Krakatau: deel 6
inleiding
deel 1
deel 2
deel 3
deel 4
deel 5


Inhoud
Start
Nog iets in zake de uitbarsting van Krakatau [1] - deel 6

   I. De bekende meteoroloog Prof. Dr. Hann, directeur van het Weener meteorologisch observatorium, heeft onlangs berekend, dat, indien men zich den geheelen Krakatau in het fijnste poeder verdeeld en in de hoogste gedeelten van den dampkring geblazen denkt, daaruit een laag stof zou ontstaan, die, indien zij over den geheelen aardbol verdeeld was, niet eens 0,03 millimeter dik zou zijn.
   Neemt men aan, dat alleen de atmosfeer der warme en gematigde luchtstreken met dat stof bezwangerd is, dan komt men eerst geheel tot bovengenoemde dikte. Daar echter stellig niet de geheele Krakatau weggeblazen is, mag men niet meer dan 0,01 mM. aannemen als dikte der stoflaag, die tengevolge der uitbarsting in den dampkring kan zijn blijven zweven, en derhalve is de vraag geoorloofd, of het niet zeer onwaarschijnlijk is, dat zulk een geringe stofmassa alleen voldoende kan zijn, om de bekende kleurverschijnselen bij 't op- en ondergaan der zon te verklaren. Bovendien zou deze stof in de uitermate verdunde lagen van de atmosfeer op een hoogte van 7 á 8 Duitsche mijlen toch nauwelijks gedurende 5 maanden kunnen blijven hangen.
   II. Volgens Crookes en Preece is de bij de Soenda-uitbarsting uitgeworpen stofmassa sterk en wel negatief elektrisch, en wordt door de eveneens negatief-elektrische aarde afgestooten tot in de hoogste lagen des dampkrings en daar zwevende gehouden, tengevolge waarvan, volgens Lockyer, de veelbesproken lichtverschijnselen zouden ontstaan. Dr. Maurer, adjudant van de Zwitsersche meteorologische Centraal-inrichting, laat zich nu in de "Schweizer Grenzpost" over die hypothese als volgt uit:    "....De vraag is nu maar, of men met de hypothese van Preece en Crookes de theorie van Lockyer werkelijk steunt: geenszins! en dat is zeer jammer! Reeds Olbers, John Herschel en vervolgens Bessel, een der verdienstelijkste astronomen, een even goed waarnemer als fijn analyticus, verder Lamont, Zöllner en anderen, zijn in hun uitgebreide werken over den "physischen toestand der kometen" door wiskundige berekeningen tot de slotsom gekomen, dat voor zeer kleine geëlektriseerde massa's, dus ook voor zulke elektrische stofdeeltjes, de werking der zwaartekracht, die van den (-elektrischen) aardbol uitgaat, tegenover de op die deeltjes uitgeoefende elektrische afstooting volkomen machteloos wordt. Welke gevolgtrekkingen kunnen wij daaruit opmaken? Stelt men zich van die elektrische stofdeeltjes voor, dat zich op een hoogte van 8 à 10 geografische mijlen moge bevinden, en ongeveer de grootte en massa van een watermolekuul moge hebben, dan laat zich op grond van die stelling, en aangenomen, dat de aarde zulk een elektrische lading bezit, als waarneming leert, berekenen, dat zulk een stofdeeltje, door de elektrische aarde afgestooten, met een snelheid van ongeveer 1000 meter per sekunde voor altijd in het wereldruim verdwijnt. De praemisse van Preece en Crookes leidt dus tot het resultaat, dat reeds korten tijd na de uitbarsting die stofmassa's in de gedaante van een kosmische wolk in de interplanetaire ruimte verdwenen zijn.

S


Nog iets in zake de uitbarsting van Krakatau [2]

