Krakatau: deel 2
inleiding
deel 1
deel 3
deel 4
deel 5
deel 6


Inhoud
Start
De vulkanische uitbarsting op het eiland Krakatau - deel 2

   's Maandags morgens was het kalmer, maar spoedig begon in het westen een zonderling grauw gekleurde lucht op te komen, die den geheelen hemel, uitgezonderd den ooster horizon, innam. Het werd hand over hand donkerder en een regen van fijne, grauwe aschkorrels daalde neder. Alle kantoren moesten om de duisternis sluiten, in de huizen stak men licht op, en om twaalf uur 's middags was het stik donker en kil-koud. Tegen vijf uur keerde de wind en werd het langzamerhand weder licht. Het met grijze asch bestrooide landschap herinnerde toen eenigszins aan een wintertooneel in het vaderland.
   De ontploffingen waren zoo hevig, dat zij te Soerakarta gehoord werden en de asch viel te Cheribon, dat 85 uur oostwaarts op de noordkust van Java ligt.
   De geheele hemel boven het westelijk deel van Java was door asch verduisterd, en toen een onderzoek mogelijk was, bleek het, dat de uitbarsting over een groote uitgestrektheid vreeselijke rampen had veroorzaakt. Deze waren ten deele door de asch- en steenregen veroorzaakt, maar verreweg de grootste verrwoesting was door de ontzaglijke vloedgolf der zee aangericht. Deze alles vernielende vloedgolf schijnt zijn uitgangspunt gehad te hebben te Krakatau of in de onmiddellijke nabijheid daarvan, zich vandaar met vreeselijke kracht op de aangrenzende kusten van Java en Sumatra te hebben geworpen, zich door de Straat Soenda oostwaarts te hebben voortgeplant, en een hoogte te hebben bereikt van 12 tot 27 meter in de nauwe zeeboezems van de straat. Te Batavia rees het water 5 meter, en zelfs is het verschijnsel op grooten afstand op de kusten van Afrika en Amerika merkbaar geweest. Deze vloedgolven, het gevolg van plotselinge dalingen of verheffingen van den zeebodem, zijn in hun gevolgen dikwijls nog vreeselijker dan de vulkanische uitbarstingen zelf; de kust van Peru is er o.a. herhaaldelijk door geteisterd.
   Volgens een verslag van den mijn-ingenieur 1e klasse R.D.M. Verbeek, die met Zr. Ms. opnemingsvaartuig Hydrograaf, commandant luitenant ter zee 1e klasse M.C. van Doorn, een onderzoek in den omtrek van Krakatau heeft ingesteld, is dat eiland, dat een inhoud van 8000 millioen kubieke meter had, ten deele verdwenen. De zuidelijke helft van het eiland is geheel weg en slechts een deel van den kegel, van den top af loodrecht afgesneden, is als een kulas van een reusachtig mortier, dat het overige deel van het eiland heeft weggeblazen, in stand gebleven. Verlaten eiland en Lang eiland zijn blijven bestaan, en op eenigen afstand, tusschen Krakatau en Sebessi, zijn twee nieuwe eilanden ontstaan, die naar de namen van de personen, die ze hebben onderzocht, Steers eiland en Calmeijer eiland zijn gedoopt; 't zijn hoopen puimsteen en asch, opgestapelde fragmenten van Krakatau, die waarschijnlijk geen lang bestaan zullen hebben. In het centrum van het vroegere eiland Krakatau heeft men 360 meter water gepeild! Het eiland Dwars-in-den-weg is in vijven gespleten.
   Op de kusten van Straat Soenda is de verwoesting boven beschrijving groot, niet zoo zeer door den asch- en steenregen, als door de vloedgolf, die alles vernielde en verzwolg. In Lampong baai was de kracht van het water zoo groot, dat te Telok Betong een gouvernementsstoomer een uur ver op het land werd gezet. Telok Betong zelf, de hoofdplaats van het district Lampong, is, behalve de woning van den resident, het fort en de gevangenis, geheel verwoest. Op de tegenoverliggende kust van Java heeft de Residentie Bantam de volle kracht van den vloedgolf ondervonden. Tjeringin, Anjer en Merak zijn geheel verdwenen. Van Java's Eerste Punt tot Punt St. Nicolaas zijn alle dessa's langs de kust verwoest en is de bevolking grootendeels omgekomen. Van de angst, die daar is uitgestaan, en de ellende, die daar is geleden, zijn hartverscheurende berichten tot ons gekomen. Een paar der meest treffende mogen hier een plaats vinden. In de eerste plaats een officieel verslag van den hoofd-inspecteur, Dr. Sollewijn Gelpke. Het luidt als volgt:
   "Ik had het voorrecht het Lid in den Raad van Nederlandsch-Indië, den heer Mr. H.D. Levysohn Norman, naar Serang te vergezellen, en maakte van die gelegenheid gebruik tot het bereizen van een groot deel der residentie Bantam.
