Krakatau: deel 3
inleiding
deel 1
deel 2
deel 4
deel 5
deel 6


Inhoud
Start
De vulkanische uitbarsting op het eiland Krakatau - deel 3

   Doch genoeg van deze aangrijpende verhalen. Beschouwen wij ten slotte het geduchte natuurverschijnsel van zijn wetenschappelijke zijde. Voor den geoloog is de uitbarsting van Krakatau een kostbare bijdrage tot zijn kennis van de werking der onderaardsche natuurkrachten. Op vier feiten moet bij deze vulkanische uitbarsting de aandacht gevestig worden: Ten eerste, op het uitwerpen van ontzettende hoeveelheden steenbrokken, gruis en asch; ten tweede, op de groote verandering in gedaante en omtrek van het eiland Krakatau; ten derde, op het ontstaan van een reeks van nieuwe vulkanische kegels uit een spleet in den zeebodem tusschen Java en Sumatra; en, ten vierde, op de aardschokken, die ontzaglijke zeegolven hebben tengevolge gehad.
   Dat er bij deze uitbarsting buitengewoon groote hoeveelheden vaste stoffen zijn uitworpen, wordt in de eerste plaats bewezen door de ver verspreide en langdurige duisternis, die zonder twijfel veroorzaakt werd door wolken van zeer fijn stof of fijne asch, door den wind medegevoerd en in de lucht zwevende gehouden, en in de tweede plaats door de groote menigte lichte steenbrokken, puimsteen, die op vele plaatsen van de omliggende zeeën drijvende zijn gevonden. De hoeveelheid asch was zoo groot, dat op het stoomschip "Prinses Wilhelmina", te Tandjong Priok liggende, de stoomlieren moesten worden gestopt, omdat zij warm liepen ten gevolge van den aschregen. Op de hoogte van Vlakken Hoek vond de stoomboot "Graaf van Bylandt" een puimsteenbank, die anderhalve meter dik was beneden de oppervlakte van de zee, en zich zoo ver uitstrekte als het oog reikte; het schip kon er niet doorheen komen.
   Omtrent de uitgestrektheid en den aard der veranderingen in de gedaante van Krakatau moeten nadere onderzoekingen beslissen. Of die veranderingen veroorzaakt werden door de eruptieve werking van den vulkaan, waardoor het eiland uiteengeslagen werd en de stukken overal heen verspreid werden, dan wel of het eiland werkelijk verzakt en in zee verzonken is, kan nog niet worden bepaald. Men moet echter in het oog houden, dat vele gevallen van verzakking van eilanden bij nauwkeurig onderzoek geen eigenlijke inzinking bleken te zijn, maar eenvoudig een verwijdering der vaste massa door de explosieve werking. Op dezelfde wijze moeten vele voorbeelden van opheffing van vulkanische eilanden boven de oppervlakte der zee worden teruggebracht tot een ophooping van door den vulkaan uitgeworpen massa's tot boven het water.
   Dat dit laatste ook thans het geval schijnt te zijn, blijkt uit de reeds boven aangehaalde opnemingen van de Hydrograaf. De luitenant ter zee van Doorn deelt daaromtrent in "Eigen Haard" het volgende mede: "Het geheele onderzoek van de noordzijde van Krakatau gaf den indruk, alsof we ons daar boven een vol water geloopen en uitgedoofden krater van een vulkaan bevonden, en in dit denkbeeld werd ik versterkt, toen bemerkt werd, dat de verminderingen in diepte bezuiden Sebessi voornamelijk door uitgeworpen en weggeslingerde stoffen moeten ontstaan zijn. Bijna overal werd hier met het dieplood zwart zand of verkoold gruis, soms vermengd met fijn puimsteen en kleine zwarte steenen, die blijkbaar in gloeienden of gesmolten staat geweest waren, van den zeebodem opgehaald. Daarbij waren de diepten verrassend ongelijk, en de nieuw ontstane rotsen gelijken wel op klonters van stoffen, die in gesmolten of zeer verhitten staat in aanraking met water gekomen zijn. De stukken van deze rotsen waren nog warm, nadat ze een uur in de sloep hadden gelegen. Zoodra men buiten de grens komt van de uitgeworpen stoffen, vindt men overal dezelfde diepten van vroeger, en de verminderingen in de diepte zijn zoo