GROOTVADER'S GLORIE

Het verhaal van den tiendaagschen veldtocht

door

H.G. Cannegieter
P. Noordhoff N.V. - 1930 - Groningen


Voorwoord

  De hier volgende bladzijden zijn uit het dagboek van mijn grootvader, doctor in de medicijnen, die zich juist als arts in een Friesch dorp had gevestigd, toen de Belgische opstand uitbrak.
  Als kapitein bij de vijfde kompagnie van het tweede bataljon der eerste afdeeling Friesche Rustende Schutterij heeft hij mee deelgenomen aan den Tiendaagschen Veldtocht.
  Nu dit krijgsbedrijf eerdaags honderd jaar is geleden en men het eeuwfeest van Belgi's zelfstandigheid staat te herdenken, zal een authentiek relaas van de gebeurtenissen allicht belangstelling wekken. Ook het verschil tusschen de toenmalige wijze van oorlogvoeren en de moderne krijgstechniek rechtvaardigt deze belangstelling.
  Ik heb het verhaal van mijn grootvader en naamgenoot, waarop Frans Haver Schmidt in zijn Familie en Kennissen reeds zinspeelt, onveranderd gelaten en het alleen hier en daar wat bekort. Ofschoon ik er over heb gedacht, de namen door initialen te vervangen, leek het mij bij nader inzien toch aardiger, ze voluit te laten staan, daar ze den authentieken indruk van het relaas versterken. Bovendien wordt van de dramatis personae geenerlei kwaad verteld, tenzij men met dit woord algemeen menschelijke hebbelijkheidjes wil kwalificeeren, welke in onbevooroordeelde oogen tamelijk onschuldig en soms zelfs nog wel eens aantrekkelijk zijn. Trouwens, mocht dit inderdaad "kwaad" wezen, dan is dit kwaad een eeuw na dato toch reeds verjaard!

  Bij het illustreeren van deze uitgave heb ik profijt mogen trekken van de belangrijke verzameling prenten in het Krijgsgeschiedkundig Archief van den Generalen Staf te 's Gravenhage, welke directie ik gaarne mijn erkentelijkheid betuig voor haar welwillende medewerking in dezen.

Haarlem, Juli 1930 H.G. CANNEGIETER.



1. UITTOCHT UIT LEEUWARDEN.

Vrijdag den 18den Februarij 1831.

  Om half zeven uur sloeg de trommel tot het appl. Ik vreesde voor den goeden afloop der zaak. De manschappen, die zonder verlof, voor het laatst nog eens tot hunne betrekkingen waren teruggekeerd, om afscheid te nemen, waren den vorigen avond nog niet wedergekeerd en die teruggekomen waren, hadden den nacht aan Bacchus en misschien ook aan Venus gewijd.
  Vijf man van mijne kompagnie hadden den nacht in de kazerne doorgebragt; de overigen waren dus allen absent. Toen echter de trommel den aanstaanden afmarsch aankondigde, kwamen zij bij geheelen troepen opdagen, maar, zooals ik wel gevreesd had, velen beschonken en anderen half slapende. Het duurde lang voor wij dat volkje in orde hadden geschaard; deze nam een teeder afscheid van zijn meisje, die van zijne zuster, een ander van zijne ouders. Daarenboven hadden wij de beste krijgstugt ook nog niet bij ons volk ingeprent, en door den drank bevangen, luisterde het nog minder naar ons. Ik verheugde mij toen het appl was afgeloopen en dat ik slechts n absent had, die buiten de poort ons nog achterna kwam loopen. Eindelijk sloeg de trom "voorwaarts!" en de trein, voorafgegaan door de muzijk der stedelijke schutterij, die ons uitgeleide deed, nam den optogt aan, nadat er nog eerst liedjes aan de schutters werden rondgedeeld van Robid van der Aa.
  Een verbazende menigte menschen begeleide ons. De straten en huizen waren opgepropt met menschen. Velen waren aangedaan. In verscheidene huizen tenminste zag ik vrouwen met doeken voor de oogen. Het tegendeel had er onder het volk plaats, alles zong en jubelde dat het een aard had. - Het was echter een treffend tooneel, zoovele menschen vrijwillig hunne betrekkingen, have en alles wat hun dierbaar was te zien verlaten, om een duistere toekomst tegemoet te gaan. - Langzamerhand werd de trein die ons volgde kleiner, totdat wij eindelijk alleen onzen weg vervolgden. - Het schoonste weder begunstigde ons.
  Op "de drie romers" gekomen hielden wij eenige oogenblikken halt en hier riepen nog eenige Leeuwarder heeren, waaronder ook mijn grietman, welke ons per as gevolgd waren, ons het laatst vaarwel toe.
  Na ons hier wat verfrischt te hebben vervolgden wij onzen marsch.
  Ons volk wierd langzamerhand nog vrolijker want de marketentsters hadden hunne vaatjes met vrolijkmakend vogt gevuld, hetwelk voor de officieren zeer lastig was, dewijl zij daardoor niet de goede orde bewaren konden, die zij zoo gaarne hadden gehouden. Het volk zong en juigte dat het een aard had.
  Nogal in eene tamelijk geregelde orde passeerden wij het dorp Irnsum en vervolgens kwamen wij aan de Oude Schouw, waar wij moesten overvaren. Dit gaf een geweldige drukte, want de schuit moest nogal eenige malen heen en weder, eer de laatste man over was en dan vielen de manschappen in zulk eene menigte in de schuit, dat het te verwonderen was dat er geene ongelukken bij plaats hadden. Het ongeluk wilde ook dat er aan den overkant eene mooije herberg stond en het is zeker een ijsselijk gezigt voor een dorstige, te zien hoe smakelijk zijne kameraden drinken en het zelve niet te kunnen doen, dat is bijna als de straf van Tantalus. Eindelijk kwamen wij, die mede van de laatsten waren, er ook over en toen was alles zoo vol dat er voor ons geen plaatsje meer was in de herberg. Wij passeerden nog het schoone dorp Akkrum en kwamen vervolgens op een hoogen dijk. De landsdouw werd hier vrij wat slechter; het was hier een moerassig waterachtig land, waarvan in geen drie jaar vrugten geplukt waren. Het hooi lag nog op het land zooals men het tengevolge van den regen, had moeten laten liggen. Het was dus zeer eentoonig en de vrolijkheid begon ook het volk te begeven. Gezang en dans waren verdwenen, ten minste het eerste en tweede was dikwijls eene gedwongene fraaijigheid van hen die te digt bij de marketentsters hadden geloopen.
  Zoo kwamen wij digt bij Heerenveen, toen ik mij verbeelde, batterijen te zien, doch bij nader inzien waren het groote turfschuren, die van verre geheel de gedaante van batterijen hadden. Het volk begon vermoeid te worden, machinaal wandelde elk voorwarts. "Ik wd dat ik er mar wier," was het eenige dat de stilte afbrak, en lettende op den ganzentred van velen, was ik verblijd toen wij, na eenen marsch van zeven uur, 's avonds om half vijf het Heerenveen binnen kwamen. Alles wat maar eene vlag voeren kon vlagde ter onzer eere; schepen, toren, herbergen, hetgeen ons volk voor een goed voorteeken hield.
  Wij deelden onze billetten van inkwartiering uit, 't geen nog al beter ging dan ik verwagt had. Het slimste was dat ik zelve overschoot. Mijn beide luitenants Bokma en Lelia hadden zich weinig met het uitgeven bemoeid en toen ik hun miste waren zij met de officiersbilletten doorgegaan, zonder dat ik wist waarheen zij zich begeven hadden, zoodat ik zonder billet zat. Ik geraakte hierdoor niet in het beste humeur, maar de menschen in het Heerenveen waren zeer vriendelijk. Dadelijk was er een heer (zijn naam is mij onbekend) die mij tafel en bed aanbood mits ik met een anderen kapitein op hetzelfde bed wilde slapen; doch ik sliep liever alleen. Toen kwam er een regeeringslid, dat mij verzogt in de herberg mijne inkwartiering te nemen, tegelijk met mijn collega Schwartsenberg, den 2den luitenant Bokma en den adjudant-vaandeldrager Bennoist. Wij dineerden hier tamelijk goed. Na het eten gingen de heer Schwartsenberg en ik naar de societeit, waar wij thee dronken en de heer Boelens mij een lekker glas Rhijnschen wijn tracteerde. Hier vond ik verscheidene academie-kennissen, onder andere Heloma, die den vorigen dag aan het bestuur verzogt had om mij te logeeren, doch hetgeen men had vergeten.
  Daar wij vermoeid waren en den volgenden morgen weer vroeg moesten marcheeren, begaven wij ons reeds om 10 uur ter ruste.



II. DOOR DE OVERIJSSCHELSCHE MOERASSEN.

Zaterdag den 19den Februarij 1831.

  Na een goede nachtrust genoten te hebben, ontbeten wij, pakten onze goederen op de bagage-wagens, hielden appl en vertrokken, begeleid door vele Heerenveensters. Om zeven uur begaven wij ons op marsch. Het weer was zeer ongunstig; het regende geweldig en niets is lastiger voor een op marsch zijnd bataillon dan slecht en regenachtig weder; - maar wierd ons volk van buiten nat, van binnen wierd het niet zoo bevogtigd als gisteren.
  Sommigen hadden gisteren te groote vertering gemaakt, zoodat ze nu wat uitzuinigen moesten en anderen waren nog doorweekt van het vogt van den vorigen dag. Het eerste gesprek viel dadelijk hoe zij het den afgeloopen nacht hadden gehad en uit nen mond prees ieder de gulheid en gastvrijheid der Heerenveensters. De meesten hadden hunne broodzakken nog vol proviand medegekregen. Te Oudeschoot gekomen stond de 2de kompagnie, die aldaar den nacht had doorgebragt, reeds in orde op ons te wagten. Oudeschoot is een aardig dorpje en buiten hetzelve staat een fraaije, aan den heer Bienema toebehoorende buitenplaats, welke niet weinig tot versiering van het dorp bijdraagt; maar is men deze buitenplaats voorbij, dan is de pret over en ziet men aan beide kanten niets dan moeras en uitgeveend land.   Onze weg liep nu over een hoogen dijk; deze scheen althans hoog, dewijl het land zoo lag was. Mijn mantel begon mij op den duur, door den onophoudelijken regen, schrikkelijk zwaar te worden, zoodat mijne schouders zeer deden door het drukken op de epauletten. Sprakeloos wandelde de een naast den andere; haarpijn van gisteren bragt het hare er toe bij; het had veel van eene begrafenis. De eentoonigheid van den weg wierd alleen afgebroken door het nederig en armoedig dorpje Olde- en Nijeholtwolde. In dezelfde stilte wandelden wij voort tot aan Wolvega, waar wij eenige oogenblikken zouden rusten en ook het voornemen opvatteden van ons eens goed te verfrisschen.
 
  Na een anderhalf uur gerust te hebben was het weer geheel veranderd; de lugt was helder en de zon scheen ons vriendelijk in het aangezigt. De weg buiten Wolvega was nog al eentoonig, nog al uitgeveend land.
  Toen wij even vr Willemsoord, op de grensscheiding tusschen Friesland en Overijssel kwamen, namen wij allen onze veldflesschen en dronken met een luid "Hurrah!" op het welzijn van Friesland, wenschten elkanderen toe, dat wij nog nmaal, met lauweren bekroond, even zoo gezond en vrolijk, tot ons land mogten terugkeeren als wij het nu verlieten en zoo stapten wij in Overijssel en wel te Willemsoord.
  Den volgenden dag, - ik was op een boerderij te Zuidveen ingekwartierd geweest, - passeerden wij Giethoorn. Giethoorn is een zeer uitgebreid dorp, hoewel wij er weinig van zagen, want den weg welken wij langs reden, was niet de groote weg, maar een binnenweg en wij lieten het dorp ver aan de linkerhand liggen. Naar het land te oordeelen was het een zeer armoedig dorp; zoover ons oog afzien kon zagen wij niets dan rietvelden, waterpoelen en moerassen; hier en daar stak een onaanzienlijk dag van Giethoorn het grijze hoofd boven de rietvelden uit. Een treurige eenzaamheid heerschte rondom ons. Vervolgens kwamen wij aan een uitgestrekt meer, waardoor een weg ligt, die zekerlijk schatten gekost heeft, want tegen de rechterzijde was er onlangs paal- en heiwerk gemaakt, evenals aan een zeedijk, omdat er reeds dikmaals eene verzakking of doorbraak had plaats gehad. Op het eind van dezen weg stond eene hergberg "De blauwe hand" genaamd, welke hier geheel eenzaam in de moerassen was geplaatst. O! welk een akelig land! niets ziet men dan poelen en rietvelden; geen torenspits, zoo ver ons oog af zien kon, vertoonde zich.
  Ik vroeg aan den kastelein of hij genever genoeg had, want dat eene groote visite kreeg. "O! genever zattert genoeg!" was het antwoord; maar toen hij ons bataillon zag aankomen zette hij groote oogen op. Op zulk een groot gezelschap had hij niet gerekend. De meesten moesten ook, zonder hun dorst gelescht te hebben weder vertrekken.
  Nu wandelden wij rechts af, nog steeds door dezelfde akelige landstreek, totdat wij eindelijk voor een hoogeren landrug stuitteden, waar eenige boerenplaatsen en boomgaarden stonden, wel niet van de fraaisten, maar men zag toch, dat men in een bewoond land was. De weg was allerslechtst, somtijds zakten wij tot de enkels in den modder. Zoo kwamen wij op een kruisweg, waar wij halt hielden, niet wetende welken weg wij, om te Swartsluis te komen, moesten inslaan. Een bierenjongen raadde ons links af te gaan, als zijnde den kortsten weg. Het weer werd steeds ongunstiger; tusschenbeide sneeuwde en regende het. De weg welken wij waren ingeslagen, werd langzamerhand smaller en eindigde ten laatsten in een heel smalle kade. Nu was goede raad duur; terugkeeren, of dr marcheeren, wat zouden wij doen? In den kapiteinsraad, welke belegd wierd, besloot men tot het laatste.
  Het was een aardige trein, een geheel bataillon man voor man te zien marcheeren. Het volk wierd ook al misnoegd, dewijl het geloofde verdwaald te zijn en het denkbeeld van terugkeeren, na bijna aan zijn doel gekomen te zijn, was zeker voor geblaarde voeten geen aangenaam denkbeeld. Hoe digter wij bij Swartsluit kwamen, hoe meer onze verwagting gespannen werd, wat wel het einde van dit dijkje mogt zijn. De voerlieden onzer bagage-wagens, beter met den weg bekend zijnde, hadden eenen anderen weg ingeslagen. Eindelijk liep het dijkje uit op een moerassig stukje land, zoodat wij met een paar natte voeten in Swartsluis waren.



III. IN HET GULLE GELDERLAND.

Maandag den 21sten Februarij 1831.

  Hoe ongaarne ook, mijn pligt riep mij 's morgens half zes, om mijn zagt bed te verlaten. Bij het appl mankeerden er verscheidene. Een groot gedeelte was, tegen de gegevene orders, in schepen gegaan, even als de meesten van de kompagnie, welke te Genemuiden was gedetacheerd geweest, om zich naar Zwolle te begeven. Het was wederom schoon weder; de dijk was door de vorst hard en hobbelig, hetgeen voor de doorgeloopene voeten juist niet best was. Wij kuijerden den dijk langs, aan onze rechterhand het Zwarte water hebbende.
  Omstreeks tien uur kwamen wij te Hasselt, alwaar ik nog mijn academie-vriend Tiel sprak, die daar advokaat is.
  Hasselt is een oud vlekje voorzooveel ik in het doorreizen zien kon, maar de ligging was niet onaangenaam. Aan de andere zijde trokken wij per brug het Zwarte water over en vervolgden onzen weg over den dijk, het Zwarte water thans aan onze linkerhand hebbende. In het eerst was deze dijk geweldig hobbelig, maar vervolgens werd hij zanderig hetgeen voor onze voeten veel gemakkelijker was. Deze dijk leverde weinig bijzonders op; hier en daar een boerenplaats en een schip met schutters was al wat ons op onzen weg ontmoette. Digt bij Zwolle hielden wij halt, om de door elkander verwarde kompagnin weer in orde te brengen en zoo marcheerden wij, met slaande trommen, in orde de vuile morsige voorstad door. Nooit heb ik akeliger en lelijker vrouwen gezien als in deze frikkedellebuurt.
  Vr de poort van Zwolle is een heel groot plein, ik geloof dat men het "de koemarkt" noemt, waar wij nog eens halt hielden, om onze per schip gekomen manschappen op te zamelen en te plaatsen dr waar zij behoorden te zijn. Vervolgens trokken wij Zwolle in hare geheele lengte door.
  Zwolle is, voorzoover wij in het doortrekken konden zien, eene brillante mooije stad; men vindt er schoone huizen en prachtige winkels, maar men passeert met troupes te schielijk eene stad of dorp, om over de schoonheid daarvan te oordeelen. - De stad doorgemarcheerd zijnde, ontvingen wij, in eene ellendige vuile met mesthoopen voorziene buurt, onze billetten. Wij geraakten weer zeer verstrooid. Mijn kompagnie ontving billetten te Schelle, Oldeneel en Herculo, welke drie buurten het Zwoller Kerspel uitmaken. Ik werd te Oldeneel met mijnen collega Alta ingekwartierd bij den heer Dwars. De heer Dwars was een steenbakker, hij woonde op een klein lief buitentje niet ver van den IJssel. Hij was een zeer vriendelijke man en iemand, zoo het schen, die een tamelijk vermogen bezat. Zijne vrouw was zeer gul en eene liefhebster van lagchen. Zij hadden n zoon, een eenigst kind, die alles deed wat in zijn vermogen was om ons pleizier te doen. Na lekker gegeten te hebben, deden wij eene wandeling en voeren met een bootje over den IJssel, welke rivier Overijssel van Gelderland scheidt, alwaar wij onzen voet op Veluwschen grond zetten.
  Nu via Deventer, Zutphen en Arnhem Gelderland te zijn doorgemarcheerd en in de buurt van Nijmegen een tijd lang in onze kantonnementen te hebben doorgebracht, ontvingen wij op 15 Maart van den majoor order om met de kompagnie naar Weurt te marcheeren, alwaar wij met huisvesting en voeding werden ingekwartierd.
  Weurt is een klein dorpje, een half uur van Nijmegen, aan den Waaldijk gelegen. Het land was hier vetter en men had er goede boerderijen. Ik logeerde bij den burgemeester, de heer A. Van Suchtelen. Hij was reeds een man van jaren en zijn vrouw een Duitsche. Zij hadden twee dochters, Santje en Leentje. Guller en vriendelijker menschen heb ik zelden aangetroffen. Alles wat hun mogelijk was om mij mijn verblijf aldaar aangenaam te maken, stelden zij in het werk. Ik was eenigen tijd ongesteld, maar zelden ben ik bij vreemden met meer zorg en oppassing behandeld. Behalve het exerceeren op de Sint Teunisheide, - welks herinnering nog altoos een onaangenamen indruk op mij maakt, dewijl "de oude' bij die gelegenheden zijn gal op ons uitbraakte, - heb ik hier aangename dagen doorgebragt.
  Nu eens dronken wij te Neerbosch in eene aangename herberg bij eenen bloemist een kopje thee, of hadden er een biefstukpartijtje dan eens - vooral des Zondags - wandelden wij den geheelen dag op die bergen naar Beek en Upbergen, naar de Pruisische herberg op Pruisisch grondgebied gelegen, alle welke wandelingen ik inrigtte naar het boekje "Geldersch Lusthof", volgens welk boekje ik ook het merkwaardige van Nijmegen bezag. Dikwijls werd er partij in huis gemaakt, als wanneer er eenige heeren en dames uit Nijmegen of Arnhem genoodigd werden, en in gulle Geldersche vrolijkheid werd zulk een dag altoos doorgebragt.
  Zoo wedwijverde hier elke dag in genoegens jegens den anderen, zoo werden de onaangenaamheden, die ik dikwijls met den majoor ondervond, bij mijne thuiskomst dubbel vergoed; maar daar niets op deze wereld bestendig is, zoo nam ook mijn verblijf alhier weldra een einde. Den Zaterdagavond van den 16den April, juist toen wij in gulle vrolijkheid bij elkanderen zaten, kwam Otterloo met het nieuws van den majoor, - die te Neerbosch woonde, - dat, tengevolge van een Koninklijk besluit, ons bataillon bij het leger te velde - en wel bij de 1ste brigade van de 3de divisie, onder bevel van den Luitenant-Generaal Meijer was ingelijfd en wij, tengevolge daarvan 's Maandags zouden marcheeren naar Eindhoven. Treurigheid was dadelijk op elks gelaat te lezen en de vrolijkheid nam een einde. Den laatsten dag van mijn verblijf wilde men nog genoegelijk slijten, men verzogt nog een klein partijtje, maar gedurig kwam mijn aanstaand vertrek weer op het tooneel. De schutters, die geheel met de inwoners verbroederd waren, werden ook nog door hunne gastheeren voor het laatst getracteerd, zoodat er in het geheele dorp eene geweldige vrolijkheid heerschtte. Zij hadden zich verkleed, de een als eene vrouw, de ander als een oud man; elk speelde eene bijzondere rol en zoo vertoonden ze zich ook in ons gezelschap; maar de zotste klugten waren niet in staat om de anders gewone vrolijkheid te doen herleven en toen ik op den morgen van de 18den April deze gulle familie voor hunne gastvrijheid bedankte en mij verder in hun vriendschappelijk aandenken aanbeval, ontsprong aan ieders oog een traan en ik was blijde toen ik hun huis achter den rug had.
  Wij verzamelden te Neerbosch vr het huis van den majoor, alwaar de generaal George, opperbevelhebber der vesting Nijmegen - onder wiens kommando wij tot nu toe hadden gestaan, - een aanspraak tot ons hield en van ons afscheid nam, waarna wij onder het zingen door ons volk "Zouden muitelingen trouwe Friezen dwingen", vertrokken.
  De lugt was zeer buijig toen wij 's morgens naar Lieshout vertrokken, alwaar het bataillon zich verzamelen zoude.
  Lieshout is eene plaats die wel in ons geheugen zal bewaard blijven, omdat het vaandel, hier voor het eerst ontrold - en met eene niets beteekenende aanspraak van den majoor, aan den vaandeldrager werd overhandigd.
  Wij gingen een toren en een kerk voorbij, zeer eenzaam aan den weg liggende, waarvan ik den naam niet heb kunnen vernemen. Na bij afwisseling langs goede korenlanden en eenzame heidevelden gemarcheerd te zijn, kwamen wij te Nunen, waar wij militairen aantroffen van de 8ste afdeeling, welke hier gekantonneerd lagen, en langs een boschrijken weg bereikten wij Eindhoven, een oud onaanzienlijk stadje, alwaar de Leidsche studenten en het 2de bataillon 1ste afdeeling Groninger schutters gekantonneerd waren, behalve dat er nog het Hoofdkwartier van den Generaal Meijer en van den kommandant de 1ste brigade, den kolonel Stcker lag.
  Ik werd ingekwartierd bij den heer Jansen, op het bevallig gelegen buitenplaatsje Rapelenburg. De rivier De Dommel stroomt rondom dit buitengoed en even voor het slotje staat aan de rivier een water-korenmolen, zoodat zij hier een groote kom vormt en altoos sterk stroomende is, hetgeen de ligging van dit buitengoed aanmerkelijk verfraait. Nog lag hier met mij in het kwartier de Ritmeester van het 5de regiment ligte dragonders de Groot, een oud militair, die zich beroemde dat er weinig militairen, met zoovele wonden van den vijand en van paarden bedekt, gevonden werden als hij. Hij had slechts n oog, het linker oog was hem in den slag bij Waterloo uitgeschoten, nadat hij reeds drie andere kogels had ontvangen. Hij was een zeer aardig man en een braaf soldaat.
  De heer Jansen, een man van een alledaags karakter, was gehuwd met eene Oost-Friesche vrouw uit Emden. Hij had twee dogters dat zeer lieve meisjes waren en die te Brussel op school hadden gelegen benevens drie zoontjes. De meisjes hadden een akelig leven. Mijnheer Jansen leefde in onmin met zijne gansche familie en duldde niet dat zijne dogters (de eene twintig - de andere achttien jaren oud) bij iemand kwamen met wien hij in onmin leefde, en, daar hij door zijn bizar karakter met iedereen overhoop lag, was het gevolgd dat zijne anders vrolijke dogters, altoos hun troost en genoegens onder elkaar moesten zoeken, waarover zij zich bij mij bitter beklaagd hebben. De oudste heete Jeanette, de jongste Ambroisine. Hij was koning Lodewijk geattacheerd geweest. Hoe goed wij het er - uitgezonderd het gezelschap van Mijnheer en Mevrouw, - ook hadden, wij kregen ongenoegen met hen, omdat Mevrouw ons verzogt elders te gaan eten, (hetgeen voor ons, die zich in alle opzigten naar het huishouden schikten, eene beleediging was), met dat gevolg, dat wij gingen delogeren. Ik werd nu ingekwartierd bij den leerlooijer Van Wokhoven, alwaar ik eene ruime kamer had, terwijl de menschen vriendelijker waren als de heer Jansen en zijne vrouw, welke niet hadden gedagt dat wij hun onbillijk verzoek zoo euvel zouden opnemen en die naderhand veel moeite deden om ons terug te krijgen. Ik leefde bij Van Wokhoven veel vrijer en had het er uitstekend naar mijnen zin, behalve dat er een geheel heer van bloeddorstige dieren op een ijselijke wijze mij mijne nachtrust ontroofde en mijn ligchaam op een onfatsoenlijke manier toermenteerde.
  Wij leefden hier met de dragonder-officieren op een zeer genoegelijken voet. De uren waarop wij niet exerceerden (want wij exerceerden dagelijks eenige uren), bragten wij zeer vriendschappelijk door in de herberg "Het Eindhovensche Bierhuis" bij Orange Betje, waar wij ons met de kinderagtigste spelen, zooals knikkeren, dikwijls hebben vermaakt. De president van de rechtbank te Eindhoven, de heer Schiban, die ook te Gestel woonde, deelde ook steeds in onze knikkerpartijtjes en z sleten wij genoegelijke dagen. Onze eerste kompagnie geheel bestaande uit vrijwilligers en in de wandeling "de kompie studenten" genoemd, gekommandeerd door den kapitein Bogstra, die reeds vr ons uit Leeuwarden gemarcheerd was en tot nu toe in 's Bosch guarnizoen gehouden had, kwam bij ons en werd te Veldhoven gekantonneerd.
  Op 29 Mei vertrokken wij van Gestel naar Dommelen, een armoedig dorp, dat op de uiterste voorposten lag, waarom wij drukke wagten hadden te doen. 's Nachts moest ons volk gezamentlijk in eene schuur logeeren, om bij een onverwagten aanval der vijanden direct bij de hand te zijn. Den eersten avond had het volk hier geweldig veel op tegen en opgeruid door sommige dwarsdrijvers der kompagnie studenten van Bogstra, weigerde het in de schuur te gaan. Wij lieten toen onze manschappen op de heide naar den Belgischen kant, bivouakkeeren buiten het dorp. De nacht was zeer koud en het woei eene stevige koelte, zoodat zij den volgenden morgen geweldig over hoofdpijn, pijn in de leden en slaperigheid klaagden, het bivouak naar alle d...s wenschten en hunne stijfhoofdigheid vervloekten, met dat gevolg, dat zij de volgende avonden zonder eenige murmureering, gezamentlijk in de schuur kroopen, waar zij als haringen in een ton werden ingepakt. Ik met mijne kompagnie en de kompagnie van den ouden Bogstra lagen te Dommelen, de overige kompagnin te Riethoven en Westerhoven. Wij hadden het niettegenstaande de armoede van het dorp goed naar onzen zin en rekende het ons eene eer, dat wij de nige schutters van onze divisie waren, welke op de voorposten lagen, hetgeen bij anderen, zelfs bij de afdeeling, jaloerschheid verwekte. Niet lang echter bleef ons de eer te beurt vallen.