   De indruk, op dien tocht ontvangen, bracht tot het volgende verslag.
   Nadat in den nacht van Zondag op Maandag een ontzettende uitbarsting van de Krakatau plaats had, vergezeld van een asch- en steenregen, volgde daarop in den morgen een vloedgolf van ongekende hoogte, die het strand oploopende tot boven op de hoogste klapperboomen, aanstootte tegen de eerste heuvelrij, welke van Zuid tot Noord het binnenland van de zee afscheidt.
   Aan den voet der heuvels, en tusschen de teenen harer uitloopers woonde op een alluviale vlakte in tal van dessa's een dichte bevolking. Vele palen lang was de plek, waar bijv. de hoofdplaats Tjeringin lag.
   Evenals Anjer, als Tjerita, Passaoeran, Tjeberum en zooveel andere dorpen, bestaat Tjeringin sinds den 27 Augustus niet meer.
   Zoover het oog waarnemen kan, staat daar niets meer overeind dan één enkele boom, een reusachtige doerian, verscheurd en zonder takken of bladeren. Hij vormt het grafteeken van een hoop krengen en lijken, bedolven onder daken en huizen en boomstammen.
   Dat graf ziet men over de vlakte honderdvoudig, ofschoon in kleiner afmetingen, herhaald.
   De omgewoelde aarde bedekt dan telkens slechts een lijk, waarbij een stuk klappernerf of bamboe overeind wordt gestoken, om voor het bestuur tot contrôle te dienen.
   Duizende lijken van menschen en dieren wachten nog op hun graf en geven van hun aanzijn blijk door een onbeschrijfelijken stank. Zij liggen in kluwen en wrongen, niet te ontwarren uit zich zelf, en dikwijls nog met klapperstammen doorstoken tusschen al hetgeen aan die duizenden heeft gestrekt tot woning, tot huisraad, tot beplanting en versiering van huis en erf.
   Het werk der verwoesting heeft niet lang geduurd; één golf slechts is gezien; een tweede en derde is mogelijk gevolgd, maar niet waargenomen.
   De zee voerde koraalrotsen mee van honderden pikols zwaar, en liet die op de vlakte achter alsof zij schepen waren.
   Daarentegen ontwrong zij aan het land aanzienlijke uitgestrektheden, zoodat haar bedding nu zich uitstrekt tot den grond, die de moskee, de pasar en één deel der Chineesche wijk droeg.
   De wegen zijn niet te herkennen. In de Europeesche wijk moeten de fundamenten tot wegwijzers strekken. De assisten-residentie woning met haar zes kamers kan men terugvinden in zes vakken, door steenen muurtjes afgescheiden en met rottend zeewater gevuld. Het kantoor er naast heeft nog een vloer; anders zijn die verdwenen, zooals uit de grondvesten der woningen van den Regent en den Controleur.
   Men kent het getal der Europeesche slachtoffers.
   Ook dat der inlandsche ambtenaren, tot een feest met hun vrouwen en kinderen bij den Regent verzameld.
   Van diens familie waren allen, met uitzondering van twee neven, bijeen. Van de familie, die 57 leden telde, kwamen er 55 om.
   De Chineezen verdronken allen, op een 20tal na.
   Deze weten te vertellen van den militairen opnemer Hoffmann, die niet scheiden wilde van zijn kaarten en instrumenten, en daarmee het leven liet.
   Verscheiden verhalen zijn in omloop over de laatste oogenblikken der voornaamste slachtoffers, b.v. van den Assisten-Resident, den Resident, den Controleur, maar zij zijn niet geloofbaar.
