Veldtocht:
hfst. 26 - 27

omslag
namenlijst
vw en hfst. 1
hfst. 2 - 3
hfst. 4 - 5
hfst. 6 - 7
hfst. 8 - 9
hfst. 10 - 11
hfst. 12 - 13
hfst. 14 - 15
hfst. 16 - 17
hfst. 18 - 19
hfst. 20 - 21
hfst. 22 - 23
hfst. 24 - 25


Inhoud
Start
XXVI. LAATSTE SCHUTTERS AVONTUREN.

Den 6den September 1832.


  Dit was de langgewenschte dag, namelijk het vertrek uit het kamp. Zoodra ;s morgens de dag aanbrak, verliet ik mijn hangmat en eer er een half uur verloopen was, was mijne geheele huishouding ingepakt en hetgeen verkoopbaar was, verkocht tegen een zeer geringen prijs. Jonge boeren, die gaarne wilden trouwen, konden voor een paar gulden al ver heen komen, om zich alles aan te schaffen, wat zij in een ordentelijk Noord-Brabandsch huishouden noodig hadden. Kookketels, haken, schoppen, bijlen, hamers, tenten, dekens en al wat wij van het Land hadden ontvangen, werden weer overgeleverd. Er werd appl gehouden en vervolgens kwamen al de troepen, welke het kamp hadden uitgemaakt, vr het front van het kamp, in orde van bataille te staan. De generaal nam afscheid van de brigades-gewijze vereenigde officieren, met eene ellendige aanspraak, waarbij hij ons bedankte voor onze medewerking ter handhaving van tucht en goede orde etc., terwijl hij hoopte, dat, wanneer het vaderland onze hulp in het oorlogsveld noodig had, wij met denzelfden geest bezield mogten zijn en dan twijfelde hij niet of de overwinning zoude onze pogingen bekroonen etc. De brigade-commandant kolonel Stcker nam hierop het woord, waarmede hij den generaal verzekerde, dat ieder officier van zijne brigade, alles tot welzijn van het vaderland wilde opofferen en ieder zijn laatste droppel bloed voor hetzelve wilde plengen. (De kolonel Stcker kon geene aanspraak doen, of de laatste droppel bloed werd er bij aangehaald.) De generaal recommandeerde zich en reed weg. Nu volgde een aanspraak van den kolonel aan ons, waarbij hij afscheid nam en de laatste droppel bloed niet vergeten werd. Hartelijker was het afscheid van de officieren onderling, die elkander in het kamp hadden leeren kennen, of de reeds gemaakte kennis meer hadden uitgebreid. Nadat al deze plechtigheden waren afgeloopen, stak de kolonel zijnen degen in de hoogte, de geweren werden geschouderd, met sectin rechts in colonne gemaakt, de geweren overgenomen en daar stoof alles uit een, naar alle vier windstreken.
  En passant wierp ik nog een blik van medelijden op mijne tent, die mij gedurende bijna zeven weken tot woning had verstrekt, nog zoo heerlijk in den glans der morgenzon haar hoofd omhoog stak en met een kwartier inn gerold zoude zijn als een schoteldoek, om in het een of ander magazijn tot werkeloosheid gedoemd te worden.
  Den 16den September kreeg ik bevel, mij met mijne manschappen naar Udenhout te begeven, alwaar ik op het kasteel of liever de buitenplaats bij mevrouw van Frankenburg werd ingekwartierd. Mevrouw van Frankenburg was de dochter van eenen luitenant-generaal Doff, geattacheerd geweest, als ik mij niet vergis, aan het hof van Willem den Vijfde. Reeds van hare jeugd af aan had zij een afkeer van alle vrouwelijke handwerken, maar volgde daarentegen het meer werkzaame leven der mannen na; zij schiep vermaak in visschen, jagen, paardwijden etc. en om in alles den mannen gelijk te zijn, of om hare mannelijke bezigheden te verrigten zonder opzien te baren, verwisselde zij de rok met den broek en ging zij altoos als een man gekleed. Men zou denken dat geen man behagen in zulk een vrouw kon scheppen, maar de freule Doff had geld en de heer van Frankenburg rekende het wel der moeite waardig om op haar te verlieven en haar tot vrouw te nemen. Mevrouw had hare vroegere mannelijke gewoonten nog behouden. Hare vergevorderde jaren (zij was reeds in de zeventig) stonden haar het jagen, visschen en paardrijden niet meer toe, maar met vuur konde zij nog spreken over hare vroegere vermaken en welk eene tukke schietster zij was geweest. Zij was gewoonlijk gekleed met een groene pet, een wit vest, een witte huisjas of een blaauwe jas en een blaauwe Nankingsche broek, witte kousen en blaauwe kamermuilen. Zij was klein en bij uitstek mager. Zij snoof en had gewoonlijk een kort pijpje in den mond, ja, het walgelijk tabak-kaauwen was haar niet vreemd. Niemand kon het haar aanzien, dat zij eene vrouw was, behalve dat hare schelle, krijtende tenor-stem haar dikwijls verried.
  Hare dochter, eene forsche vrouw, van reeds ver in de dergi jaren, was getrouwd met den heer Lemire. Deze heer was een landmeter uit Mons. Voor een paar jaren was deze heer hier komen meten en verliefde op de Freule Frankenburg. Mevrouw was geweldig tegen het huwelijk, omdat de heer Lemire een gelukzoeker was zonder fortuin, zooals het scheen en van wien men niets wist als dat hij Lemire heette. Doch de freule, die misschien reeds met smart het aantal jaren overdacht die zij in den ongehuwden staat had moeten doorbrengen en misschien bevreesd haren verderen leeftijd in denzelfden staat te zullen doorbrengen, zoo zij deze gelegenheid liet voorbij gaan, liet zich door haren galant schaken en na eenigen tijd afwezig te zijn geweest, keerde zij met hem terug naar het kasteel van Udenhout, alwaar zij met opene arme ontvangen wierd door hare treurende moeder, die nu uiterst verheugd was hare verlorene nige dochter weder bij haar te zien, haar dadelijk vergiffenis schonk, de handen der beide gelieven in elkanderen lag en haren moederlijken zegen over het huwelijk uitsprak. Sedert dezen tijd leefden het jonge paar en mama gezamentlijk op het kasteel. Zij leefden van den verkoop van bosschen, want het andere vermogen was verteerd. Alles scheen eene vroegere welvaart aan te duiden, maar thans was de vorige luister verdwenen. Zij hielden nog een paar paarden, omdat de jonge mevrouw eene liefhebster van paardrijden was, maar een knecht hadden zij niet; de heer Lemire roste zelve zijne paarden en deed al het werk van een knecht, doch van een slordigen knecht, want het groote plein voor het front van het huis, waarop men nog de overblijfsels van bloemperken zag, was in een weiland herschapen, waardoor twee breede paden liepen, die ook uiterst slecht werden onderhouden en de tuin was mede in een jammerlijken toestand.
  Ik woonde met den luitenant-adjudant van Gron in de linkervleugel van het kasteel, bestaande uit twee kamers, zoodat wij als het ware een afzonderlijk gebouw bewoonden en nimmer met de eigenaars in aanraking kwamen, als wanneer wij elkander toevallig ontmoeteden. Wij lieten een paar malen belet vragen om thee te drinken, maar werden afgewezen; nu dachten wij het onze gedaan te hebben voor hetgeen de wellevendheid vorderde en wachtten op de uitnoodiging van onze gastvrouw, doch te vergeefsch.