plaatselijk, dat ze de gedachte aan een opgeheven zeebodem geheel doen verdwijnen. Dit laatste zou toch op veel grooter afstand en meer gelijkmatig toe- of afnemend moeten gevoeld worden. Alles doet denken aan hevige explosies. Het zwaarste en sterkste gedeelte van den kraterwand, de thans nog bestaande piek van Krakatau, hield gedeeltelijk stand, toen de minder hooge en zwakkere wanden bezweken en het zeewater zijn weg vond naar den ontzettenden vuurpoel. Geen wonder dat toen, door een waterdampvorming, waarvan we ons geen voorstelling kunnen maken, de hevigste ontploffingen moesten plaats grijpen en de daarmede gepaard gaande waterverplaatsingen vloedgolven deden ontstaan, waarvan de vernielende kracht zoo vreeselijk op de kusten van Bantam en Sumatra werd gevoeld. De eilanden, die door de uitbarsting zijn verrezen, liggen daar als een groep rookende en walmende rotsen, en doen uit de verte gezien werkelijk denken aan kraters van werkzame vulkanen. Van nabij gezien, bleek het echter, dat deze steenhoopen geheel bestonden uit zeer verhitte puimsteenklompen, vermengd met uitbarstingsgesteenten vol spleten en scheuren, waarin door de hevige branding der zee zich voortdurend waterdamp ontwikkelde. De eerste doch onjuist gebleken berichten, dat er zich tusschen Krakatau en Sebessi zestien nieuwe vulkanen hadden gevormd, laten zich hierdoor zeer goed verklaren."
   Van groot belang voor de studie der vulkanen en aardbevingen en van den zetel der kracht, die onze vaste aardkost over zulke groote oppervlakten kan doen schudden, is een zorgvuldige verzameling van al de gegevens omtrent de groote zeegolf, welke zich tot op zulk een grooten afstand heeft doen gevoelen. Wij zullen er misschien zelfs onze kennis omtrent de diepte van sommige deelen van den oceaan door kunnen verbeteren en uitbreiden.
   Van alle zijden zijn berichten tot ons gekomen van merkwaardige afwijkingen in de normale hoogte van eb en vloed en van den duur der getijden. Enkele dezer afwijkingen zullen wij in het kort aanstippen. Te Aden bij den ingang der Roode Zee is den 27 Augustus een groote storing in de getijden waargenomen; het water rees en daalde in een kort tijdsverloop herhaaldelijk. Te Negapatam en te Kurrachee en Bombay werden op denzelfden dag eveneens storingen waargenomen. Zelfs plantte zich de vloedgolf op de Hooghly voort tot halverwege Calcutta. Te Port Blair op de Andaman-eilanden deed zich hetzelfde verschijnsel voor. Dáár hoorde men ook doffe, trillende geluiden, alsof een schip, dat in nood was, kanonschoten loste; er werd zelfs een stoomschip uitgezonden, om onderzoek te doen. Te East Londen en te Port Elisabeth op de kust van Zuid-Afrika begon de ongewone vloedgolf des avonds om 8 uur van den 27 Augsutus, en de zee was een uur later anderhalve meter boven volzee gestegen. Te Port-Louis op het eiland Mauritius begon de zee op denzelfden datum des namiddags om 2 uur anderhalve meter te dalen en rees daarna weder tot 6 meter boven volzee. Gelijke berichten zijn ingekomen van andere zeeplaatsen zelfs op zeer grooten afstand van Krakatau gelegen. Zoo deelt F. de Lesseps o.a. mede, dat de ongewone rijzing en daling van het zeewater ook te Colon op de oostkustvan de landengte van Panama is waargenomen. De vloedgolf moet zich dus van de Indische Zee in den Atlantische Oceaan hebben voortgeplant om de Kaap de Goede Hoop heen, en dien afstand in slechts 30 uren hebben afgelegd. Te Panama op de andere zijde der landengte heeft men niets bijzonders waargenomen; waarschijnlijk hebben de Polynesische eilanden de beweging gestuit.
   In de vergadering van de Parijsche Akademie van Wetenschappen heeft Bouquet de la Grye medegedeeld, dat de vloedgolf zelfs te Rochefort was geconstateerd, slechts 40 uur na haar ontstaan. De golf had dus een snelheid van gemiddeld 100 uur in het uur.
