschappen, en in de hare plaats gekomen voorloopige Besturen werden vervangen door een Municipaliteit, geheel op Fransche leest geschoeid, en met een Maire aan 't hoofd. Zoo ingenomen was men met onze naburen, dat men, niet te vrede van hun instellingen over te nemen, er niet eenmaal een Nederduitschen naam aan gaf; ja, wat meer is, zelfs de naam van Nederland, die naam, zoo luisterrijk en ontzagwekkend, waaronder men zooveel voorspoed, weelde en macht verkregen had, scheen niet langer waardig, om aan den gevel van het nieuwe staatsgebouw te prijken. Men schaamde zich zijner vaderen en hun glorie; men verkoos het nakroost van woeste heidenen te zijn, sprong 18 eeuwen terug, noemde zich Bataven en gaf aan den nieuwen Staat den naam van Bataafsche Republiek. - Inderdaad, men deed zich zelf recht! - alle titels en onderscheidingen werden voorts door de daad zelve afgeschaft, en men sprak elkander niet anders meer aan dan met den naam van Burger en Burgeres.
   Dat er overal op de hoofdpleinen van steden en dorpen, naar het voorbeeld der Franschen, met veel plechtigheid, zoogenaamde Vrijheidsboomen werden opgericht, waar het volk dan om danste, sprak van zelf. Ongelukkig, en dat werd met heimlijk meesmuilen door de vrienden van Oranje aangemerkt, konden die boomen geen wortels schieten, dewijl zij, ten gevolge van de langdurige vorst, die den bodem hard gemaakt had, niet geplant, maar alleen opgezet konden worden. Te Amsterdam viel een matroos, die den vrijheidshoed op den boom zou zetten, naar beneden en brak zijn hals; wat ook al als een s;echt voorteeken werd aangemerkt.
   Bij het vernietigen van elke oude herinnering, bij het sloopen van elken staatsvorm, had men slechts eene instelling voor als nog behouden. De naam van Staten-Generaal, zoo wel als titel van Hoog-Mogenden, waren voorloopig blijven bestaan, om geen verwarring in de diplomatieke betrekkingen te brengen. Kluchtig genoeg; men had alzoo nog Staten-Generaal, zonder dat er meer Staten-Provinciaal waren, uit wier Afgevaardigden die konden worden samengesteld. 't Was, of men voort wilde gaan, wijn te drinken, doch de druiven vernietigd had, waaruit de wijn geperst moest worden, en nu maar goed vond, aan een drank, uit geheel andere bestanddeelen vervaardigd, den naam van wijn te blijven geven.
   Doch ook had men het voornemen niet, het voornoemde Staatslichaam voortdurend in wezen te laten, en Paulus erkende zelfs, het wetgevend deel der Konstitutie te soaren, alleen om het dienstbaar te maken ter verandering van het uitvoerend deel, waarna het, zonder vrees voor plotselinge instorting des geheelen gebouws, van zelf zou kunnen te niet gaan. - Intusschen, al bestond het lichaam nog, de Leden, die het uitmaakten, werden achtereenvolgens in de verschillende Provinciën ontslagen en door anderen vervangen. Hiervan was het gevolg, dat, ook nadat de omwenteling volbracht was, de Staten-Generaal een tijd lang als een tweeslachtig lichaam beschouwd konden worden. Immers ten deele hadden daarin de nieuwe, zoo 't heette door den volkswil gekozen, Afgevaardigden zitting genomen, ten deele zag men er nog de zoodanigen, die er onder het vroegere staatsbestuuur waren heengezonden. Eindelijk echter was de vernieuwing in elke Provincie volbracht geworden. Het laatste had zulks plaats in Zeeland, en met de komst der nieuwe Afgevaardigden van dat Gewest ter Algemeene Vergadering kon alzoo de omwenteling geächt worden te zijn voltrokken.
   De eerste verrichting van de nu geheel gezuiverde Vergadering was de vernietiging van den Raad van State, die door een Comité van het Bondgenootschap te Lande werd vervangen. Voor de vijf Amiraliteiten werd een Comité tot de zaken der Marine opgericht, en voor 't Bewind der O.I. Kompagnie een Comité vor den O.I, handel. De akte van Garantie des Stadhouderschap werd opgezocht en verbrand, en al wie in de Generaliteitslanden of in de Volkplantingen eenigen eed aan de vorige Konstitutie gedaan had, daarvan ontslagen.
