Krakatau: deel 5
inleiding
deel 1
deel 2
deel 3
deel 4
deel 6


Inhoud
Start
Het avond- en morgenrood, in verband met het luchtverschijnsel des vorigen jaars - deel 5

   Niet zelden verspreidt zich des avonds, tijdens en vooral nà zonsondergang, een roode gloed over den hemel, die, hoofdzakelijk beperkt tot dat gedeelte des firmaments, waar de de dagvorstin haar loop eindigt, zich echter van hier naar boven verheft en enkele malen nog de wolkjes kleurt, welke zich nabij het zenith bevinden. Meestal is dit avondrood de voorbode van een schoonen dag.
   Het morgenrood, dat op gelijke wijze kort vóór zonsopkomst ontstaat, is gewoonlijk minder schitterend en wordt dikwijls gevolgd door een regenachtigen dag.
   Van bijzondere intensiteit waren avond- en morgenrood in de laatste maanden des vorigen jaars. Het vertoonde zich daarenboven dagen achtereen, en werd opgemerkt over een groote uitgestrektheid des aardbols. De gloed verspreidde zulk een sterk licht, dat schrijver dezes, op een tijdstip des jaars, waarop hij gewoonlijk te 4 ure het licht ontsteekt, een enkelen avond tot 5 ure toe voldoend licht in zijn kamer ontving om de gewone bezigheden met gemak te verrichten. Geen wonder, dat ieder waarnemer tot het besluit kwam, dat in dit hemelrood bijzondere invloeden werkzaam waren.
   De eerste mening, die schrijver dezes opvatte, was die, dat genoemd verschijnsel aan een zeer intensief Noorderlicht zijn oorsprong ontleende.
   Wel is waar, het gewone uitgangspunt van het Noorder- of Poollicht is voor ons halfrond het magnetische noorden, doch het komt meer voor, dat de lichtboog boven de magnetische pool uitblijft en enkel een roode gloed zich uitstrekt over 't firmament. Toen echter het verschijnsel zich zoo veelvuldig, en telkens in 't zuidwesten vertoonde, den loop der zon volgende, moest die eerste gedachte verlaten worden. Bovendien, de eigenaardige oranje-gele tint, die den boventoon voerde, de ook in andere opzichten zoo sprekende gelijkenis met elk ander avondrood, moest wel heel spoedig iedere gedachte aan het poollicht buitensluiten.
   Maar, wat was het dan? - Hoe veelvuldiger ik in de gelegenheid was het heerlijk schouwspel gade te slaan, des te dieper vestigde zich bij mij de overtuiging dat wij met een gewoon avondrood, ofschoon dan door bijzondere oorzaken gewijzigd, te doen hadden. Slechts in intensiteit was verschil te bespeuren, overigens geleek het avondrood van November 1883 op dat van iederen anderen avond, zoo als de eene druppel water den anderen gelijkt. 't Viel echter moeilijk deze meening vol te houden, en dit tegenover andere, daarvan zoo geheel verschillende zienswijzen, gesteund door mannen van geen gering gezag. Was het zelfs niet arrogant te noemen er een eigen gevoelen op na te willen houden, waar Norman Lockeyer met zijn asch-theorie, Piazzi Smyth met zijn meteoorstof de wereld tot geloove dwongen? Het zou zulks geweest zijn, indien de meeningen der autoriteiten zich niet zoo veelvuldig en lijnrecht hadden gekruist. Of waren er zelfs niet, die de ijskristallen der bovenste luchtlagen te hulp riepen ter verklaring van vermeld hemelrood? Toch zou schrijver dezes, kleinhandelaar als hij zich 't liefst betitelt, 't niet licht hebben gewaagd zoo openlijk van zijn ongeloof te getuigen, indien hij dezer dagen niet steun had ontvangen van de zijde van iemand, wiens naam geen geheel onbekende is in de wetenschappelijke wereld.
   De Stuttgartsche Hoogleeraar von Zech, die een woordje meê mag spreken, waar 't natuurkundige onderwerpen betreft, is openlijk opgetreden tegen alle voormelde théoriën, en spreekt als zijne overtuiging uit, dat noch de asch van Krakatau, noch meteoorstof, noch ijsnaaldjes schuldig kunnen zijn aan het luchtverschijnsel op 't eind des vorigen jaars, maar dat dit moet worden toegeschreven aan dezelfde oorzaken, die elk gewoon avondrood in 't leven roepen. Ook von Zech is dus van meening, dat het avond- en morgenrood van Nov. 1883 is geweest avond- en morgenrood, niets meer, niets minder, niets anders. Van waar echter de ongewone intensiteit, die regelmatige, langdurige terugkeer, die gelijktijdigheid voor een groot deel des aardbols? Daarover straks. Wij wenschen, alvorens nader in te gaan op het buitengewone hemelrood van 1883, eerst enkele regelen te wijden aan de verkaring van het gewone avond- en morgenrood.

