Veldtocht:
hfst. 24 - 25

omslag
namenlijst
vw en hfst. 1
hfst. 2 - 3
hfst. 4 - 5
hfst. 6 - 7
hfst. 8 - 9
hfst. 10 - 11
hfst. 12 - 13
hfst. 14 - 15
hfst. 16 - 17
hfst. 18 - 19
hfst. 20 - 21
hfst. 22 - 23
hfst. 26 - 27


Inhoud
Start
XXIV. VAN EEN INHALIGEN BROUWER EN EEN VREESACHTIG PASTOOR.

Den 26sten April 1832.


  Ik had een slecht kwartier getroffen. Ik woonde in eene donkere, sombere kamer, met ouderwetsche meubelen, afbeeldingen van heiligen, crusifixjes en ander kloosterwerk versierd. Ik sliep op een slecht bed en werd bovendien nog door een legio muizen en vlooijen op eene onaangename manier in mijnen slaap gehinderd. Mijne drie en zeventig jarige hospita was ook eene slechte keukenmeid en hare lelijke dienstmaagd, die bijna dagelijks met neusbloedingen was aangehaald, verstond evenmin de kunst om het eten smaakvol klaar te maken.
  Een stuk spek, (dat zoolang ik er in kwartiering heb gelegen, dagelijks op tafel kwam, tot Murk er een eind aan maakte), eene tractatie bestaande in ellendig gebraden en mager Belgisch kalfsvleesch (brood en vleesch kwamen hier meest uit het Belgisch stadje Hamont of uit Weert), roode aardappelen en keelen (het loof van knollen) waren mijne dagelijksche kost en hetgeen ik den eenen middag niet gebruikte werd mij den volgenden middag weer voor den neus gezet, en f ik al mooi praatte, f raasde en tierde, er zat geen veranderen op, daar er in het dorp niets te krijgen was, zoodat ik mij vergenoegen moest bijna dagelijks restjes-dag te houden. Overigens waren de manschappen er beter ingekwartierd als in vorige kantonnementen.
  Mijn volk had hier echter zulk een zwaren dienst te verrigten, dat het bijna ondoenlijk was, zoodat ik aanvraag deed om eene kompagnie versterking, met het gevolg, dat mij de 4de kompagnie tot ondersteuning werd gezonden. Alle schutters sliepen in vier daartoe ingerigte schuren en eene geheele kompagnie deed ;s morgens de veld-ontdekking, terwijl de andere kompagnie onder de wapenen stond. Nu en dan zagen wij 's morgens ook de vijandelijke veld-ontdekking en een paar malen kwamen wij z digt bij elkanderen, dat wij, elk aan een kant van de grensscheiding staande, met elkander konden spreken. Bijna dagelijks had ik spionnen naar het een groot half uur van hier gelegen Belgisch stadje Weert.
  De eerst volgende maanden wisselden wij herhaaldelijk van kantonnement. Een enkele maal ging ons vertrek met minder prettige ervaringen gepaard. Zoo gebeurde het 's daags voor mij Mierlo zouden verlaten, dat wij om de rekening vroegen, maar onze gastheer met zijn beide reeds bejaarde, altoos sukkelende zonen, maakte ons zulk eene verschrikkelijke hooge rekening, dat wij dezelve niet verkozen te betalen, hetgeen tot een geheelen woordenstrijd aanleiding gaf. Onze hospes rekende voor iederen dag een gulden kostgeld, voor elke flesch wijn vier en twintig stuivers, voor een gast een gulden, voor ieder, die, al was het slechts en passant, bij ons thee of koffij dronk (en dat gebeurde bijna dagelijks) een dubbeltje etc. Toen wij deze rekening ontvingen, schreven wij er ook eene en vroegen onzen waard, of hij op deze billijke wijze (er kwam de goede helft af) geld wilde ontvangen, zoo niet, dat wij dan niet verkozen te betalen. Den volgenden morgen kwam de brouwer gesterkt door zijne beide zieke zoons, waarvan de een het bestuur over de huishouding op zich had genoomen, zoomede door de brutale meid, ons zeggen, dat hij de volle betaling eischte van hetgeen hij vroeg, of dat hij ons in regten zoude aanspreken, al zou het zijn geheele vermogen kosten. De man maakte zich schrikkelijk driftig, werd brutaal en begon te schelden (vooral op Alta, die trouwens een ongemakkelijke gast in het kwartier was). Wij daarentegen bleven lang bedaard en phlegmatiek, hetgeen een zonderling contrast opleverde. Lang betitelden wij hen in onze woordenwisseling met "mijne lieven menschen" en zij ons met "beroerde bl....s", tot het eindelijk te erg werd, als wanneer ook wij harde woorden begonnen te spreken en het zou tot dadelijkheden zijn gekomen, zoo niet de geheele brouwerlijke familie in tijds onze kamer had verlaten, waarna wij, zonder betaald te hebben, vertrokken.
  Op den 16den Julij trokken wij terug op Mierlo, door de 3de en 4de kompagnie afgelost wordende. Het spreekt van zelve, dat ik nu mijn intrek niet weer bij den brouwer nam, maar bij den pastoor, die nabij de Kerk, een half kwartier buiten het dorp woonde. De pastoor was een klein mannetje met zwarte doordringende oogen. Ik logeerde in een klein, zeer net voorkamertje en leefde niet en famille, zooals ik gewoon was, maar afgezonderd. Zoo at ik ook 's middags alln, om twee uur, terwijl de pastoor om twaalf uur at. Den eersten middag dat ik aankwam, kwam de pastoor, terwijl ik zat te eten, bij mij met een flesch onder den arm, om kennis te maken, hetgeen mij al terstond voor hem innam. Hij was ook, hoewel niet opgeruimd van humeur, voor een pastoor een zeer geschikt man. Hij had eene geweldige vrees voor cholera en at daarom geen kersen, geen kruisbessen etc. niets van dat alles, hetgeen hij anders in overvloed in zijnen grooten tuin had en waaraan ik mij, trots alle cholera's heerlijk te goed deed. Kort echter duurde mijn verblijf bij dezen pastoor. Zaterdag den 21sten verspreidde zich het gerucht, dat wij den volgenden dag kampwaarts moesten trekken. Eenige officieren, behoorende bij de 2de divisie, trokken Mierlo door om kwartier voor hunne troupes te maken te Asten, Zomeren etc. en vertelden ons, dat het gerucht liep, dat zij en de geheele 2de divisie naar Maastricht zouden trekken, om levensmiddelen te escorteeren.
  Over het geheel waren de tijdingen sedert eenigen dagen vrij wat oorlogzuchtiger.
  Zooals wij wel verwacht hadden, kwam dan ook 's middags de order om den volgenden dag naar het kamp op te rukken, waarvan wij anders gehoopt hadden verschoond te zullen blijven.
  Toen de brouwer hoorde, dat wij den volgenden dag zouden vertrekken, liet hij mij door mijnen 1sten luitenant van der Laan, die toen bij hem ingekwartierd lag, weten, dat hij mij nog gaarne eens wilde spreken. Ik, die om alle onaangename en lastige gevolgen te vermijden, gaarne eene geschikte gelegenheid aangreep, om de onderhandelingen weder aan te knoopen, kwam tot de ervaring, dat, indien de onderhandelingen te Londen niet minder schielijk afgeloopen waren, ons vaderland reeds lang het geluk had mogen gevoelen van eenen gewenschten vrede. Na wat over en weer gepraat te hebben vonden wij eindelijk goed, dat hij vrij wat van de rekening zou laten vallen en wij er wat bij zouden doen, namelijk bij onze gehalveerde rekening, en zoo troffen wij, zonder veel gehaspel, een accoord en betaalde ik hen, ook voor mijnen collega Alta, waarna wij tenminsten in schijn als goede vrienden van elkander scheidden.