IV. MET ONTROLD VAANDEL DOOR BRABANT.

Woensdag den 20sten April 1831.

  De lugt was zeer buijig toen wij 's morgens naar Lieshout vertrokken, alwaar het bataillon zich verzamelen zoude.
  Lieshout is eene plaats die wel in ons geheugen zal bewaard blijven, omdat het vaandel, hier voor het eerst ontrold - en met eene niets beteekenende aanspraak van den majoor, aan den vaandeldrager werd overhandigd.
  Wij gingen een toren en een kerk voorbij, zeer eenzaam aan den weg liggende, waarvan ik den naam niet heb kunnen vernemen. Na bij afwisseling langs goede korenlanden en eenzame heidevelden gemarcheerd te zijn, kwamen wij te Nunen, waar wij militairen aantroffen van de 8ste afdeeling, welke hier gekantonneerd lagen, en langs een boschrijken weg bereikten wij Eindhoven, een oud onaanzienlijk stadje, alwaar de Leidsche studenten en het 2de bataillon 1ste afdeeling Groninger schutters gekantonneerd waren, behalve dat er nog het Hoofdkwartier van den Generaal Meijer en van den kommandant de 1ste brigade, den kolonel Stcker lag.
  Ik werd ingekwartierd bij den heer Jansen, op het bevallig gelegen buitenplaatsje Rapelenburg. De rivier De Dommel stroomt rondom dit buitengoed en even voor het slotje staat aan de rivier een water-korenmolen, zoodat zij hier een groote kom vormt en altoos sterk stroomende is, hetgeen de ligging van dit buitengoed aanmerkelijk verfraait. Nog lag hier met mij in het kwartier de Ritmeester van het 5de regiment ligte dragonders de Groot, een oud militair, die zich beroemde dat er weinig militairen, met zoovele wonden van den vijand en van paarden bedekt, gevonden werden als hij. Hij had slechts n oog, het linker oog was hem in den slag bij Waterloo uitgeschoten, nadat hij reeds drie andere kogels had ontvangen. Hij was een zeer aardig man en een braaf soldaat.
  De heer Jansen, een man van een alledaags karakter, was gehuwd met eene Oost-Friesche vrouw uit Emden. Hij had twee dogters dat zeer lieve meisjes waren en die te Brussel op school hadden gelegen benevens drie zoontjes. De meisjes hadden een akelig leven. Mijnheer Jansen leefde in onmin met zijne gansche familie en duldde niet dat zijne dogters (de eene twintig - de andere achttien jaren oud) bij iemand kwamen met wien hij in onmin leefde, en, daar hij door zijn bizar karakter met iedereen overhoop lag, was het gevolgd dat zijne anders vrolijke dogters, altoos hun troost en genoegens onder elkaar moesten zoeken, waarover zij zich bij mij bitter beklaagd hebben. De oudste heete Jeanette, de jongste Ambroisine. Hij was koning Lodewijk geattacheerd geweest. Hoe goed wij het er - uitgezonderd het gezelschap van Mijnheer en Mevrouw, - ook hadden, wij kregen ongenoegen met hen, omdat Mevrouw ons verzogt elders te gaan eten, (hetgeen voor ons, die zich in alle opzigten naar het huishouden schikten, eene beleediging was), met dat gevolg, dat wij gingen delogeren. Ik werd nu ingekwartierd bij den leerlooijer Van Wokhoven, alwaar ik eene ruime kamer had, terwijl de menschen vriendelijker waren als de heer Jansen en zijne vrouw, welke niet hadden gedagt dat wij hun onbillijk verzoek zoo euvel zouden opnemen en die naderhand veel moeite deden om ons terug te krijgen. Ik leefde bij Van Wokhoven veel vrijer en had het er uitstekend naar mijnen zin, behalve dat er een geheel heer van bloeddorstige dieren op een ijselijke wijze mij mijne nachtrust ontroofde en mijn ligchaam op een onfatsoenlijke manier toermenteerde.
  Wij leefden hier met de dragonder-officieren op een zeer genoegelijken voet. De uren waarop wij niet exerceerden (want wij exerceerden dagelijks eenige uren), bragten wij zeer vriendschappelijk door in de herberg "Het Eindhovensche Bierhuis" bij Orange Betje, waar wij ons met de kinderagtigste spelen, zooals knikkeren, dikwijls hebben vermaakt. De president van de rechtbank te Eindhoven, de heer Schiban, die ook te Gestel woonde, deelde ook steeds in onze knikkerpartijtjes en z sleten wij genoegelijke dagen. Onze eerste kompagnie geheel bestaande uit vrijwilligers en in de wandeling "de kompie studenten" genoemd, gekommandeerd door den kapitein Bogstra, die reeds vr ons uit Leeuwarden gemarcheerd was en tot nu toe in 's Bosch guarnizoen gehouden had, kwam bij ons en werd te Veldhoven gekantonneerd.
  Op 29 Mei vertrokken wij van Gestel naar Dommelen, een armoedig dorp, dat op de uiterste voorposten lag, waarom wij drukke wagten hadden te doen. 's Nachts moest ons volk gezamentlijk in eene schuur logeeren, om bij een onverwagten aanval der vijanden direct bij de hand te zijn. Den eersten avond had het volk hier geweldig veel op tegen en opgeruid door sommige dwarsdrijvers der kompagnie studenten van Bogstra, weigerde het in de schuur te gaan. Wij lieten toen onze manschappen op de heide naar den Belgischen kant, bivouakkeeren buiten het dorp. De nacht was zeer koud en het woei eene stevige koelte, zoodat zij den volgenden morgen geweldig over hoofdpijn, pijn in de leden en slaperigheid klaagden, het bivouak naar alle d...s wenschten en hunne stijfhoofdigheid vervloekten, met dat gevolg, dat zij de volgende avonden zonder eenige murmureering, gezamentlijk in de schuur kroopen, waar zij als haringen in een ton werden ingepakt. Ik met mijne kompagnie en de kompagnie van den ouden Bogstra lagen te Dommelen, de overige kompagnin te Riethoven en Westerhoven. Wij hadden het niettegenstaande de armoede van het dorp goed naar onzen zin en rekende het ons eene eer, dat wij de nige schutters van onze divisie waren, welke op de voorposten lagen, hetgeen bij anderen, zelfs bij de afdeeling, jaloerschheid verwekte. Niet lang echter bleef ons de eer te beurt vallen.



V. EEN VROOLIJK KANTONNEMENT.

Vrijdag den 3den Juni 1831.

  Te Wintelre werd ik ingekwartierd bij den heer Perez, een controleur bij het kadaster en de overige officieren bij den pastoor.
  De heer Perez was een Spanjaard van afkomst en te Batavia geboren. Zijne vrouw die alle kenmerken van voormalige schoonheid droeg en welke toonde dat ze van een goede familie was en een zeer goede educatie had genoten, was van Engelsche afkomst. Zij hadden twee volwassene dogters. Victoire en Charlotte, benevens twee jongere zoons, dat rechte stroppen waren. De oudste dogter, Victoire genaamd, zong overheerlijk en bespeelde de guitare.
  Lotje was een beeldschoon meisje en had een lief zagtaardig karakter. Zij zong ook heel lief. Zelden heb ik een meisje gezien, dat zveel haar op het hoofd had als "Donia Charlotta" zooals wij haar den wandeling noemden.
  Hun huishouden was zonderling en zonder orde. 's Morgens om tien elf uur werd er ontbeten. Bij het ontbijt kwam het mevrouw dikwijls in den zin, dat er nog geen vleesch voor den middag was. Een van onze oppassers moest dan naar Oirschot, dat er twee uur vandaan lag, of naar Eindhoven, drie uur van Wintelre gelegen, om vleesch te halen. Kwam hij dan eindelijk met het gewenschte thuis dan moest het nog gebraden worden. Bragt hij de gewone boodschap mede: "Vandaag kan Mevrouw niet krijgen, maar morgen wl," dan was goede raad duur; dan gingen Otterloo en ik gewoonlijk bij de boeren rond om spek of eijeren, zoodat wij meest nooit voor vier, vijf of zes uur ons middagmaal namen. De volgenden dag hadden wij alles in dubbele mate; dan hadden wij verscheidenheid van visch, vleesch, groenten etc. Voornamelijk hadden wij het goed als wij ons kostgeld betaalden; want, hoewel mijnheer een schoon tractement had, het was altijd een groot woord en eene ledige beurs.
  Voor het overige hadden wij er een leven van vrolijke Frans.
  Wij woonden in het schoolhuis en naast ons was de wagt in de school; de wagt bestond uit twee en twintig man. Er was een groot plein vr de deur. Onze schutters waren liefhebbers van dansen en Otterloo had dikwijls de aardigheid om buitendeur, in de maneschijn, den een of anderen dans te spelen en dan onze schutters aan het dansen dat het een lust was! Sommigen die reeds te bed (in het stroo) lagen, kwamen op het geluid van de viool af in hunne onderbroeken en de tamboers (stroppen van jongens) dansten, tot finale sluiting van het tooneel den beerendans, hetgeen onze lever dikwijls deed schudden. Dagelijks hadden wij het een of ander spel; kaatsen, snorloopen of iets dergelijks.
  Wij hadden het druk met exerceeren, in de brandende zomerzon, op de Knegselsche heide, die een uur van ons af lag.
  Z sleet ik genoegelijk mijne dagen te Wintelre. Dat bij andere officieren, vr mij aldaar gekantonneerd. In zulk een slechten reuk stond. Maar niets is aan mr verandering onderhevig dan het leven van een soldaat, vooral in oorlogs-tijd. Na alhier bijna twee maanden gekantonneerd te zijn geweest, kregen wij order om deze zalige kantonnementen met Eindhoven te verwisselen, eene verandering die met algemeene vreugde werd vernomen, behalve bij de familie Perez.
  Ook te Eindhoven had ik het echter best naar mijn zin, doch aldaar zou de vreugde maar heel kort duren.
  Op zekeren Zaterdagmiddag was er een drukte en eene beweging in de stad, dat de een den ander vroeg: "Wat is er toch gaande?" - Ik zak allerhande vreemde monteringen in de stad; den eenen courier zag ik gaan, den anderen komen en vliegen door de stad, dat de vonken uit de steenen vlogen. Ik zag verscheidene, tot nog toe niet geziene stafofficieren, met een gelaat tot elkander spreken dat iets bijzonders aanduidde. Ik zag de legerwagens van onderscheidene bataillons door de stad tijden en allen op de markt naast de onze geplaatst worden. Ik zag een lancier vliegende door de stad rijden naar den generaal; dn weer een ander. De geheele stad was vol vreemde militairen. Ik ging naar de societeit of ik dr soms de reden van al die beweging konde gewaarworden, doch niemand wist mij de eigenlijke oorzaak te zeggen. Ieder giste dat een aanstaande over- of aanval voor de deur zoude staan. Dien avond kregen wij nog geen zekeren uitslag en vol nieuwsgierigheid wat nieuws de volgende dag zoude medebrengen, moest ik mijn bed opzoeken.
  Den volgenden dag zoude onze aalmoezenier een veldpredikatie houden. Nooit ben ik met meer attentie in de kerk geweest. Alles werkt mede om een diepen indruk op onze gemoederen te maken en de aandagt te vestigen. De predikatie werd gehouden op een groot met gras bewassen plein voor een groot, oud en vervallen klooster. De preekstoel bestond uit eene daartoe vervaardigde hoogte, onder een zwaren lindeboom. De bijbel lag op opngestapelde trommen. Achter de preekstoel stroomde het riviertje De Dommel met eene snelle vaart voorbij. Vr ons lag het grijze klooster met de runes van deszelfs vervallene kerk. Rondom het plein stonden in een groot vierkant, met verdubbelde rotten, de Leijdsche studenten en onze manschappen, leunende op hunne geweren, terwijl de officieren, van den generaal tot den jongsten luitenant toe, in het midden van dit vierkant stonden. Er heerschte eene eerbiedige stilte, eene aandagt, zooals ik ze zelden in eene kerk waarnam. Onbewegelijk stonden die krijgshaftige snorbaarden daar als beelden, terwijl een overheerlijk en doodstil weder deze godsdienstverrigting in de vrije natuur begunstigde. Onze veldprediker, dominus Marcus, was eertijds Waalsch predikant in Antwerpen geweest, waaruit hij, tijdens de onlusten gevlugt was. Zelden heb ik vlugger woordenrijker en welbespraakter mensch gehoord. Ook in den dagelijkschen omgang was hij doorgaans de ziel van een gezelschap.
  Hij had tot text deze woorden: "Zijt niet onbekommerd voor den dag van morgen, want gij weet niet wat hij u baren zal."
  Zoodra ik hem dezen text hoorde voorlezen, dacht ik al aanstonds dat hij meet van ons toekomstig lot wist dan wij. Hij beval ons bijzonder aan, ons steeds voor de eeuwigheid voorbereid te houden, omdat niemand en vooral de soldaat niet, zeker was van zijn leven. Daar men nu uit zijne predikatie gemakkelijk bemerken kon wat lot ons te wagten stond kan men nagaan welk een indruk en welk eene aandagt deze preek bij de geheele vergadering te weeg bragt. Schielijk waren wij zeker van onze zaak en 's Maandags kregen wij order om den volgenden morgen zes uur op de markt gereed te staan ten einde op te marcheeren.
  Om zes uur 's morgens stonden wij ook reeds gerangeerd op de markt van Eindhoven, om van hier onzen togt tegen de oproerige Belgen te ondernemen. De Leijdsche studenten namen eenen anderen en korteren weg naar de plaats hunner bestemming, n.l. over Gestel etc.; maar daar wij de batterij no. 8 van de veld-artillerie, (gekommandeerd door den kapitein van der Wal, welke te Stratum digt bij Eindhoven gekantonneerd lag), moesten dekken, volgden wij den grooten weg. Opgeruimd, vrolijk en in de beste orde verlieten wij Eindhoven. Oude en in den dienst grijs geworden officieren verklaarden nimmer een leger opgeruimder en vrolijker naar het slagveld te hebben zien heentrekken. Na te Stratum wl een uur, onder eene langzame regenbui, op de batterij - die zekerdoor vergissing een uur later appl hield - gewagt te hebben, geraakten wij om half acht en route, den straatweg volgende, die over Valkenswaard, verder door tot aan Hasselt, Leuven of Maastricht loopt. Aan dezen straatweg hadden de Belgen bij het dorp Sonhoven een kamp, onder kommando van den generaal Daine.
  Achter Valkenswaard gingen wij, rechts van den straatweg af, door de heide, achter ons vorig kantonnement Dommelen heen, naar Westerhoven, een aardig boschrijk dorpje, waar wij eenigen tijd bleven rusten, hetgeen in die gewelde warmte en met dat stuiven (de regen van 's morgens was door den daaropvolgenden sterken zonneschijn geheel verdwenen) eene aangename verademing was. Vervolgens marcheerden wij langs een niet onaangenamen weg, aan welken hier en daar armoedige boerenwoningen gebouwd waren, naar Bergeik, een schoon groot dorp. Alles was hier op de been, om de beweging van zoovele troupes te zien. De dogters van den burgemeester trokken aller aandagt tot zich, want dat waren beeldschoone meisjes. De tweede brigade van onze divisie zagen wij hier voor ons uit marcheeren. Vervolgens kwamen wij op een groote bergachtige heide, de Bergeiksche heide genaamd, waar wij, na de 2de brigade, welke reeds hare geweren in rotten had staan, voorbij getrokken te zijn, mede onze geweren in rotten aanzetteden en rustten. Wij hadden juist de beste plaats niet; het was hier zeer moerassig, hetgeen door een opvolgende regenbui, die nogal van belang was, niet verbeterd werd. Wij wilden ons echter deze moeijelijkheid gaarne getroosten, ons verheugende dat wij voor dezen dag op de plaats onzer bestemming waren, want nog ongewoon aan het marcheeren, verbeeldden wij ons reeds vermoeid te zijn, maar wij vonden ons deerlijk bedrogen.
  Wij, officieren, plaatsten ons gezamentlijk in eene gruppel en diverteerden ons met zien, praten en rooken, sommigen met slapen. De soldaten der 2de brigade (wij waren de eenigsten der 1ste) hadden reeds gefourageerd en waren reeds aan het koken. Onze magen begonnen ook te jeuken, zoodat wij een paar officieren naar het naburig Bergeik afzonden om boterhammen etc. benevens eenige flesschen wijn voor ons te halen. Eene kar was er afgezonden om voor het volk te Eersel te fourageeren. Onze afgezanten kwamen dan ook tot onze blijdschap terug met wijn, gekookte eijeren, brood, boter, zoodat wij een heerlijken maaltijd hadden. Ook noodigden wij den majoor, die altoos de afgezonderde eenzaamheid boven den gezelligen vriendenkring zijner officieren verkoos, uit, om aan onzen landelijke maaltijd mede deel te nemen, maar een "Nein! Ich heb zelbs", was het vriendelijke antwoord dat wij terug ontvingen. Na geindigden maaltijd een knippertje genoten te hebben, waaruit wij door eene regenbui gewekt werden, zagen wij de geheele 2de brigade de geweren opnemen en vertrekken, zoodat ons bataillon alln op deze uitgestrekte heide bleef staan. Wij vroegen den majoor of wij niet moesten volgen. "Neen! wij moeten nog de eerste brigade opzoeken, waartoe wij behooren." - "Maar majoor, waarom vertrekken wij dan niet?" - "Ik heb geene orders." - "Majoor! dan wordt het tijd dat het volk wat eten krijgt; dat heeft sedert den morgen niets gehad en de avond begint reeds te vallen." - "Daar is het te laat toe." Het volk begon reeds onder elkander t morren. Eindelijk moesten wij toch, daar de nacht ons anders zou overvallen, zonder orders vertrekken. Wij trokken langs Eersel; het eigenlijke dorp lieten wij rechts liggen en sloegen vervolgens links af, heidewaars in. Het volk dat kwaadwillig was geworden, doordien wij zoo nutteloos lang op de Bergeiksche heide hadden gelegen en nu, daar het reeds donker begon te worden, marcheeren moest, zonder nog te weten waar het einde van dien langen marsch was, sloeg uit moedwilligheid in een huis te Wiltreit, geloof ik dat dat gehugt heet, de glazen in; er ontstond eene geheele verwarring; de kompagnin waren onder elkander vermengd, hier en daar bleven er troepjes aan den weg liggen; de majoor was nergens te vinden en alles liep zonder orde en zonder zich aan de vermaningen of dreigementen der officieren te storen, door elkander heen.
  Eindelijk zagen wij, tot onzer aller groote blijdschap eene geheele, wel een half uur lange vurige streek, waar wij vermoedden dat het bivouak zoude zijn; wij kregen dus als het ware nieuwe moed en nader komende vonden wij ons niet bedrogen. Het was ongeveer half elf uur toen wij op ons bivouak aankwamen. De plaats die ons werd aangewezen was op den rechtervleugel, naast de Leijdsche studenten, welke in de grootste vrolijkheid reeds hun eten kookten en vuren stookten als kerken. Wij geraakten hier, zooals ik wel vermoed had, in groote verwarring, daar onze manschappen bij troepjes tegelijk aankwamen en alle kompagnin onder elkander waren vermengd. Daarenboven vielen wij, door die groote vuren verblind, in een moeras en, daar wij zoo laat kwamen, bleef de slechtste plaats voor ons over. Zoover de duisternis van den nacht ons toeliet zochten wij de beste plaats uit, die echter nog z moerassig was, dat wij niet lang zonder zinken op ne plaats konden blijven staan. Door dit zoeken kwam echter ons volk langzamerhand bij elkaar en werden de geweren in rotten gezet, waarna ons onze fourage - vleesch, rijst, zout, takkenbossen, brood etc. - werd uitgedeeld en wij zoo goed en kwaad wij konden kookgaten in den grond maakten en aan het koken gingen, terwijl de anderen bataillons reeds hadden gegeten en het grootste gedeelte zich reeds ter ruste begaf. Na onze soep over verschrikkelijke vuren gehangen te hebben, overviel ons door vermoeijenis de slaap z zeer, dat wij de soep aan de genade van het vuur overgaven om ze verder gereed te maken en plaatsten ons naast die groote vuren, (want eerst gezweet hebbende en nu door de nachtlucht en den vochtigen grond koud geworden zijnde, was het vuur ons aangenaam) op den grond neder om te slapen. Ik huurde voor een dubbeltje een ransel, die mij tot hoofdkussen zoude verstrekken, nam eenige takken om zoo goed mogelijk nog droog te liggen, wikkelde mij in mijnen mantel die mij tot deken verstrekte en viel schielijk in slaap. Toen echter de vuren hare grootste warmte verloren hadden, werd ik door koude en door stank, welke er uit die moerassen opsteeg, weder wakker, zoodat insluimeren en wakker worden elkander den geheelen nacht afwisselden.



VI. EEN ONAANGENAAM BIVAK.

Dinsdag den 2den Augustus 1831.