--------------------

   De vroegere natuurkundigen leidden de blauwe kleur des hemels, als ook het avond- (en morgen-) rood eenvoudig af van een eigenschap der lucht, die daarin bestond, dat deze de blauwe stralen bij voorkeur zou reflecteeren, de gele en roode hoofdzakelijk doorlaten.
   Eerst Forbes heeft er op gewezen, dat die eigenschap niet aan de lucht als zoodanig, maar aan den daarin bevatten waterdamp toekomt. Het toeval bracht Forbes eens bij een lokomotief, die op het punt stond van te vertrekken. De machinist opende juist de veiligheidsklep en liet een groote hoeveelheid stoom ontsnappen. Forbes had hierop het oog gevestigd en zag op ditzelfde oogenblik de zon, die zich in de richting van zijn oog en de veiligheidsklep bevond, zoodat de uitgedreven stoom het hemellicht bedekte, eensklaps een oranjekleurige tint aannemen. De weetgierigheid van den natuuronderzoeker werd daardoor geprikkeld en spoorde hem aan tot nader onderzoek. Dit leerde, dat zich telkens dezelfde kleur vertoonde, wanneer men onmiddellijk boven de opening der veiligheidsklep naar de zon keek. Iets hooger, d.i. door dat gedeelte van den ontsnappende stoom heen, waar deze zich reeds gedeeltelijk had verdicht, scheen de zon mat en kleurloos, terwijl nog hooger en vooral daar, waar de damp een dikke massa vormde, deze ondoorzichtig was geworden en zelfs schaduw wierp.
   Uit een en ander werden door Forbes de volgende gevolgtrekkingen afgeleid:
  1. Waterdamp in zuiveren gasvormigen toestand is geheel doorschijnend en kleurloos.
  2. Heeft de damp zich geheel tot nevelblaasjes verdicht, dan is hij bij geringe dikte doorschijnend, maar kleurloos, bij genoegzame dikte daarentegen ondoorschijnend.
  3. Tusschen genoemde phasen in, alzoo in den overganstoestand van zuiver gas en nevelblaasje is de damp doorzichtig en oranjerood van kleur.
   Volgens Forbes moet het avondrood worden toegeschreven aan de uitwerking van den in de lucht aanwezigen waterdamp, die zich voor een deel bevindt in de sub 3 genoemde phase. Deze nevelblaasjes hebben dan de eigenschap, dat zij van 't witte licht hoofdzakelijk de gele en roode stralen doorlaten, de andere meer breekbare absorbeeren.
   Ook de blauwe kleur des hemels zou aan de nevelblaasjes haar ontstaan verschuldigd zijn, hier evenwel niet door absorptie en terugkaatsing. De nevelblaasjes zijn als het ware mikroskopische zeepbellejtes. Laatstgenoemde nemen, gelijk aan ieder bekend is, verschillende kleuren aan, die bepaald worden door de dikte van het vlies. Bij een minimum van dikte is de teruggekaatste kleur blauw. Zijn nu in de lucht een genoemzaam aantal dier dunwandige elementen aanwezig, dan moet de kleur des hemels zich daarnaar richten. De toon wordt intenser, naarmate de terugkaatsing vaker plaats grijpt. Volgens Müller is na een honderdmalige terugkaatsing - d.w.z. nadat het licht van nevelblaasje No. 1 is teruggekaatst op No. 2, van dit weder op No. 3 enz. tot eindelijk het licht van blaasje No. 100 in ons oog dringt - de kleur van dat blauw geworden, dat wij zoo eigenaardig bestempelen met den naam van hemelsblauw.
   Bij toenemende vochtigheid der lucht neemt wel is waar de dikte der blaasjes toe, maar tevens vormen zich telkens weder nieuwe. De eerstgenoemde kaatsen ieder zijn eigen kleur terug, maar deze tinten vormen samen weder wit licht en te midden van dit witte licht wordt het intensieve blauw der dunne blaasjes voor den waarnemer zichtbaar. Dat het rood des hemels zich voornamelijk 's avonds en 's morgens vertoont, vindt zijn verklaring in de omstandigheid, dat:
  1. de uitstraling tegen den avond, vooral nadat de zon is ondergegaan, het overgangsstadium tusschen den zuiveren gastoestand en dien van volkomen nevelblaasjes in 't leven roept.
  2. genoemde phase 's morgens in omgekeerde richting optreedt. Hier werken de stralen der opkomende zon om de volkomen blaasjes weder in volkomen gas om te zetten. Die toestand is echter meestal eerst dan bereikt, wanneer de zon reeds boven den horizon staat en dus door haar licht het verschijnsel uitdooft. Van daar, dat het avondrood schooner is dan het morgenrood. Alleen dan wanneer de lucht oververzadigd is van waterdamp vertoont zich het morgenrood; die waterdamp verdicht zich dan in hoogere streken des hemels tot wolken, en daalt daarna zeer dikwijls nog dien zelfden dag als regen weder neder.
"'s Morgens de lucht rood,
's Avonds water in de sloot."