   Het lijkenveld biedt in weerwil van zijn verschrikkingen een ongewoon levendig schouwspel.
   Met kracht is de Controleur Tromp opgetreden om de lijken te begraven, tegen een betaling van f  5 per stuk. Daartoe worden dessa'sgewijs de menschen opgeroepen.
   Maar met de begravers togen duizdenden meê, voorzien van koevoet of puntig hout, om als werktuig bij het zoeken naar eigen have, of het rooven van hetgeen anderen toebehoorde, dienst te doen. Want roof is het eenige doel, waarvoor zich honderden van allerlei leeftijd en beiderlei kunne willen wagen naar Tjeringin, waar politiemiddelen nog niet veel voorhanden zijn.
   Op mijn nadering vlood een groep uit elkander, om dadelijk als de hyéna's van het slagveld terug te keeren, indien de teugel gewend werd.
   Vele groepen bleven doorstelen, alsof zij eigenaars waren van de goederen, die ze opdolven.
   Aan sommige der roovers moet de vindplaats bekend zijn der verdwenen gouvernementskassen; althans zoo moet men vermoeden naar de aanzienlijke sommen, gevonden bij enkele lieden, die onder Pandeglang werden aangehouden.
   Aangrijpend voor den toeschouwer is het gezicht op de lijken en hun begravers, maar niet in een rapport behoort daarvan de beschrijving; wel dient te worden vermeld, dat geen lijk te herkennen is, zelfs naar den landaard, zoodat alle verhalen over herkenning der lijken niet moeten geloofd worden."
   Een te Anjer geredde telegrafist deelt zijn lotgevallen als volgt mede:
   "Zaterdag den 25 Augustus jl. in den avond kwam ik te Anjer, naar welke plaats ik als kantoorchef was overgeplaatst.
   Den volgende dag, Zondag, bleef ik tot 's namiddags één uur op het kantoor, ging vervolgens eten, om te twee uur weder terug te zijn.
   Omstreeks dien tijd met een ander telegrafist dicht bij het strand zijnde, namen wij daar een oogenblik plaats. Krakatau werkte toen reeds, en wij hoorden duidelijk het gerommel, uit de verte komende. In zee ziende, bemerkte ik een beurtelingsche rijzing en daling van het water, hetwelk mij de vraag ontlokte aan mijn makker, wat het was: eb of vloed. Eb, meende deze, doch ik kon mij deze niet voorstellen door een plotselinge rijzing van het water. Ik was er echter, ook na dit verschijnsel te hebben gezien, verre van af te denken, dat toen reeds de later in haar gevolgen zoo verschrikkelijke zeebeving een aanvang had genomen.
   Te ongeveer 6 uur maakten wij de opmerking, dat het voor dit uur zeer duister was. Weltevreden vertelde ons toen, dat het zeer erg dreunde en vroeg ons of Krakatau weer aan 't werk was. Ik antwoordde toestemmend en ontving toen het verzoek om tot zeven uren in de lijn te blijven. Hiermede belastte ik een mijner confrères en seinde naar Weltevreden, dat het goed was, toen eensklaps de lijn brak en ik contact kreeg met de lijn, die naar Merak loopt.
   Zoo spoedig mogelijk ging ik met een der telegrafisten de lijn op en liep door het fort, toen men mij mededeelde, dat een schoener den draad gebroken had. Ik begaf mij naar de haven, dat een kanaal is voorbij het fort, en kwam aan de ophaalbrug, waarvan de leuningen reeds waren weggeslagen. Daar zag ik een vreeselijk schouwspel; een schoener en een 25 à 30 tal prauwen marcheerden in vliegende vaart van den ophaalbrug naar de gewone brug of omgekeerd, al naar gelang het water steeg of daalde. Er bleef niets heel.
   Toch waren wij niet bevreesd, daar het water de oevers nog niet overschreed en, geen de minste gedachte aan gevaar koesterende, begaf ik mij te half negen aan tafel. Natuurlijk waren vooraf door mij orders gegeven om den volgenden morgen zoo vroeg mogelijk een begin te maken met de reparatie der gebroken lijn.