  Om zes uur 's morgens stonden wij ook reeds gerangeerd op de markt van Eindhoven, om van hier onzen togt tegen de oproerige Belgen te ondernemen. De Leijdsche studenten namen eenen anderen en korteren weg naar de plaats hunner bestemming, n.l. over Gestel etc.; maar daar wij de batterij no. 8 van de veld-artillerie, (gekommandeerd door den kapitein van der Wal, welke te Stratum digt bij Eindhoven gekantonneerd lag), moesten dekken, volgden wij den grooten weg. Opgeruimd, vrolijk en in de beste orde verlieten wij Eindhoven. Oude en in den dienst grijs geworden officieren verklaarden nimmer een leger opgeruimder en vrolijker naar het slagveld te hebben zien heentrekken. Na te Stratum wl een uur, onder eene langzame regenbui, op de batterij - die zekerdoor vergissing een uur later appl hield - gewagt te hebben, geraakten wij om half acht en route, den straatweg volgende, die over Valkenswaard, verder door tot aan Hasselt, Leuven of Maastricht loopt. Aan dezen straatweg hadden de Belgen bij het dorp Sonhoven een kamp, onder kommando van den generaal Daine.
  Achter Valkenswaard gingen wij, rechts van den straatweg af, door de heide, achter ons vorig kantonnement Dommelen heen, naar Westerhoven, een aardig boschrijk dorpje, waar wij eenigen tijd bleven rusten, hetgeen in die gewelde warmte en met dat stuiven (de regen van 's morgens was door den daaropvolgenden sterken zonneschijn geheel verdwenen) eene aangename verademing was. Vervolgens marcheerden wij langs een niet onaangenamen weg, aan welken hier en daar armoedige boerenwoningen gebouwd waren, naar Bergeik, een schoon groot dorp. Alles was hier op de been, om de beweging van zoovele troupes te zien. De dogters van den burgemeester trokken aller aandagt tot zich, want dat waren beeldschoone meisjes. De tweede brigade van onze divisie zagen wij hier voor ons uit marcheeren. Vervolgens kwamen wij op een groote bergachtige heide, de Bergeiksche heide genaamd, waar wij, na de 2de brigade, welke reeds hare geweren in rotten had staan, voorbij getrokken te zijn, mede onze geweren in rotten aanzetteden en rustten. Wij hadden juist de beste plaats niet; het was hier zeer moerassig, hetgeen door een opvolgende regenbui, die nogal van belang was, niet verbeterd werd. Wij wilden ons echter deze moeijelijkheid gaarne getroosten, ons verheugende dat wij voor dezen dag op de plaats onzer bestemming waren, want nog ongewoon aan het marcheeren, verbeeldden wij ons reeds vermoeid te zijn, maar wij vonden ons deerlijk bedrogen.
  Wij, officieren, plaatsten ons gezamentlijk in eene gruppel en diverteerden ons met zien, praten en rooken, sommigen met slapen. De soldaten der 2de brigade (wij waren de eenigsten der 1ste) hadden reeds gefourageerd en waren reeds aan het koken. Onze magen begonnen ook te jeuken, zoodat wij een paar officieren naar het naburig Bergeik afzonden om boterhammen etc. benevens eenige flesschen wijn voor ons te halen. Eene kar was er afgezonden om voor het volk te Eersel te fourageeren. Onze afgezanten kwamen dan ook tot onze blijdschap terug met wijn, gekookte eijeren, brood, boter, zoodat wij een heerlijken maaltijd hadden. Ook noodigden wij den majoor, die altoos de afgezonderde eenzaamheid boven den gezelligen vriendenkring zijner officieren verkoos, uit, om aan onzen landelijke maaltijd mede deel te nemen, maar een "Nein! Ich heb zelbs", was het vriendelijke antwoord dat wij terug ontvingen. Na geindigden maaltijd een knippertje genoten te hebben, waaruit wij door eene regenbui gewekt werden, zagen wij de geheele 2de brigade de geweren opnemen en vertrekken, zoodat ons bataillon alln op deze uitgestrekte heide bleef staan. Wij vroegen den majoor of wij niet moesten volgen. "Neen! wij moeten nog de eerste brigade opzoeken, waartoe wij behooren." - "Maar majoor, waarom vertrekken wij dan niet?" - "Ik heb geene orders." - "Majoor! dan wordt het tijd dat het volk wat eten krijgt; dat heeft sedert den morgen niets gehad en de avond begint reeds te vallen." - "Daar is het te laat toe." Het volk begon reeds onder elkander t morren. Eindelijk moesten wij toch, daar de nacht ons anders zou overvallen, zonder orders vertrekken. Wij trokken langs Eersel; het eigenlijke dorp lieten wij rechts liggen en sloegen vervolgens links af, heidewaars in. Het volk dat kwaadwillig was geworden, doordien wij zoo nutteloos lang op de Bergeiksche heide hadden gelegen en nu, daar het reeds donker begon te worden, marcheeren moest, zonder nog te weten waar het einde van dien langen marsch was, sloeg uit moedwilligheid in een huis te Wiltreit, geloof ik dat dat gehugt heet, de glazen in; er ontstond eene geheele verwarring; de kompagnin waren onder elkander vermengd, hier en daar bleven er troepjes aan den weg liggen; de majoor was nergens te vinden en alles liep zonder orde en zonder zich aan de vermaningen of dreigementen der officieren te storen, door elkander heen.
  Eindelijk zagen wij, tot onzer aller groote blijdschap eene geheele, wel een half uur lange vurige streek, waar wij vermoedden dat het bivouak zoude zijn; wij kregen dus als het ware nieuwe moed en nader komende vonden wij ons niet bedrogen. Het was ongeveer half elf uur toen wij op ons bivouak aankwamen. De plaats die ons werd aangewezen was op den rechtervleugel, naast de Leijdsche studenten, welke in de grootste vrolijkheid reeds hun eten kookten en vuren stookten als kerken. Wij geraakten hier, zooals ik wel vermoed had, in groote verwarring, daar onze manschappen bij troepjes tegelijk aankwamen en alle kompagnin onder elkander waren vermengd. Daarenboven vielen wij, door die groote vuren verblind, in een moeras en, daar wij zoo laat kwamen, bleef de slechtste plaats voor ons over. Zoover de duisternis van den nacht ons toeliet zochten wij de beste plaats uit, die echter nog z moerassig was, dat wij niet lang zonder zinken op ne plaats konden blijven staan. Door dit zoeken kwam echter ons volk langzamerhand bij elkaar en werden de geweren in rotten gezet, waarna ons onze fourage - vleesch, rijst, zout, takkenbossen, brood etc. - werd uitgedeeld en wij zoo goed en kwaad wij konden kookgaten in den grond maakten en aan het koken gingen, terwijl de anderen bataillons reeds hadden gegeten en het grootste gedeelte zich reeds ter ruste begaf. Na onze soep over verschrikkelijke vuren gehangen te hebben, overviel ons door vermoeijenis de slaap z zeer, dat wij de soep aan de genade van het vuur overgaven om ze verder gereed te maken en plaatsten ons naast die groote vuren, (want eerst gezweet hebbende en nu door de nachtlucht en den vochtigen grond koud geworden zijnde, was het vuur ons aangenaam) op den grond neder om te slapen. Ik huurde voor een dubbeltje een ransel, die mij tot hoofdkussen zoude verstrekken, nam eenige takken om zoo goed mogelijk nog droog te liggen, wikkelde mij in mijnen mantel die mij tot deken verstrekte en viel schielijk in slaap. Toen echter de vuren hare grootste warmte verloren hadden, werd ik door koude en door stank, welke er uit die moerassen opsteeg, weder wakker, zoodat insluimeren en wakker worden elkander den geheelen nacht afwisselden.



VII. OP VIJANDELIJKEN BODEM.

Woensdag den 3den Augustus 1831.

  Na ijskoud uit mijne modderige slaapplaats te zijn opgestaan, was mijn eerste werk een geweldig vuur aan te zetten van takkebossen, welke wij tot groot geluk in overvloed hadden. Wij zagen er zoo morsig uit als varkens, maar hadden dien nacht ook als varkens in het slijk omgevroet. De dag begon nog maar even aan te breken, doch het grootst gedeelte van het volk had door koude, reeds zijn stinkend nachtleger verlaten. Wij behoefden elkander niet te vragen: "hoe hebt gij geslapen?", want de akelige gezigten toonden genoeg aan, dat wij vrij wat moesten aanleren, eer wij op het bivouak zoo goed sliepen als op bed. Wij hadden eenen akeligen nacht gehad, stonden ijskoud op en waren blijde toen wij de eerste stralen der morgenzon, die ons eenen schoonen dag voorspelde, over de onafzienbare heide uit de kimmen zagen te voorschijn komen. - Onze soep, die den geheelen nacht over het vuur had gestaan, werd nog eens opgekookt en zou vervolgens gegeten worden; maar niettegenstaande mijne soep onder mijn oppertoezigt gekookt was, zag ik dat het kooken van drankjes beter mijn werk was als soepkooken; het vleesch was niet gaar en de soep z zout en aangebrand, dat zij niet eetbaar was. Onze kookketels bestonden uit dunne blikken zes mans ketels; het kon dus ook niet anders of met zulk een reusagtig vuur er onder, zonder roeren, moest de rijst aanbranden. Onze ledige magen moesten dus met droog komies-brood gevuld worden. Na het eten werd er appl gehouden en brood en scheepsbeschuit, of liever zemelen-beschuit uitgedeeld; maar z schielijk werd hierop de aftogt geslagen, dat er verscheidene brooden en stapels beschuit bleven liggen, vooral de Groninger schutterij, omdat geen tijd was om het uit te deelen.
  Wij sloegen de heide verder rechts in, terwijl de cavallerie (dragonders en huzaren), ons links vooruit reed. Wij waren reeds op vijandelijken bodem en moesten dus op alles verdagt wezen, waarom de cavallerie vooruit moest, om veldontdekkingen of verkenningen te doen. Tegen acht uur kwamen wij voor een uitgestrekt groot bosch, Het Postelsche Bosch genaamd. Dit bosch behoorde eertijds toe aan de abdij van Postel, doch is naderhand voor een spotprijs aan een heer van Antwerpen verkocht. De Roomschen wilden uit een godsdienstig oogpunt dit bosch niet koopen, zoodat de Gereformeerde heer van Antwerpen er zeer goedkoop is aangekomen. Vr dit bosch hielden wij rust, waarvan de schutters en soldaten gebruik maakten, om hunne overtollige bagage uit hunnen ransel te pakken, want zij begrepen dat de ransel zwaar genoeg was alln met hetgeen er in behoorde te zijn. De soldaat wordt ook vrij wat belast. Zijn geweer en patroontasch met vijftig scherpe patronen, wegen reeds eenigen ponden, dan zijn broodzak met wat eetwaren, eene veldflesch met water en zijn ransel, die door elkaar ook een 20 25 ponden weegt. Als men met dit vragtje gedurende zes uren op een dag door het dikke zand en in de brandende zon marcheert, dan kan men zich niet verwonderen dat sommigen van vermoeijenis aan den weg blijven liggen. De cavallerie kwam hier weer bij ons en werd na eenigen tijd rustens, links en rechts rondom het bosch en tirailleur gezonden, terwijl de jagers het bosch dr tirailleerend ons vooruit gingen, om te zien of er ook vijandelijke troepen in hinderlaag lagen, zooals het vermoeden was en zoo rukten wij weer op. Het bosch was brillant, geheeld door de natuur gevormd, met reusagtige eiken- linden- dennen- en beukenboomen. Bij sommige tijden is dit bosch wel eens gevaarlijk, omdat het menigmaal eene schuilplaats voor roovers is. Zonder echter een levend wezen te ontmoeten, kwamen wij gelukkig het bosch door, zagen weer niets dan heide vr ons en in het verschiet het dorp of de abdij van Postel. Vr het dorp stond de cavallerie weer op ons te wagten en na eerst de struiken en boomen en spijkerplanken, waarmede men den weg gebarrikadeerd had, weggenomen te hebben, rukten wij gezamentlijk het dorp in.
  De entre in het dorp is overheerlijk. Pas heeft men de kale heide verlaten en een klein kreupelboschje doorgetrokken, of men ziet aan weerszijden van den breeden weg vrugtbare bouwlanden en de weg aan beide kanten met eene dubbele rij majestueuze lindenboomen beplant. Het dorp, of liever de abdij (want ik geloof dat er een dorp Postel bestaat, een half uur van de abdij afgelegen) ligt in eene vrugtbare met veel hout bewassene streek; rondom is alles heide, maar dit kleine plekje schijnt een goede grond te zijn; dat kan men trouwens ook wel nagaan, want waar kloosters en monnikken zijn heerscht doorgaans overvloed.
  Na hier eenigen tijd gerust te hebben, vervolgden wij onzen marsch en kwamen schielijk weer op de heide. Wij sloegen ons bivouak op bij Arendonck, op een kamp bouw- en aardappelland, zoodat wij niet lang om aardappelen behoefden te zoeken. Met twee officieren werd ik uitgezonden om vleesch, genever etc. te fourageeren, maar de heeren slagers schenen weinig gesteld te zijn op koopers zonder geld, zooals wij waren, want men moest al met harde woorden en dreigementen komen, om schielijk en goed geholpen te worden. Na voor het volk gezorgd te hebben ging ik eens rondwandelen om te zien, of ik voor mij zelve ook een gastvrij dak kon vinden, dat mij van het noodige voorzag. Ik rigtte eerst mijn schreden naar den pastoor, maar een "Sauvegarde voor den generaal Meijer" met krijt op de deur geschreven, deed mij eerbiedig de hand aan de chacot slaan en ik ging voorbij. Eindelijk kreeg ik een hoog huis met een torentje er op in het oog, hetgeen ik vernam een klooster te zijn. Ik stapte er in en een bejaarde matrone met eenige jonge jufvrouwen - waaruit ik begreep dat het klooster tot een instituut voor jonge dames was gemetamorphoseerd - kwamen mij met een angstig gelaat tegen. - "N'ayez pas peur, mes Dames!", zeide ik. "U zal geen leed geschieden, ik ben een Hollandsch officier, die honger en dorst heeft en die beleefdelijk om wat eten, en vooral om een glas wijn komt vragen." - Ik kreeg alles wat ik begeerde: de jonge dames smeerden mij een lekkere boterham met vleesch en met een " votre sant, mes dames!" dronk ik het eerste glas heerlijke wijn ledig, dat de oude dame mij inschonk. De angst begon langzamerhand de gezigten te verlaten, ieder begon vrijmoedig en met een soort gulheid tegen mij te spreken, zoodat ik eenige aangename oogenblikken sleet, in gezelschap van die levendige Belgische meisjes, waaronder verscheidene knappe gezigtjes waren.
  Op het bivouak teruggekomen, voorzagen wij ons van stroo om ons bed klaar te maken, rookten nog menige pijp onder een levendig gesprek en toen het donker begon te worden, zocht elk zijne respective slaapplaatsen op. Het was een heerlijke nacht, de hemel was bezaaid met sterren. Tusschenbeiden werd ik nog een wakker en verwonderde mij dat alles zoo doodstil was, niettegenstaande zoovele duizenden daar in een kleinen omtrek bij elkander lagen. Slechts een enkele snorker brak de stilte af.



VIII. VAN DURE BOONTJES EN VERWISSELDE SOEP.

Donderdag den 4den Augustus 1831.

  Door een aangenamen slaap verkwikt, wekte de reveille ons om drie uur uit onze rust. Gaarne had ik nog wat langer willen blijven liggen, had niet het knorrig gezigt van de majoor, die altoos onrustig was, den slaap mij it de oogen verjaagd. Er werd wederom soep gekoot, of liever de overgebleven soep van den vorigen dag, werd met water aangevuld en nog eens doorgekookt. Om half vijf vervolgden wij onzen togt langs eenen aangenamen aan beide zijden met bosschen en weilanden omzoomden weg. De landsdouw begon hier beter te worden. Met verrukking zagen wij hier somtijds landen met koeijen welke gemolken werden, verrukkend voor ons, die in zulk een langen tijd bijna niets dan bosschen, heidevelden en schrale koetjes hadden gezien. Het was een heerlijke morgen. Toen echter de zon wat hooger begon te klimmen, werd het marcheeren lastig en vermoeijend door de hitte en dorst, en voornamelijk door de wolken van stof, welke door de inngedrongen colonnes van zoovele honderden ontstonden en ons dikwijls de ademhaling verhinderden. Er ontmoette ons op dezen marsch niets belangrijks als alleen dat hij dorpje Rethij passeerden, hetwelk naar het uiterlijk der boerenwoningen te zien, een welvarend dorp scheen te zijn.
  Na een vermoeijenden marsch, waarop wij veel volk onderweg hadden moeten laten liggen dat door warmte en dorst flaauw was geworden en eerst 's avonds laat bij het bataillon terug kwam, kwamen wij 's middags ten n uur te Moll aan.
  Moll is een zeer schoon en groot dorp. De kom van het dorp bestaat uit een lange straat, aan weerszijden met uitmuntende huizen bebouwd. In het midden van deze straat staan de kerk en het raadhuis, waarvoor zich de straat tot een lange breede marktplaats verwijdt. Wij marcheerden door Moll heen, sloegen bij het raadhuis den weg links af tot voor een tak van het riviertje de Nethe, vr hetwelk wij op een schoon stukje grasland, dat nog ongemaaid was, ons bivouak opsloegen. Na, zooals gewoonlijk, eerst onze vermoeide ledematen wat uitgerust te hebben, overlegden wij wat wij eten zouden. Van fourageeren had ik nog niets gehoord. Aan kippen zou ook slecht te komen zijn, want aan alle kanten hoorde ik reeds het gekakel en de laatste doodsnikken der kippen. Met behulp van mijn hondje Nienke Wietses, dat overheerlijk kippen kon vangen en een eerste marodeur was, kreeg ik nog een kip, terwijl ik tevens een schutter uitzond om in eenen tuin wat slaboontjes voor mij te halen. Dit had dezen man bijna zijn leven gekost. Er was door soldaten bij den pastoor geld gestolen, hetgeen van dat gevolg was, dat er een order door den Generaal uitgevaardigd werd, dat elke diefstal, hoe gering ook, ten strengste gestraft zoude worden. De Kolonel Kok Sprengler der 8ste afdeeling zag mijnen schutter (drie dagen later sneuvelde die brave Miedema door een kogel in den buik) bezig met boontjes te plukken; met een ijselijk geweld joeg de Kolonel hem den tuin uit, zoodat onze boontjesplukker brutaal werd. Dit verbitterde den Kolonel nog meer. Hij vloog naar mij toe en eischtte dat ik dien schutter dadelijk voor den krijgsraad zou dagen. De overige schutters wilden, wegens het gedrag en de dreigementen van den Kolonel jegens hunnen kameraad, hem te lijve, zoodat ik moeite had ze terug te houden; daarenboven zat ik in geen geringe verlegenheid omdat ik zelve de oorzaak was van al deze onheilen. Toen de kolonel wat bedaarder was geworden, ging ik naar hem toe, verhaalde hem de gansche historie en verzogt vrijstelling voor den schutter, die een der besten van mijne kompagnie was, hetgeen mij ook gereedelijk werd toegestaan. Het plan van hem was anders niet meer of minder geweest, dan om dezen boontjes-dief, tot voorbeeld voor anderen, een kogel door den kop te jagen. Dat zouden dure boontjes geworden zijn! In dien tusschentijd was er vleesch etc. gefourageerd, mijne boontjes en soepgroente waren reeds in verzekerde bewaring en nu gaf het eene algemeene kokerij. Intusschen bezogt ik het dorp eens, waar een drukte en eene beweging heerschten van wonder en geweld. De eene verkenning kwam aan, de andere reed af. Couriers, of liever ordonnansen, reden heen en weer. Wij waren hier niet ver van de vijandelijke troepen verwijderd en vandaar alle die verkenningen door de cavallerie. Hier hoorde ik ook dat het plan geweest was dat wij naar Turnhout zouden gemarcheerd zijn, om met de 2de Divisie die stad in te nemen, maar dat er te Rethij een ordonnans bij onzen Generaal was gekomen met het berigt dat na een kort gevecht te Ravels en bij Turnhout, die stad al zeer schielijk in handen van den Generaal Saxen-Weimar gevallen was. Vandr dat wij terug waren getrokken naar Moll en dien dag zulk een hoekigen marsch hadden gedaan. In vele huizen te Moll vond men geladen geweren en pieken. Ik zag den kapitein-adjudant Umbgrove met uitgetrokken sabel den veldwachter van het dorp bij den kraag pakken, hem dreigende, dat zoo hij hem niet direct de plaats aanwees, waar geweren en pieken verborgen waren, hij binnen de twee minuten een kop kleiner zoude zijn. Een dringende reden waarom deze man aanstonds op het gemeentehuis geweren en pieken aanwees, die allen op eene kar werden geladen en onder bedekking van eenige marechausses, naar N. Braband werden teruggezonden.
  In eene herberg dronk ik een kopje koffij, de eerste warme drank dien ik in drie dagen proefde, en wandelde daarna naar het bivouak terug om te soep-eten. Met een bedrukt gezigt kwam mijn kok mij tegen, mij de tijding brengende dat hij even van zijne kokerij zich verwijderd hebbende, teruggekomen de hoendersoep in een schraal rundersoepje had veranderd gevonden. Een ander had zekerlijk begrepen dat deze hoendersoep beter en smakelijker zoude zijn als zijn rundersoep van dood-mager vleesch zonder soepgroente of iets er in, en had nu een ruiling gewaagd. Of ik al murmureerde en mijn kok dugtug den mantel uitveegde, het bragt mij mijne soep niet terug en ik moest mij met het remplacement vergenoegen. Het overige van den dag bragten wij door met praten, pijpjes rooken en onze stroo-legers in orde te brengen.
  's Nachts werd ik wakker en voelde eene geweldige jeukte op mijn gezigt; ik krabde zlang tot ik wakker werd en wat was het? eene geweldige regenbui die deze prikkelingen op mijn gezigt veroorzaakte. Ik viel echter niettegenstaande den aanhoudenden regen weer in slaap.



IX. DE EERSTE DOODE.

Vrijdag den 5den Augustus 1831.

  Het gebrom van vier en twintig trommen wekte ons, zooals gewoonlijk, reeds vroegtijdig uit onze rust; mijn mantel was door den regen vrij wat nat geworden. Langzamerhand begon de lucht helderder te worden en toen de zon opkwam, was het weder, even als de vorige dagen, voortreffelijk. Tot verandering ontbeet ik nu inplaats van met soep met eene boterham, welke ik nog met moeite in het dorp opdeed, en met een dronk frisch water uit het riviertje de Nethe, waarna wij den marsch vervolgden. Ik had den grootsten last van mijnen mantel, welke, doordien hij nat was, verschrikkelijk op mijne schouders drukte. Het eerste dorp dat wij aantroffen was Balen, evenals het volgende dorp Olmen, een schoon dorp. De dorst plaagde ons weer op eene verschrikkelijke wijze en nergens was water te vinden en genever was voor geen geld te krijgen. De warmte was in deze hollen, aan beide zijden met kreupelhout begroeiden weg, bijna ondragelijk; nu en dan trokken wij oever eene kleine heide en welk een verkwikking was het dan als ons een zoel togtje over het gezigt woei! Naauwelijks Olmen doorgetrokken zijnde, hoorden wij op eenen kleinen afstand van ons, bij tusschenpoozen geweerschoten en vernamen al zeer schielijk dat eene patrouille huzaren met eene Belgische patrouille in aanraking was. De Leijdsche studenten, die als jagers altoos het hoofd van onze colonne uitmaakten, werden aan beide kanten van den weg en tirailleur in de bosschen gezonden. Het duurde ook niet lang of het schieten werd heviger, maar verwijderde zich tevens, waaruit wij konden opmaken dat de vijand retireerde. Eindelijk hield het schieten geheel op. Wij kwamen de patrouille huzaren voorbij, die den vijand het eerst hadden ontmoet. Zij waren nu afgestegen om te rusten, doch maakten tevens van die rust gebruik om aan hunne plunderzugt te voldoen. Van alle kanten hoorde men het stukken slaan in de boerenwoningen van meubelen, glazen etc.; van alle kanten hoorde men het gekakel van hoenders en overal zag men huzaren weg komen beladen met kippen, eijeren, boter etc. Toen wij op eene kleine heide vr het dorp Oostham kwamen, hielden wij eenige oogenblikken rust. Hie kwam een peloton der Leijdsche studenten weer bij ons, terwijl het ander peloton met eenige kompagnin van het flank bataillon der 13de afdeeling rechts af over Kwaad-Megchelen den vijand nog agtervolgde. Groot was onze blijdschap toen wij onze kameraden, de Leijdsche jagers bij wie wij, tijdens ons verblijf in Gestel en ons kort kantonnement te Eindhoven, verscheidene kennissen hadden gekregen, na hunne eerste schermutseling met den vijand, behouden terug zagen. Het ontbrak ons gedurende die rust niet aan discours, want, zooals te begrijpen valt, hadden de studenten vrij wat te vertellen; de een had meer heldendaden gedaan als de andere. Zij hadden twee gevangenen gemaakt; een jongeman die ook van te voren in Hollandschen dienst was geweest en een oud man, die wel geen soldaat scheen te zijn, maar echter op een der studenten in het bosch had geschoten. De Brigade kommandant, de kolonel Stcker, hield nog eene kleine aanspraak tot ons, waarin hij ons voor den betoonden moed bedankte. Na wat gerust, gegeten en gedronken te hebben, vervolgden wij onzen marsch door het tamelijk groote dorp Oostham, dat bijna geheel door de voorhoede der cavallerie was geplunderd. In bijna geen enkel huis was een venster of deur geheel gebleven; de meubelen waren stuk geslagen en verscheidene bedden opengesneden, zoodat de veeren over de straat vlogen. Geen levende ziel was meer in het dorp, dan alleen een zwarte smid, die de courage had gehad, om geheel alleen in het dorp te blijven, hetgeen van dat gelukkig gevolg was dat hem geen kwaad werd gedaan en dat er in zijn huis niets vernield werd. Toen wij er door trokken stond hij zeer gerust voor zijne deur eene pijp te rooken en niemand zeide hem een kwaad woord, maar iedereen gaf hem den roem na, dat hij een courageuze vent was.
  Vervolgens kwamen wij te Beverloo, een groot schoon dorp, met een brillante kerk en toren, staande op eene steile hoogte; met eenige trappen klimt men op het kerkhof. Na buiten het dorp een fraaije borenwoning gepasseerd te zijn, klommen wij langzaam op eene hoogte en hadden toen een uitgestrekt gezigt over eene kale zanderige heide en hadden het kleine stadje Beringen in het verschiet. Langzaam wandelde de colonne over die heide, tot wij op den weg kwamen van Kwaad-Megchelen en Beringen, welke met boomen beplant was. Even vr Beringen hielden wij een oogenblik halt. Een van mijne schutters ging in een aan den weg gelegen aardappelland, om te zien of er ook eene waterkom in het land was om er uit te drinken. In eens riep hij uit: "God! een doode student!" Verschrikt over dezen uitroep, vloog ik door de struiken en zag daar een student liggen, achterover, met mond en oogen open, armen en beenen uitgestrekt, de borst bloot en het hoofd geheel bebloed. Zijn ransel lag naast hem, doch was geheel ledig. Ik onderzogt hem dadelijk; lang kon hij hier nog niet gelegen hebben, want hij was nog warm, maar het leven had hem verlaten; een kogel had hem het achterhoofd doorboord. Schielijk kwamen er studenten bij, die den gesneuvelden herkenden voor hunnen kameraad, de Heer Beekmans, student te Deventer, behoord hebbende bij het peloton dat den vijand verder achtervolg had. Onwetende hoe het met dat peloton en de kompagnie der 13de afdeeling afgeloopen was, dagten wij in het eerst dat Beekmans misschien en tirailleur geweest zijnde, van de hoofdtroep afgedwaald - en hier verraderlijk vermoord was. Wij werden te meer in dit gevoelen versterkt, omdat hij reeds geheel was uitgeplunderd. De huizen in den omtrek werden onderzocht, maar geen levende ziel werd gevonden. Eindelijk kwamen er studenten van het en tirailleur geweest zijnd peloton en verhaalden ons dat zij - met het flank bataillon der 13de afdeeling den vijand achtervolgd hebbende en door Kwaad-Megchelen op Beringen gemarcheerd, denkende ons reeds daar te vinden, - geheel onverwacht buiten dit stadje door een bataillonsvuur werden verwelkomd, maar dat zij, n eenigen tijd aan weerszijden een levendig vuur onderhouden te hebben, den vijand uit de stad hadden verdreven en op de vlugt gejaagd, tengevolge van welk gevecht de Heer Beekmans was gesneuveld. Welk gezigt deze gesneuvelde op ons maakte, valt ligt te begrijpen. Het was alsof wraakzugt iedereen bezielde. Binnen de stad gekomen, zag ik op welk eene wijze de studenten den dood van hunnen kameraad aan denkelijk geheel onschuldige burgers zochten te wreken en niet alleen studenten, maar soldaten en onze schutters vierden hier bot aan hunne plunder- en vernielzucht. Overal hoorde men het rinkink der ingebroken glazen, overal het bonzen op deuren en kasten. In een kantoor had men de kasten opengebroken, de boeken en papieren werden vernield en op de straat gesmeten. Onze schutters hielden wij nog in toom, totdat wij rust kregen en toen stoof het geheele bataillon z uiteen, dat er voor de officieren geene mogelijkheid bestond, om het plunderen en vernielen te beletten; zij bestormden de winkels, haalden er uit wat zij hebben wilden, sloegen deuren en vensters in en runeerden wat zij maar konden. De meeste inwoonders hadden hunne woningen verlaten en die gebleven waren stond de doodsangst op het gelaat te lezen. Gedurende den geheelen veldtogt is ook nergens meer geplunderd en vernield geworden, als in dit aardig en schoon stadje Beringen, dat nu aan de woede der soldaten was prijs gegeven en een tooneel van de verschrikkelijkste ellende was geworden.