   Aan het einde van het artikel over morgen- en avondrood, in "de Natuur" van 15 Maart l.l. [deel 4 op deze website], wordt de verwondering te kennen gegeven, dat de N.I. Regeering niet openlijk had kennis gegeven van de opdracht aan den mijningenieur, den heer R.D.M. Verbeek, tot het geologisch onderzoek van het eiland Krakatau, maar dat men dit eerst lang naderhand van ter zijde had vernomen. In de tweede plaats betreurt de schrijver het, dat de heer Verbeek niet, evenals de Royal Society, een openlijke uitnoodiging had gedaan, om hem alle waarnemingen en bescheiden in zake de uitbarsting en haar gevolgen te doen toekomen.
   Thans ontvangen wij van den heer Verbeek een schrijven, waarin hij naar aanleiding van die uitdrukkingen mededeelt, dat in de officieele Javaasche courant van 5 Oct. 1883 en verder in de Java-bode, de Locomotief en het Alg. Dagblad van N.I. van omstreeks dienzelfden datum de benoeming der commissie van onderzoek door de N.I. Regeering heeft gestaan, en dat later in een of meer dezer bladen de voorloopige resultaten dezer commissie zijn medegedeeld. De oorzaak van onze onbekendheid met die mededeelingen geeft de heer V. zelf aan, n.l., dat men in Nederland de Indische bladen niet leest. Ook wij deden dit niet, en achtten dit ook niet noodig, daar wij van meening waren, dat de voornaamste Nederlandsche dagbladen, die onder hun rubriek "Indisch nieuws" zooveel omtrent Krakatau mededeelden, ook wel van de benoeming eener commissie zouden hebben melding gemaakt. Zij deden dit echter niet. Wel lazen wij omstreeks half April in het Bataviaansch Handelsblad van 8 Maart, dus lang nadat het art. in de Maart-afl. gedrukt was, het kort verslag van de uitbarsting van Krakatau door den heer V. Uit dat belangrijk verslag, dat ons te laat gewerd, om nog in de vorige afl. te worden besproken, willen wij alleen aanstippen, dat de heer V., geheel in overeenstemming met Lockyer's hypothese, en in tegenstelling met het gevoelen van den heer de Haan (zie afl. 5, blz. 138), de meening voorstaat, dat het vulkanisch stof de oorzaak kan geweest zijn van het merkwaardige morgen- en avondrood in de laatste maanden des vorigen jaars. Het is ons aangenaam uit het schrijven van den heer V. te ontwaren, dat de regeering zich wel degelijk tijdig met deze belangrijke aangelegenheid heeft bezig gehouden, en dat onze beschuldiging dus ongegrond was.
   Omtrent het tweede punt deelt de heer V. ons mede, dat naar zijn meening een openlijke oproeping, om hem bescheiden, enz. te doen toekomen, zonder resultaat zoude zijn gebleven. Bovendien zoude hij uit Europa toch hoogstens alleen gegevens hebben verkregen omtrent de vloed- en luchtgolven, maar geen geologische gegevens. Het Gouvernement heeft echter reeds lang geleden officieel, namens den heer V. alle peilschaalgegevens van de geheele wereld opgevraagd aan de verschillende regeeringen. Er is dus niets vergeten.
   De heer V. voegt er bij, dat hij in het bezit is van een collectie gegevens, zooals waarschijnlijk niemand anders ze hebben kan, want hij heeft alle beambten om officieele gegevens voor Indië laten vragen. Ook de gegevens van andere plaatsen zijn reeds vrij compleet. Hij bezit een collectie, die reeds nu over de 1200 nummers bedraagt, en nog dagelijks komen er nieuwe bij, asch-analysen, enz.
   Hoewel het ons verheugt, dat ook in dit opzicht met groote activiteit gehandeld is, nemen wij toch de vrijheid in een enkel opzicht met den heer V. van gevoelen te verschillen. Onze bedoeling was, dat de openbare uitnoodiging aan alle belangstellenden en deskundigen zou worden gericht, en dat men zich niet tot een officieele uitnoodiging aan beambten had bepaald. Particulieren toch en geleerden hebben meestal meer tijd en vooral meer liefde en toewijding voor het studievak hunner keuze, en zullen dus hoogstwaarschijnlijk meer doorwerkte en belangrijker mededeelingen kunnen doen, dan beambten, die zulk een officieele uitnoodiging als dienstwerk beschouwen. Daarom hadden wij een openbare uitnoodiging aan alle belangstellenden wenschelijk geacht, en zoude deze stellig niet zonder vrucht gebleven zijn. De massa's particuliere mededeelingen o.a. in het Engelsche tijdschrift "Nature" bewijzen zulks ten volle.
   Wij zijn intusschen verheugd over de door de regeering genomen doeltreffende maatregelen, maar in de eerste plaats den heer V. dankbaar voor zijn belangstelling in ons tijdschrift en voor de gelegenheid, die hij ons verschaft heeft, om ons aanvankelijk ongunstig oordeel te kunnen wijzigen.

Amsterdam, 2 Juli 1884   W.


webdesign & copyright
© 2001-2013 Eveline