   In den loop van den avond had ik, als nieuweling te Anjer gekomen, toch reeds overvloedig gelegenheid om vooral eenige beangstigde dames te bemoedigen, die door het natuurverschijnsel verschrikt en zenuwachtig geworden waren. En werkelijk, daartoe was wel reden. Krakatau begon iets later op den avond vreeselijk te werken; het donderde en onweerde, de grond dreunde als bij een aardbeving, en het was een leven en een geraas alsof de dag des oordeels was aangebroken.
   Te half tien waren de elementen oogenschijnlijk bedaard; er begon een zachte aschregen te vallen en de zee was zeer rustig, zoodat iedereen tot kalmte was gekomen. Ten overvloede ging ik echter nog eens des nachts te ongeveer één uur naar het kanaal, om de verwoestingen nog eens in oogenschouw te nemen; in gezelschap van den havenmeester en een paar ingezetenen konden wij niets anders opmerken dan het verschijnsel, des namiddags reeds waargenomen, namelijk dat de zee beurtelings rees en daalde.
   Ik begaf mij na die nachtwandeling te bed en sliep, van geen gevaar bewust, rustig tot den vroegen mogen van Maandag 27 Augustus, de ongelukkige dag, die met zulke bloedige letters in de geshiedenis zal blijven opgeteekend. Te ongeveer kwart over vijf was ik reeds in de kleeren en buiten bij de brug, waar de lijnwachter en telegrafist reeds bezig waren de lijn te herstellen. Ik ontmoette reeds eenige burgers, o.a. ook mevr. Schuit, die bij mij informeerde naar een en ander en mij welwillend aanbood een kop thee voor mij te halen. Ik wachtte nog op dit bewijs van vriendelijkheid, toen ik, omziende, op eens een hemelhooge golf in de verte zag aanstormen, gevolgd door nog een paar andere, die nog grooter schenen. Ik stond toen op de brug, die naar Kreo leidde, en verschrikte natuurlijk hevig; in mijn ontsteltenis had ik echter toch nog het besef, om den telegrafist en den lijnwachter op het ook hen dreigende gvaar te wijzen, en maakte mij toen, zoo spoedig mijn beenen dit veroorloofden, uit de voeten. De woedende vloedgolf achtervolgde ons snel, alles voor zich uit stuk slaande en omver werpende. Nog nimmer heb ik zoo hard gelopen, want in den letterlijken zin van het woord zat mij de dood op de hielen en was het de hoop op levensbehoud, de gedachte aan vrouw en kroost, welke bij mijn omkomen hun hulp en steun zouden missen, die mij bovenmenschelijke krachten gaf. De vloedgolf was nauwelijks dertig passen van mij verwijderd, verbrijzelde in het voortwoeden de ophaalbrug, het logement, de ass.-res. woning, kortom alle huizen, die zij op haar weg ontmoette.

   Eindelijk viel ik uitgeput door dien wedloop met den dreigenden dood op een heuvel neer en zag in mijn verbijstering eensklaps een golf op haar weg terugkeeren. Ik snakte naar adem, en toch steeg er een danktoon uit mijn toegeknepen keel ten hemel voor mijn redding en voor de bestiering van het lot, dat mijn gezin te Batavia was achtergebleven. Was dit toch te Anjer geweest, er ware geen spraak van redding, want ik was natuurlijk naar huis gesneld om de mijnen te redden en had daardoor de kans op eigen behoud gemist.
   Na bij adem gekomen te zijn, vluchtte ik voort tot Kares, waar ik buiten gevaar was en bij den ass.-wedono papier kon krijgen, om een dienstnota te schrijven aan den hoofdinspecteur en den resident van Bantam, welke nota ik per courier verzond. Toen ik met die werkzaamheden gereed was, meende ik, dat het mijn plicht was naar Anjer terug te keeren, ten einde te redden, wat daar mogelijk nog te redden zou wezen. Doch nauwelijks buiten, zag ik een dame in radeloozen angst en bijna naakt op ons toesnellen. Het was mevrouw S., de arme vrouw, die door het ongeluk haar beide kinderen verloren had en haar man met gebroken ruggegraat in de naaste kampong had moeten achterlaten. Wij boden haar onmiddellijk de noodige hulp en leenden voor de zwaar beproefde een sarong en kabaija. Tevens verzochten wij den ass. wedono een draagbaar gereed te doen maken, ten einde pogingen aan te wenden, den achtergebleven Heer S. te vinden.