X. HET FRIESCH BATAILLON VOOR!

Zondag den 7den Augustus 1831.

  Toen wij twee dagen later in het dorp Lummen kwamen zagen wij bijna geen levend wezen; iedereen vreesde zeker voor de vijandelijke troepen, van wie de mare reeds vooruit was gegaan dat zij het in Beringen zo gortig hadden gemaakt. Toen men echter zag hoe ordentelijk nu alles in zijn werk toeging, kwam ieder uit zijn schuilhoek te voorschijn en in eens waren de straten opgepropt met nieuwsgierigen, welke ons allen even vriendelijk groeteden. Ook de bewoner van de buitenplaats was afgeklommen van zijne hooge woning, om met zijne geheele familie ons te zien. Zoodra er een officier voorbij ging, groette mijnheer hem zeer beleefd en de damens maakten een zeer bevallige neiging. Over het algemeen viel de beleefdheid van Lummens inwoners ieder in het oog en vooral werden wij voor hen ingenomen en bleek ook hunne gedienstigheid, toen wij, per brug de Zwarte Beek over zullende trekken, het ongeluk hadden dat onze kruitkar door onvoorzichtigheid van den voerman, in het water viel. Ieder, zelfs de heer van de buitenplaats, was dadelijk gereed om ons te helpen en hoewel onze kruitkar eenige honderden ponden zwaar was, werd zij, zonder eenige schade aan de patronen te weeg gebragt te hebben, uit het water geholpen.
  Was ik zoo even getroffen geweest door alle die schoone natuurtooneelen welke het landschap achter Lummen opleverde, thans trof mij een gevoel van eenen anderen aard en dat niet zoo aangenaam op mij werkte, het was n.l. een hevig kanonvuur waarvan de grond dreunde. Plotseling kregen alle gezigten eene andere plooi, en een diepe stilte heerschte er onder al de gelederen. Niet ver was deze kanonnade van ons verwijderd. De reserve-divisie deed een laatsten uitval op de arme van den Generaal Daine, tengevolge waarvan deze op Hasselt en omstreken, vooral naar den kant van Herck retireerde. De luitenant ... kwam mij te paard op zijde en met een benaauwd gezigt vroeg hij mij: "Waar zou dat wel zijn?", zoodat ik mij niet weerhouden kon van lagchen, daar hij even van te voren nog zoo vrolijk met zijn paard mij voorbij galoppeerde, en gaarne wil ik bekennen dat deze kanonnade ook niet als een strelend muzijk op mijne ooren inwerkte. Na een half uur verflaauwde evenwel dit kanonvuur; nu en dan hoorden wij slechts een schot en eindelijk hield het geheel op. Na verloop van eenigen tijd kwam er een marechausse aanrennen en met de hoed in de lucht zwaaijende, riep hij: "Hasselt is ingenomen!" Deze tijding verhelderde in eens alle gezigten weder en werd met een algemeen "Hurrah!" ontvangen. De Generaal en vervolgens de Kroon Prins kwamen ons van achteren inrijden en verboden dat geroep, terwijl zij ons het diepste stilzwijgen oplegden. Ik verbeeldde mij ook uit hunne gelaatstrekken te kunnen opmaken, dat onze zaken nog niet z voordeelig stonden als wij wel dachten.
  Digt bij het klein onaanzienlijk dorpje Berbroek sloeg het grootst gedeelte van onze brigade rechts van den weg af, terwijl de Leijdsche studenten en de beide bataillons der 13de afdeeling ons naar het dorp volgden. De Leijdsche studenten bleven in het dorp, terwijl wij door het dorp heen, even buiten hetzelve, (wij rechts en de andere bataillons links van den weg), onze bivouakken opsloegen. Wij stelden onze geweren in rotten en zouden ons in de eerste plaats, na zulk een warmen en vermoeijenden marsch met een aangenaam middagslaapje verkwikken, maar deerlijk wierden wij in ons voornemen verhinderd. Naauwelijks hadden wij ons ter ruste nedergelegd, of er werd weder appl geslagen en wij ontvingen de tijding dat de vijanden slechts op een geringen afstand van ons waren verwijderd. Ieder moest dus zorgen maar schielijk wat te eten en zich niet te ver van het bivouak te verwijderen, om bij den eersten trommelslag present te zijn. Wij hadden dus eene leelijke misrekening gehad met te denken, dat wij tot aan Hasselt zouden oprukken, zonder vijanden te ontmoeten. Binnen weinige oogenblikken waren wij misschien reeds met hen handgemeen! Neen! dit was een Jobstijding! Wij mogten zoo dapper zijn als wij wilden, liefst trokken wij zoo vr mogelijk voort zonder vijanden te ontmoeten. Wij waren te veel overtuigd van de waarheid der spreuk, dat: waar gejakt wordt, ook spaanders vallen, dan dat wij naar dat oogenblik zouden verlangen. Het beeld van den gesneuvelden Beekmans zweefde ons nog gestadig voor de oogen en lag ons nog te versch in het geheugen.
  Inmiddels hadden de beide bataillons der 13de afdeeling reeds hunne bivouakken verlaten en het 2de bataillon was alvast met den vijand in en bij het dorp Kermpt handgemeen. Het tirailleur-vuur werd gestadig levendiger en kwam al nader en ander, waaruit wij konden opmaken dat de onzen retireerden. Een sectie artillerie kwam ook terug, na even in het vuur geweest te zijn en een paar paarden verloren te hebben, die onbruikbaar geschoten waren.
  Onder deze, voor ons geene gerustellende omstandigheden, kwam ineens de order: "het Friesch bataillon voor!" Het volk was nog gedeeltelijk aan het koken, gedeeltelijk aan het eten en allen hadden hunne ransels en patroontasschen afgehangen. De tamboers sloegen dadelijk een kort appl; de helft der manschappen was nog niet bij hunne geweren, toen de majoor reeds rechts uit de flank met rotten links liet maken, waardoor eene groote verwarring ontstond, die nog vermeerderd werd, toen wij, door eene sloot van ons bivouak op den weg gekomen zijnde, in sectin moesten opmarcheeren, hetgeen van dat gevolg was, dat de eerste sectie reeds een groot eind op weg was, toen de laatste sectie nog op het bivouak stonden en in een draf moesten loopen om de anderen in te halen. Het was een onvergeeflijke daad van den majoor, dat hij hier met zooveel overhaasting en niet met meer bedaardheid te werk ging. Gaat een chef met bedaardheid te werk, dit boezemt bij het volk vertrouwen en kalmen moed in, maar heeft het tegendeel plaats, dit veroorzaakt schrik en ontsteltenis door de gelederen. Wij geraakten toch eindelijk, na ons achter den adem geloopen te hebben, zoo goed en zoo kwaad het dan was, in een gesloten kolonne in den hollen - aan beide zijden met hooge begroeide wallen omzoomden weg, welke van Berbroek naar Kermpt gaat. Het zal omstreeks vijf uur geweest zijn. Wij passeerden de dragonders en huzaren, welke aan den weg in slagorde stonden geschaard. Ook zij waren reeds met den vijand handgemeen geweest; menig bebloede kop zag ik onder hen op het paard zitten, ook van hen waren reeds enkelen gesneuveld. Nu en dan kwamen ons reeds gedeelten van het 2de bataillon der 13de afdeeling tegen, welke het slagveld verlieten, en nu volgde een voor ons, die nooit in het vuur waren geweest, verschrikkelijk schouwspel, namelijk het zien van zoo veel gekwetsten.
  Hier zagen wij soldaten die geheel bebloed waren door hunne ontvangen wonden en nog even de kracht hadden behouden om zich langzaam voorwaarts te bewegen, daar zagen wij een paar welke door hunne kameraden op twee geweren werden gedragen, meer dood dan levend schenen en slechts flaauw hunne holle oogen hemelwaarts verhoeven, als smeekten zij van dr nog hulp af. Wat verder kwam er ons een tegen, door eenen anderen ondersteund, wien door een kogel de onderste oogcirkel was afgeschoten en wiens oog de oogholte was uitgevallen en op zijn wang neerhing en zoo kwamen er ons meer, de een ligt, de ander zwaar gekwetst tegen. Vervolgens zagen we een dood paard en eindelijk ook gesneuvelde militairen liggen, hetgeen voor ons, jonge krijgslieden, een ijselijk en verschrikkelijk gezigt was, waarvan de herinnering nimmer uit mijn geheugen zal gewischt worden.



XI. HET GEVECHT BIJ KERMPT.

  Ieder die ons tegen kwam vertelde ons, dat de vijand zeer magtig was. Ook een officier van de dragonders, dien ik kende vroeg ik hoe het er vr ons uitzag. - "Slecht!" antwoordde hij, "de vijand is talrijk, veel talrijker dan wij, wij kunnen het niet houden." Voorwaar, een slechte troost voor ons! Uitgezonderd een paar sectin, welke nog en tirailleur ageerden, was de 13de afdeeling teruggetrokken. Eindelijk geraakten wij onder het bereik van het vijandelijk vuur en onder een hagelbui van kogels hielden wij halt. De kogels vlogen ons echter allen over het hoofd, want wij stonden door den hollen weg goed gedekt, maar terwijl wij daar zoo stonden, ontstond er van voren eene hevige beweging. In eens maakten de voorsten "rechts omkeert!" en liepen ons, die achter waren omver. Dr lag ik met het grootst gedeelte mijner kompagnie tegen den grond! Men kan denken hoe de schrik mij overweldigde toen ik zoo plotseling den grond kustte en zoo menigen schutter met zijne gespijkerde straathanden mijn rug voelde beuken
  "Mijn God!" dacht ik, wat is daar te doen!" In dat angstig oogenblik dacht ik, dat de vijandelijke cavallerie een uitval op ons deed en dat onze schutters in overhaasting de vlugt namen; onherroepelijk waren wij dan verloren. In mijne verbeelding voelde ik reeds de hoeven der paarden en de armen en beenen met geduchte lange zwaarden van het ligchaam geslagen worden. Toen er eindelijk een oogenblik van stilstand kwam maakte ik van deze gunstige gelegenheid gebruik om op te staan; angstig zag ik rondom mij of ik ook vijandelijke cavallerie gewaar werd, maar neen, ik zag niets dan wolken van rook.
  Vele gissingen zijn er omtrent de reden van deze achterwaartsche beweging geweest, maar de ware oorzaak is onbekend gebleven. Sommigen zeiden dat de brigade-kommandant een kommando had gedaan dat door onzen majoor verkeerd verstaan zoude zijn; deze kommandeerde daarop 'rechts-omkeert!" Het volk, denkende dat onze zaken verkeerd stonden en wij daarom retireeren moesten, retireerde in zulk eene haast en verwarring, dat het mij en mijne geheele kompagnie op den grond smeet en alles in de war geraakte. Wat ook de reden mag geweest zijn, ik dankte God, dat ik er met den schrik en een gebeukt ligchaam afkwam.
  Het kwam ook gelukkig weer tot staan en hoewel niet ieder officier bij zijn eigen volk was, - want de kompagnin waren onder elkander gemengd geworden, - rukten wij weer meer voorwaarts, tot er wederom "halt!" werd gekommandeerd en de cavallerie vr werd geroepen, welke ook al heel schielijk ventre terre ons voorbij vloog maar even schielijk terug kwam.
  Wij bleven ondertusschen met het geweer in den arm staan en deden niets, uitgezonderd de 1ste kompagnie, welke rechts van den weg en tirailleur was gezonden; vervolgens rukten wij nog wat meer voorwaarts tot aan een hoek van den weg, vanwaar wij den toren van Kermpt vlak vr ons hadden liggen.
  De vijand had twee stukjes geschut op het kerkhof geplant en schoot z met mitraille den weg langs, dat het onmogelijk was hier lang, zonder een aanmerkelijk verlies, te blijven staan. Wij vroegen dan ook den majoor, wat wij moesten doen, maar "ik heb geene orders!", was wederom zijn kort antwoord.
  Wij begrepen echter dat wij ons niet koelbloedig konden laten doodschieten, maar dat er iets gedaan moest worden en besloten toen ons zelve te redden, den majoor verzekerende, dat indien het niet goed afliep, hij voor alles verantwoordelijk was. Nu ging ieder officier met het volk dat bij hem was dr, waar hij dacht den vijand de meeste schade te kunnen toebrengen en zoo verstrooiden wij ons links en rechts van den grooten weg. De majoor bleef zeer koelbloedig, uit een kort pijpje rookende, op zijnen rossinant zitten trotseerde, alsof hij onkwetsbaar was, een hagelbui van kogels. Ik sloeg met eenige anderen een zijwegje links van den weg in, alwaar wij gedekt door een hoogen wal, zelve tamelijk veilig, den vijand in een nabijgelegen bosch goed konden beschieten.
  Op een kleinen afstand van ons zagen wij vijf ruiters in galop op ons aanrijden, welke met hunne mutsen zwaaiden en die wij door de geestdrift waarin wij waren, voor onze eigene lanciers hielden. Een van onze schutters wilde al dadelijk er op los branden, maar een officier riep hem toe: "Schiet toch niet, jongen! Schiet niet! het is van ons eigen volk!" Toen zij echter nader kwamen schoten zij hunne karabijnen, die echter niet raakten, op ons los en jakten met hunne vervaarlijke zwaarden links en rechts van zich. Waren wij bij de hand en niet te driftig geweest, gemakkelijke zouden het ons gevallen zijn hen krijgsgevangen te maken. Het was waarschijnlijke eene van de hoofdtroep afgedwaalde verkenning. Het zoude mij zelfs niet verwonderen, dat zij, geen kans ziende om te ontkomen, door het zwaaijen hunner mutsen te kennen wilden geven, dat zij zich overgaven, doch onze vergissing bemerkende, het uiterste wilden wagen. Zij gedroegen zich manhaftig; twee er van moesten het met den dood bekoopen en de anderen geraakten er bij ons, hoewel niet heelhuids, door. Ook van ons werden eenigen door hen gewond. Het waren chasseurs cheval.
 
  Kort had het gevecht nog maar geduurd, toen er, behalve eenige schutters, ook reeds een officier buiten het gevecht werd gebracht; het was Kooistra, 2de luitenant bij de 2de kompagnie, die door een kogel in het gewricht van den voet was getroffen. Den geheelen avond bleven wij zoo vechtende; wij avanceerden wel niet, maar retireerden evenmin.
  Uit de stukken hooge hennep, uit de bosschen en het kreupelhout, waarin de vijand zich verscholen had, overal van waar men vuur zag komen, werd, dikwijls zonder iets te zien en dus op goed geluk af, geschoten. Ook op ons werd op eene vreeselijke wijze gevuurd, hoe wel met weinig succes; de kogels vlogen meest over ons heen, waarom wij onze manschappen vermaanden vooral niet te hoog aan te leggen. Zelfs het geschut dat de vijand op het kerkhof te Kermpt had geplant, deed ons weinig nadeel. Nu en dan ging er een schot mitraille over ons hoofd even alsof er een geheele vlugt duiven over ons heen vloog, maar het schot kwam meest in de boomen te land en die het verst stonden werden dikwijls het eerst gekwetst. Van ons vielen er echter ook verscheidene. Enkele vielen er, om nooit weer op te staan en menigeen moest, zwaar gewond, het slagveld verlaten. Van de officieren was Kooistra reeds terug gebragt. Adama, van der Veen en Hillebrands volgden hem. Zelfs waren er die gedurende het gevecht jichtig werden en n was er die, zooals hij geloofde, door een bajonet was gewond aan den voet, maar hoe en wr het gekomen was, kon hij niet zeggen; genoeg was het dat hij kreupel liep en dus het slagveld moest verlaten.*

[noot: Volgens een brief van genoemden luitenant Kooistra, waarin ook deze het gevecht bij Kermpt heeft beschreven, moet dit de tweede luitenant J.L. van Sloterdijck zijn geweest, wiens afbeelding in uniform op een familieportret, waarvan de reproductie hiernevens is afgedrukt, is bewaard gebleven. Luitenant Kooistra zegt in zijn brief, dat van Sloterdijck deze bajonet-steek "waarschijnlijk door onvoorzichtigheid" heeft opgeloopen.]
  
De 2de luitenant Molanus kwam, alsof het eene bovenaardsche verschijnen was, met eenige manschappen uit eene wolk van kruit-damp te voorschijn; hij was ook in de dij gekwetst, echter niet z erg dat hij ook achteruit gezonden moest worden. Een van mijn schutters kreeg een kogel dwars door den nek; de kogel kwam aan den eenen kant, even boven den schouder, in en aan de andere zijde, even onder het oor weer uit. Men ried hem aan achteruit te gaan, maar hij had nog een schot in het geweer, dat er eerst uit moest en, nadat hij, met zijn doorboorden nek had afgeschoten, verliet hij het gevecht.
  Zoo bleven wij den geheelen avond vechtende, totdat de duisternis er een einde aan maakte.
  Ons bivouak was heerlijk; het was bestemd geweest voor de studenten en die heertjes hadden wel gezorgd dat er niet te weinig stroo was. Het was zeer duister. De majoor viel nog in een ingevallen graf, waaruit hij met veel moeite getrokken werd. Zelden of nooit heb ik een dag beleefd, waarop mij de dorst meer gekweld heeft als op dezen, hetgeen zeker door het afbijten van salpeterige patronen (want wij hadden k geweren) veroorzaakt was en water was nergens te vinden! Uit eene bijna opgedroogde vijver joeg ik eerst de kikvorschen weg en schepten toen wat drabbig water om te drinken; al ware het vergif geweest, ik had het genomen om mijne tong te verkoelen.
  Afgemat van vermoeienis en vol treurige gedachten viel ik weldra in een diepen en gerusten slaap. Wij hadden dezen avond het verlies te betreuren van negen en tachtig dooden en gekwetsten tezamen. Ik verloor van mijne kompagnie drie man en had negen gekwetsten.



XII. SCHUTTERSMOED.

Maandag den 8sten Augustus 1831.

  Een pelotons-vuur wekte ons, toen het nog maar even dag begon te worden, uit onze zoete rust. Nimmer geloof ik heeft het kloppen van eenen Amsterdamschen porder, of eenige reveille schielijker iemand doen ontwaken, als ons dit pelotons-vuur. Wat de reden van dit vuur geweest is, is ons altoos onbekend gebleven. Een officier (de 2de luitenant Juta, der 13de afdeeling) had de vrwacht. Sommigen (maar de lasterzugt is groot) vertelden, dat hij zich, bij de morgenschemering, verbeeldde eene Belgische patrouille te zien aankomen, en in voorraad op haar had laten schieten, om daardoor te kennen te geven: "Hier ben ik, (komt toch niet nader, of ik ga weg!" zou hij er bij gedacht hebben!) Hij mag een patrouille gezien hebben of niet, maar ons joeg hij een schrik op het lijf en als door een tooverslag stonden wij onder de wapenen, want wij geloofden in den eersten opslag stellig, wat wij gedurende den nacht ingesloten waren geworden. Dadelijk verlieten wij het dorp en vatteden achter hetzelve post op een stuk bouwland, terwijl de 1ste kompagnie als vrwacht vooruit werd gezonden. Wij bleven op dit eenigzints verheven gelegen bouwland staan, om nadere orders af te wachten. In het eerst stonden wij, doch langzamerhand, toen er geen gevolg op het pelotons-vuur kwam, en wij wat van onzen eersten schrik bekomen waren, viel er vr en n een op den grond en eindelijk lag het geheele bataillon in orde van bataille te slapen, niettegenstaande een ijselijke mistige koude, en geen wonder dat ieder zoo schielijk in slaap viel, omdat er op zulk een vermoeijenden dag als de vorige geweest was, zulk een korte nacht was gevolgd. Tegen half vijf uur sloeg weder de trommel en wij moesten oprukken. Wij marcheerden weer het dorp Berbroek door en hielden bij ons eerste bivouak, van waar wij den vorigen middag naar het vuur waren opgetrokken, halt. Over het algemeen was de moed bij het voorwaarts gaan niet zeer groot. "Moeten wij alweer de eersten en misschien eenigsten zijn, zooals gisteren avond? waarom ook niet eens een ander?", dit hoorde men elk oogenblik, want iedereen geloofde dat wij den vorigen avond eene nederlaag hadden geleden. Na hier een poos te hebben gestaan en gelegen, (in welken tusschentijd door onvoorzichtigheid een geweer afvloog, waardoor een schutter drie vingers werden afgeschoten en een ander de kogel dwars door den voet kreeg) zagen wij een geheele massa troupes oprukken. Eerst de batterij veld-artillerie, vervolgend rijdende artillerie, huzaren, dragonders, infanterie, in n woord, onze geheele divisie met al hare ap- en dependentin verzamelde zich rondom ons. De bijna uitgedoofde moed begon nu weer wat op te wakkeren, toen men zag dat men niet alleen weer eenen aanval zoude wagen en nu er een aantal kanonnen bij was, waarop onze manschappen het grootst vertrouwen stelden en waarover zij genoeg gemurmureerd hadden dat die ons den vorigen avond niet hadden bijgestaan. Maar hoe klom de moed ten toppunt en hoe schitterde hij uit elks oogen, toen de Kroonprins met zijnen broeder Prins Frederik, door een schitterenden staf vergezeld, daar statig kwam aanrijden. Men moet den Prins zelve, met zijn vriendelijk-vurig oog in eene majestueuze houding op zijn vlug paard hebben zien zitten, om te kunnen begrijpen, dat zijn gezigt alln in staat was om eenen lafaard in eenen held te herscheppen. Met een "Goede morgen, schutters!" begroeteden ons de Prinsen. Iedereen stond op en nam dadelijk de positie aan en wilde zijn blijdschap door een "hurrah!" te kennen geven, maar de Prins wenkte met de hand dat hij het niet wilde hebben. - "Wij zullen eerst nog een borstelen", zeide hij, "en dan zullen wij vanavond eens "Victorie!" roepen." Het vuur sprong iedereen bij deze woorden uit de oogen.
  Alle troupes, welke ons vooruit waren gemarcheerd, hielden halt en de Prinsen gingen door hun midden heen. De onderscheidene bataillons werden links en rechts van den weg afgezonden en wij maakten het centrum op den weg uit, terwijl de jagers vooruit en tirailleur waren. Nu passeerden wij het slagveld van den vorigen avond, waar wij menigen braven schutter door vijandelijk staal of lood getroffen onder nog menigvuldiger gesneuvelde vijanden zagen liggen. Het dorp Kermpt was geheel van inwoners ontvolkt en in derzelver plaats vonden wij in de huizen stapels lijken, welke getuigden dat wij den vorigen avond niet te hoog hadden geschoten. In gesloten colonne marcheerden wij door het dorp heen. Achter hetzelve troffen wij al schielijk den vijand aan voor een groot bosch, waar de jagers reeds met hen handgemeen waren. De Prins, denkende dat zij hier eenen uitval op ons zouden wagen, liet ons links van den weg op een stuk haver deploijeren, waar wij achter een aarden wal met struikgewassen beplant, in orde van bataille kwamen te staan, digt voor het bosch. In deze stelling werd nog een schutter van ons gewond, die een kogel door de hand kreeg. Wij hadden nu zulk eene voordeelige positie, dat wij gaarne wenschten dat de jagers moesten retireeren, dat de vijand buiten het bosch te voorschijn kwam, om hem dan met een goed aangelegd pelotons-vuur te begroeten en zeker zou men daarin niet in gebreke zijn gebleven, want de Prins stond achter ons en dit wekte de courage niet weinig op. De batterij stond rechts van ons, welke ook haar pligt zoude gedaan hebben. Alle ooren luisterden met oplettendheid wat de jagthoren blies, maar tot onze teleurstelling was het alles avanceeren. Wij marcheerden nog in bataille door struiken en over aardruggen tot voor het bosch en kwamen toen weer in gesloten kolonne op den weg.
  Nu dacht men dat de cavallerie een charge op ons zoude doen en wij werden door den Prins gewaarschuwd wat ons dan te doen stond, maar al hadden regimenten curassiers een aanval op ons gewaagd, zij zouden lelijk terug gedreven zijn, want de geestdrift van ons volk was verwonderlijk.
  Ik sprak eenige jagers, welke meer zijwaarts waren afgeweest, die mij verhaalden op bivouakken te zijn geweest, waarvan de vijand met zulk een overhaasting gevlugt scheen, dat zij hunne geweren hadden achtergelaten, welke nog in rotten stonden. Z zeer zat er de schrik in!



XIII. DE INNAME VAN HASSELT.

Maandag den 8sten Augustus 1831.

