Drie zondagen


 Overzicht
Inhoud
Start
Drie zondagen in het leven van een vader.1)

I.

Bij den doop van ons kind.


Hendrik Azarja, "God hielp met Zijn zegen,"
   Zóó werd ons kind dezen middag gedoopt;
Al wat wij wenschten, is rijk'lijk verkregen,
   Al wat ons hart van den Heer heeft gehoopt!

Kind! toen ge nnog onder 't hart werdt gedragen,
   Beefde onze ziel onder strijd en gebed;
Meer schonk de Heer dan ons hart durfde vragen,
   Hendrik Azarja, "de Heer heeft gered!"

Blijf ons een pand van Gods liefdevol zorgen:
   Hij voert door diepten, maar toch naar omhoog.
Daal' vrij het duister, straks schemert de morgen:
   Waar is Gods kind, wie Zijn Heilwoord ooit loog!

O, moog ons leven er straks van getuigen,
   Dat ons Gods liefde zoo trouw heeft geleid,
Dieper ons hart voor Zijn hoogheid zich buigen,
   Vuur'ger Hem danken voor 't heil, ons bereid!

Hendrik Azarja, als ge eenmaal zult vragen,
   Wat toch uw naam, zoo vreemdklinkend beduidt,
moge onze mond van den zegen gewagen,
   Dien voor ons hart zijn beteek'nis omsluit.
         Utrecht,
   Zondag 14 Juni 1874.


----------


II.

Bij het ziekbed van ons kind.


Laat Uw Sabbathsvrede dalen
   Trouwe Heiland! in mijn hart,
Doe mij weder ademhalen
   En vertroost mij in mijn smart,
      Vrede, Uw vrede
   aal' genezend in mijn hart.

Doe me Uw Sabbathsruste smaken,
   Heiland, 'k ben des worstlens moe,
'k Voel het vuur der loutring blaken
   Bij de slagen van Gods roê.
      Ruste, Uw ruste
   Val den moeden worst'laar toe.

Zal ons jongske nog herleven,
   Blijkbaar reeds ten dood gewijd?
Ons weer zoete lachjes geven,
   't Dreigend doodsgevaar ten spijt?...
      Liefde, Uw liefde
   Sterke ons in den bangen strijd.

Bergwaarts wou Uw hand ons voeren,
   Naar Moria's hoogte heen;
Daar met heilig zielsontroeren
   Volgen we U met zwakke schreên.
      Sterkte, Uw sterkte
   Houdt ons staande, die alleen.

Op den heil'gen berg des Heeren
   Zal Zijn liefde het voorzien;
Wat ons harte blijft begeeren,
   Heere, Uw wille moog geschiên.
      Heil, Uw heil, Heer!
   Zal in 't eind ons oog toch zien.
Hommerts
Zondag 28 November 1880.


----------


III.

Bij het lijkje van ons kind.
(gestorven 2 December 1880).


Hendrik Azarja, daar ligt ge nu neder,
Roerloos en koud, als een prooi van den dood,
Nimmer, neen, oop'nen die oogjes zich weder,
't Hulsel slechts zien wij, uw zieltjen ontvlood.

't Zieltje, dat sprak uit uw vriendlijke oogen,
Sprak uit uw woorden, zoo geestig en zoet,
Sprak uit uw lachjes ... ach, heen is 't gevlogen,
En neen, gij weet niet, wat pijn het ons doet!

Ziet, om die lipjes, voor immer gesloten,
- 't Laatste "dag pa!" klinkt nog na in mijn ziel -
Plooit zich een glimlach, een lichtglans, gevloten
Uit hooger sfeer, waar uw erfenis viel.

Hendrik Azarja, gij mocht niet beleven
't Uur, dat u hier de geheimnis ontsloot,
Van wat ons drong om dien naam u te geven,
Voor ons herin'ring, aan uitkomst zoo groot!

Doch, wat uw geest, schoon nog jong, zoo diepdenkend,
Vaak tevergeefs hier te ontraadselen zocht,
Dáár valt de blinddoek, het peinzen, hier krenkend,
En gij verstaat wat gij hier niet vermocht!

Nog ziet mijn oog u op 't lijdensbeeld staren
Van uwen Heiland, aan 't kruishout verhoogd;
Dáár zult ge in zaal'ge verrukking ervaren,
Welk een verlossing dat kruis heeft beoogd!

Hendrik Azarja, "God hielp met Zijn zegen"
Zoo juichte ons hart, toen de Heer ons u gaf;
Hendrik Azarja, God blijft ons genegen;
Hij nam u tot zich! Dat troost bij uw graf.

   Hommerts,
Zondag, 5 DeceMber 1880.                    P.J. MOETON.



1) 6 Mei 1874 had schrijver dezes met goed gevolg examen afgelegd voor het Provinciaal Kerkbestuur te Arnhem, waarbij hij tot de Evangelie in de Hervormde Kerk toegelaten werd; 22 Mei daaraanvolgende werd ons jongske geboren.




webdesign & copyright
© 2001-2003 Eveline