   Vertoont zich het avondrood niet, is de westelijke hemel tegen zonsondergang grijs van kleur, dan zien wij als het ware door de tweede of derde etage van Forbes' dampzuil; de lucht is door en door vochtig en vol met nevelblaasjes in den laatsten vorm, die zich eerlang als regen moeten ontlasten.

"'s Avonds de lucht rood,
's Morgens mooi weêr in de boot."

   Dat de waterdamp der lucht van grooten invloed is op het daar doorheen gaande licht leert ons nog de spectraal-analyse.
   Het zonnespectrum is, gelijk den meesten mijner lezers wel bekend zal zijn, doortrokken van een overgroot aantal fijne zwarte strepen, van donkere plaatsen alzoo, waar het licht is uitgewischt. Deze strepen - naar haren ontdekker de Fraunhofersche strepen of lijnen genoemd - wijzen op stoffen, welke zich in het gasvormig omhulsel der zon bevinden, die de eigenschapp bezitten enkele stralen te absorbeeren van 't witte licht, dat door het lichaam der zon wordt uitgezonden. Men zou zulke strepen solaire strepen of zonnestrepen kunnen noemen in tegenstelling van enkele andere, die men om na te vermelden reden tellurische of atmosferische strepen heeft genoemd. De solaire strepen zijn constant, zij ontbreken nimmer in 't spectrum, dat men van de zon ontwerpt. De tellurische strepen daarentegen treden alleen dan op, wanneer men de zon spectroscopisch beschouwt op oogenblikken, dat zij laag aan den hemel staat; het aantal dier strepen neemt toe, en de breedte dier strepen wordt grooter naarmate de zon zich dichter bij den horizon bevindt. Op hooge bergen daarentegen merkt men ze minder. Staat de zon laag aan den horizon, dan moeten haar stralen door een dikke luchtlaag dringen, die daarenboven nader aan 't oppervlak der aarde is en dus meer met waterdamp is bezwangerd dan de hoogere luchtlagen. Naar allen schijn wordt dus de aanwezigheid van bovengenoemde strepen bepaald door den dampkring der aarde, en is dus de naam van tellurische d.i. aardsche strepen, alleszins gepast. Dat zij van de in de lucht aanwezige waterdeeltjes afhankelijk zijn, is door de direkte proefnemingen bewezen.
   De astro-physicus Janssen liet bij Genève een groot vuur aansteken, dat hij zelfs spectroscopisch waarnam uit een afstand van 21000 Meter, en door zijn assistent in de onmiddellijke nabijheid. Janssen vond in zijn spectrum dezelfde absorptiestrepen als bij ondergaande zon, de helper bemerkte er geen. Nog liet dezelfde geleerde het licht van 16 gasvlammen gaan door een 37 Meter lange buis: 1. wanneer deze gewone, droge lucht bevatte, en 2. wanneer hij ze had gevuld met waterdamp. Alleen in het laatste geval vertoonden zich absorptiestrepen en wel dezelfde als de tellurische strepen der ondergaande zon.
   Wanneer wij 't verloop van 't absorptie-verschijnsel bij ondergaande zon nagaan, dan blijkt het volgende: naarmate het hemellicht daalt, verdwijnt meer en meer het violette deel des spectrums, terwijl zwarte absorptiebanden optreden in 't rood en geel. Deze banden worden donkerder naarmate de zon dieper daalt. Eindelijk is er van 't schoone spectrum niets meer over dan enkele heldere gedeelten van het rood en oranje, benevens iets van 't groen.
   Een en ander geeft ons recht het avond- en morgenrood aan te merken als een absorptie-verschijnsel.