  Zoo naderden wij Hasselt. Op een land, niet ver van de stad, stond de regering met den Kroonprins te spreken, om, zooals ik naderhand vernam, de stad in zijne handen over te geven, en te verzoeken dat hij de stad zoude sparen, waarop de Prins zoude geantwoord hebben dat de stad en inwoners geen leed zoude geschieden, zoo zij zelve daartoe geen aanleiding gaven.
  Met een luidruchtig "Hurrah!" uit duizende keelen aangeheven, rukten wij omstreeks elf uren in de grootste orde de stad binnen. Wij verzamelden ons op de markt, waar wij op andere orders bleven wachten.
  Hier liep een Belgische lancier met een bebloeden kop, die een krachtigen sabelhouw van eenen dragonder had bekomen, want onze cavallerie was zelfs nog in de stad met de Belgische cavallerie slaags geweest. Ik ontvlugtte met den kapitein Schwartsenberg de gloeijende zonnestralen in een grooten bontwinkel, waarvan de menschen ons zeer vriendelijk op een lekker glaasje bier onthaalden, zeer met de komst der Hollanders zeiden ingenomen te zijn, (omdat daardoor hunne negotie aanmerkelijk verbeterd werd), en schrikkelijk op den moed van hunne verdedigers schimpten. na ons hier wel een uur uitgeblazen te hebben, kwam er order om buiten de stad aan den straatweg welke naar Valkenswaard gaat, te bivouakkeeren. Het wemelde van aanschouwers op onzen togt naar buiten en iedereen verwonderde zich over de geweldige grootte onzer manschappen. Wij sloegen ons bivouak op, op een groot stuk bouwland, voor een groot met zware muren omgeven kerkhof. Van dezen kant scheen de vijand zich gereed te hebben willen maken om ons te ontvangen, want in de muren van het kerkhof waren groote schietgaten gemaakt om zich te kunnen verdedigen; het kerkhof zelve schenen zij als een bivouak gebruikt te hebben, omdat het vol belegen stroo lag.
  Naar de bivouakken te oordeelen, welke wij 's morgens gepasseerd waren, zoude men besluiten, dat de vijand nog vrij magtig was geweest. Wij vermaakten ons hier met praten en genever drinken, want in eenige dagen hadden wij geen genever geproefd, en nu wemelde ons bivouak van vrouwen, die wittebrood en genever verkochten, van welk laatste dan ook goed gebruik werd gemaakt.
  Hadden wij den vorigen avond in de grootste treurigheid doorgebragt, deze dag was zoo veel te vrolijker. Wij hadden de "geduchte en onoverwinnelijke" arme van Daine overwonnen, hadden een voornaam punt ingenomen, zoodat wij nu een vrije gemeenschap met Maastricht hadden, met weinig verlies aan onze zijde en hoe, boven alle verwachting, schielijk was dit punt bereikt! want de vijand bood geen oogenblik tegenstand en het is gemakkelijker (niet roemrijker) vechten tegen eenen vlugtenden vijand, dan tegen een die staat zooals den vorigen avond. Vrolijkheid vervulde dus een ieder, want niemand had reden treurig te zijn, te meer daar wij 's morgens zulk een slecht denkbeeld over den loop van den dag vormden. Zelfs onze oude majoor, wien nooit een trek van vergenoegen over zijn blaauwe wangen zweefde, was buitengewoon vrolijk en gaf op onze waarschuwing, dat het volk zich misschien te veel bedrinken zoude, ten antwoord: "Zij hebben het vandaag goedgemaakt, hebben in langen tijd geen genever geproefd, laten zij zich nu eens te goed doen!"
  Nog zagen wij een geheele arme den straatweg opkomen. Het was de reserve divisie onder kommando van den generaal Kort Heiligers, die zich zeer verwonderde ons reeds in Hasselt te zien. Onder het bataillon stedelijke Groningers van deze divisie ontmoette ik vele kennissen welke veel van de affaire te Houthalen wisten te vertellen.
  Nog flauw hoorden wij het gebulder van het geschut onzer artillerie, welke nog twee uren ver den vijand uitgeleide deed, waarbij menige Belg het leven bij inschoot en anderen nog lang deze pas de conduite zouden heugen, toen er order kwam om weer stadwaarts te marcheeren alwaar wij biljetten van inkwartiering zouden ontvangen. Dit was voor ons eene aangename boodschap. Wij marcheerden terug op de markt en na een poos wachtens ontvingen wij onze biljetten. Ik werd ingekwartierd bij eene wijnkoopers weduwe, die nu een winkel had. Hare naam is mij vergeten. Zij woonde aan het groote kerkhof in een hoekhuis. Met Murk Hotzes kreeg ik een aardig bovenkamertje tot mijn verblijf. Volgens afspraak gingen de meeste officieren eten in het logement tegenover de kleine kerk. Het was reeds vijf uren des avonds toen wij aan tafel gingen. De generaal Saxen-Weimar, die nog aan tafel eene pijp zat te rooken, had met zijne staf hier ook gegeten. De kastelein verhaalde ons, dat verscheidene Belgische officieren des nachts waren tehuis gekomen, dat zij zonder te betalen en niet in de grootste gerustheid nog een potavit hadden gemaakt en 's morgens nog half dronken tot hun leger waren teruggekeerd. Verscheidene hadden hunne knevels vr hun vertrek nog afgeschoren.
  Na het eten wandelden wij eens, hielden appl en zagen geheele troepen krijgsgevangenen van 20, 30, ja 50 man, met de officieren voorop, de stad binnenbrengen. Vervolgens gingen wij op de societeit, (waar het den vorigen avond misschien evenzeer van Belgische officieren had gewemeld, zal nu van Hollandsche), een glas bier drinken. Stoppend vol was dit lokaal van Hollandsche militairen. Eene week vroeger leverde deze societeit een ander schouwspel op; toen waren de vensterramen geillumineerd ter eere van den eersten intogt van Leopold binnen Hasselt. Nog stonden de oliekringen der bierglazen in de vensterbanken. "Het kan verkeeren!", zegt Bredero. Na hier een poos gezweet te hebben, want het stikkend warm, ging ik om tien uur naar huis, waar mijne vriendelijke hospita reeds een souper voor mij had opgedischt met eene lekkere flesch wijn. Ik bleef niet in gebreke om er gebruik van te maken, rookte na het eten nog eene pijp en begaf mij vervolgens te bed waarop ik sedert den 4den Augustus niet had gelegen.



XIV. BIJ DE OVERWONNENEN.

Dinsdag den 9den Augustus 1831.

  Na lekker geslapen te hebben, stond ik op, ontbeet met een heerlijk kopje koffij en hield om negen uur appl, waarna ik buiten den poort ging wandelen om het slagveld van den vorigen dag te bezigtigen, daar waar de cavallerie en artillerie den vijand hadden achtervolgd. Twee uren ver hadden zij hem nagezeten, tot zij voor een hoogte stuiteden, waarop de vijand eenige stukken geschut had geplant, waarmede hij (echter zonder succes) op hen schoot. Daar de onzen geene infanterie bij zich hadden, konden zij de batterij niet innemen en moesten dus retireeren, na den vijand eene duchtige nederlaag te hebben gegeven. Dit bewees hetgeen mijne oogen hier zagen. Buiten de poort stonden eenige stukken geschut, kruit-caissons en ammunitiewagens, welke op den vijand veroverd waren. Kwam men wat verder dan zag men niets, zoo ver zijne oogen afzien konden, dan ransels, geweren, patroontasschen, stukken van kruit- en bagagewagens, kisten, ketels, lijken van menschen en paarden. De vijand had alles weggesmeten, had de paarden van voor de kanonnen en wagens afgesneden om des te schielijker te kunnen vlugten, zelfs kleederen en alles wat hem in zijne vlugt maar eenigzints konde hinderen, zag men hier door elkander liggen. Het verdient opmerking, dat men in de koffers en valiezen der Belgische officieren meest altoos een orange-sjerp vond, daar anders de Belgen driekleurige sjerpen gewoon waren te dragen; maar een orange-sjerp was er meest altoos in reserve, en waarom?
  Na mijne oogen eenigen tijd op deze verwoestingen des oorlogs te hebben laten ronddwalen, begaf ik mij weer stadwaarts om de krijgsgevangenen een bezoek te brengen. Zij waren op de binnenplaats van een voormalig klooster opgesloten, ten getale van tusschen de 100 en 200 man, van alle wapenen. Ik was hier met eenige officieren der 17de afdeeling welke onder hen verscheidene oude kennissen aantroffen, die van te voren onder hen hadden gediend en f gedeserteerd waren, f gebruik hadden gemaakt van de vergunning des Konings, dat iedere Belg tot zijn volk konde terugkeeren, en die z in Belgischen dienst waren overgegaan. De 17de afdeeling bestond vroeger meest uit Belgen. Over het algemeen waren deze krijgsgevangenen goed gekleed, vooral de lanciers. Zij waren zeer misnoegd over hunne officieren en schreven aan hen alln hunnen nederlaag toe, dewijl die geen het minst verstand van den dienst hadden gehad en het eerst op de vlugt waren gegaan.
  Zij hadden allen een verschrikkelijken honger, want de meesten hadden in geen vier en twintig uur gegeten. Ik trof het juist dat er een ton scheepsbeschuit voor hen aankwam en ledig gegooid werd, maar het was een klucht die hongerige gasten om die beschuit te zien grabbelen en dikwijls vechten; er liep een vrouw met siroop rond; die nu nog wat geld zijn zak had, kocht voor een cent siroop op zijne drooge beschuit. In het gebouw van het klooster lagen de gekwetsten. De meesten waren reeds in een ander gebouw - mede een klooster - overgebragt. Er lagen nog verscheidene Belgen met afgezette ledematen en vele zwaargewonden. Onder anderen een wiens geheele hoofd, door eenen sabelhouw over zijn gezigt, was gespleten. Ook vond ik er eenen schutter van onze 3de kompagnie, die, dien avond voor Kermpt gewond, door de Belgen was medegenomen geworden. De soldaten hadden hem willen vermoorden, maar door de officieren en onderofficieren was hij zeer goed behandeld.
  Na dit alles bezigtigd te hebben, ging ik eten waar mijne vriendelijke hospita een eenvoudig maar lekker diner voor mij had klaargemaakt.
  Na het eten bezag ik de stad en ging het eerst naar het stadhuis, waar de Belgen een groot magazijn van hadden gemaakt en hetgeen nu in onze handen was gevallen. Hier heerschte de grootste wanorde der wereld. Ieder soldaat die iets noodig had, een geweer, een patroontasch, een trom, of wat het zijn mogt, nam het maar mede. Op eenige bovenkamers was het ook tot een magazijn ingerigt, maar hier was de toegang, zelfs voor eenen officier, geslooten en dr zal dus de voorname aap gezeten hebben. Beneden was het een huishouden van Jan Steen; deze zocht om een pet, die om een hemd, een derde om een geweer; ieder kon hier zijn gading uitzoeken en medenemen en hetgeen er was, was van beter kwaliteit als ons eigen goed. De tamboers kregen allen nieuwe trommen en sabels. De patroonen waren van het best Engelsch kruit (crepee) en grooter als de onzen, misschien de reden waarom de meeste kogels over ons hoofd heen vlogen.
  's Morgens om vijf uur hielden wij weder appl en vertrok onze geheele brigade. Buiten de stad werd het land al schielijk heuvelagtig. Een groot uur gingen wij langzaam in de hoogte en daalden daarna eensklaps weder, niet op zulk een ongevoelige manier. Hier kwamen wij in het kleine dorp Herck St. Lambert, in een dal gelegen, rondom in bergen of groote met korenlanden en bosschuen beplante heuvelen. Dit anders armoedige dorpje had eene schilderachtige ligging. Van dr ging het weer naar boven. Wij passeerden de dorpen Alken en Kortenbosch, welk laatste een brillante kerk en toren had.
  Wij marcheerden verder door langs het dorp Melver tot bij St. Truijen, alwaar wij halt hielden voor een groot boerenhuis, alwaar verscheidene schietgaten in den muur waren gemaakt, die nu echter niet aan het doel beantwoordden. Na hier eenigen tijd gerust te hebben, kwam er order terug te marcheeren naar Melver, alwaar wij biljetten van inkwartiering ontvingen. Ik wierd met den kapitein Alta, de luitenants Otterloo en van Assen met vijftig schutters ingekwartierd bij Mevrouw de douarrire de Travers, baronnesse de Jever, op het kasteel Nieuwenhuizen.



XV. OP HET KASTEEL.

Woensdag den 10den Augustus 1831.

  De man van deze mevrouw was in voorgaande jaren generaal der marechausses in Hollandschen dienst geweest. Het was een brillant kasteel. Als men de poort binnen kwam, had men aan zijne linkerhand het schoone kasteel met deszelfs wagenhuizen en stallingen en zoo wat schuins links vr zich de keuken en kamers der menigvuldige bedienden, terwijl het rechtergedeelte de pachthoeve met al derzelver ap- en dependentin uitmaakte, hetgeen gezamentlijk een groot vierkant plein in zich besloot. Alles was met lei bedekt en in een ruime breede gracht besloten.
  Zonder bij de poort aan te schellen, marcheerden wij naar binnen op het plein. Ik liet mijn vijftig man de geweren aan rotten zetten en vervolgens stapten wij regelrecht het bordes op en daar er aan de deur geen schel te vinden was, openden wij de deur. Met een vervaarlijke stem, die zoo hol door de lange marmeren gang klonk, riep ik: "Is hier ook volk!", waarop ook al heel schielijk een fraai gekleed heertje te voorschijn kwam, dat wij in het eerst voor den zoon des huizes aanzagen, maar naderhand bleek de kamerknecht te zijn. Wij beduidden hem op een zeer verstaanbare manier, dat wij zijne gasten waren. - "Ja, wij troffen het ongelukkig, mevrouw was niet te huis." - "Waar is mevrouw dan?" - "Die is aan het wandelen!" - "O, is het anders niet! gaat dan je mama of je mevrouw maar even roepen, maar geef eerst een kruik lekker bier, want wij hebben dorst." Nu gingen wij naar de tegenover openstaande achterdeur waar de baronnesse vandaan moest komen en namen op eenige voor de deur geplaatste tuinstoelen plaats. Van hier hadden wij een overheerlijk uitzigt. Over bloemen, beekjes, bruggetjes en een groot weiland, zag men op een uitgestrekt bosch, waarin mevrouw was gaan wandelen. Niet lang duurde het of daar kwam mevrouw aan met twee dames en een groen gebrild, mager, bleek, met pikzwart haar, trechtervormig en in het zwart gekleede heer. Mevrouw was een lang, bejaard mensch, met een vurig oog, die in alles blijken droeg van voormalige schoonheid. De beide jonge dames, dochters des huizes, schenen de jongste bij de achttien - en de oudste omtrent twintig jaren oud te zijn. De jongste frappeerde ons allen door hare bijzondere schoonheid en wij beklaagden haar allen innerlijk, dat haar geen knapper vrijer als de boven beschrevene groen gebrilde heer was te beurt gevallen, want dat was, zooals wij naderhand vernamen, de galant van die schoone dame.
  Na eenige wederzijdsche buigingen en strijkadin, vatte mevrouw eindelijk het woord op en kwam ons vr met te verzoeken, dat wij Fransch zouden spreken, omdat zij geen Hollandsch verstond en met zich te verontschuldigen, dat zij, niet op onverwachte gasten gerekend hebbende, ons geen goed middagmaal konde voorzetten, dat zij hoopte dat wij ons met een boterham met vleesch contenteeren zouden, terwijl zij beloofde te zullen zorgen dat er 's avonds een goed souper klaargemaakt was, waarin wij ons gaarne bewilligden. Wij werden in eene brillante kamer gebragt, kregen een lekker glas wijn en een boterham met kalfsvleesch, daar reeds een vreemde geur aan begon te komen. Wij vergenoegden er ons echter mede in afwachting wat de avond zoude medebrengen en dit viel boven verwachting uit. Mevrouw, de jonge dames en een bejaardere, welke gezelschapsjuffer, gouvernante of zoo iets scheen te zijn, (het was eene Hollandsche) benevens die trechtervormige vrijer, deelden mede aan het souper, dat, behalve eenige groenten en toespijzen, voornamelijk uit heerlijk toebereide vleeschsoorten bestond. Nadat onze eerste honger wat gestild was, geraakten wij in discours en bevonden in het vrouwelijk gezelschap zeer aardige spraakzame menschen. Mijnheer de vrijer liet zich noch aan ons, noch aan zijne beminde, noch aan iemand anders van het gezelschap gelegen liggen, maar zag stijf voor zich henen door zijn groene bril. Mevrouw verhaalde ons een brief uit Luik te hebben ontvangen, waaruit zij had vernomen, dat men ons in Luik wachtende was, dat alles dr te wapen liep, dat Luik eene bijna onneembare stad was, dat zij hoopte dat wij onze oversten daarop opmerkzaam mogten maken, dat zij bereid was den brief te laten lezen, waaruit wij zien konden wat men met ons voor had, ingeval wij die stad mogten anderen. Zij schilderde ons de Luikenaars als moordenaars af en scheen stellig te weten, dat als wij op Luik aantrokken, weinigen den dood zouden ontkomen. Zij was deerlijk met ons lot begaan, tranen vloeijden over hare wangen. Zelve had zij er ook belang bij, dewijl zij veel familie in Hollandschen dienst had. In haar hart was zij de Hollanders zeer toegedaan, maar daar alle hare bezittingen in Belgi lagen, was zij verpligt hier te wonen. De jonge dames vermaakten zich schrikkelijk met den heldenmoed hunner garde civique, die voor eenige dagen als ware vuurvreters met verschrikkelijke plannen waren uitgetrokken en den vorigen dag met de angst op het gelaat, zonder wapens waren teruggekomen.
  Uitgezonderd de bovenvermelde Jobstijding, welke ons eenigzints ontstemde, omdat wij beter wisten van waar wij gekomen waren dan waar wij heen gingen, vermaakten wij ons voortreffelijk in dit aangename gezelschap. De dames spraken wat gebroken Hollandsch, een heerlijke zaak voor van Assen, die bekende dat als men voortaan niets als Fransch sprak, hij dan reeds ver genoeg was. Wij loogerden op eene bovenkamer, vanwaar men bij dag een overheerlijk gezigt had over de rondom liggende vruchtbare landstreek en de onderscheidene kasteelen, die men in dien omtrek aantrof.
  's Avonds bij het appl liet ik mij bij den pastoor scheren, die vreemd opzag, dat ik zijne pastorij tot een scheerwinkel liet gebruiken.



XVI. VOOR LEUVEN.

Vrijdag den 12den Augustus 1831.

  Eene verbazende dikke mist omringde ons toen wij reeds zeer vroeg ons bivouak verlieten. De mist was z dik, dat wij van den rechtervleugel van ons in bataille staand bataillon den linkervleugel niet konden zien. Het doffe rumoer, dat wij van alle kanten rondom ons hoorden, bewees ons echter dat er vrij wat te doen was, hetgeen ook wel te denken viel, daar wij zoo digt in de nabijheid van den vijand waren. Gelukkig klaarde die dikke nevel bij het hooger klimmen der zon op en toen wij op de hoogte kwamen van waar men het dorp Bautersum op een kleinen afstand vr en beneden zich ziet liggen, was de mist geheel verdwenen. In het dorp, waarin geen levend wezen zich vertoonde, wijl alle inwoners gevlugt waren, vonden wij nog verscheidene gesneuvelden in de huizen en aan den weg liggen, welke zekerlijk niet begraven hadden kunnen worden, want de hier en daar boven de aarde uitstekende beenen, armen en halve hoofden, toonden dat de Belgen in de uiterste haast bezig waren geweest om de lijken met aarde te bedekken. Ook de in de drooge slooten met stroo bedekte lijken bewezen, dat zij het getal hunner gesneuvelden, dat zeker nogal aanzienlijk geweest is, voor ons poogden te verbergen.
  Wij hielden in het dorp een oogenblik halt, om de rijdende artillerie, die ons ventre terre voorbij reed, te laten passeeren, waarna ook al heel schielijk het gevegt een aanvang nam en de grond daverde door het gebulder van het geschut. In het dorp sloegen wij een weg links af, vergezeld van de Prinsen en derzelver stad; marcheerden door boekweit- en korenlanden, en vernielden zoo in ns de schoonste hoop van den landman. Het dorp was schielijk van vijanden gezuiverd, die zich nu in de daaracher gelegen bosschen verschuilden. Uit alle bosschen, achter elke heg werd op ons geschoten, behalve uit een dennenbosch op een kleinen afstand vr ons. Men zond eenige, (ik geloof Groninger jagers) derwaarts om het bosch te onderzoeken. Vlak vr het bosch gekomen, sprongen de in hinderlaag - achter de met kreupelhout en heesters begroeijde aardruggen - liggende Belgen eenklaps op. Onze jagers, verschrikt door dit overwacht gezigt, keerden zich om en liepen terug zoo hard zij konden en ik zag hoe een Belg onder het loopen de tromp van zijn geweer op den rug van een der jagers plaatste en toen losbrandde, zoodat deze direct achterover dood nederviel. Aanstonds kwam er eene sectie artillerie bij ons, welke ter dege op het bosch inblies, met het gevolg dat de vijand ook al heel schielijk het bosch ontruimde. Hij trok terug op het dorp Louvensouin, een schoon in bosschen gelegen dorp.
  Na over eenige bouwlanden, over hoogten en door laagten gemarcheerd te zijn, kwamen wij weer op den straatweg, vonden op het land naast den weg enkele gekwetsten en dooden, weggesmeten brooden, petten, stukgeslagen geweren, ransels, katoenen epauletten, zeer netjes bewerkt, die de onderofficieren der Belgische chasseurs droegen etc. Vr het dorp hielden wij halt. De Belgen hadden de beste positin op de bergen verlaten, waarvan onze artillerie gebruik maakte om die stellingen weer in te nemen, vanwaar zij eene hevige kanonnade op het dorp maakte, die van den kant der Belgen niet onbeantwoord bleef. Nadat hier eenigen tijd van beide kanten een matig vuur onderhouden was, scheen de vijand het raadzaam te oordeelen om te retireeren. Van dit gansche gevecht konden wij niets zien, omdat onze oogen niet door de geweldige kruitdampen konden heendringen. Toen de vijand zich buiten het dorp vertoonde kreeg hij van onze artillerie nog een goed uitgeleide mede. Het duurde echter niet lang of het schieten hield geheel op en wij kwamen in het dorp, alwaar wij wederom halt hielden. Men verhaalde mij hier, dat de Belgen een parlementair tot den Prins hadden afgezonden, om te onderhandelen, maar dat de Prins zoude geantwoord hebben, dat hij van geen onderhandelen wilde weten, vr hij in Leuven was. De bagage-wagen der vijanden, welke ons in handen was gevallen werd ontladen. Kisten, koffers, etc. werden opengeslagen, maar ik geloof niet, dat er in gevonden werd, waarnaar men eigenlijk zocht. Boeken en administratiestukken, alsmede brieven, (waaronder minnebrieven!) waren er in overvloed te vinden, maar geen geld.
  Wij kregen hier eenige flesschen wijn, want men was achter een wel-voorziene wijnkelder gekomen, welke bron echter, na eenige dorstige harten gelaafd te hebben, (want het was smorend warm!) vr onzen opmarsch geheel uitgedroogd was.
  In het dorp Korbeek, dat wij vervolgens passeerden, werd nog een parlementair tot den Prins afgezonden, maar, met dezelfde boodschap als boven, teruggestuurd. Zoo kwamen wij voor Leuven, welke stad in een dal ligt, rondom door bergen omgeven. De Prins nam zijn intrek in een wit huis, aan den voet van een berg, ter rechter zijde van den straatweg gelegen. Hier kwamen wederom parlementairs tot den Prins, doch met elken uitslag werd men niet gewaar. De Belgen hadden zich nu geheel in Leuven teruggetrokken en onze arme werd op eenen kleinen afstand van Leuven voor de stad geplaatst, bataillons-gewijze, in geslotene colonnes. Wij stonden rechts van den straatweg, met het flank-bataillon der 13de afdeeling en de lanciers en kurassiers achter ons. Wat verder achter ons, boven op een hoogen steilen berg eene batterij (veld-artillerie No. 8). Bijna onze geheele arme werd hier in het zigt van Leuven geplaatst, misschien om aan de Belgen onze macht eens te toonen, en nu verspreidde zich het gerugt dat men bezig was met onderhandelen over de overgave der stad en dat er gedurende de onderhandeling, een oogenblik van wapenschorsing was. De geweren werden vr en n, zonder dat het juist gecommandeerd werd, in rotten gezet en iedereen zette zich te ruste neder en ammuseerde zich met praten of te zien naar de stad, of met het heerlijk gezigt op onze hier bijeen verzamelde arme.
  Ook ik zette mij met den heer kapitein Schwartsenberg neder in eene greppel naast den straatweg, toen wij van verre de Belgische cavallerie op de boulevards der stad gerangeerd zagen staan. Na hier eenigen tijd rustig over den voorspoed onzer wapenen, over de gevechten van dezen dag en over den eindafloop der zaak gediscoureerd te hebben, begaf ik mij naar eene herberg, die wat meer achterwaarts aan den straatweg stond, om te zien of ik wat bier konde krijgen, want niets kwelde ons in deze ondragelijke hitte meer dan de dorst. De cavallerie, welke vlak tegenover deze herberg stond, was ook afgestegen en men hoorde geene vijandelijkheden, dan alleen een flaauw tirailleur-vuur aan den kant eener groote abdij, alwaar men zeide dat onze in 1830 krijgsgevangen gemaakte officieren een geruimen tijd hadden zitten zuchten.



XVII. EEN VERRADERLIJK BOMBARDEMENT.

Vrijdag den 12den Augustus 1831.