   Inmiddels was het half tien geworden, toen besloten werd naar Anjer terug te keeren. Kares ligt ongeveer 2 1/2 paal van Anjer, en na ongeveer een paal geloopen te hebben te midden van een zachten aschregen, hoorden wij eensklaps een verschrikkelijken knal in de richting van Krakatau, gevolgd door een zwaren aschregen en bliksem. Wij marcheerden door, en hoorden achtereenvolgens nog vier dergelijke knallen, waarna het lieve leven begon. Er kwam een modderregen, die verschrikkelijk was; vluchtende inlanders uit Anjer kwamen ons te gemoet, tierende en schreeuwende: "ajer datang, toean-toean ada di blakan". Onmiddellijk op die waarschuwing sloegen wij een dwarsweg in en liepen, tot wij in kampong Djahat kwamen. De bewoners uit deze uit vier of vijf huizen bestaande kampong haalden ons als het ware binnen, en daar het inmiddels stikdonker was geworden en niettegenstaande de modderregen, kwamen ze ons met flambouwen te gemoet. Men kon het dien lieden aanzien, dat ze verheugd waren Europeanen in hun midden te zien, en alsof met onze komst hun angst geweken was.
   In dat oogenblik was het een weer als een oordeel; het kraken der boomen, het afknappen van bamboestengels, de zware regen en de dikke duisternis, mij dacht het kon in de hel waarlijk niet verschrikkelijker zijn. Er waren ter plaatse, waar ik mij bevond, stellig een honderd vijftigtal vluchtelingen - Chineezen en inlanders - bijeen en, daar ik verscheiden van hen eenigszins roekeloos met het drinkwater zag omspringen, informeerde ik dadelijk naar den voorraad daarvan en nam dien - ongeveer een tot op de helft gevulde genok - onmiddellijk onder mijn bewaring. Het hoopje vluchtelingen toch wies gestadig aan, en daar allen het eerst om water vroegen, vreesde ik, dat aan dit levensmiddel weldra gebrek zou komen. Ik ging dus op het watervat zitten en leschte den dorst der menigte slechts bij kleine teugjes.
   Toch was dat hoopje niet zoo gedwee en stil, als Inlanders en Chineezen gewoonlijk in de nabijheid van Europeanen zich betoonen. Men murmureerde ten eerste over het harde lot, dat ieder getroffen had, en voer min of meer hevig uit tegen de compagnie, die door het oorlogvoeren tegen Atjeh van dat ongeluk de schuld was. Tegen mij en anderen was men evenwel voorkomend en het was of men troost in onze antwoorden zocht.
   Zij volgden als het ware al onze bewegingen, en verklaarden niet van ons te willen scheiden en te gaan, werwaarts wij ons zouden begeven.
   Doch van verder gaan was voorloopig geen spraak, want allen hadden behoefte aan rust. Zoo goed en zoo kwaad dit ging, sloten wij dus een kringetje; die niet slapen kon, bleef zitten, en zoo brachten wij volle 17 uren door. Te drie uur des morgens kwam de maan op, en ik greep die gelegenheid aan, om den omtrek eens te verkennen. Op dien verkenningstocht ontmoette ik een Soendaneesche vrouw, voor haar huis staande; zij vroeg mij of ik ook beschuitjes lustte en op mijn toestemmend antwoord kreeg ik een twintigtal watercrackers en deelde die broederlijk met mijn lotgenooten; wij hadden toch van des morgens 9 uur niets genuttigd.
   Toen het tegen 5 uur licht werd, braken wij op en gingen op weg, om Anjer te bereiken. Wij namen flambouwen mede en raadden de lieden aan naar Mantjak te gaan, waar spoedig hulp van het bestuur zou komen, daar ik den toean residen reeds had onderricht.
   Na een moeielijken tocht onder den zwaren modderregen, waardoor wij aan plekken kwamen, waar wij een voet diep in de modder zakten, kwamen wij te Kares aan; het huis van den ass. wedono was ingestort en mevouw Schuit, benevens de familie van den wedono waren in de mesdjit, waar ook wij instapten. Wij vernamen over die heiligschennis geen onvertogen woord, ja zelfs bracht een gedienstige inlander ons strootjes, die door velen met graagte werden opgestoken. De dames ontvingen ons met veel blijdschap; zij ook hadden een verschrikkelijken nacht doorgebracht en, vluchtende voor het instortende huis, waren zij in den modderregen blijven staan, tot die wat bedaarde.