   Wat 's Prinsen zoo roerende als onroerernde goederen betrof, de Reprezentanten des Franschen volks vorderden die op, als een oorlogsbuit, volgens het recht van overwinning door Frankrijk verkregen, dat tegen den Stadhouder krijg gevoerd had. De Staten-Generaal voerden hier tegen aan, dat, zoo al de Franschen den Stadhouder als zoodanig beöorloogd hadden, hieruit nog niet volgde, dat de goederen, door dezen als burger bezeten, daarom verbeurd verklaard moesten worden. Dit vertoog vond ingang, en de gemelde goederen werden onder afzonderlijk beheer gebracht. De roerende goederen echter bleven de Fransche reprezentanten als hun eigendom aanmerken en zij lieten die meest allen in het openbaar veilen. Daarbij bevond zich ook een kabinet van zeldzaamheden, 't welk onder anderen een degen van De Ruyter, een kommando-staf van Tromp, een gouden kanon, fraai bewerkt en ingelegd, het geschenk van een Javaanschen Vorst, bevatte: al 't welk de Representanten besloten den Staten-Generaal ten geschenke aan te bieden en hun met veel staatsie toezonden: een beleefdheid, wel geschikt om zand in de oogen te strooien en die voor andere (niet geringe) verspillingen en afpersingen te doen sluiten.
   De prins van Oranje bezat, als u bekend is, hier te lande onderscheiden Erfheerlijkheid, en er behoefde geen beschikking der Staten-Generaal om hem die te ontnemen. De Landsvergadering te Kuilenborg vernietigde de Graaflijkheid even zoo en met hetzelfde recht als men te Veere en Vlissingen het Markgraafschap, en te Breda de Baronie vernietigd had. En geen wonder, daar eerlang alle rechten, welke deze of gene als eigenaar eener Heerliljkheid bezat, in alle Gewesten werden afgeschaft, ja zelfs niets, wat het voormalige verschil van standen herinnerde, mocht in wezen blijven. Reeds had op vele plaatsen het gemeen in de kerken de wapenborden en schilden verbroken, de opschriften en grafzerken, voor zoover zij van titels gewaagden, uitgedelgd, en een soort van gewijzigden beeldenstorm aangericht. De tombe der gravin van Solms in de Domkerk te Utrecht, was vernield geworden: de grafsteden der Nassausche Vorsten te Leeuwarden opengebroken, en hun beemderen, ook die der geliefde prinses Maria Louise, smadelijk verstrooid. Bij verschillende proklamatiën werd nu, ter voorkoming van verdere schennis, het wegnemen uit de kerken gelast van al wat het gevoel der Patriotten kwetsen kon. Voorts gelastte men het wegnemen of uithouwen van alle wapenschilden en blazoenen aan de gevels van de huizen, op de koetsen of jachten, en verbood het dragen van livrei. Ja men ging zoo ver, aan sommige Landschappen en Steden een nieuw wapen te willen opdringen. Zoo b.v. voerde Nijmegen, als voormalige Rijksstad, den dubbelen adelaar des Duitschen keizers. Ten Landdage van Gelderland werd voorgesteld, dit wapen tegen het oude, een lazuren veld met een leeuw van goud, te verwisselen en de arenden rechts en links te lasten vliegen. Doch die van Nijmegen antwoordden, dat de keizerlijke arend, sedert het eindigen der hertogelijke Regeering, zoo gerukt en geplukt en van veêren beroofd was, dat hij het vliegen lang had verleerd.
   Staatsbrabant was tot nog toe, even als Drenthe, van alle deelneming aan de Staats-regeering uitgesloten geweest. Dit kon met het beginsel der gelijkheid van rechten niet strooken: beiden werden (26 Juli) als zusterlandschappen erkend en zonden voortaan afgevaardigden ter hooge Vergadering.