  Deze herberg was stoppend vol militairen van alle rangen en wapenen. De een liep met een emmer bier, de ander met een schotel boter, de derde met een arm vol brood, elk maakte maar dat hij wat kreeg. Met grootte moeite kreeg ik nog een glas bier voor het raam, waarheen ik, na veel worstelens, was doorgedrongen. Ik hoopte nu mijn brandende dorst te stillen, doch naauwelijks had ik het glas in mijne handen, of bons! daar viel een kanonschot, waarvan de aarde dreunde en dat door een menigte achter elkander opvolgende schoten gevolgd werd. Verschrikt door dit onverwacht gedonder, hetwelk door de bergen eenige malen teruggekaatst werd, en waardoor de aarde schudde, vervoegde ik mij terstond bij mijn bataillon, dat reeds de geweren had opgenomen en min of meer (doordoen de meeste officieren, zelfs de majoor afwezig waren) in wanorde was gekomen. De menschen waardoor ik mij bij het venster omgeven zag, waren als door een tooverslag verdwenen. Niemand kan zich het ijselijke, het verschrikkelijke van dit oogenblik voorstellen.

  De vijand had in dit tempo van stilstand zijne zwaarste batterijen - meest 12 en 24 ponders -, tegen ons gerigt, waarmede hij zulk een vuur maakte, dat er geen denkbaar oogenblik was, of er viel een schot, de aarde dreunde; links en rechts en boven ons hoorden wij de kogels sissen; een kogel trof een rot van het naast ons staande bataillon der 13de afdeeling en doorboorde de borsten van dat achter elkander staand drietal, zoodat de stukken vleesch een geheel eind ver weggesmeten werden en den volgenden dag nog op de kapotjassen van hunne buren kleefden. Overal zagen wij wolken van stof, waar een kogel op den grond viel. Wr men zijne oogen heen wendde, overal zag men menschen en paarden vallen. Het was hier dat de Overste Gallines door denzelfden kogel werd getroffen, dien zijn zoon het been verbrijzelde. Ik zag een lancier (Kuipers van de Nieuwschans) wiens hoofd halverwege werd afgeschoten, ik zag ...; maar het boek zou te groot worden, wanneer ik alles opsomde wat ik hier in n oogenblik zag. Geen wonder dat ons volk verschrikt door dit verraderlijk vuur, tijdens een oogenblik van schorsing der vijandelijkheden, z ongedekt en in de nabijheid van het vijandelijk geschut en bij absentie van verscheidene officieren, zelfs van den majoor, zich gereed maakte om te retireeren. Zij retireerden dan ook en wel niet in de beste orde, evenmin als de meeste bataillons. Wij maakten maar dat wij spoedig achter de herberg kwamen, waar ik het glas bier had gedronken, doch ook hier stonden wij niet veilig, want eenige 24 ponders doorboorden het huis en schoten de schoorsteen af, zoodat de steenen over ons heen vlogen. Eindelijk namen wij positie op eene hoogte, niet ver van de abdij, alwaar wij ons verward bataillon weer in orde bragten en waar de afgedwaalde schapen, onder anderen ook de majoor, (die zeer ongerust was over het lot van zijn rossinant, die hij aan zijn oppasser had overgegeven en nu nog afwezig was, doch schielijk terug kwam) ons weder opzochten. Op deze kleine retraite werd, - behalve eenige schutters, die gekwetst werden of sneuvelden, - den 2den luitenant der 6de kompagnie Tolsma door een 12 ponder, welke zijne kracht reeds had verloren, den arm geblesseerd, zoodat hij tot eene ongelooflijke dikte opzwol. Nu en dan werd, terwijl wij op deze hoogte stonden, het vuur op ons gerigt, maar het scheen, dat de Belgen de quantiteit kruit niet best konden bepalen, die achter den kogel moest, want, f de kogels snorden over onze hoofden heen, f zij vielen voor ons krachteloos op den grond. Eenige 12 ponders vonden wij vr ons liggen. Het meeste vuur hadden de Belden gerigt op een batterij, die op een hoogten en steilen berg aan de rechterzijde van den straatweg geposteerd was en waarbij men duidelijk den Prins met zijn staf konde onderscheiden. Onze batterijen lieten echter het vuur der Belgen niet onbeantwoord. Het was een gedonder en gedreun, alsof de wereld vergaan zoude. Nog werd er van beide kanten verschrikkelijk geschoten, toen wij ook op de bergen aan de andere zijde der stad een geheele streek van rookkolommen zagen opstijgen. Het was de divisie van den generaal Saxen-Weimar, welke Leuven was omgetrokken en met haar zwaar geschut, dat geheel bij die divisie was, op de tegenovergestelde zijde van ons, op eene verschrikkelijke wijze de stad beschoot en zoo was dan Leuven geheel door de Hollanders ingesloten. Dit scheen den belgen onverwacht over te komen, tenminste het op ons gerigt vuur bedaarde grootelijks. Misschien moesten zij op middelen bedacht zijn, om dien onverwachten gast aan de andere zijde te beduiden, dat er belet was. Eindelijk hield het vuur der Belgen geheel op, waarop ook onze batterijen langzamerhand zwegen, terwijl Saxen-Weimar nog op eene geduchte wijze de stad beschoot, totdat ten laatste een legerorder van den Opperbevelhebber een einde aan het geheele gevecht maakte, waarbij hij ter kennis van het leger bragt, dat tengevolge van gemaakte schikkingen, de vijanden den volgenen morgen om vier uur de stad zouden ontruimen en dat wij de stad om twaalf uur zouden binnen trekken.
  Niemand kon zich van deze order een begrip maken. Er moest iets voorgevallen zijn, waarvan wij onkundig waren. Echter verheugden wij ons, er voor dien dag weer zoo gelukkig af gekomen te zijn en maakten toebereidselen om eene goede ligplaats in orde te krijgen, teneinde ons in de eerste plaats, na zoo vele vermoeijenissen, wat uit te rusten, waarna wij zorgden om onze magen weer werkzaam te maken.
  Ik ging nu mijnen vriend Alta eens bezoeken, die met zijne kompagnie de wacht had bij eene groote pachthoeve, in welke de artillerie en curassiers bezig waren met de korenzolders te visiteeren of er ook haver was voor hare paarden en het huis op eene verschrikkelijke wijze plunderden, voor het oog van den pachter met zijn geheele gezin. In het eerst trachtten wij dit te beletten, maar toen de dochter des huizes (een knappe meid) durfde te zeggen: "Laat ze maar begaan, laat ze maar begaan! morgen zullen de Franschen u wel krijgen!", gaven wij hun vrijheid te doen wat zij wilden en nu presten zij den boer met zijne knechten, om zelve de haver en hetgeen zij meer medenamen, naar hun bivouak te dragen. Zelve namen wij ook wat boter, kaas, brood, melk, honig etc. mede, zoodat de uitdrukking van dat meisje hun duur te staan kwam. Hoe die Franschen er bij in het spel kwamen, konden wij ons niet begrijpen.



XVIII. IN DE VEROVERDE STAD.

Zaterdag den 13den Augustus 1831.

  Nadat wij met het opgaan der zon onze legerstede hadden verlaten en onze soep hadden gebruikt, zetteden wij onze manschappen aan het uitkloppen en borstelen hunner kleederen, en aan het schoonmaken hunner wapenen; iedereen moest geschoren worden, om zoodoende in de meeste propreteit Leuven binnen te trekken.
  Om tien uur marcheerden wij op, tot die herberg aan den straatweg, alwaar ik mij met huivering mijn glas bier van den vorigen dag nog herinnerde. Ieder bataillon werd volgens zijnen rang geplaatst en zoo trokken wij in colonne, met muzijk en trommen, zegevierend op de stad los, vrij wat geruster als den vorigen dag.
  Het was middag toen wij de stad binnen trokken. Binnen de poort gekomen, moesten wij den linkerkant om, langs den geslechten - en zekerlijk tot eene wandelplaats ingerigten wal. Een ander gedeelte van onze divisie sloeg den rechter kant om, terwijl weer een ander gedeelte recht uit de stad binnen trok. Wij marcheerden door tot digt aan de Namensche poort, alwaar wij halt hielden, en onze geweren in rotten zetteden, in afwachting van nadere bevelen. Intusschen kreeg de 4de kompagnie bevel, om halverwege de poort, welke wij waren binnen getrokken, terug te keeren, teneinde de wacht te betrekken; want veiligheidshalve was de geheele stad door wachten omgeven.
  Bij de Namensche poort had de kapitein Teunissen der 13de afdeeling met zijne kompagnie de wacht. Ik at hier met hem en mijne vriend Alta zamen een heerlijke gebraden kip met eene boterham, ten aanschouwe van een menigte nieuwsgierigen, die ons, vijandelijke troepen, kwamen zien. Daar vele blaauwkielen de stad verlieten en buiten de stad talrijke zamenscholingen hielden, kwam er order, om niemand meer in- of uit te laten gaan. Terwijl wij hier zoo zamen smakelijk zaten te kluiven, kwam er iemand in galop aanrijden; hij werd opgehouden en men zeide hem, dat niemand de stad in- of uit mogt. Hij vertoonde daarop eenen brief, gecontrasigneerd door eenen adjudant van den Prins, met het opschrift: "Aan den Bevelhebber der Fransche Arme, tusschen Wavre en Leuven." Verbaasd over dezen brief, zagen wij elkanderen aan ... Eene Fransche arme! ... tusschen Wavre en Leuven! ... dus slechts een kleine drie uren van ons verwijderd! ... Wat zoude dt beteekenen? Kwamen de Franschen als vrienden of als vijanden? - Dit was voor het eerst, dat wij iets van Franschen gewaar werden, doch spoedig hierop verspreidde zich het gerucht, dat het door tusschenkomst der Franschen was, dat wij zoo gemakkelijk Leuven waren binnengetrokken; dat hier ook het einde onzer overwinningen was en dat wij, zoo wij den vrede met Frankrijk wilden bewaren, den volgenden dag den terugmarsch naar ons vaderland moesten beginnen!
  Verblijdend aan den eenen kant was deze tijding, omdat wij nu de menigvuldige gevaren des oorlogs waren te boven gekomen; maar bedroevend, zeer bedroevend omdat wij nog slechts eenen dag met eenen ontmoedigden vijand hadden te worstelen gehad, als wanneer Brussel ons binnen hare muren had gezien. Zoo vle dagen hadden wij reeds allerlei gevaren en moeilijkheden getrotseerd, dat wij nog gaarne eenen dag die gevaren hadden willen tarten, wanneer de inneming van Brabandsch hoofdstad - (waar zoovele onzer landgenooten in het vorig jaar op eene verraderlijke wijze hunnen dood hadden gevonden), wanneer datzelfde Brussel onze overwinningen had mogen kroonen! Maar 50000 Franschen - en zoo dat niet genoeg was, waarschijnlijk een veel grooter aantal, zeiden tot ons: "Niet verder!"
  Zoo eindigde door tusschenkomst der intervenierende Franschen, deze korte, doch voor Oud-Nederland roemwaardige veldtogt.
  Tegen den avond begonnen wij te begrijpen, dat men ons den nacht wel op den wal zoude laten bivouakkereeren en wij begonnen dus bedacht te zijn om stroo te laten aanrukken in welke poging wij nog al tamelijk gelukkig slaagden. Toen het donker begon te worden, lagen Alta en ik, met den hond Murk, ons tezamen naast elkanderen, in onze mantels gewikkeld, ter ruste en niet lang duurde het of wij hadden den slaap gevat. Doch omstreeks twaalf uur werden wij op eene onaangename manier uit onzen slaap gewekt, door een verschrikkelijk wapengekletter en het geroep van "Cavallerie! cavallerie!" Met welk oogmerk de Franschen gekomen waren, of zij als vrienden of als vijanden kwamen, was ons onbekend. Men geloofde dus, dat het Fransche cavallerie was, die ons op eene verraderlijke wijze in den slaap kwam overvallen. Welk een woest rumoer dit wapengekletter en het daarop opvliegen van zoovele honderden menschen in de donkere stilte van den nacht veroorzaakten, valt licht te begrijpen. Mijn slaapcompagnon Alta zei dood bedaard tegen mij: "Laten wij maar blijven liggen, er is misschien een paard op hol." Murk mengde zijn stem onder dat vreeselijk geschreeuw. De beweging en het geroep waren mij te erg. Ik stond op en vervoegde mij dr, waar het meeste geschreeuw was. En wat was het? De paarden welke voor de kruitkar stonden, waren door eene brandende lantaarn verschrikt geworden en op den loop gegaan. De kar was tegen de geweren, welke in rotten stonden, aangehold; deze waren omgevallen en door de kar overreden; de paarden waren gesteigerd; het tuig aan stukken geraakt; de kruitkar met honderden ponden patronen lag het onderst boven, met een der paarden er onder en zoo had men de paarden gegrepen. Met veel moeite werd de kruitkar opgericht en het paard, een weinig geblesseerd, er onder vandaan gehaald. Ik huiverde bij de gedachte, hoe vele ongelukken hierdoor hadden kunnen ontstaan. De geheele wal lag vol menschen; hoe gelukkig dat de paarden het midden hielden en over de geweren reden. Onze geweren waren geladen. Vierhonderd geweren waren omgevallen en een groote vijftig geheel beschadigd. Hoe gelukkig dat er niet n afsprong, hetgeen zoo licht had kunnen gebeuren; want wat had niet het afspringen van n geweer eene schrik en ontsteltenis in de stad kunnen te weeg brengen; onberekenbaar waren daarvan de gevolgen geweest!
  Met den schrik en een groot vijftigtal onbruikbaar geworden geweren kwamen wij er af. Toen alles weer in rust was, behalve dat men nog nu en dan de brullende stem des majoors hoorde, die door dit toeval schrikkelijk uit zijn humeur was geraakt, begaven wij ons weer ter ruste en vervolgden onzen slaap.



XIX. EERVOLLE TERUGTOCHT.

Zondag den 14den Augustus 1831.

  Omstreeks acht uur trokken wij wederom den Tirlemontsche poort uit en marcheerden dezelfden weg teug welken wij gekomen waren, namelijk langs de dorpen Korbeek en Louvensouin. Toen wij op een stuk land rust hielden werd er eene legerorder uitgevaardigd en ons voorgelezen van wege den Kroonprins, waarin hij ons voor onze moed, trouw en standvastigheid bedankte en ons verwittigde, dat hij op voor ons voordeelige conditin, eene overeenkomst met de Franschen had gesloten, volgens welke wij, met kleine dagmarschen de terugreis naar de Oud-Hollandsche grenzen zouden aanvaarden. Niettegenstaande wij den vijand gaarne tot in Brussel zouden vervolgd hebben, was ons echter deze tijding niet geheel onwelkom, daar wij uit deze order meenden te kunnen opmaken, dat het sluiten van eenen voor ons voordeeligen en eervollen vrede, de genoegdoening zoude zijn voor doorgestane ellenden, zoodat wij dus hoopten, dat wij, eerland tot onze betrekkingen teruggekeerd zijnde, onze vorige loopbaan zouden kunnen vervolgen, met het streelend gevoel, dat ook wij iets tot het heil des vaderlands hadden medegewerkt.

  Na eerst onze geweren afgetrokken (ontladen) te hebben, - want wij waren nu als het ware niet meer in een vijandelijk land en behoefden nu niet meer te vechten, - trokken wij den volgenden morgen terug naar den straatweg en marcheerden naar Thienen.
  Hier vernam ik van eenige lanciers, bij welke eenige academiekennissen van mij als vrijwilligers dienden en die patrouille hadden gemaakt, dat verscheidene boeren, met jagtgeweren gewapend, zich bijn verzamelden, met welk oogmerk wist men niet; echter vermoedde men, dat het een slecht doel zoude hebben. Hierdoor ontstond veel beweging en drukte in de stad, zoodat men uit alles begrijpen kon, at er iets gaande was. Wij hielden appl en hierna kreeg ik, met de kapiteins Alta en Schwartsenberg order om met onze kompagnin 's nachts op de markt te bivouakkereeren, tegelijk met drie kompagnin der 13de en drie kompagnin der 8ste afdeeling. Dadelijk zond ik mijnen oppasser naar mijnen vriendelijken gastheer, met het berigt, dat ik helaas niet van zijnen welvoorzienen wijnkelder kon profiteeren, maar dat hij mij uiterst aangenaam zoude zijn, indien hij mij n twee lekkere flesschen met wat eten op de markt wilde laten brengen. Hij zond mij het gevraagde dadelijk, hetgeen ik met mijne collega's smakelijk in het koffijhuis consumeerde. De kolonel Sprenger van het reserve-bataillon der 8ste afdeeling, welke het commando over dit bivouak had, maakte zich gereed om en nacht in de herberg te blijven bivouakkereeren, waartoe ik hem van ter zijde liet merken dat ik ook wel neiging gevoelde. Hij gaf mij hiertoe ook dadelijk permissie, zeggende dat er genoeg wachthebbende manschappen op de markt lagen, die ons, in tijd van gevaar, wel zouden waarschuwen. Ik ging nog eens naar mijn kompagnie, maar alles, tot officieren toe, lag reeds in de diepste rust op de straatsteenen, alleen onder het hoofd een weinigje stroo hebbende. Wij lieten ons beddegoed op den grond uitspreiden, waartoe harde woorden noodig waren om den kastelein te bewegen, want nu moest hij zelve, volgens zijn zeggen, op stroo kruipen. Evenwel kwam het eer en weldra sliepen wij als rozen. Het bivouak, op tamelijk goed beddegoed en onder dak, beviel ons beter als op stroo onder den sterrenhemel.
  Alles was reeds op de been, toen wij ons kermisbed verlieten. Wij aten eene boterham, dronken wat koffij en wandelden wat op de markt heen en weder.
  Langzamerhand kwamen alle troepen op de markt bijeen, om vervolgens de stad te verlaten. Ook kwam er eene menigte burgers bij elkanderen, schaarde zich bijeen en zag ons op verre na niet met vriendelijke oogen aan. Nu en dan mengden zich ook enkele Belgische soldaten, die zich, nu de wapenstilstand was gesloten weder durfden vertoonen en weer stadwaarts kwamen, onder de burgers. Deze soldaten waren meest jagers met kielen aan, zoomede in uniform gekleede jagers met hooge chacots op, waarvr een gouden jagthoorn was geschilderd.
  Tegen acht uur kwam de maarschalk Gerard met eenen Franschen dragonder achter zich te paard aanrijden en stapte bij het hotel "du plat d'tain" af. Toen deze generaal aankwam zag men het vergenoegen op die verzamelde burgerschaar uitblinken. Zij wilde hare vreugde door een luid geroep te kennen geven, maar hij wenkte om het niet te doen. Doch hoe vreemd stonden zij te kijken, toen men door het opgeschoven venster zien kon, hoe vriendschappelijk deze Franschman en de Prins elkander de hand gaven. Dit had men niet verwacht!
  Toen eindelijk de Fransche troepen de stad binnen trokken, verlieten wij dezelve in de grootste orde, zoodat de Fransche generaal, die ons zag vertrekken, den Prins een compliment maakte over de exercitin en het krijgshaftig voorkomen zijner soldaten en schutters.



XX. TERUGKOMST IN 'T VADERLAND.

Zaterdag den 20sten Augustus 1831.

  Na mij wat verwarmd - en zoo goed en zoo kwaad het dan was, ontbeten te hebben, marcheerden wij eerst weer naar den straatweg en vervolgens naar het kleine dorpje Laar, alwaar de Groninger schutterij had overnacht en nog iemand gevangen genomen, die op haar had geschoten.
  De lucht begon donker en mistig te worden, het schoone weder, dat ons tot nu toe steeds begunstigd had, was voorbij. Het regende reeds toen wij de dorpen Helchteren en vervolgens Hechtel passeerden. Bij het laatste dorp bleven wij eenigen tijd rusten en verkeerden in den waan, dat wij hier zouden overnachten. Wij hadden echter deerlijk misgerekend! in het denkbeeld dat wij onzen marsch voor dezen dag hadden afgelegd, wenschten wij, met een inwendig genoegen, de Groningers, die hunnen weg rechts van den straatweg vervolgden, eene goede reis, maar leelijk stonden wij op onze neus te kijken, toen er appl geslagen werd en wij hen moesten volgen!
  Het regende nog al voort, alsof het met emmers uit den hemel gegoten werd; doch de hoop dat het dorp, welks toren wij op eenen verre afstand vr ons boven de boomen zagen uitsteken, ons wel een herbergzaam dak zoude aanbieden, wakkerde onze beenen wat aan; maar te Exhel (dit was de naam van het dorpje) gekomen, vonden wij ons al weder bedrogen; wij moesten nog al verder! een bataillon der 13de afdeeling had het reeds bezet. Wij kregen hier den grooten troost, dat wij nog wel vier uren verder moesten marcheeren. Op het hooren van deze mare, werd ons volk ongeduldig en vloekte geweldig, dat men de afdeeling kortere marschen liet doen dan de schutters. We trokken Exhel om en liepen machinaal voort tot aan Over-Pelt. De weg was moeijelijk en oneffen en de landsdouw leverde niets bekoorlijks op, hetgeen anders een langdurigen en vermoeijenden marsch nog al verkort; maar hier was het land dor en schraal. Hier zoude het Groninger bataillon nachtverblijf houden en ook wij bleven hier een oogenblik rusten, hetgeen zeer ontstaatkundig van den majoor was, want daar het zoo regende kroop alles dadelijk in de herbergen, welke hier in overvloed te vinden waren, zoo lang tot zij vol waren. Hoe groot ook mijn trek naar wat brandewijn of genever was, ik kon niets krijgen, alle herbergen waren z bezet, dat er geen levens wezen meer in kon. Toen er weer appl geslagen werd, marcheerden wij af, met degenen, die geen plaats in de herberg konden krijgen; de overigen bleven zitten; alles was in de war; de kompagnin onder elkander vermengd en een groot gedeelte in de kroeg te zuipen. Ik deed nog mijn uiterste best om het volk uit de herbergen te halen, maar toen ik zag dat de majoor weg reed en zich niet bekreunde om dezen warwinkel in orde te brengen, liet ik ook mijne pogingen staken en marcheerde door.
  Zoo kwamen wij al bij gedeelten in het dorp Neer-Pelt, een schoon groot dorp, ook weder met een brillante nieuwe kerk en toren. De plasregen hield steeds aan, zoodat ik in den volsten zin des woords geen drooge draad aan mij had; het was alsof ik een geruimen tijd in het water had gelegen. Mijn mantel, welke ik omgeslagen had, drukte als lood op mijne schouderen, het water stond mij in de laarsen en bij iederen voetstap sprong het water uit de kappen tegen mijne kuiten aan. De wegen waren bijna niet te passeeren.
  Eindelijk kwamen wij, geheel bemodderd, doornat en zeer vermoeid te Achel, het doel van onze reis, aan. Nimmer heb ik een langduriger en meer vervelender en vermoeijender marsch gehad als deze. Gelukkig dat wij niet behoefden te bivouakkeeren, maar billetten van inkwartiering ontvingen. Ik was z afgemat dat ik mij niet met het uitdeelen der billetten bemoeide; hiervoor liet ik mijne officieren en onder-officieren zorgen, te meer daar er nog zoo vele manschappen waren achter gebleven. Ik kreeg met den kapitein Alta een billet bij den koopman Simons, alwaar nog twee officieren van de lanciers waren ingekwartierd, onder anderen eenen Graaf van Bijland, wiens vader, de generaal van denzelfden naam, het kommando in Brussel voerde tijdens het uitbarsten der onlusten. Ik trok dadelijk mijne laarzen en kousen uit om te droogen, trok een paar kousen, klompen en jas van mijn hospes aan en liet mijne onderkleederen ter drooging aan de warmte van mijn eigen lichaam over.
  De koopman Simons tracteerde ons op een goed diner en vooral op lekkere warme soep. Na het eten liet ik een groot vuur aanleggen, lag mij op een paar stoelen voor het vuur en viel in een zoeten slaap. Na wat uitgedampt en uitgerust te zijn, dronken wij gezamentlijk een kopje koffij en een glas wijn, praatten wat en gingen vroeg naar bed.
  Na 's morgens opgestaan te zijn en ontbeten te hebben, sloeg de trommel reeds de vergadering, toen het nog maar even licht begon te worden. De lucht was nog betrokken, hoewel het niet regende.
  Even gelijk een schipper, na langen tijd met stormen en onweders te kampen gehad te hebben, met blijdschap de kusten van zijn vaderland aan den horizon ziet blaauwen, zoo verheugd was ook ik, toen wij, buiten het dorp Achel op een groote heide gekomen, aan de overzijde van dit uitgestrekt heideveld de bosschen van Noord-Braband en den toren van Valkenswaard in het verre verschiet zagen. Aan de linkerzijde lieten wij nog een torenspits in een bosch liggen, waarschijnlijk eene kapel en zoo stevenden wij de heide dwars over, recht op Valkenswaard aan.
  Aldaar gekomen hielden wij eene korte rust, en wenschten elkanderen geluk met de behoudene terugkomst in ons vaderland. Doch hoe zonderling hoorden wij op toen wij order kregen, om onze voormalige kantonnementen van Zeelst, Veld- en Meerveldhoven wederom te betrekken. Wij hadden zoo vast geloofd dat het vrede was en wrom dan kantonnementen te betrekken en niet dadelijk den terugmarsch naar onze provincin aanvaard? Deze order vernietigde inns onze gelooven, dat, zoo het nu dan nog geen vrede was, hij evenwel schielijk zoude volgen, en hiermede troosteden wij ons.
  Wij passeerden nog het dorp Waalre en zoo trokken wij, langs een schoonen boschrijken wandelweg, onder begunstiging van het fraaiste weder, op Zeelst aan.
  De 3de, 4de en een gedeelte van mijne kompagnie, onder den luitenant Bokma, marcheerden naar Veldhoven, de 6de kompagnie naar Meerveldhoven, 1ste, 2de en het overige gedeelte van mijne kompagnie naar Zeelst, alwaar ik met den luitenant Felting der 1ste kompagnie bij den schoolmeester werd ingekwartierd.