   In onze Akademie van Wetenschappen heeft de Hoogleeraar J.A.C. Oudemans een dergelijke mededeeling gedaan, en daarbij op de buitengewone snelheid gewezen, waarop de vloedgolf zich had voortgeplant, en die hij op 140 meter in de secunde berekende.
   Overal, waar zij is waargenomen, rees en daalde het water afwisselend gedurende geruimen tijd, en in de meeste plaatsen heeft men opgemerkt, dat de beweging met een daling van het water begonnen is. Hieruit zoude moeten volgen, dat de uitbarsting een geweldige inzakking of daling van den bodem van straat Soenda moet hebben ten gevolge gehad, en dat deze daling de oorzaak van de verbazende vloedgolf is geweest.
   Eveneens heeft men op verschillende plaatsen hevige en plotseling veranderingen in den barometerstand waargenomen. Te Tandjong Priok wisselde den 27 Augustus de luchtdruk elke 2 tot 5 minuten af van 750 tot 762 millimeter, en dit heeft geduurd van 9 uur 's morgens tot den middag. Op het eiland Mauritius schommelde de barometer dien dag tusschen 11 en 5 uur des daags hevig, en vertoonde in den tijd van enkele minuten telkens een aanzienlijk verschil in stand. Deze luchttrillingen werden zelfs op de verst verwijderde plaatsen waargenomen. R.H. Scott heeft al die waarnemingen verzameld en met elkander vergeleken. Hij vond, dat de luchttrillingen, door de geweldige ontploffingen van Krakatau veroorzaakt, drie en een kwart maal de aarde zijn rond gegaan, met een gemiddelde snelheid van 200 uren in het uur, zoodat de luchtgolf in 36 uren de aarde rond ging. Hoe ondenkbaar hevig moeten de ontploffingen wel geweest zijn!.
   Tot een van de merkwaardigste gevolgen van den vulkanische uitbarsting van Krakatau behoort een verschijnsel, dat over bijna de geheele wereld is waargenomen, de algemeene opmerkzaamheid trok, en aanvankelijk onverklaard bleef. Wij bedoelen de vreemde, vale, groenachtige tint, die gedurende eenigen tijd na de uitbarsting de zon bij het op- en ondergaan vertoonde in de tropische en subtropische gewesten. Deze groene zon, zooals men ze noemde, is in Zuid-Azië, Zuid-Amerika, West-Indië, Afrika en Australië waargenomen en moest natuurlijk worden toegeschreven aan een of andere stof tusschen dat hemellichaam en den waarnemer. Maar wat was die stof?
   Eveneens werd in de gematigde luchtstreek een wonderlijk gekleurd avondrood en morgenrood waargenomen. In ons land werd het het eerst in de laatste week van November opgemerkt, en bleef het elken avond bij helder weder weken lang zichtbaar. In Engeland, Frankrijk en Italië, Duitschland, overal trokken die zonderlinge en prachtige kleurschakeeringen in het westen en oosten de aandacht. Dat de "groene zon" in de tropische gewesten in verband kon staan met de ramp van Krakatau, werd reeds spoedig vermoed. Maar, dat ook het vreemde avondrood in Europa aan dezelfde ver afgelegen oorzaak zou kunnen worden toegeschreven, op dat denkbeeld kwam men aanvankelijk niet. Eerst den 6den December opperde de Engelsche meteroloog Symons in de Times het vermoeden, dat Krakatau werkelijk dit verschijnsel kon veroorzaken, en twee dagen later verscheen een zeer belangrijk artikel in hetzelfde dagblad van de hand van niemand minder dan den beroemden Engelschen astronoom Norman Lockyer. Hij zegt in dat opstel, dat in den regel het avondrood veroorzaakt wordt door de opslorping van de blauwe en violette stralen van het zonlicht door den waterdamp in de atmosfeer, wanneer de zon des avonds laag aan den horizon staat, en de lucht veel waterdamp bevat. Bij het thans waargenomen avondrood bleek de atmosfeer in de hoogere lagen echter zeer weinig waterdamp te bevatten. Spektroskopische waarnemingen, op verschillende plaatsen verricht, bewezen dit op onomstootelijke wijze. Helmholtz deelde o.a. Lockyer mede, dat te Berlijn de zonnestralen gedeeltelijk werden geabsorbeerd door de een of andere stof, die zich op minstens 13 uur boven de aardoppervlakte bevond, waarvan hij de afkomst niet kende, maar die stellig geen waterdamp was.