   Nadat de wedono voor ons iets gekookt had, kwam mijn bode van Anjer terug en verklaarde, dat die plaats niet meer bstond en ook niet te bereiken was. De wedono raadde ons dus af derwaarts te gaan, maar achtte het raadzaam eerst een heuvel te beklimmen om zelf te zien, wat er van Anjer geworden was. Wij vertrokken toen, ook met mevr. S., en kwamen weldra op den heuvel aan. De plaats, waar Anjer eenmaal gestaan had, lag voor ons, doch alles was geraseerd; geen boom, geen huis, niets was er meer over. Het gezicht was vreeselijk en de indruk op al die vluchtelingen was treurig.
   Wij besloten dus Anjer den rug toe te keeren, en sloegen toen een weg in, bijna onbegaanbaar door omgevallen boomen, takken en den modderregen; een weg leidende naar Geintoen. Wij kwamen daar ongeveer te 10 uur aan en vonden weder eenig eten; 't was niet veel, maar het smaakte toch. Te 11 uur kwam daar ook de docter met zijn gezin, en daar deze en de dames te vermoeid waren om door te gaan, besloten wij mannen alleen den tocht naar Mantjah te ondernemen. Op een halve paal afstands van die plaats kwamen ons reeds de paarden tegen, door den resident gezonden met dicht bij Mantjah de resident en zijn gevolg zelf. Te Mantjah vonden wij nog eenige andere geredden, waaronder ook mevr. B. en, na ons met een teug wijn daar verkwikt te hebben, gingen wij door naar Tjelegon en bleven daar tot den volgenden morgen 8 uur, waarna wij de reis naar Serang aanvingen. Na nog eenige wederwaardigheden en veel moeite kwamen wij daar aan; ik werd opgenomen bij den controleur en begon allengs te bekomen van de doorgestane vermoeienissen, dankbaar inderdaad, dat ik althans het leven er had afgebracht."
   In het district Lampong, op de zuidkust van Sumatra, was de verwoesting, door de vloedgolf aangericht, niet minder groot. Hoogst belangwekkend is het verhaal daarvan door den Controleur van Katimbang, den heer B. Deze woonde te Katimbang aan den voet van den berg Radja Basa aan zee. Zondag 26 Augustus 's avonds te 7 uur, werd hij gewaarschuwd, dat in de nabijheid eenige prauwen tegen den wal waren geworpen door een plotselinge rijzing der zee. Uit voorzorg maakte hij toen een en ander voor een eventueele vlucht in gereedheid en liet de lieden in de kampongs waarschuwen. Toch vreesde hij nog geen gevaar, daar wel het water telkens rees en daalde, docht de opvolgende rijzingen niet in hoogte toenamen.
   Tegen 10 uur des avonds echter hoorde men een geweldig geluid van water in de verte, dat zóó dreigend werd, dat B. met zijn gezin en vele inlanders overhaast de vlucht namen naar het gebergte. B. en de zijnen trokken naar een optrekje, dat op een hoogte van 4 à 500 voet en 3 paal van Katimbang verwijderd ligt. Dat deze tocht met kolossale bezwaren gepaard ging in de duisternis, door of langs sawahs, kan men begrijpen. Toch kwamen allen behouden boven. Vandaaar konden zij het geweldig ruischen der zee hooren; men vermoedde, dat daar groote verwoestingen werden aangericht. Dit vermoeden bevestigde zich, toen den volgenden morgen eenige inlanders naar plaatsen aan de kust wilden gaan, om zoo mogelijk nog het een en ander te redden; er was niets meer over; controleurswoning, gevangenis, inlandsche woningen, alles was verwoest en door de zee meegesleept.
   Daar zaten zij dus, met niets over dan de kleederen, die zij aan hadden. De vlucht was zoo overhaast geweest, dat B. niet eens zijn geld kon redden. Intusschen was het ergste nog niet doorleefd. Maandagochtend was de lucht nog helder en scheen de zon; langzamerhand echter werd het donker en mistig. Men hoorde vreeselijke geluiden als donder en schoten, zooals reeds vroeger gehoord waren, doch nu veel heviger. Dit eindigde met een steenregen omstreeks half twaalf 's middags; eerst vielen kleinere steenen, daarop al grootere, totdat zij ongeveer de grootte van een vuist hadden.
