De Weesjes


 Overzicht
Inhoud
Start
De Weesjes.


't Was winter en de scherpe koude
   Had meer en stroom met ijs bevloerd,
Maar wie dat vlak met vreugd aanschouwde
En aan zijn spiegel zich betrouwde,
   Op vlugge schaats daarheen gevoerd, -
In hut bij hut paarde angst en klagen.
Zich aan de gure winterdagen.

Gebrek en kou had de overhand
   In 't huis van menig schaars bedeelde,
Waar deksel, wintervoorraad, brand
Nauw schaduw was van 't zoet der weelde,
   Dat daaglijks 's werelds rijken streelde,
En hen te licht vergeten deed,
Hoeveel nu wees en weduw leed.

Maar wie er angst leed en ontbeerde
   Geen woning, waar de winterkou
En armoe zoo gestreng regeerde,
Zoo 's levens last tot kruis vermeerde,
   Als waar nu de arme Geerte in rouw
Op 't bed, waarop ze ook hooploos leide,
Den dood haars echtvriends bang beschreide.

Eerst had de typhus hem geveld,
   Die vroom en trouw voor kroost en gade
Het brood verdiend had, en geteld,
Ach, waren, mee door zijn geweld,
   De dagen van wie vroeg en spade
Gezwoegd, gewaakt had tot den stond,
Die al haar hoop en heil verslond.

Nu lag zij zelve op 't koortsbed neder,
   Van angst vervuld en medelij;
Want Geert had lief haar viertal teeder
En had den dubblen last graag weder
   Getorst van zorg en wintertij,
Als voor de kinderen, haar gegeven,
Ze als moeder nog had mogen leven.

Maar tot de laatste hoop verdween.
   Toen, eer haar kracht tot spreken faalde,
Riep ze al haar kleinen om zich heen;
Eerst stilde ze aller droef geween,
   Het krijten, dat hun liefde maalde,
En, kalm door haar geloof te moe,
Sprak Geerte zacht haar kindren toe:

"Haast zal ook moeder u begeven,
   Mijn liefsten en geen ouderzorg
Waakt langer voor uw teeder leven;
Maar 'k laat u achter zonder beven.
   Gods woord is voor uw lot mij borg;
Ontnam Hij vader u en moeder,
Hij blijft u, meer dan wij, ten hoeder.

"Mijn God, uw God, die weeuw en wees
   Beschermd heeft door alle eeuwen henen,
Bant tot den laatsten schijn van vrees,
Die soms nog in mijn hart verrees;
   Zijn liefde zal u hulp verleenen,
Hij heeft de schuilplaats reeds voorzien,
Die uitkomst in uw nood zal biên.

"Toen vader werd naar 't graf gedragen
   En mij de koorts ook had gevat,
Heb op Neerbosch ik 't oog geslagen,
En God verhoorde uw moeders vragen,
   Mij trostend op mijn donker pad.
Al wordt, mijn liefsten, gij ook weezen,
Verstooting hebt gij niet te vreezen.

"Daar wacht u meer dan dak en spijs,
   Meer dan schaars toegemeten gaven;
Ik weet het, God zij lof en prijs,
In nooi vergeldbaar gunstbewijs
   Ziet gij u daar Gods liefde staven;
'k Betrouw u daar zoo wel te moe
Als aan den Heiland zelven toe.

"Ook ik was wees, en ruw verstooten
   Werd ik schier als slavin geveild;
Voor 't minste werd de koop gesloten,
't mocht 's kerkenspaarkas niet begrooten
   En weezenrouw werd niet gepeild.
Mijn God, heb dank, zoo bange smarte
Wacht na mijn heengaan niet uw harte."

De weduw stierf, en 't arme kroost
   Werd tot een koopwaar niet ontheiligd;
Op Neerbosch vond het viertal troost,
Daar zorgvol, waakzaam onverpoosd
   Door liefdes teedre zorg beveiligd,
Vergat hun ras gewonnen hart
Het bittre van zijn vroege smart.

Heer, die u Vader noemt der weezen,
   Heb dank voor 't geen Gij hebt gewrocht;
Door uwe liefde, nooit volprezen,
Is Neerbosch voor den wees verrezen;
   Gij toondet wat uw raad vermocht.
Ook zal 't door uw genade bloeien
En steeds in tal van kindren groeien.

Ede.               C.S. Adama van Scheltema.




webdesign & copyright
© 2001-2003 Eveline