   Lockyer verzamelde, voor zoover mogelijk, alle gegevens omtrent den tijd, waarop zoowel de "groene zon" als het avondrood over de geheele wereld was waargenomen, en kwam nu tot het merkwaardige besluit, dat het verschijnsel veroorzaakt werd door het fijne stof, uit den vulkaan Krakatau uitgeworpen en door den opstijgende warmen luchtstroom van den aequator hoog in de lucht verspreid. Deze heete luchtstroom, die als de zuid-oost passaat over de aarde trekt, voerde dit hoogst fijne en lichte stof mede, over Afrika naar Europa, overal op zijn weg den wondervollen gloed doende ontstaan. Met dezelfde snelheid, waarmede gewoonlijk de passaat zich noord-westwaarts beweegt - soms 150 mijlen in het uur -, trok ook het lichtverschijnsel aanvankelijk over Afrika naar Europa. De lange reeks van plaatsen, waar het is waargenomen, is nog verre van volledig, maar Lockyer hoopt die leemten aan te vullen, en vraagt daartoe zooveel mogelijke nadere opgaven en inlichtingen. Wordt zijn verklaring, die nu reeds groote waarschijnlijkheid heeft, daardoor zekerheid, dan kan men daardoor eenigszins een denkbeeld verkrijgen van de hevigheid der uitbarsting en van de ondenkbaar groote hoeveelheid vaste stof, die daardoor in den dampkring is geslingerd.
   Als een steun voor Lockyers onderstelling, deelt Preece mede, dat, indien wij aannemen, dat het door den vulkaan uitgeworpen stof in hooge mate elektrisch is, - en dit bewijzen de hevige elektrische storingen in den dampkring, - dat dit stof dan ook, evenals de aarde, negatief elektrisch moet zijn. Er werken dan op die stofwolken twee krachten tegengesteld aan de zwaartekracht, namelijk de afstooting der stofdeeltjes onderling. Hierdoor kan nu zeer goed de mogelijkheid verklaard worden, dat deze uiterst fijne stofdeeltjes de uiterste grenzen onzer atmosfeer bereikten en daar bleven, zoolang zij elektrisch zijn.
   Tegenover deze hypothese van Lockyer staat een veronderstelling, die het eerst door den Engelschen sterrenkundige C. Piazzi Smyth is uitgesproken en die het zonderlinge kleurverschijnsel aan meteoorstof toeschrijft, dat van buiten in onzen dampkring is gekomen. Hij vindt een steun voor zijn hypothese in de berekeningen van Newton en Young, die vonden, dat gemiddeld iederen dag 100 ton meteoorsteenen als stof in onze atmosfeer geraken! Het vinden van een donker gekleurd stof, dat veel magnetisch ijzer bevat, in ons duinzand, in verband met de waarneming van Nordenskjöld, die in de sneeuw in de Noordelijke streken een zwart stof vond, dat hij voor meteoorstof houdt, en een overeenkomstige waarneming van Lacaze-Duthiers die in de Zwitsersche sneeuw dezelfde stof vond, deed het vermoeden opperen, dat onze aarde in de laatste dagen van November en het begin van December een breede strook kosmische meteoren, die in het luchtruim aanwezig waren, heeft doorkliefd. Hierdoor moet de groote hoeveelheid vaste stoffen in den dampkring verklaard worden, die de zonnestralen ten deele absorbeeren en terugkaatsen en tot de veel besproken kleurverschijnselen aanleiding hebben gegeven.
   Om der volledigheid wille noemen wij nog de hypothese van Falb, die meent, dat de aanwezigheid van een bijzonder groot aantal fijne ijsnaaldjes in de bovenste lagen van den dampkring dit morgen- en avondrood heeft veroorzaakt. Hij wijst zelfs op de gevolgen, die deze groote hoeveelheid ijsnaaldjes op de weergesteldheid zullen kunnen hebben.