--------------------

   Reeds is opgemerkt, dat het luchtverschijnsel der laatste maanden een sprekende gelijkenis vertoonde met elk gewoon avondrood, momenteel daarvan onderscheiden door deszelfs ongewone helderheid. Het ligt dus, dunkt mij, voor de hand, dat wij in de allereerste plaats aan deze identiteit vasthouden, indien althans geen dringende redenen ons nopen naar een andere verklaring rond te zien. Aan poollicht valt om hierboven ontvouwde reden niet te denken, temeer niet omdat, voor zoover wij weten, nergens gewag is gemaakt van eenige storing der magneetnaald die in eenige betrekking tot het verschijnsel stond. Ook de lichtbundels, zoo kenmerkend voor 't noorderlicht, ontbreken. Slechts eenmaal heeft schrijver dezes zulk een lichtbundel waargenomen, die van uit het magnetische noorden divergeerende, zich uitstrekte tot ongeveer aan dat punt, alwaar zich gewoonlijk de corona van 't noorderlicht bevindt; doch deze lichtbundel bleef wel een uur lang standvastig aan zijn plaats gebonden, zonder iets te verraden van die golvende beweging, tinteling en afwisseling, welke de stralenbundels des poollichts kenmerken.
   De theorie der ijsnaalden kan ook moeilijk worden te baat genomen. IJskristalletjes toch doen wel een wijden hof rondom de zon of maan geboren worden, doch verven den ganschen hemel niet rood, evenmin als een regenboog het geheele firmament kan bedekken. Aan reflectie kan evenmin worden gedacht, want de kleuren van den regenboog, die ongemeen veel helderder zijn dan het rood van den zonne- of maanshof, hebben nog nimmer een beduidende reflectie doen zien. Bovendien zou 't al zeer opmerkelijk zijn geweest, dat geen enkele maal 't gewone verschijnsel der halo's en strepen daarbij is waargenomen. 't Aantal ijsnaalden, zal men zeggen, was bij deze gelegenheid bijzonder groot. Maar vertoonen zich niet juist de halo's en bijzonnen bij dunne cirrhi, en verdwijnt het verschijnsel niet dan, wanneer 't aantal ijsnaaldjes sterk toeneemt?
   Maar dan de asch van Krakatau? Vulkanen kunnen ongetwijfeld ontzaglijke hoeveelheden stof en tot aanzienlijke hoogte uitwerpen. De stof kan zich insgelijks op enorme afstanden verspreiden. Maar alles heeft zijn grenzen, en waar de asch zelve tot dusverre aan elke handtastelijke waarneming is ontsnapt, dient men wel eenige voorzichtigheid in acht te nemen.
   't Is waar, wij hoorden gewagen van de onderzoekingen van de H.H. Beijerinck en van Dam te Wageningen, en wij betwijfelen 't allerminst, dat genoemde heeren minerale deeltjes hebben gevonden in het regenwater, door hen in de maand Dec. j.l. opgevangen; maar zou een voortgezet onderzoek ook leeren, dat ook op andere oogenblikken gelijke stoffen zijn bevat in de regendruppels, - die te allen tijde overvloedig gelegenheid hebben zich te verontreinigen met allerlei in de lucht zwevende stoffen? Moeielijk te begrijpen is het daarenboven hoe vaste, ondoorschijnende stofdeeltjes de lucht kunnen verhelderen! Bij veenrook is de uitwerking van geheel andere aard; de lucht is dan gelijkmatig troebel en roodachtig, de zon tot donkerrood, de intensiteit van 't diffuse licht sterk afgenomen. De asch van Krakatau, ware zij in de lucht aanwezig geweest, zou geen andere uitwerking kunnen hebben, en in plaats van een schitterend morgen- of avondrood hadden we nu ook des dags voortdurenden nevel, gelijk aan heirook moeten hebben ontwaren. Het verschijnsel is gezien geworden tot aan de oevers van het zoutmeer in Amerika! Is het denkbaar, dat de vulkanische asch dien afstand heeft afgelegd? Is het denkbaar, dat die asch maanden lang in de atmosfeer zou blijven hangen?