XXI. HET INQUISITOIR TEGEN DEN MAJOOR.

Augustus 1831.

  Geheel onverwacht kwam de kolonel Hoorn, commandeerende onze afdeeling het commando van den majoor Kirchner overnemen. Na de overname liet hij alle officieren, uitgezonderd den majoor bij zich komen en tot onze groote verwondering hoorden wij, dat het ter kennisse van het Ministerie van Oorlog was gekomen, dat wij niet in de beste verstandhouding met onzen majoor leefden, weshalve de kolonel gezonden was, om provisioneel het commando over te nemen en de grieven op te nemen, welke er tegen den majoor bestonden en die hij ons verzocht des avonds schriftelijk aan zijn huis te bezorgen, teneinde die grieven aan het Ministerie van Oorlog bekend te maken. Wij vereenigden ons des avonds allen in conferentie ten huize van den molenaar te Meerveldhoven, als hebbende het ruimste lokaal en stelden het volgende opstel op:

    Aan den Heer Kolonel, kommandeerende de 1ste afdeeling Friezen.

  "Door U HoogEdelGestrenge in de gelegenheid gesteld om op te geven de oorzaken, waardoor tusschen den heer majoor, kommendeerende ons Bataillon en het meerendeel der officieren niet zoodanig eene harmonie bestaat, als wel voor het belang van den dienst en het genoegen van het corps officieren wenschelijk zoude zijn, hebben wij ondergeteekenden, officieren bij het 2de bataillon, de eer U HoogEdelGestrenge de volgende bemerkingen aan te bieden, die wij minder als rechtsreeksche beschuldigingen tegen onzen bataillons kommandant wenschen beschouwd te zien, dan wel als bescheidene aanmerkingen op Zijn WelEdelGestrengens doorgaande wijze van zich jegens het korps officieren en zijne inferieuren in het algemeen te gedragen.
  De aard der Friezen is oprecht en ongeveinsd, gewillig volgen zij dengenen, met genoegen luisteren zij naar hm, die hen met zachtheid en bescheidenheid den weg wijst, hun hunne fouten met zachtmoedigheid onder het oog brengt en hun de middelen aantoont om die te verbeteren, hen in die verbetering aanmoedigt en opbeurt. Doch der Friezen aard is tegelijk fier en op den minsten zweem van ongelijk of minachting, ligt in toorn ontstoken. De beste raadgevingen, maar op eenen norschen, bedilzieken toon voorgesteld, missen bij hen zeker het doel en verbitteren alleen, zonder te verbeteren.
  Bij de oprigting van ons bataillon waren de officieren, onderofficieren en manschappen genoegzaam alleen even onbedreven in hun respectieve dienstpligten en hadden allen even zeer leiding en onderrigt noodig; maar het karakter en de doorgaande manier van omgang van den heer Bataillons-kommandant was, vermeenen wij, ongeschikt om die leiding en dat onderrigt vrugten te doen dragen.
  De heer Bataillons-kommandant is gewoon zich op eene zeer korte en haastige - dikwijls vrij onbevattelijke wijze uit te drukken; zich over traagheid in de uitvoering van kwalijk begrepene bevelen schielijk te vertoornen; uit te varen over vaak nietige kleinigheden; tengevolge van eigene zwaarmoedigheid, zelden eenen last, dien de dienst met zich brengt, te verligten en door opbouwende goedheid gemakkelijk te maken, maar veeleer die te verzwaren en haar meer drukkende te doen worden. Zoodanige handelwijze, gevoegd bij een volslagen gebrek aan aangenaamheid in den omgang buiten den dienst, - daar de heer Bataillons-kommandant alle aanraking en vriendschappelijke verkeering met de officieren in het algemeen veel meer scheen te vermijden dan gemakkelijk te maken, - moest natuurlijk eene verwijdering, of liever eene verhindering van alle toenadering tusschen Zijn WelEdelGestrengen en het corps officieren, tengevolge hebben, en beletten, dat de laatsten van de ervaring, diens ijver en de uitgebreide militaire kundigheden des eersten, de gewenschte vrugten plukten.
  Zoo heeft norschheid en onvriendelijkheid aan den eenen - dikwijls traagheid en onvolgzaamheid aan den anderen kant te weeg gebragt en veel goeds verhinderd. Dat dit alles op het gansche bataillon nadeelig moest werken, ligt in den aard der zaken. Werden de officieren, dikwijls in het bijzijn en ten aanhore hunner onderhebbenden, op eenen onbeschoften toon afgezet, wat had de onderofficier - wat de schutter te duchten, doch ook, hoe nadeelig moesten zulke publieke bestraffingen werken op den eerbied, die de minderen hunne meerderen behooren toe te dragen, zoo er eene ware ondergeschiktheid zal bestaan?
  Indien er nog eenige toenadering tusschen den heer majoor en het corps officieren bestaan heeft, de laatste veldtocht heeft de klove wijder dan ooit doen gapen.
  Dr was het, dat jonge onervarene krijgslieden in hagchelijke - gevaarvolle oogenblikken een woord van opbeuring, van bemoediging, een helder uitzigt in het verschiet behoefden; maar ook dr vonden zij bij hun opperhoofd niets dan den gewonen, kouden, terugstootenden toon des bevels, hetgeen nog wel eens verwarring in de gelederen bragt, zoo het al gehoord werd; dr kwam hun, na het doorstaan der gevaren, steeds dezelfde ijskoude bedilzucht tegen, van hm, die zich nimmer mede verheugde, die nimmer mede leed.
  Ziehier, HoogEdelGestrenge Heer! wat wij, gebruik makende van eene gelegenheid ons aangeboden, vermeenden ter kennisse van U HoogEdelGestrenge te moeten brengen. Wij herhalen het, minder om den heer majoor te beschuldigen, dan wel om de oorzaken van het gebrek aan harmonie onder ons, naar ons beste weten open te leggen.
  Wij zouden over de scherpe punten in het karakter van onzen chef liever eenen sluier hebben geworpen, ware niet, door al het voorgevallene, de dienst voor ons zoo onaangenaam geworden en het bestaande gebrek zoo zeer ingeworteld, dat een dragelijk verkeer tusschen ons in de toekomst bijna tot de onmogelijkheden behoort en een gedwongen proeve daarvan genomen, voor het bataillon niet dan nadeelig zou kunnen zijn.

Zeelst etc.
(Volgen de onderteekeningen van alle presente officieren.)



XXII. HERADEMING.

  De zon van vreugde en genoegen scheen met de komst des kolonels, voor ons te zijn opgegaan. Eene geschikte kamer werd er in het dorp uitgezocht, gehuurd en tot eene societeit ingerigt. Eene geschikte, zindelijke, niet onknappe marketentster werd als waardin aangesteld en zoo zaten wij 's morgens en 's avonds in de grootste harmonie, onder een levendig gesprek, onder vrolijke scherts, of onder het leggen van een kaartje of van een ander spel genoegelijk bij elkander, ons verheugende over de vrijheid, welke wij thans genoten. De gedetacheerde officieren behoefden nu geene permissie meer te vragen, om hunne kameraden op andere dorpen te bezoeken. Wilden wij onzen tegenwoordigen chef genoegen doen, dan moest ieder officier van het bataillon zich 's avonds in de societeit laten vinden, alwaar steeds eene luidruchtige vrolijkheid heerschte, en zoo sleten wij aldaar genoegelijk onze dagen. Terwijl wij hier gekantonneerd lagen, kort na onze terugkomst in het vaderland, had er op eene nabij gelegen heide eene groote inspectie plaats van de 2de en 3de divisie infanterie en eene divisie cavallerie, met de artillerie bij die divisin behoorende, voor het geheele Koninklijk gezin. Schooner inspectie als deze, kort na den Tiendaagschen veldtogt, werd er waarschijnlijk nimmer in Nederland gehouden. Zichtbaar aangedaan was de Koning en vooral de Koningin, die gedurig de tranen, welke van aandoening hare wangen besproeiden, met haren zakdoek afdroogde. Ik verheugde mij, dat zulke inspectin niet dan hoogst zeldzaam voorvielen, want voor een bloot toeschouwer mogen zij een overheerlijk schouwspel opleveren, maar voor dengene die er een werkend lid van uitmaakt, zijn zij bij uitstek vervelend en lastig.
  Als ik mij niet bedrieg kregen alle onder-officieren en manschappen van den Koning een dag tractement, hetgeen zeker over al die duizenden tezamen genomen, nogal een aanzienlijk sommetje zal hebben bedragen.
  Den 30sten Augustus ontving ik order om met mijn halve kompagnie naar Meerveldhoven te marcheeren, in aflossing der 6de kompagnie, welke naar Oerle werd gedetacheerd. Ik werd met mijnen tweeden luitenant Kool en den tweeden luitenant van Sloterdijck der 2de kompagnie, ingekwartierd bij den molenaar.
  Wij hadden hier niet alleen eene ruime vrolijke kamer en een zuiver bed of ledikant, maar ook heerlijk eten, zoodat ik zelden op een dorp in Noord-Braband beter ingekwartierd ben geweest.
  Den 19den September ontving ik verlof om voor den tijd van veertien dagen mijne familie te bezoeken. Mijn vader, onwetend van mijn komst, was met de geheele familie verheugd over mijn overwacht bezoek.
  Na vier dagen bij mijnen vader en bij mijne familie te hebben doorgebragt, reisde ik terug op Groningen en van dr op Dokkum en Leeuwarden. Nu wilde men mij overhalen om op Groningen terug te reizen, teneinde den intocht der vrijwillig uitgetrokken studenten te zien. Om menigvuldige redenen gevoelde ik wel neiging hiertoe, maar dan kon ik op den bepaalden tijd bij het leger niet terug zijn. De pligt moest hier echter voor het genoegen wijken en zoo nam ik dan den contra-marsch op Groningen aan! Ik zag hier den intocht der studenten, waaronder mijn broeder Dominicus, sprak onder hen nog menigen academievriend en genoot gedurende twee dagen in Groningen de reinste genoegens, zoodat ik niet dan met leedwezen de reis naar het onvriendelijke Noord-Braband wederom aanvaardde.
  Gelukkig kreeg ik op den beurtman te Harlingen den kapitein Alta en den 2den luitenant Molanus, die ook met verlof waren geweest, tot reismakkers. Op eene ongelukkige, langdurige, doch zonderlinge manier reisde ik met den beurtman van Harlingen, over Amsterdam, Utrecht, Gorkum, Woerkum, Heusden (waar ik mijnen voormaligen leermeester Seret een bezoek bragt) den Bosch en Eindhoven en kwam den 6den October bij het bataillon terug, maakte duizend verontschuldigingen bij den kolonel, wegens mijn te lang uitblijven, smeet de schuld op weer en wind, maar met een lagchend gezigt zag hij mij aan. Ook ik begon te lagchen en lagchende nam ik afscheid van hem, mij beklagende, dat ik er nog niet een paar dagen bij had aangeknoopt.
  Gedurende mijn afwezigheid had er eene voor ons allen hoogst aangename verandering bij het bataillon plaats gehad, namelijk, tengevolge van onze ingediende Nota, ontving de majoor Kirchner verlof en vervolgens eervol ontslag. Den 24sten October werd zijne ledige plaats vervuld door den heer majoor Arendsma, die van te voren een bataillon der 8ste afdeeling had gekommandeerd. Hij was een oud soldaat, die reeds onder Napoleon in Spanje had gediend. Aangenaam was ons deze verwisseling, daar de meesten den majoor Arendsma kenden, als hebbende langen tijd te Groningen en Leeuwarden in garnizoen gelegen.



XXIII. GEWAPENDE VREDE.

31 Maart 1832.

  Den 31sten Maart werd ik, omstreeks drie uur in den nacht, uit mijnen zoeten slaap gewekt, door het getrappel van paarden, door het geblaf van Murk en door het daaropvolgend vreeselijk kloppen op de glazen en z ontving ik het berigt, dat het bataillon 's morgens om acht uur vertrekken moest.
  Daar de tijdingen sedert eenige dagen meer oorlogzuchtig waren en ik in den laatsten tijd zooveel geheimzinnigs hoorde en zag, dacht ik in het eerst, dat het weer op Belgi los zou gaan en van dit gevoelen waren de meesten. De vrouwen die bij het bataillon waren, moesten terstond vertrekken, onder anderen de vrouw van den kwartiermeester, die, sedert het kantonnement te Zeelst, altoos haren man was gevolgd, werd onder een verschrikkelijk gesnik en gehuil op een kar gezet en naar den Bosch getransporteerd. Doch naderhand vernam ik, dat het slechts eene kantonnementsverandering was. De 1ste kompagnie ging naar Rijthoven, de staf en de overige kompagnin naar Eersel en ik met mijne kompagnie werd gedetacheerd naar het kleine dorpje Duizel, slechts een klein kwartier van Eersel af gelegen. Op dezen dag had er geheel onverwacht eene beweging bij de arme plaats, tengevolge van eene beweging bij de Belgische arme. Alles rukte bij ons meer naar de grenzen en de grensdorpen werden aanmerkelijk versterkt. De Belgen, deze beweging voor iets oorlogzuchtigs aanziende, trokken hunne troepen dadelijk oever de rivier de Nethe terug, verzamelden eene groote magt in Antwerpen, daar zij geloofden, dat deze stad een punt van aanval zoude worden en braken de bruggen over de Nethe af.
  Om acht uur stond het bataillon ten afmarsch gereed. Wij marcheerden over het groote dorp Hoogeloon, hetwelk door de 1ste kompagnie was bezet geweest, ieder naar zijne bestemming.
  Ik werd met mijnen luitenant Kool ingekwartierd bij den burgemeester Panke. Otterloo en Bokma logeerden bij den schoolmeester. De burgemeester Panke was een der kundigste burgemeesters, die ik in Noord-Braband had leeren kennen, maar hij zelve wist zijne kunde ook al te goed en was extra verwaand, Wij hadden het hier uitstekend. Men deed alles wat met kon om ons pleizier te doen. De juffrouw Panke, vr zij getrouwd was "wilde Mie" genaamd, was nog eene hupsche vrolijke vrouw en kookte en bakte voor ons dat het een lust was. Als wij maar een wenk gaven, dat wij het een of ander gaarne lusten, dan was het er ook den volgenden dag. Maar zij bezat juist niet het meeste verstand om alles even goed klaar te maken. Zoo aten wij er dikwijls pruimetaart, die veel te wenschen overig liet en wafelen, die wel eenigzints de gedaante hadden, maar ter dikte van gerezen pannekoeken, om eenigermate op zijn Oostersch uit te drukken. Den goeden wil van de menschen kon men echter uit alles opmerken.
  Aangename wandelingen leverde Duizel in menigte op; vooral toen wij wat verder in den tijd kwamen en het eerste zachte groen onder een milden zonneschijn voor het licht kwam, wandelden wij menigmalen door die kleine kreupelboschjes, welke het geliefkoosd verblijf der nachtegalen schenen te zijn, die vooral 's morgens en 's avonds als om strijd hunne stemmen verheften.
  Merkwaardigs leverde dit anders geringe dorpje niet op, behalve een paar majesteuese zware eikenbomen. Ook is hier een stapelplaats van bloedzuigers. Er woont hier namelijk een koopman, die door het geheele Rijk en voornamelijk aan de Rijkshospitalen, zijne bloedzuigers verzendt. Deze koopman krijgt zijne waar uit Bohemen en Polen, bij zakken vol. Hij bewaart deze diertjes in twee groote kommen, waarvan er een in de heide en een in of bij het dorp ligt. Zoodra men maar even met een stok in het water roert, ziet men deze diertjes niet bij duizenden, maar bij millioenen voor den dag komen. Ik gooide wel eens een kikvorsch midden in de kom, maar het arme beest was nog niet halverwege den wal, of de bloedzuigers hechten zich reeds in zulk een groot aantal aan hetzelve vast, dat men niets van den geheele kikvorsch kon zien en hij op eene ellendige wijze den dood vond; zelfs kropen ze hem in den bek. De schutters, die geloofden dat men des zomers niet gezond kon zijn, of men moest in het voorjaar even gelaten worden, plaatsen een drietal bloedzuigers in de vouw van den elleboog (als zijde de plaats waar het bloed uit moest, zoude het wat helpen) om de aderlating te vervangen. Ik kwam eens bij een zieken schutter en vond hem met eene geheele kraag van bloedzuigers om zijnen hals; misschien had hij er wel dertig aan hangen. Hij was geweldig met klieren aan den hals gekweld, had reeds lang gedokterd en was nu, op raad van een anderen schutter, begonnen om eene quantiteit bloedzuigers aan den hals te zetten, met dt gelukkig gevolg, dat onze patient genas.
  De nabijheid van Eersel, waar eene goede societeit met een billard was, maakte het kantonnement van Duizel niet minder aangenaam.
  Na hier eenige weken genoegelijk doorgebracht te hebben, ontvingen wij order om wederom van kantonnement te verwisselen en wel met Soerendonck, Maarheeze en Sterksel.
  Den 26sten April kwamen wij vermoeid op onze bestemming aan. Toen de billetten uitgegeven waren (ik kwam bij een oude matrone van drie en zeventig jaar) was mijn eerste werk den burgemeester bij mij te ontbieden en hem eene geweldige afjakkering te geven, daar hij zich had durven vermeten mij een dronken veldwachter te zenden, on plaats van zelve bij mijn arrivement tegenwoordig te zijn. Want daar het dorp zoo kort op de grenzen lag, tot nu toe steeds onbezet was geweest en in eenen slechten naam stond, had ik geheime instructies om hier wat despotiek te handelen en deze gelegenheid kwam mij niet ongeschikt voor, om mij al dadelijk wat gevreesd te maken. De burgemeester trilde als een blad aan den boom toen ik zoo hevig tegen hem begon uit te varen, dat ik zelve bijna het lagchen niet kon laten, te meer daar ik er niets van meende.
  Hij werd z bang voor mij, dat die achtbare heer vervolgens alle morgens negen uur persoonlijk bij mij kwam, om te vragen of er ook iets van mijne orders was, en 's namiddags den veldwachter zond met dezelfde boodschap.



XXIV. VAN EEN INHALIGEN BROUWER EN EEN VREESACHTIG PASTOOR.

Den 26sten April 1832.

  Ik had een slecht kwartier getroffen. Ik woonde in eene donkere, sombere kamer, met ouderwetsche meubelen, afbeeldingen van heiligen, crusifixjes en ander kloosterwerk versierd. Ik sliep op een slecht bed en werd bovendien nog door een legio muizen en vlooijen op eene onaangename manier in mijnen slaap gehinderd. Mijne drie en zeventig jarige hospita was ook eene slechte keukenmeid en hare lelijke dienstmaagd, die bijna dagelijks met neusbloedingen was aangehaald, verstond evenmin de kunst om het eten smaakvol klaar te maken.
  Een stuk spek, (dat zoolang ik er in kwartiering heb gelegen, dagelijks op tafel kwam, tot Murk er een eind aan maakte), eene tractatie bestaande in ellendig gebraden en mager Belgisch kalfsvleesch (brood en vleesch kwamen hier meest uit het Belgisch stadje Hamont of uit Weert), roode aardappelen en keelen (het loof van knollen) waren mijne dagelijksche kost en hetgeen ik den eenen middag niet gebruikte werd mij den volgenden middag weer voor den neus gezet, en f ik al mooi praatte, f raasde en tierde, er zat geen veranderen op, daar er in het dorp niets te krijgen was, zoodat ik mij vergenoegen moest bijna dagelijks restjes-dag te houden. Overigens waren de manschappen er beter ingekwartierd als in vorige kantonnementen.
  Mijn volk had hier echter zulk een zwaren dienst te verrigten, dat het bijna ondoenlijk was, zoodat ik aanvraag deed om eene kompagnie versterking, met het gevolg, dat mij de 4de kompagnie tot ondersteuning werd gezonden. Alle schutters sliepen in vier daartoe ingerigte schuren en eene geheele kompagnie deed ;s morgens de veld-ontdekking, terwijl de andere kompagnie onder de wapenen stond. Nu en dan zagen wij 's morgens ook de vijandelijke veld-ontdekking en een paar malen kwamen wij z digt bij elkanderen, dat wij, elk aan een kant van de grensscheiding staande, met elkander konden spreken. Bijna dagelijks had ik spionnen naar het een groot half uur van hier gelegen Belgisch stadje Weert.
  De eerst volgende maanden wisselden wij herhaaldelijk van kantonnement. Een enkele maal ging ons vertrek met minder prettige ervaringen gepaard. Zoo gebeurde het 's daags voor mij Mierlo zouden verlaten, dat wij om de rekening vroegen, maar onze gastheer met zijn beide reeds bejaarde, altoos sukkelende zonen, maakte ons zulk eene verschrikkelijke hooge rekening, dat wij dezelve niet verkozen te betalen, hetgeen tot een geheelen woordenstrijd aanleiding gaf. Onze hospes rekende voor iederen dag een gulden kostgeld, voor elke flesch wijn vier en twintig stuivers, voor een gast een gulden, voor ieder, die, al was het slechts en passant, bij ons thee of koffij dronk (en dat gebeurde bijna dagelijks) een dubbeltje etc. Toen wij deze rekening ontvingen, schreven wij er ook eene en vroegen onzen waard, of hij op deze billijke wijze (er kwam de goede helft af) geld wilde ontvangen, zoo niet, dat wij dan niet verkozen te betalen. Den volgenden morgen kwam de brouwer gesterkt door zijne beide zieke zoons, waarvan de een het bestuur over de huishouding op zich had genoomen, zoomede door de brutale meid, ons zeggen, dat hij de volle betaling eischte van hetgeen hij vroeg, of dat hij ons in regten zoude aanspreken, al zou het zijn geheele vermogen kosten. De man maakte zich schrikkelijk driftig, werd brutaal en begon te schelden (vooral op Alta, die trouwens een ongemakkelijke gast in het kwartier was). Wij daarentegen bleven lang bedaard en phlegmatiek, hetgeen een zonderling contrast opleverde. Lang betitelden wij hen in onze woordenwisseling met "mijne lieven menschen" en zij ons met "beroerde bl....s", tot het eindelijk te erg werd, als wanneer ook wij harde woorden begonnen te spreken en het zou tot dadelijkheden zijn gekomen, zoo niet de geheele brouwerlijke familie in tijds onze kamer had verlaten, waarna wij, zonder betaald te hebben, vertrokken.
  Op den 16den Julij trokken wij terug op Mierlo, door de 3de en 4de kompagnie afgelost wordende. Het spreekt van zelve, dat ik nu mijn intrek niet weer bij den brouwer nam, maar bij den pastoor, die nabij de Kerk, een half kwartier buiten het dorp woonde. De pastoor was een klein mannetje met zwarte doordringende oogen. Ik logeerde in een klein, zeer net voorkamertje en leefde niet en famille, zooals ik gewoon was, maar afgezonderd. Zoo at ik ook 's middags alln, om twee uur, terwijl de pastoor om twaalf uur at. Den eersten middag dat ik aankwam, kwam de pastoor, terwijl ik zat te eten, bij mij met een flesch onder den arm, om kennis te maken, hetgeen mij al terstond voor hem innam. Hij was ook, hoewel niet opgeruimd van humeur, voor een pastoor een zeer geschikt man. Hij had eene geweldige vrees voor cholera en at daarom geen kersen, geen kruisbessen etc. niets van dat alles, hetgeen hij anders in overvloed in zijnen grooten tuin had en waaraan ik mij, trots alle cholera's heerlijk te goed deed. Kort echter duurde mijn verblijf bij dezen pastoor. Zaterdag den 21sten verspreidde zich het gerucht, dat wij den volgenden dag kampwaarts moesten trekken. Eenige officieren, behoorende bij de 2de divisie, trokken Mierlo door om kwartier voor hunne troupes te maken te Asten, Zomeren etc. en vertelden ons, dat het gerucht liep, dat zij en de geheele 2de divisie naar Maastricht zouden trekken, om levensmiddelen te escorteeren.
  Over het geheel waren de tijdingen sedert eenigen dagen vrij wat oorlogzuchtiger.
  Zooals wij wel verwacht hadden, kwam dan ook 's middags de order om den volgenden dag naar het kamp op te rukken, waarvan wij anders gehoopt hadden verschoond te zullen blijven.
  Toen de brouwer hoorde, dat wij den volgenden dag zouden vertrekken, liet hij mij door mijnen 1sten luitenant van der Laan, die toen bij hem ingekwartierd lag, weten, dat hij mij nog gaarne eens wilde spreken. Ik, die om alle onaangename en lastige gevolgen te vermijden, gaarne eene geschikte gelegenheid aangreep, om de onderhandelingen weder aan te knoopen, kwam tot de ervaring, dat, indien de onderhandelingen te Londen niet minder schielijk afgeloopen waren, ons vaderland reeds lang het geluk had mogen gevoelen van eenen gewenschten vrede. Na wat over en weer gepraat te hebben vonden wij eindelijk goed, dat hij vrij wat van de rekening zou laten vallen en wij er wat bij zouden doen, namelijk bij onze gehalveerde rekening, en zoo troffen wij, zonder veel gehaspel, een accoord en betaalde ik hen, ook voor mijnen collega Alta, waarna wij tenminsten in schijn als goede vrienden van elkander scheidden.



XXV. HET KAMP BIJ OIRSCHOT.

Den 22sten Julij 1832.

  In het eerst leverde het kamp ons vele genoegens op. Het ongewone van dit aards-vaderlijke leven, de levendigheid en de beweging die men overal zag, het verschil van gezelschap en duizend andere dingen meer gaven ons afleiding en hielden ons bezig. Daarenboven hadden wij eene heerlijke societeit, welke, omdat zij misschien de grootste van het geheele kamp was, de vergaderplaats van eene menigte, ook vreemde, officieren was. Wij aten er gezamentlijk (namelijk alle officieren van ons bataillon) en z heerlijk, dat men het aan de beste tafel niet beter wenschen kon en ook 's avonds was het daar doorgaans ons vereenigingspunt, hoewel wij dan ook wel tot afwisseling, andere societeiten of cantines bezogten.

