Kerkhof


 Overzicht
Inhoud
Start
Weezenbegrafenis en -kerkhof.
door
B. van der Schuur.


Kerkhof


De morgenklok sloeg acht; - en op het erf der weezen,
Waar steeds, van dat de zon in 't Oosten is verrezen,
Totdat ze in 't Westen daalt, de jeugd zoo vroolijk tiert,
't Gevogelte gelijk, dat vrij door 't luchtruim zwiert -
Is alles stil en doodsch, de zalen zijn verlaten,
De vreemdling zwijgt ook stil of durft slechts fluistrend praten.

Doch zie - een weezenschaar, die ginds de kerk verlaat,
Zich rangschikt bij een baar, die lang te wachten staat;
Een enkle pinkt zich steeds een groote traan uit de oogen,
Een ander snikt en weent, is blijkbaar diep bewogen,
Wat is het? ... Statig klonk het straks uit aller mond:
"Het leven is een damp, de dood wenkt telken stond - -"
"Verganklijk als een bloem, op brozen steel verheven, - -"

En bij de stilte, door zacht snikken slechts gestoord,
Klonk plechtig en vol ernst des Vaders roerend woord:
"Een uwer is, helaas! weer, kindren, ons ontvallen
Ik weet, gij hadt hem lief; zijn heengaan smart ons allen;
Doch treurt niet zonder hoop: hij leefde en stierf den Heer!
Wijdt Jezus hart en hand - - ginds zien we elkaar eens weer ...."

Doch zie, 't getal groeit aan van die naar buiten komen,
De sombre lijkbaar wordt door de oudsten opgenomen,
Een kleine stoet volgt na: de Vader gaat aan 't hoofd
Met droeve kleinen, thans van broer of zus beroofd.
Al de andren staan van ver 't al zwijgend aan te staren;
Luchtharte vroolijkheid schijnt eensklaps heengevaren;
De ernst - schoon kort van duur - doet 't jeugdig harte goed. -
Bij 't ziekenhuis - het sterfhuis hier, - verdwijnt de stoet
Uit 't oog, en zij, die op hun schoudren 't kistje dragen,
Zijn 't door plantsoen belommerd paadje, ingeslagen,
Dat langs den boomgaard naar 't omrasterd plekje leidt,
Dien kleinen heuvel, ginds, waar de open groeve beidt.
Daar sluimren ongestoord in 't stof des doods reeds velen,
Die, in verbeelding, men nog dartlen ziet en spelen,
Het oog vol levenslust, een blos op 't aangezicht,
Ofschoon zij lang reeds baden in een hooger licht,
De sfeer waarheen zij hier hun blikken smachtend richtten,
't Oneindig schoon paleis des Vaders aller lichten,
Waar zij nu Hem aanschouwen, die in 't smartlijkst leed,
In doodsbenauwdheên zelfs hun ziele juichen deed,
Hun psalmen leide op de bleeke, kille lippen,
Zoodat hun adem in een lofzang mocht ontglippen;
Of die voor 't brekend oog hun 't Paradijs ontsloot,
En - Jezus, was de zucht, waarmee hun ziel ontvlood.

Zie 't stoflijk overschot den schoot der aarde ontsloten!
Het daalt er in, terwijl de knapen 't hoofd ontblooten;
De meisjes heffen aan: "Slaap, lieve broeder, zacht!
Des Heeren englen houden trouw aan 't graf de wacht!"

Ja, dierbre, rust er zacht, naast weezen, en bij vrienden,
Die tot der weezen heil den Heer op aarde dienden,
Rust zacht, tot Jezus komt, en Hij u 't graf ontsluit,
Als uit 't gezaaide graan de onsterflijke oogst ontspruit.


webdesign & copyright
© 2001-2003 Eveline