   Waar dan zooveel onmogelijkheid en groote onwaarschijnlijkheden zich voordoen, is men wel genoodzaakt tot een meer eenvoudige verklaring terug te gaan. En die eenvoudige verklaring bestaat hierin, dat men 't verschijnsel neme voor datgeen, waarmede het bij den eersten aanblik de meeste en treffendste overeenkomst vertoont, t.w. voor een werkelijk morgen- en avondrood. En even gelijk dit zijn aanzijn dankt aan de waterblaasjes der lucht, zoo ook schrijven wij aan den hemelgloed op 't einde des vorigen jaars geen andere oorzaak toe. Een direkt bewijs zelfs is ons voor deze eenvoudige hypothese gegeven in dezelfde absorptiestrepen, die bij aanwezigheid van waterdamp optreden, en kenmerkend zijn voor 't spectrum van gewoon avondrood. En deze absorptiestrepen vertoonden zich in versterkte mate bij 't spectroscopisch onderzoek van het luchtverschijnsel des vorigen jaars - althans naar de mededeeling van professor von Zech. Wij hebben zeker geen reden om aan de waarheid van dit getuigenis te twijfelen, en zouden geneigd zijn te zeggen, dat dit feit "de deur dicht doet." Een andere vraag blijft echter nog over, t.w. "van waar die waterdamp?"
   Zullen wij in dezen nogmaals denken aan Krakatau? Zeker, vulkanen braken geweldige massa's waterdamp uit. Waterdamp is zelfs het meest gewone en meest overvloedige uitwerpsel, ingeleid als tevens elke vulkanische uitbarsting wordt door de aanwezigheid van oververhitten damp. Toch kunnen wij ook den vulkaan Krakatau niet als de bron van dien waterdamp beschouwen.
   Gelijk von Zech te dezen opmerkt, werd de waterdamp van den vulkaan slechts tengevolge van een hooge drukking uit den krater geslingerd. In de hoogere, koudere en ijlere luchtlagen gekomen, moest hij zich uitzetten en afkoelen en dientengevolge al zeer spoedig als vloeibaar water nederdalen. Voor zoo ver ons bekend is, heeft dan ook tot nog toe niemand in ernst er aan gedacht om den waterdamp des vulkaans aansprakelijk te stellen voor de waargenomen absorptiestrepen.
   Valt het ons alzoo moeilijk de herkomst te vinden van de nevelblaasjes, wier eigenaardige invloed op het doorgaande licht den hemelgloed, naar wij meenen, in 't leven riep, zulks geeft ons nog geen het minste recht om daarmede ook het feit zelf te betwijfelen. Wij zouden dan met evenveel grond kunnen beweren, dat het voorjaar van 1883 niet koud en droog is geweest, de zomer van 1882 niet nat omdat de oorzaken in 't verborgen liggen, welke dien toestand beheerscht hebben.
   Een ruim veld voor allerlei gissingen staat hier voor ons open. Von Zech heeft zich op dit glibberig pad gewaagd. Ofschoon wij zijne hypothese laten voor 't geen zij is, en er weinig meer waarde aan toekennen dan aan zoovele andere, waarbij eveneens de bespiegeling op den voorgrond treedt tegenover de ervaring, die in natuurwetenschappelijke zaken steeds de hoogste wetgeefster blijft, willen wij haar toch kortelijk hier mededeelen. De Hoogleeraar laat dien damp uit de hemelruimte tot ons komen.
   Ontegenzeggelijk spelen kosmische invloeden niet zelden een groote rol in meterologische toestanden, waarbij wij maar al te dikwijls geneigd zijn enkel aan tellurische oorzaken te denken. De plaats, die ons zonnestelsel in de hemelruimte inneemt, de nabijheid onzer aarde tot andere hemellichamen, meteoorzwermen, kometenstof en wat al niet meer het hemelruim opvult, bepalen wellicht in hoogere mate warmte en koude, droogte en vochtigheid, dan wij vermoeden. Als wij dit bedenken, dan behoeft het in geenen deele onze verwondering te wekken, dat von Zech ook met betrekking tot het luchtverschijnsel der vervlogen maanden aan kosmische, aan buiten-tellurische oorzaken denkt. Of hij in de uitwerking zijner theorie gelukkig is geweest, zij aan 't oordeel van meer bevoegden overgelaten.