   In het kerkelijke vielen mede geen geringe veranderingen voor. Bij de algemeene gelijkheid, die nu heerschen moest, kon er niet langer, als te voren, een heerschende Kerk zijn, en de eenheid tusschen Staat en Kerk moest ophouden. Het recht om huwelijken te sluiten, dat voorheen, behalve aan de Overheid der plaats, ook aan de predikanten der Nederlandsche Kerk was toegekend, werd voortaan aan deze laatsten ontzegd. De eergestoelten of afgezonderde zitplaatsen werden uit de kerken weggebroken, met uitzonderingen van die des Kerkeraads, en van de verhuurd wordende banken.
   Hoezeer men niet, gelijk in Frankrijk, de oude jaartelling geheel afschafte, besloot men, dat daar zou bijgevoegd worden: "het eerste jaar" en zoo vervolgens - "der Bataafsche Vrijheiod;" voorts, dat boven elk staatsstuk de woorden: "Gelijkheid, Vrijheid, Broederschap" zouden prijken.
   Naauwelijks was de omwenteling in Holland tot stand gebracht, of de Reprezentanten begrepen een nieuwen eed (9 Mrt.) aan de ambtenaren te moeten voorschrijven ter vervanging van dien, waarvan zij hen ontslagen hadden. Welk recht zij hadden, om het een of ander te doen, wil ik liefst niet beslissen. Oppervlakkig zou men zeggen, dat een eed, aan een Regeering gedaan, iets beteekent of niets. Beteekent hij niets, dan ware het beter, dien nimmer te vergen; beteekent hij iets, dan moet hij ook gehouden worden, en dan is er geen nieuwe Regeering, althans geene, die zich zelve opwerpt, bij machte, iemand daarvan te ontslaan. Wij hebben gezien, hoe er, zelfs in 1581 mannen geweest waren, die, in weêrwil van al de gruwelen, op last van Filips II bedreven, ja in weêrwil dat zij medegewerkt hadden om zijn gezag te bestrijden, toch geweigerd hadden, hem af te zweeren: en het is dus niet te verwonderen, dat ook nu velen in den lande, zelfs onder de Anti-stadhouderlijken, gevonden werden, te gemoedelijk om het ontslag van den eed bij dekreet als geldend te beschouwen, en dat zij weigerden, eenige bediening onder het nieuwe Bestuur aan te nemen, vooral toen dit een nieuwe eedsvordering aan de ambtenaren voorschreef. Deze vond ook op sommige plaatsen tegenstand, en vooral te Amsterdam, waar de Municipaliteit het bevel ontijdig oordeelde, inzonderheid, uit hoofde de Vergadering van Holland, ja de geheele bestaande orde van zaken, nog als slechts voorloopig moest worden beschouwd. De Reprezentanten, zich door deze uitdrukking beleedigd achtende, zonden zes hunner naar Amsterdam om den genomen maatregel door te drijven. De Bezending, aldaar gekomen, begon met den bijstand van den kommandant Krayenhoff te vorderen, en liet toen de Municipaliteit vergaderen, van welke zij het terugnemen eischte van haar brief en het uitdelgen daarvan uit de notulen. Van de elf aanwezige Leden stemden vijf, dat aan de vordering voldaan zou worden, en waren zes van tegenovergesteld gevoelen. De Kommissie, van den uitslag dezer stemming onderricht, verklaarde de Municipaliteit van haar post ontslagen, en in arrest gesteld, tot dat gebleken zou zijn, wie de tegenstemmers waren geweest. Schimmelpenninck en de vijf anderen, die de meerderheid hadden uitgemaakt, kwamen hier terstond voor uit: waarop Blok, die 'twoord voor de Bezending voerde, hun allen zes huisarrest gaf, de vijf overgebleven in hun post herstelde, en door deze vijf een besluit liet opmaken, waarmede aan den eisch werd voldaan. Was dit fraaie huismiddeltje, waaraan zeker geen Maurits, geen Willem II, noch een der thans als dwingelanden uitgekreten Vorsten zou gedacht hebben, al vrij zonderling en despotiek, niets was kluchtiger dan de hartelijkheid, waarmede de geärresteerde leden (die terstond weder ontslagen werden, nadat men verricht had waartegen zij gestemd hadden), weder in de vergadering der Municipaliteit werden ontvangen, en de bloemrijke en aandoenlijke aanspraken, te dier gelegenheid gehouden. Oldenbarneveld, de De Witten, de Capellens kwamen er bij te pas, voorgesteld als knielende voor Gods troon, om Hem te danken voor de ontvangen weldaad. Zeker zouden Oldenbarneveld en de De Witten vreemd hebben opgekeken, indien zij zich hadden kunnen hooren ophemelen als voorstanders der Volkssoevereiniteit.