   Lockyer's onderstelling wordt echter gedeeld door een groot aantal natuuronderzoekers, die telkens nieuwe waarnemingen ter onzer kennis brengen. Al die waarnemingen, waarmede de buitenlandsche, vooral Engelsche tijdschriften tot overstelpens toe gevuld zijn, mede te deelen, is hier ondoenlijk. Slechts een paar opgaven mogen hier volgen. Onze landgenooten M.W. Beyerinck en S. van Dam, te Wageningen, hebben aldaar den 13 December l.l., des morgens, een regenbui waargenomen, waarvan de druppels, na indroging, een vaste, grijze slijkmassa op de ruiten en kozijnen achterlieten. Bij mikroskopisch onderzoek bleek die massa dezelfde mineraaldeeltjes te bevatten, die in de asch van Krakatau worden aangetroffen. Alleen waren die kristalletjes kleiner. Dezelfde waarneming werd door Mcpherson in Spanje gedaan. Welke dezer twee hypothesen de ware is, is vooralsnog onmogelijk te beslissen. Het zal altijd zeer moeielijk blijven de identiteit te bewijzen tusschen het stof, dat met sneeuw en regen in Europa neervalt, en de asch van Krakatau. Mogen zich velen, ook ons vaderland, opgewekt gevoelen, de zaak nauwkeurig te onderzoeken, ten einde, zoo mogelijk, de weetgierigheid te bevredigen van zoo velen, die zoo gaarne zekerheid wenschen omtrent het veronderstelde verband tusschen de vreeselijke uitbarsting in Indië en het gloedrijke avondrood in het verre Europa.
   Uit alle gegevens blijkt, dat deze uitbarsting de ontzaglijkste geweest is, welke in historische tijden heeft plaats gegrepen. Het geluid werd 600 uur ver voortgeplant. Het schudden van het eiland en van den bodem van de straat Soenda deed een vloedgolf van dertig meter hoogte ontstaan, wier invloed bij alle getijden-waarnemingen over bijna de geheele wereld is opgemerkt. De luchttrillingen, die door de ontploffingen veroorzaakt werden, waren zoo hevig, dat zij in een trapsgewijs wijder wordenden cirkel ruim driemalen de aarde rond gingen.
   En hiermede zijn wij aan het eind gekomen van ons verslag, dat een zooveel mogelijk getrouwe weergave is van alles, wat wij in de verschillende wetenschappelijke tijdschriften omtrent deze uitbarsting konden vinden. Bij die studie heeft ons echter ééne zaak eenigszins verwonderd. Dit is namelijk het bijna volkomen stilzwijgen onzer Nederlandsche geleerden. Behalve eenige korte mededeelingen in de zitting van onze Akademie van Wetenschappen van 24 Nov. l.l., de waarneming van de H.H. Beyerinck en van Dam en het verslag van de Hydrograaf heeft, voor zoover ons bekend is, nog geen onzer natuuronderzoekers gesproken. En toch, wat was natuurlijker dan dat de verschrikkelijke strijd der natuurkrachten in het centrum van onze rijke Oost-Indische bezittingen de wetenschappelijke mannen, die toch ook Nederland bezit, had aangespoord, om een poging te wagen tot verklaring der vreemde natuurverschijnselen, die ten minste ten deele met zekerheid het gevolg zijn der geweldige uitbarsting. Engeland heeft ons daarentegen in deze een prijzenswaardig voorbeeld gegeven. Vooral zijn het de geleerden van dat land, die onmiddellijk hebben ingezien van welk belang een nauwgezette studie dezer secundaire verschijnselen voor de natuurwetenschap kan worden. Zij hebben alle gegevens verzameld en in verschillende tijdschriften gepubliceerd. Zij vragen in de dagbladen om meerdere inlichtingen, en een hunner meest geachte geleerden heeft het niet beneden zich geacht zijn vermoedens en hypothesen naar aanleiding van al die gegevens wereldkundig te maken. Al zijn het nog geen feiten, toch is hij er niet voor teruggedeinsd ze mede te deelen. Wrijving van gedachten wekt tot onderzoek. Moge het voorbeeld van Engeland in ons land navolging vinden!

Amsterdam, 18 Januari 1884. W.


webdesign & copyright
© 2001-2013 Eveline