  Onze tenten lieten niets te wenschen overig. Als het goed weer was hadden wij Zondags den vrolijksten dag, omdat wij an van eene menigte vreemdelingen bezoek kregen. Gewoonlijk echter (het was of de drommel er mede speelde) regende of woei het Zondags zdanig, dat wij niet alleen geene vreemdelingen of burgerlieden zagen, maar zelfs bijna geene schutters of militairen, iedereen hield zich dan schuil in zijne tent en het anders zoo drukke en levendige kamp scheen als uitgestorven en de sedert Maandag reeds gewenschte Zondag veranderde van den vrolijksten in den vervelendsten dag der week. Regen en wind zijn de akeligste plagen die men in het kamp kan hebben. Op een zekeren morgen, dat ik mijne legerstede zoude verlaten, hoorde ik den regen tegen mijne tent met een verschrikkelijke geweld aankletteren. Ik ligtte even mijnen mantel op, om door de openstaande tent te zien, hoe het er buiten uitzag, maar alles scheen mij zoo treurig en akelig toe, dat ik den mantel liet vallen en weer onder de deken kroop en bleef liggen tot het uur van twee mij tot het middagmaal riep. Het weer scheen een ongunstigen invloed op alle gemoederen gemaakt te hebben; aan tafel was ieder stil, bijna niemand sprak een woord en n van tafel opgestaan te zijn, begaf ik mij weer tentwaarts, nam een boek en lag mij in mijne hangmat, die ik een half uur te voren had verlaten, neder, om wat te lezen en verliet dezelve niet eerder vr den volgenden morgen om acht uur.
  Wijn werd er in het kamp meer gedronken dan water. De hoeveelheid wijn, welke er gedurende die zeven weken in dat geringe bestek werd gedronken, zou ongeloofelijk schijnen en niet alleen ordinaire van een gulden de flesch, o neen! had men een gast, dan begon men met een flesch oridinaire, doch vooral niet meer dan n, maar St. Julien, Tatelle en Cantemerle dt waren de eigenlijke soorten, tot dat er "zum endligen beschlus" de vijl voor het licht kwam en hooge zeer spits uitloopende glazen en de champagnekurk met eene geweldige ontploffing tegen den zolder aanvloog.
  In den vravond bleef elk doorgaans in zijne eigene societeit, maar begon het wat later te worden, dan verdeelde de massa zich in drie hoofdafdeelingen. Het bedaarde gedeelte begaf zich naar de respective tenten om wat te eten en vervolgens te slapen. De liefhebbers van het spel gingen naar de cantine van het 2de bataillon Gelderschen, alwaar, todat de morgen aanbrak, de dobbelsteenen in de bak rolden en de een met een vrolijk en de ander met een treurig gezigt zijne tent opzogt. Het derde gedeelte, en dat was niet het kleinste, bestond uit de liefhebbers der vrolijkheid, en deze vervoegden zich gezamentlijk in "de wijnproef". Het vreemde schijnt den mensch het meest te bevallen. "De wijnproef" was eene onderaardsche kelder, doch niettegenstaande er menige ruime, luchtig cantine tot ieders dienst open stond, zoo verkoos men toch dit kleine muffe, onderaardsche hol, verre boven de bovenwereld. Hier was het, dat de ware priesters van Bacchus hunnen god dagelijks, of liever nachtelijks, hulde bragten. Hier ging van 's avonds na negen uur tot ver na middernacht de beker altoos lustig rond; hier hoorde men in de duisternis steeds een verward geschreeuw of een vrolijk gezag van onder den grond oprijzen. Alle avonden was het hier z vol, dat de meeste bezoekers flesch en glas in de hand moesten houden, omdat er geen plaats was om iets ergens neer te zetten en bovendien was er zveel tabaksrook, dat men van het eene eind niet zien kon wie er op het ander eind zat. De zotste klugten, welke ooit vertoond waren, werden door dit drinkend gezelschap ten uitvoer gebragt.
  Hoe vrolijk en genoegelijk de eerste weken in het kamp werden gesleten, zoo ondervonden echter vervolgens velen, dat die vrolijkheid duur gekocht was en bemerkten eene aanmerkelijke reductie in hunne beursen. Nu begon men over verveling te klagen; die witte tenten, die eeuwig dorre heide, die dagelijksch herhaald wordende parades en excersitin, dat wacht-betrekken, ja zelfs "de wijnproef" en meer andere plaatsen des vermaaks, waren z eentoonig en z vervelend, dat men algemeen geweldig naar het opbreken van het kamp begon te verlangen. De 24ste Augustus, de verjaring van den Koning, werd zelfs niet met die hartelijkheid gevierd, als men wel verwacht had. Daarbij kwam nog, dat het weer koud, guur en regenachtig begon te worden, waardoor er veel zieken kwamen, ja, zelfs tot overmaat van ramp, kwam de cholera ons hier een bezoek brengen. Beducht voor den verderen voortgang der ziekte met dit natte, ongunstige weder, besloot men het kamp op te breken en hoe groot was onze aller blijdschap op het hooren, dat wij met drie dagen het kamp zouden verlaten!
  Den avond vr ons vertrek gaf ik mijnen oppasser de genever, kaarsen etc. welke ik had overgehouden, om alles schoon op te maken vr ik weg ging. Desgelijks deden ook mijne andere officieren en toen ik 's avonds tehuis kwam vond ik mijne tent vol dronken oppassers, uit lange pijpen rookende, met tien brandende kaarsen op tafel in dulci jubilo tezamen, hetgeen eene klugtige vertooning opleverde.



XXVI. LAATSTE SCHUTTERS AVONTUREN.

Den 6den September 1832.

  Dit was de langgewenschte dag, namelijk het vertrek uit het kamp. Zoodra ;s morgens de dag aanbrak, verliet ik mijn hangmat en eer er een half uur verloopen was, was mijne geheele huishouding ingepakt en hetgeen verkoopbaar was, verkocht tegen een zeer geringen prijs. Jonge boeren, die gaarne wilden trouwen, konden voor een paar gulden al ver heen komen, om zich alles aan te schaffen, wat zij in een ordentelijk Noord-Brabandsch huishouden noodig hadden. Kookketels, haken, schoppen, bijlen, hamers, tenten, dekens en al wat wij van het Land hadden ontvangen, werden weer overgeleverd. Er werd appl gehouden en vervolgens kwamen al de troepen, welke het kamp hadden uitgemaakt, vr het front van het kamp, in orde van bataille te staan. De generaal nam afscheid van de brigades-gewijze vereenigde officieren, met eene ellendige aanspraak, waarbij hij ons bedankte voor onze medewerking ter handhaving van tucht en goede orde etc., terwijl hij hoopte, dat, wanneer het vaderland onze hulp in het oorlogsveld noodig had, wij met denzelfden geest bezield mogten zijn en dan twijfelde hij niet of de overwinning zoude onze pogingen bekroonen etc. De brigade-commandant kolonel Stcker nam hierop het woord, waarmede hij den generaal verzekerde, dat ieder officier van zijne brigade, alles tot welzijn van het vaderland wilde opofferen en ieder zijn laatste droppel bloed voor hetzelve wilde plengen. (De kolonel Stcker kon geene aanspraak doen, of de laatste droppel bloed werd er bij aangehaald.) De generaal recommandeerde zich en reed weg. Nu volgde een aanspraak van den kolonel aan ons, waarbij hij afscheid nam en de laatste droppel bloed niet vergeten werd. Hartelijker was het afscheid van de officieren onderling, die elkander in het kamp hadden leeren kennen, of de reeds gemaakte kennis meer hadden uitgebreid. Nadat al deze plechtigheden waren afgeloopen, stak de kolonel zijnen degen in de hoogte, de geweren werden geschouderd, met sectin rechts in colonne gemaakt, de geweren overgenomen en daar stoof alles uit een, naar alle vier windstreken.
  En passant wierp ik nog een blik van medelijden op mijne tent, die mij gedurende bijna zeven weken tot woning had verstrekt, nog zoo heerlijk in den glans der morgenzon haar hoofd omhoog stak en met een kwartier inn gerold zoude zijn als een schoteldoek, om in het een of ander magazijn tot werkeloosheid gedoemd te worden.
  Den 16den September kreeg ik bevel, mij met mijne manschappen naar Udenhout te begeven, alwaar ik op het kasteel of liever de buitenplaats bij mevrouw van Frankenburg werd ingekwartierd. Mevrouw van Frankenburg was de dochter van eenen luitenant-generaal Doff, geattacheerd geweest, als ik mij niet vergis, aan het hof van Willem den Vijfde. Reeds van hare jeugd af aan had zij een afkeer van alle vrouwelijke handwerken, maar volgde daarentegen het meer werkzaame leven der mannen na; zij schiep vermaak in visschen, jagen, paardwijden etc. en om in alles den mannen gelijk te zijn, of om hare mannelijke bezigheden te verrigten zonder opzien te baren, verwisselde zij de rok met den broek en ging zij altoos als een man gekleed. Men zou denken dat geen man behagen in zulk een vrouw kon scheppen, maar de freule Doff had geld en de heer van Frankenburg rekende het wel der moeite waardig om op haar te verlieven en haar tot vrouw te nemen. Mevrouw had hare vroegere mannelijke gewoonten nog behouden. Hare vergevorderde jaren (zij was reeds in de zeventig) stonden haar het jagen, visschen en paardrijden niet meer toe, maar met vuur konde zij nog spreken over hare vroegere vermaken en welk eene tukke schietster zij was geweest. Zij was gewoonlijk gekleed met een groene pet, een wit vest, een witte huisjas of een blaauwe jas en een blaauwe Nankingsche broek, witte kousen en blaauwe kamermuilen. Zij was klein en bij uitstek mager. Zij snoof en had gewoonlijk een kort pijpje in den mond, ja, het walgelijk tabak-kaauwen was haar niet vreemd. Niemand kon het haar aanzien, dat zij eene vrouw was, behalve dat hare schelle, krijtende tenor-stem haar dikwijls verried.
  Hare dochter, eene forsche vrouw, van reeds ver in de dergi jaren, was getrouwd met den heer Lemire. Deze heer was een landmeter uit Mons. Voor een paar jaren was deze heer hier komen meten en verliefde op de Freule Frankenburg. Mevrouw was geweldig tegen het huwelijk, omdat de heer Lemire een gelukzoeker was zonder fortuin, zooals het scheen en van wien men niets wist als dat hij Lemire heette. Doch de freule, die misschien reeds met smart het aantal jaren overdacht die zij in den ongehuwden staat had moeten doorbrengen en misschien bevreesd haren verderen leeftijd in denzelfden staat te zullen doorbrengen, zoo zij deze gelegenheid liet voorbij gaan, liet zich door haren galant schaken en na eenigen tijd afwezig te zijn geweest, keerde zij met hem terug naar het kasteel van Udenhout, alwaar zij met opene arme ontvangen wierd door hare treurende moeder, die nu uiterst verheugd was hare verlorene nige dochter weder bij haar te zien, haar dadelijk vergiffenis schonk, de handen der beide gelieven in elkanderen lag en haren moederlijken zegen over het huwelijk uitsprak. Sedert dezen tijd leefden het jonge paar en mama gezamentlijk op het kasteel. Zij leefden van den verkoop van bosschen, want het andere vermogen was verteerd. Alles scheen eene vroegere welvaart aan te duiden, maar thans was de vorige luister verdwenen. Zij hielden nog een paar paarden, omdat de jonge mevrouw eene liefhebster van paardrijden was, maar een knecht hadden zij niet; de heer Lemire roste zelve zijne paarden en deed al het werk van een knecht, doch van een slordigen knecht, want het groote plein voor het front van het huis, waarop men nog de overblijfsels van bloemperken zag, was in een weiland herschapen, waardoor twee breede paden liepen, die ook uiterst slecht werden onderhouden en de tuin was mede in een jammerlijken toestand.
  Ik woonde met den luitenant-adjudant van Gron in de linkervleugel van het kasteel, bestaande uit twee kamers, zoodat wij als het ware een afzonderlijk gebouw bewoonden en nimmer met de eigenaars in aanraking kwamen, als wanneer wij elkander toevallig ontmoeteden. Wij lieten een paar malen belet vragen om thee te drinken, maar werden afgewezen; nu dachten wij het onze gedaan te hebben voor hetgeen de wellevendheid vorderde en wachtten op de uitnoodiging van onze gastvrouw, doch te vergeefsch.



XXVII. AFSCHEID.

October 1832.

  Toen de majoor na geindigden verloftijd bij het bataillon terug kwam, ruimde ik mijne kamer voor hem in en nam een billet bij den pastoor. Ik kreeg hier eene zeer nette kamer, met en slaapkamertje en had het uitzigt in den grooten tuin. Kwam ik in een nieuw kwartier, dan snuffelde ik eerst alles rond; geen hoek, geen kast bleef er ondoorzogt. Zoo werd een groote turfbak, welke in mijne kamer stond, ook al schielijk het voorwerp van mijn onderzoek; doch hoe verbaasd stond ik, toen ik zag, dat deze turfbak voor meer dan de helft opgevuld was met kurken, die de trekker reeds had doorboord en waarvan de met rood en zwart lak en een zegel prijkend hoofd van sommigen, aantoonden dat zij tot bewaring hadden gediend van een meer dan gewoon druivennat. Uit de ingewanden van deze turfbak zou men opmaken, dat de pastoor iemand moest zijn die het leven wel lustte en zeker een liefhebber van vrolijkheid zoude zijn, maar alles behalve dt; hij was een norsch, stuursch, onvriendelijke man van bij de veertig jaren.
  Vr mijn raam hingen verbazend zware blaauwe druiventrossen, zooals de kinderen Israls ze uit het Beloofde Land medebragten. De pastoor, die mij altoos ontweek, doch dikwijls zag hoe ik met welgevallen en met een begeerig oog op die druiventrossen staarde en misschien vreezende, dat ik in nadere kennismaking met de trossen zoude geraken en oordeelende dat het beter was te geven dan dat ze hem ontnomen wierden, bezorgde mij, als ik 's middags na den eten te huis kwam, altoos een groote druiventros en een paar persiken op de tafel, die ik, ten spijt van de alom schrik verspreidende cholera, met smaak consumeerde.
  Den 11den October verlieten wij Udenhout, om onze vroegere kantonnementen Best en Liempde wederom te bezetten. Ik had met den luitenant van der Laan een kwartier bij een paar zeer oude luidjes, wier huisgezin bestond uit eenige volwassen zonen en dochters, die er als half-gare pannekoeken uitzagen, en een viertal zwarte katten. De oude vrouw, die kok was en ons het eten toe bereidde, had onder anderen, in hare kwaliteit van kok (wijfjeskok) zeer onsmakelijke eigenschappen. Overigens was zij zeer spraakzaam en voor hare jaren bijzonder vlug. Het eten was slecht. De soep was ordentelijk, de biefstuk, die wij elken middag op tafel kregen was als leder en het overige eten bleef, behalve de aardappelen, meest onaangeroerd staan. Wij leerden hier vasten, want als groote honger ons niet aandreef, werd er bijna niets gegeten. Onze kamer was het non plus ultra van somberheid. Een groote ouderwetsche schoorsteen besloeg de helft van het vertrek; de vloer was van gewone klinkersteenen; de vermolmde zoldering uitermate hoog; alle vier muren van steen en een klein kruiskozijn, dat zoo hoog stond, dat men er zittend niet over kon zien en nog gedeeltelijk door een onopgesnoeiden druivenboom werd overschaduwd, verschafte ons een flaauw licht.
  De oude luidjes schenen het ameublement van hunne verre voorouders te hebben over gerfd. Een massief eikenhouten kabinet stond tegen den eenen muur, waarop een zwarte kop, een dito peperbus en zoutvat, in de plaats van porceleinen koppen, te pronk stonden. Een zware kast, met een groote breede besneden eikenhouten aanrecht of toonbank er vr, verbergde een buitendeur. Een andere hoogere, mede zware eikenhouten kast stond naast het venster, waarop een groote ketel in het midden, een paar kleinere keteltjes op de zijden en een eetketeltje, hetwelk de een of andere soldaat daar had achtergelaten, pronkten. Een dito kast stond onder den schoorsteen en onze tafel eindelijk, die zeker reeds eenige opvolgende geslachten om zich had verzameld gezien, was nog sterk genoeg om eeuwen te verduren. Van der Laan sliep in onze woonkamer, doch ik in een afzonderlijk slaapkamertje. Behalve dat alles eene onaangename muffe geur van zich verspreidde, werd ik nog geplaagd door en heir van muizen, die zich niet stoorden aan mijn getrap en geschop, maar alle nachten op eene brutale wijze mij in mijne nachtrust hinderden, tot ik eindelijk aan dat gezelschap gewoon werd. Daarenboven hadden wij in onze woonkamer nog te strijden met eene der plagen van Egijpte, n.l. met sprinkhanen, die door de heideplaggen of zoden, welke men in de plaats van turf stookte, in huis werden gebragt en ons niet alleen door hun eentoonig gepiep verveelden, maar des avonds, als het licht werd aangestoken, werden uitgelokt om nader in ons gezelschap te komen, z zelfs, dat zij eens de lamp uitsprongen en wij, wilden wij rustig zitten, eerst op de sprinkhanen jagt moesten maken.
  Met twee malen daags appl te houden waren onze bezigheden afgeloopen, zoodat wij druk gebruik maakten van de societeit, die wij in eene herberg aan den straatweg bij de barrire hadden opgerigt en niet alleen door ons, maar ook door de trein-officieren van het reserve-park dat hier lag, veel werd bezocht. 's Avonds kregen wij aldaar de couranten en brieven en speelden de majoor en ik met een paar andere officieren een partijtje whist.
  Op zekeren avond, na ons whistpartijtje gespeeld te hebben, opende de majoor, zooals gewoonlijk zijne dienstbrieven, toen hij ook het antwoord ontving op mijn in het kamp aan den Koning opgezonden rekwest ter bekoming van mijn ontslag uit den dienst. Het ontslag werd mij, even als den luitenant Sloterdijck die om volbragten schutterlijken dienst zijn ontslag had gevraagd, toegestaan, mij echter onder de bezwarende conditie, van binnen een maand een plaatsvervanger voor mij te leveren. Hoe verheugd ik anders over deze tijding was, zoo matigde de gedachte, dat ik nu dien vrolijken kring, waardoor ik mij nu nog omgeven zag, zoude verlaten, om het meer stille en zorgvolle leven van eenen burger te aanvaarden, eenigzints mijne blijdschap.
  Zondags daaraanvolgende deed ik nog een uitstapje naar Eindhoven om eenige kennissen vaarwel te zeggen en nog eenige zaken in orde te maken. Nadat op den morgen van den 22sten October onze gewoonlijke Maandags-inspectie voor den majoor had plaats gehad, nam ik in eene korte aanspraak afscheid van mijne kompagnie. Gaarne wil ik bekennen dat ik niet zonder aandoening die brave mannen vaarwel zeide, die met mij het geruste leven van eenen stillen burger hadden verwisseld met het gevaarvolle en woeste leven van eenen soldaat, die gedurende bijna twee jaren het lot van den krijgsman met mij hadden gedeeld, gedurende bijna twee jaren mijne lotgenooten waren geweest in een vreemd gewest, zoowel in het heetst van den strijd, als in het stille vreedzame kantonnement; die al het zoet en al het zuur hetwelk den soldatenstand met zich brengt, met mij hadden gedeeld. Niets toch bindt de menschen meer aan elkanderen als deelgenootschap in hetzelfde lot, in vreugde en droefheid, in rampspoeden en geluk; het is deze band die de studenten aan de academin, zoowel als roovers en moordenaars in hunnen akeligen kerker onderling verbindt.
  Zoo verliet ik dan de bloedige banieren van den Krijgs-god om mij andermaals te scharen onder de priesters van den meer zachtaardigen Apollo.



Namenlijst

  • De namen die voorkomen in het boekje "Grootvader's Glorie, het verhaal van den tiendaagschen veldtocht" zijn per hoofdstuk gerangschikt. Een naam kan dus meerdere keren voorkomen.
  • Het dagboek is geschreven in de periode van Vrijdag den 18den Februarij 1831 tot October 1832.
  • Klik op het gewenste hoofdstuk en gebruik dan eventueel "Ctrl+F" om de persoon te vinden.

  • In hoofstuk 1
    Bokma, 2den luitenant.
    Bennoist, adjudant-vaandeldrager.
    Boelens
    Cannegieter, H.G., Kapitein 5e kompagnie, 2e bataljon 1e afdeeling Friesche Rustende Schutterij, arts en schrijver van dit dagboek.
    Heloma, academie-kennis van Cannegieter.
    Lelia, luitenant.
    Schwartsenberg, collega van Cannegieter

    In hoofstuk 2
    Bienema, eigenaar van de buitenplaats.

    In hoofstuk 3
    Alta, kapitein.
    Dwars, steenbakker.
    George, generaal, opperbevelhebber der vesting Nijmegen.
    Meijer, luitenant-generaal 1ste brigade van de 3e divisie.
    Otterloo, luitenant.
    Suchtelen, A. van, burgemeester van Weurt.
    Suchtelen, Leentje van, dochter van de burgemeester van Weurt.
    Suchtelen, Santje van, dochter van de burgemeester van Weurt.
    Tiel, academie-vriend van Cannegieter en advocaat.

    In hoofstuk 4
    Bogstra, kapitein van de 1ste kompagnie van vrijwilligers.
    Groot, de, ritmeester van het 5de regiment ligte dragonders, een oud militair.
    Jansen, eigenaar van het buitenplaatsje Rapelenburg, gelegen aan de Dommel.
    Jansen, Ambroisine, dochter van Jansen.
    Jansen, Jeanette, dochter van Jansen.
    Meijer, luitenant-generaal 1ste brigade van de 3e divisie.
    Schiban, president van de rechtbank te Eindhoven, woonde te Gestel.
    Stöcker, kolonel en kommandant der 1ste brigade.
    Wokhoven, leerlooijer.

    In hoofstuk 5
    Marcus, veldprediker.
    Otterloo, luitenant.
    Perez, controleur bij het kadaster, een Spanjaard in Batavia geboren.
    Perez, Charlotte, dochter van Perez
    Perez, Victoire, dochter van Perez

    In hoofstuk 6
    Daine, generaal (België).
    Wal, van der, kapitein batterij no. 8 van de veld-artillerie.

    In hoofstuk 8
    Miedema, schutter van Cannegieter.
    Saxen-Weimar, generaal.
    Sprengler, Kok, kolonel 8ste afdeeling.
    Umbgrove, kapitein-adjudant.

    In hoofstuk 9
    Beekmans, student te Deventer.
    Stöcker, kolonel en kommandant der 1ste brigade.

    In hoofstuk 10
    Daine, generaal (België).

    In hoofstuk 11
    Adema
    Hillebrands
    Kooistra, 2de luitenant bij de 2de kompagnie.
    Molanus, 2de luitenant.
    Sloterdijck, J.L. van, 2de luitenant.
    Veen, van der

    In hoofstuk 12
    Juta, 2de luitenant der 13de afdeeling.

    In hoofstuk 13
    Daine, generaal (België).
    Kort Heiligers, generaal.
    Saxen-Weimar, generaal.
    Schwartsenberg, kapitein.

    In hoofstuk 14
    Alta, kapitein.
    Assen, van, luitenant.
    Otterloo, luitenant.
    Mevrouw de douarrière de Travers, baronnesse de Jever, op het kasteel Nieuwenhuizen .

    In hoofstuk 15
    Assen, van, luitenant.

    In hoofstuk 16
    Schwartsenberg, kapitein.

    In hoofstuk 17
    Alta, kapitein.
    Galliènes, overste.
    Kuipers van de Nieuweschans, lancier.
    Saxen-Weimar, generaal.
    Tolsma, 2de luitenant der 6de kompagnie.

    In hoofstuk 18
    Alta, kapitein.
    Teunissen, kapitein der 13de afdeeling.

    In hoofstuk 19
    Alta, kapitein.
    Gérard, maarschalk van een Fransch leger.
    Schwartsenberg, kapitein.
    Sprenger, kolonel van het reserve bataillon der 8ste afdeeling.

    In hoofstuk 20
    Alta, kapitein.
    Bijland, Graaf van, generaal, voerde het kommando in Brussel.
    Bijland, Graaf van, officier van de lanciers en zoon van bovengenoemde generaal.
    Bokma, 2den luitenant.
    Felting, luitenant der 1ste kompagnie.
    Simons, koopman te Achel.

    In hoofstuk 21
    Hoorn, kolonel.
    Kirchner, majoor van Cannegieter. Komt meerdere malen in het boekje voor, maar wordt nu voor het eerst met z'n naam genoemd.

    In hoofstuk 22
    Alta, kapitein.
    Arendsma, opvolger van majoor Kirchner.
    Dominicus, broeder van Cannegieter.
    Kool, 2de luitenant.
    Molanus, 2de luitenant.
    Seret, voormalig leermeester van Cannegieter.
    Sloterdijck, J.L. van, 2de luitenant.

    In hoofstuk 23
    Bokma, 2den luitenant.
    Kool, 2de luitenant.
    Otterloo, luitenant.
    Panke, burgemeester van Hoogeloon.

    In hoofstuk 24
    Alta, kapitein.
    Laan, van der, 1ste luitenant.

    In hoofstuk 26
    Doff, luitenant-generaal en vader van mevrouw van Frankenburg.
    Frankenburg, De heer en mevrouw van, van een buitenplaats in Udenhout.
    Groïn, luitenant-adjudant.
    Lemire, landmeter uit Mons en echtgenoot van de dochter van de heer en mevrouw van Frankenburg.
    Stöcker, kolonel en kommandant der 1ste brigade.

    In hoofstuk 27
    Laan, van der, luitenant.
    Sloterdijck, J.L. van, 2de luitenant.