XXVII. AFSCHEID.

October 1832.

  Toen de majoor na geindigden verloftijd bij het bataillon terug kwam, ruimde ik mijne kamer voor hem in en nam een billet bij den pastoor. Ik kreeg hier eene zeer nette kamer, met en slaapkamertje en had het uitzigt in den grooten tuin. Kwam ik in een nieuw kwartier, dan snuffelde ik eerst alles rond; geen hoek, geen kast bleef er ondoorzogt. Zoo werd een groote turfbak, welke in mijne kamer stond, ook al schielijk het voorwerp van mijn onderzoek; doch hoe verbaasd stond ik, toen ik zag, dat deze turfbak voor meer dan de helft opgevuld was met kurken, die de trekker reeds had doorboord en waarvan de met rood en zwart lak en een zegel prijkend hoofd van sommigen, aantoonden dat zij tot bewaring hadden gediend van een meer dan gewoon druivennat. Uit de ingewanden van deze turfbak zou men opmaken, dat de pastoor iemand moest zijn die het leven wel lustte en zeker een liefhebber van vrolijkheid zoude zijn, maar alles behalve dt; hij was een norsch, stuursch, onvriendelijke man van bij de veertig jaren.
  Vr mijn raam hingen verbazend zware blaauwe druiventrossen, zooals de kinderen Israls ze uit het Beloofde Land medebragten. De pastoor, die mij altoos ontweek, doch dikwijls zag hoe ik met welgevallen en met een begeerig oog op die druiventrossen staarde en misschien vreezende, dat ik in nadere kennismaking met de trossen zoude geraken en oordeelende dat het beter was te geven dan dat ze hem ontnomen wierden, bezorgde mij, als ik 's middags na den eten te huis kwam, altoos een groote druiventros en een paar persiken op de tafel, die ik, ten spijt van de alom schrik verspreidende cholera, met smaak consumeerde.
  Den 11den October verlieten wij Udenhout, om onze vroegere kantonnementen Best en Liempde wederom te bezetten. Ik had met den luitenant van der Laan een kwartier bij een paar zeer oude luidjes, wier huisgezin bestond uit eenige volwassen zonen en dochters, die er als half-gare pannekoeken uitzagen, en een viertal zwarte katten. De oude vrouw, die kok was en ons het eten toe bereidde, had onder anderen, in hare kwaliteit van kok (wijfjeskok) zeer onsmakelijke eigenschappen. Overigens was zij zeer spraakzaam en voor hare jaren bijzonder vlug. Het eten was slecht. De soep was ordentelijk, de biefstuk, die wij elken middag op tafel kregen was als leder en het overige eten bleef, behalve de aardappelen, meest onaangeroerd staan. Wij leerden hier vasten, want als groote honger ons niet aandreef, werd er bijna niets gegeten. Onze kamer was het non plus ultra van somberheid. Een groote ouderwetsche schoorsteen besloeg de helft van het vertrek; de vloer was van gewone klinkersteenen; de vermolmde zoldering uitermate hoog; alle vier muren van steen en een klein kruiskozijn, dat zoo hoog stond, dat men er zittend niet over kon zien en nog gedeeltelijk door een onopgesnoeiden druivenboom werd overschaduwd, verschafte ons een flaauw licht.
  De oude luidjes schenen het ameublement van hunne verre voorouders te hebben over gerfd. Een massief eikenhouten kabinet stond tegen den eenen muur, waarop een zwarte kop, een dito peperbus en zoutvat, in de plaats van porceleinen koppen, te pronk stonden. Een zware kast, met een groote breede besneden eikenhouten aanrecht of toonbank er vr, verbergde een buitendeur. Een andere hoogere, mede zware eikenhouten kast stond naast het venster, waarop een groote ketel in het midden, een paar kleinere keteltjes op de zijden en een eetketeltje, hetwelk de een of andere soldaat daar had achtergelaten, pronkten. Een dito kast