   Toen het er echter op aankwam, den nieuwen eed af te leggen, waren er, als ik reeds zeide, velen, die zulks uit gemoedsbezwaar weigerden: sommigen leverden er protesten tegen in. Onder deze laatsten was de beroemde Bilderdijk, die uit dien hoofde last ontving, binnen 24 uren 's Gravenhage, waar hij als Advokaat gevestigd was, te ruimen, en binnen acht dagen Holland te verlaten; terwijl hem kort daarna het grondgebied der Republiek werd ontzegd. Ook verscheiden predikanten werden om dergelijk oorzaak afgezet. Dit een en ander was wel niet volkomen in overeenstemming met de beginselen der Vrijheid die men verkondigde; doch geene omwenteling, of zij gaan met eenig misbruik van macht gepaard: en te dezen opzichte mocht die van 1795, over 't geheel, den lof van gematigdheid wegdragen.
   Was het Gemeenebest der Zeven Vereenigde Provinciën door een Bataafsche Republiek vervangen geworden, dit baatte nog weinig, zoo lang deze niet buiten 's Lands erkend was. Nu zou men denken, dat de Franschen, die, naar zij hadden viirgegeven uit loutere edelmoedigheid, en alleen om ons te verlossen van het juk, waren overgekomen, zich zouden gehaast hebben, de onafhankelijkheid van onzen Staat te erkennen: maar dit geschiedde zoo gemakkelijk niet: en daartoe was vrij wat onderhandeling noodig. - Repelaer en Brantsen, die, gelijk ik u in het vorige hoofdstuk meldde, door het voormalige Bewind met vredesvoorslagen naar Parijs waren gezonden, waren, als van zelve sprak, door het nieuwe Bestuur teruggeroepen en vervangen door Jakob Blaauw en Casparus Meyer; doch al spoedig ondervonden deze, dat de bondhenoot niet veel handelbaarder was dan de vijand zich had betoond. Ofschoon de Fanschen hier te lande in sommige Gewesten als verlossers ingeroepen, in andere bij kapitulatie waren ontvangen, ofschoon zij zelve verklaard hadden, niet tegen het Bataafsche volk, maar tegen den Stadhouder opgetrokken te zijn, beweerden zij nu, bij veroveringsrecht over ons Land te kunnen beschikken. En het waren alleen de vrees, dat een al te ver gedreven onrecht onze schatten aan Engeland zou overbrengen, en de bedenking, dat zij evenveel partij konden trekken van ons Bondgenootschap als van onze volledige onderwerping, die hen overhaalden, een Alliantie met ons te sluiten (16 Mei), op voorwaarden, even voordeelig voor hen als voor ons vernederend. Bij die Alliantie stond onze Republiek hun Venloo, Maastricht, Staats-Limburg en Staats-Vlaanderen af, benevens de vrije vaart op de Schelde, Maas en Rijn en - honderd millioen voor oorlogskosten! terwijl zij de verplichting op zich nam, 25000 man Fransche troepen te onderhouden en Fransch garnizoen in Vlissingen te dulden. Gewis, de eischen van Lodewijk XIV in 1672, die als vijand kwam, waren niet zoo buitensporig geweest als die van onze tegenwoordige vrienden: zoo duur kocht men hier de zoo gewenschte - en toch maar schijnbare - onafhankelijkheid. Men had gehandeld als het paard in de fabel, dat, om het hert te vervolgen, den man te hulp riep, doch, na zijn doel bereikt te hebben, zich het meesterschap van dezen moest getroosten. En ware men, door de betaling van den voormelden losprijs, slechts van de Franschen ontslagen geweest; doch men bleef van dat oogenblik af onder hun strenge voogdij. Het was dan ook niet te verwonderen, dat de vreugde, ter gelegenheid van de plechtige viering hier te lande der Alliantie, niet bij iedereen gelijke deelneming vond, ja dat predikanten weigerden, die in hun leerredenen te gedenken - 't geen hun dan op afzetting kwam te staan.