   Om half één was het geheel donker geworden; er begon een zware aschregen te vallen. Spoedig werd de asch zoo gloeiend, dat zij vreesden te stikken. De heete asch werd met geweld door de reten van den houten vloer gedreven, zoodat B. vreesde, dat het van de plaats zelf kwam. De toestand in de duisternis en met het geschreeuw der drie kinderen, terwijl de heete asch hen verschroeide, was ontzettend. De vrouw van B. was zoo radeloos, dat zij met alle moeite naar de deur tastte en uit het huis vluchtte. B. zocht naar een schaar, om een nachtlampje in orde te maken, hetgeen gelukte. De gloeiende aschregen duurde omstreeks een kwartier; toen hield die op; de koude aschregen en de duisternis hielden aan. B. ging naar buiten met de kinderen en vond zijn vrouw, door te roepen; men kon nog niets zien. Toen het langzamerhand lichter werd, was hun huis op den berg ingenomen door inlanders, die er hun gewonden en dooden heenbrachten; reeds een aantal lijken lagen daar binnen, zoodat er geen mogelijkheid bestond, het weer te betrekken.
   Zoo moesten zij elders een heenkomen zoeken, en trokken eenige dagen in den treurigsten toestand, met brandwonden bedekt, rond. Dinsdag morgen verloren zij daarbij het jongste kindje, veertien maanden oud; zij moesten het achterlaten. Na een paar dagen kwamen zij eindelijk in een kampong terecht, waar zij wat eten kregen en wat konden rusten.
   Een paar dagen later, Zaterdag 1 September, kwam eindelijk geheel toevallig hulp opdagen van een stoomschip, dat in de nabijheid kwam. De barge Kediri, van de Bataviasche havenwerken, was met den inspecteur van den post- en telegraafdienst Eppler naar Telok-Betong gezonden, om den kabel op te sporen. Men had echter door de vele puimsteen Telok-Betong niet kunnen bereiken; Eppler hoopte over land, door de afdeeling Katimbang, daar heen te komen. En zoo kwamen zij in de baai van Kalie Anda terecht, in welker buurt de vluchtelingen zich bevonden. Deze baai, anders gevaarlijk, was nu goed te bereiken, daar de rotsen en klippen daarin door de uitbarsting waren verdwenen.
   Het hoofd van Katinda gaf, zooals hij B. beloofd had, onmiddellijk seinen, toen hij een stoomschip zag, en berichtte, dat in de buurt Europeanen waren. B. en de zijnen werden toen naar beneden gedragen en aan boord gebracht. Zondag ochtend 2 September kwamen zij te Tandjong Priok aan.
   Doch niet alleen in de nabijheid van Krakatau was de werking van de vloedgolf zoo geweldig. Ook te Tandjong Priok in de nabijheid van Batavia rees de zee meer dan twee meter boven het normale peil, en daalde daarop weder drie meter beneden laag water. Dit is dus een verschil van vijf meter, terwijl het gemiddelde verschil tussen eb en vloed daar niet meer dan één meter bedraagt. Het water stroomde als een waterval door de nauwe opening (120 meter wijd) tusschen de binnen- en buitenhaven, en stroomde, na de bassins gevuld te hebben, weder op dezelfde ontstuimige wijze weg.
   Als een bewijs van den vreeselijken angst, die in de zoo zwaar geteisterde districten is uitgestaan, kiezen wij één enkel voorbeeld uit ontelbaar vele. Het wordt als te Anjer voorgevallen verhaald. Een moeder is met levensgevaar met haar kind, een knaapje van een jaar of drie, aan den vloed ontkomen. Zij drukt het krampachtig aan haar hart, terwijl zij radeloos haar man in zijn pogingen, om iets van zijn have te behouden, voor haar oogen met het woedende element ziet worstelen, en eindelijk in den poel reddeloos ziet verzinken. Ten minste is mijn lieveling gered, denkt de moeder; maar als zij het kussen wil, bemerkt zij, dat zij het in haar angst heeft doodgedrukt.


webdesign & copyright
© 2001-2013 Eveline