stond onder den schoorsteen en onze tafel eindelijk, die zeker reeds eenige opvolgende geslachten om zich had verzameld gezien, was nog sterk genoeg om eeuwen te verduren. Van der Laan sliep in onze woonkamer, doch ik in een afzonderlijk slaapkamertje. Behalve dat alles eene onaangename muffe geur van zich verspreidde, werd ik nog geplaagd door en heir van muizen, die zich niet stoorden aan mijn getrap en geschop, maar alle nachten op eene brutale wijze mij in mijne nachtrust hinderden, tot ik eindelijk aan dat gezelschap gewoon werd. Daarenboven hadden wij in onze woonkamer nog te strijden met eene der plagen van Egijpte, n.l. met sprinkhanen, die door de heideplaggen of zoden, welke men in de plaats van turf stookte, in huis werden gebragt en ons niet alleen door hun eentoonig gepiep verveelden, maar des avonds, als het licht werd aangestoken, werden uitgelokt om nader in ons gezelschap te komen, z zelfs, dat zij eens de lamp uitsprongen en wij, wilden wij rustig zitten, eerst op de sprinkhanen jagt moesten maken.
  Met twee malen daags appl te houden waren onze bezigheden afgeloopen, zoodat wij druk gebruik maakten van de societeit, die wij in eene herberg aan den straatweg bij de barrire hadden opgerigt en niet alleen door ons, maar ook door de trein-officieren van het reserve-park dat hier lag, veel werd bezocht. 's Avonds kregen wij aldaar de couranten en brieven en speelden de majoor en ik met een paar andere officieren een partijtje whist.
  Op zekeren avond, na ons whistpartijtje gespeeld te hebben, opende de majoor, zooals gewoonlijk zijne dienstbrieven, toen hij ook het antwoord ontving op mijn in het kamp aan den Koning opgezonden rekwest ter bekoming van mijn ontslag uit den dienst. Het ontslag werd mij, even als den luitenant Sloterdijck die om volbragten schutterlijken dienst zijn ontslag had gevraagd, toegestaan, mij echter onder de bezwarende conditie, van binnen een maand een plaatsvervanger voor mij te leveren. Hoe verheugd ik anders over deze tijding was, zoo matigde de gedachte, dat ik nu dien vrolijken kring, waardoor ik mij nu nog omgeven zag, zoude verlaten, om het meer stille en zorgvolle leven van eenen burger te aanvaarden, eenigzints mijne blijdschap.
  Zondags daaraanvolgende deed ik nog een uitstapje naar Eindhoven om eenige kennissen vaarwel te zeggen en nog eenige zaken in orde te maken. Nadat op den morgen van den 22sten October onze gewoonlijke Maandags-inspectie voor den majoor had plaats gehad, nam ik in eene korte aanspraak afscheid van mijne kompagnie. Gaarne wil ik bekennen dat ik niet zonder aandoening die brave mannen vaarwel zeide, die met mij het geruste leven van eenen stillen burger hadden verwisseld met het gevaarvolle en woeste leven van eenen soldaat, die gedurende bijna twee jaren het lot van den krijgsman met mij hadden gedeeld, gedurende bijna twee jaren mijne lotgenooten waren geweest in een vreemd gewest, zoowel in het heetst van den strijd, als in het stille vreedzame kantonnement; die al het zoet en al het zuur hetwelk den soldatenstand met zich brengt, met mij hadden gedeeld. Niets toch bindt de menschen meer aan elkanderen als deelgenootschap in hetzelfde lot, in vreugde en droefheid, in rampspoeden en geluk; het is deze band die de studenten aan de academin, zoowel als roovers en moordenaars in hunnen akeligen kerker onderling verbindt.
  Zoo verliet ik dan de bloedige banieren van den Krijgs-god om mij andermaals te scharen onder de priesters van den meer zachtaardigen Apollo.

Einde


webdesign & copyright
© 2001-2003 Eveline