   Mochten alzoo velen zich getroosten met de verwezenlijking hunner droombeelden, anderen met de ambten en bedieningen, die hun, ten gevolge van den omkeer van zaken, en aan de meesten op nog zeer jeigdigen leeftijd, te beurt vielen, in een groot gedeelte des Lands heerschten jammer en gebrek. In Gelderland, Overijsel en de Ommelanden werd het weinige, dat de Engelsche krijgsbenden hadden achtergelaten, door de Franschen verteerd. Overal zuchtte men onder den last der inkwartiering, waarvoor in sommige kleine plaatsen zelfs geen buizen genoeg waren. Daglooners werden in den harten winter met de huisvesting en het onderhoud van somtijds vijf, zes militairen bezwaard, en menig gezin op die wijze tot den bedelstaf gebracht. Gelukkig nog, dat men niet met de wilde horden van drie jaren vroeger, maar met geregelde troepen te doen had en die onder goede tucht stonden. Voorts pleegden de Kommissarissen en Hoofd-Officieren des Franschen legers allerlei geweldenarijen en deden op hoogen toon, en zonder acht te geven op klacht of bede, onmatige eischen. Over alle tuighuizen en Goevernements-inrichtingen beschikten zij als over hun eigendom: zelfs kerkgebouwen werden tot kruitmagazijnen en paardestellen gebezigd. En, wat nog het ergste was, de betalingen, die de Franschen deden, geschiedden in assignaten, een papieren munt, doch waarvan de waarde bijna tot op niets gedaald was. Dit gaf in Holland aanleiding tot een publikatie, waarbij den winkeliers gelast werd, dat papier aan te nemen, tegen wekelijksche verwisseling in geld of in recepissen, doch met streng verbod van het in omloop te brengen. De Fransche bevelhebbers, deze publikatie aanmerkende als een inbreuk op de waardigheid des Franschen volks en op het krediet van zijn papieren munt, drongen aan op het onverwijld intrekken daarvan, en men moest wel gehoorzamen. In Friesland werd evenzeer een afkondiging, waarbij de waarde der assignaten op vijf stuivers de livre bepaald werd, binnen vijf dagen ingetrokken; daar de Fransche generaal verklaard had, geen stille aanschouwer te zullen zijn van een zoo grievenden hoon. Het beloop dier assignaten over 1795 was, in Holland alleen, niet minder dan f 2,364,760.
   De vriendschap met Frankrijk had natuurlijk de vijandschap met Engeland ten gevolge gehad, dat reeds in 't begin des jaars (20 Jan.) embargo op onze schepen gelegd had. De burgers Pasteur en Vitriarius waren onmiddellijk door de provisioneele Reprezentanten derwaarts gezonden, ten einde zich met onzen Afgezant, den baron van Nagell, en den griffier Fagel, die Willem V vergezeld had, te verstaan, en zoo mogelijk het opheffen van 't embargo te verkrijgen. Fagel was niet te Londen, en Nagell weigerde zich net de zaak in te laten; terwijl het Britsche ministerie verklaarde, de vordering niet te kunnen inwilligen, zoolang zich Fransche troepen op ons grondgebied bevonden. De Afgevaardigden keerden dus onverrichter zake terug. Dat Nagell zoo wel als Fagel werd afgezet, zal ik wel niet behoeven te vermelden. De Engelschen voeren nu voort met het aanhouden en opbrengen onzer schepen. Zoo zagen de Hollanders, op hetzelfde tijdstip, dat zij het vroeger gewonnene grootendeels aan Frankrijk moesten afstaan, zich de middelen, om nieuwe winsten te doen, door de Engelschen ontnemen.