   Von Zech's redeneering komt in hoofdzaak hierop neer:
   De ruimten tusschen de verschillende lichamen van ons zonnestelsel zijn geen ledige ruimten, maar gevuld met gassen van ongemeene ijlheid; dezelfde gassen, die de dampkringen der planeten uitmaken, of althans uit dezelfde bestanddeelen samengesteld, die ook in deze worden gevonden. De wording van ons zonnestelsel, volgens de Kantsche theorie, dwingt tot deze aanname. Van lieverlede versmelten alzoo de atmosfeeren der planeten met de tusschen-planetarische ruimten. Grenzen in den eigenlijken zin des woords bestaan hier niet. Het spectrum der kometen duidt op koolwaterstoffen; waarschijnlijk is water een tweede bestanddeel dier hemellichamen. Zulks wordt o.a. aangenomen door Zöllner. Sommigen hebben zelfs de stelling verdedigd, dat de kometen ijsbollen zouden zijn, die bij hunne nadering tot de zon verdampen.
   In elk geval is het niet ongerijmd te denken, dat, daar water zulk eene algemeen in ons zonnestelsel verbreide stof is, sommige hemellichamen grootendeels uit water bestaan, die wanneer zij in geweldige massa's worden aangetroffen, als ijsbollen in het hemelruim zweven, omgeven door een atmosfeer van waterdamp, wier aantrekking door de kern op dezen een zoo groote drukking uitoefent, dat het onderliggende voor verdere verdamping wordt gevrijwaard. Slechts kleinere massa's kunnen geheel den dampvorm aannemen. Voor de eerste evenwel bestaat de kans dat zij, in de nabijheid der zon gekomen, worden gedissociëerd. Aanleiding tot vorming van waterdamp is alzoo in genoegzame mate aanwezig, en evenals meteoorsteenen in den dampkring der aarde kunnen geraken, zullen ook bovenbedoelde massa's waterdamp door de aardatmosfeer kunnen worden opgenomen. Wij hebben nu slechts aan te nemen, dat in het voorafgaande jaar onze planeet toevallig in de nabijheid is gekomen van een massa kosmischen waterdamp en deze tot zich heeft getrokken. De dichtheid van dien damp was afhankelijk van de hoeveelheid en moet in elk geval grooter zijn geweest dan die van de stof in het hemelruim en van die der aangrenzende aardsche atmosfeer. Terwijl de kosmische damp naar de aarde daalt, komt hij eindelijk in aanraking met luchtlagen, die gelijke dichtheid hebben. De waterdamp kan de dichtere massa niet verdringen, want, ofschoon hij zelf tengevolge van de vermeerdere aantrekking der aarde dichter wordt, geraakt hij daarbij tevens in een luchtlaag, die insgelijks dichter is - en nu is het hoofzakelijk de diffusie, welke een vermenging der aardsche atmosfeer met den kosmischen waterdamp bewerkt. Zoo daalt dan nog steeds de dampwolk en neemt daarbij in dichtheid toe, totdat zij zooveel zonnelicht kan absorbeeren, dat zij voor ons oog de bekende roode kleur aanneemt.
   Von Zech vindt verder in de omstandigheid, dat de waterdamp van boven kwam, de verklaring voor het feit, dat het avondrood van Nov. j.l. zooveel later dan gewoonlijk zich vertoonde, t.w. een half à één uur na den ondergang der zon. Had men te doen gehad met stoffen, die zich van beneden naar boven verspreidden, dan zou die vertraging onbegrijpelijk zijn.
   Ziedaar de kosmische theorie, gelijk von Zech haar mededeelde in het April-nommer van "Humboldt". Zijn sommigen geneigd er een poisson d'Avril in te zien, ik acht mij niet geroepen daartegen met klem van redenen op te komen, ofschoon ik de overtuiging niet van mij kan weren, dat het avondrood van 1883 aan kosmische invloeden kan worden toegeschreven, en in elk geval dat avondrood geen andere onmiddellijke oorzaak heeft gehad dan elk gewoon morgen- en avondrood.

Winterswijk, April 1883      R.E. De Haan.


webdesign & copyright
© 2001-2013 Eveline