   Voegt men bij dit alles de zware dijkbreuken, die na den strengen winter aan de rivieren plaats hadden, de schaarsheid van granen, die bij het stremmen van den handel ontstond, de onmogelijkheid om, bij gebrek aan werkpaarden, zaai-koorn en poot-aardappelen, het land te bebouwen, de ontvolking van steden en dorpen bij het stilstaan van nering en handteering, dan zult gij u nog slechts een flaauw denkbeeld maken van den jammerlijken toestand, waarin men een kort te voren nog zoo welvarend land had gebracht.
   Zoo ondervond men nu in hoogen mate, dat niets zoo duur is als een omwenteling, ook al verkrijgt men er zijn wenschen mede. Overal waren de lands- en provinciale kassen uitgeput, en men wist schier geen middel om die te vullen. Buitengewone heffingen, vrijwillige leeningen, waren middelen, waartoe men wel zijn toevlucht nam, doch die niet spoedig genoeg werkten: en er moest dadelijk geld wezen. Om dit te verkrijgen bezigde men in sommige Gewesten een nieuwen en vrij willekeurigen maatregel. De ingezetenen werden namelijk gedwongen, hun goud- en zilverwerk, of de waarde daarvan, ten beste te geven, en zulks in mindering en als voorschot op de belasting, die zij later zouden hebben op te brengen. Alleen het gewoon tafelzilver, zooveel ieder tot zijn gebruik noodig had, penningen, munten en wat tot lijfcieraad of handel diende, was daarvan uitgezonderd. Zoo hoog was de weelde in de huisgezinnen gestegen, dat men, op deze wijze, in Holland alleen, ruim f 7,000,000 bij elkander kreeg: - waarbij men nog in aanmerking nemen moet, dat zij, die met het ontvangen of beheeren van de ingebrachte voorwerpen belast waren, niet overal tot de meest eerlijke lieden behoorden, en het bedrag van wat, gelijk men 't noemt, aan den strijkstok hangen bleef, voor geen berekening vatbaar is. - Voorts werden in sommige plaatsen vrijwillige opbrengsten gedaan van zilveren schoengespen, zoo dat gespen, en geen strikken, aan de schoenen te dragen, eerlang werd aangemerkt als een bewijs, dat men geen echte Patriot was.
   Doch niet slechts gouden of zilveren kunstwerken werden ten gevolge van den genomen maatregel versmolten: men ging ook, om geld te maken, de hand slaan aan de eerwaardige overblijfselen der oudheid. De Geldersche landdag besliste, dat het Valkenhof te Nijmegen, die prachtige en gedeeltelijk uit den tijd der Romeinen herkomstige burcht, zoo vaak het verblijf des Keizers, en nog onlangs dat van den verdreven Prins, ter slooping zou worden verkocht. Het gebouw mocht niet meer dan ruim f 90,000 vrij gelds opbrengen: en 100 tot 150 man waren een jaar lang bezig met den vernielingsarbeid: zoo wijd van omvang was het en zoo hecht en stevig gemetseld.
   Van de op verschillende wijzen bekomen gelden had men begrepen een aanzienlijk deel te moeten bestemmen om onze zeemacht in staat te stellen, de kaperijen der Engelschen te keer te gaan. Van de 10 millioen, die de Provinciën zich verbonden hadden binnen drie maaden te verschaffen, nam Holland er zeven voor zijn rekening. Bij het zeewezen heerschte thans een te voren nooit gekende eenheid die, bij andere omstandigheden, de gelukkigstte gevolgen had kunnen te weeg brengen. Die eenheid was op de navolgende wijze verkregen. Het nieuwe Bewind, niet te vreden met de Amiraliteiten gelijk ik u verhaald heb, door een Comité van Marine te doen vervangen, had insgelijks de geheele Marine ontbonden (Van Kinsbergen was reeds in hechtenis gezet) en al de daarbij bestaande rangen vernietigd: (27 Febr.) en zulks vermoedelijk, omdat zeeofficieren en zeevolk over 't algemeen te veel gehecht waren aan het Huis van Oranje, om op hun hulp voor de Republiek te kunnen rekenen. De Winter, in 1787 als Luitenant ter zee uitgeweken en thans als Fransch generaal teruggekeerd, werd, met toestemming der Fransche Reprezentanten, tot adjudant-generaal van het Comité van Marine benoemd, en later (12 Mrt.) tot opperbevelhebber der vloot, met den rang van Vice-Amiraal, die bovendien aan vijf anderen geschonken werd (26 Juni), waarvan twee onder het voormalige Bestuur den rang van Schout-bij-Nacht, de drie overigen dien van Kapitein hadden bekleed. Wat de vlag betrof, men kon wel niet meer een Prinsen- of een Statenvlag behouden, waar geen Prins meer aanwezig was en de Staten eerlang niet meer bestaan zouden; het volk was nu Soeverein: en zoo moest de vlag nu een Bataafsche of Nederlandsche worden, even gelijk men reeds een Amerikaansche en een Fransche vlag had. Wel was het bespottelijk en tegen alle gezonde denkbeelden aandruischende, in die vlag de kleuren te behouden van een Huis, dat men verbannen had; doch men dacht hier zoo naauwkeurig niet of, liever, geheel niet over na, en men begreep, niet geheel ten onrechte, dat men, door een nieuwe vlag te nemen, als 't ware breken zou met den roem, te voren op zee behaald. Men liet dan de oude vlag bestaan; doch men plakte in de roode baan een wit vak, met een Nederlandsche Maagd, een Leeuw, en de noodige speeren, bundelpijlen en vrijheidshoeden voorzien, alles zeer fraai, maar zeer weinig heraldiek. - Ook de meeste schepen werden nu herdoopt. Zoo b.v. de Willem de Eerste nu de "Brutus" - als schaamde men zich den grondlegger van de vrijheid der Republiek - de Prins Maurits werd de "Dappere", de Staten-Generaal de "Washington", de Frederik Willem de "Gelijkheid", de Prins Frederik de "Revolutie", de Wilhelmina de "Furie".
   Naauwelijks was de toezegging der 10 millioen, waarvan ik zoo even sprak, gedaan, of de werkzaamheden waren op alle werven en in alle zeehavens met ongelooflijken ijver begonnen, ja dag en nacht werd aan de op stapel liggende schepen geärbeid. Reeds in Juli waren elf linieschepen, dertien fregatten en tien lichte vaartuigen voor den dienst gereed, en aan andere ontbrak nog weinig, om ze mede vaardig te maken. Dit was het gevolg, zoo van de bemoeiingen en de vlijt, aan den dag gelegd door het Comité (waarvan de in zeezaken doorkundige Paulus de ziel was), als van de levendige zucht, die thans in 't algemeen onze ingezeten aanspoorde, om zich op de Engelschen te wreken. In den loop van den zomer was reeds een aanzienliujk gedeelte der vloot in Texel vereenigd. Drie oorlogsvaartuigen werden uitgezonden om voor het Schakerrak te kruisen, en drie om te Bergen in Noorwegen de O. I. retoerschepen af te wachten en naar het vaderland te geleiden. Dit laatste smaldeel werd door vier zware Britsche schepen aangetast (22 Aug.), die, na een scherp gevecht, een daarvan tot strijken dwongen en de beide anderen op de Noordsche kust joegen.
   Tot nog toe had men in Engeland nog geäarzeld, ons bepaaldelijk den oorlog te verklaren. Thans geschiedde zulks (15 Sept.), en het manifest grondde zich voornamelijk op de omstandigheid, dat ons land zich in de macht, althans onder het bestuur en den invloed, der Franschen bevond. Had onze handel reeds deerlijk geleden, toen hij slechts belemmerd werd, gij kunt oordelen, wat hij thans moest lijden, nu er inderdaad oorlog ontstond. Reeds vóór de helft van het volgende jaar waren bijna al onze Koloniën in de macht van Engeland, en reeds in 1797 werd de schade, door onze kooplieden wegens opgebrachte schepen geleden, op 120 millioen begroot. In 't jaar 1794 waren te Goeree en de Maas 1811 schepen binnen- en 1929 uitgeloopen: in 1795 bedroeg dat getal slechts 366 en 406: teerwijl ook in Texel en 't Vlie 1199 minder schepen binnen zeilden dan in 't voruge jaar.


webdesign & copyright
© 2001-2005 Eveline
→