XXV. HET KAMP BIJ OIRSCHOT.

Den 22sten Julij 1832.

  In het eerst leverde het kamp ons vele genoegens op. Het ongewone van dit aards-vaderlijke leven, de levendigheid en de beweging die men overal zag, het verschil van gezelschap en duizend andere dingen meer gaven ons afleiding en hielden ons bezig. Daarenboven hadden wij eene heerlijke societeit, welke, omdat zij misschien de grootste van het geheele kamp was, de vergaderplaats van eene menigte, ook vreemde, officieren was. Wij aten er gezamentlijk (namelijk alle officieren van ons bataillon) en z heerlijk, dat men het aan de beste tafel niet beter wenschen kon en ook 's avonds was het daar doorgaans ons vereenigingspunt, hoewel wij dan ook wel tot afwisseling, andere societeiten of cantines bezogten.

Het kamp van Oirschot.
HET KAMP VAN OIRSCHOT.
(Uit het boekje van Haeton.)

  Onze tenten lieten niets te wenschen overig. Als het goed weer was hadden wij Zondags den vrolijksten dag, omdat wij an van eene menigte vreemdelingen bezoek kregen. Gewoonlijk echter (het was of de drommel er mede speelde) regende of woei het Zondags zdanig, dat wij niet alleen geene vreemdelingen of burgerlieden zagen, maar zelfs bijna geene schutters of militairen, iedereen hield zich dan schuil in zijne tent en het anders zoo drukke en levendige kamp scheen als uitgestorven en de sedert Maandag reeds gewenschte Zondag veranderde van den vrolijksten in den vervelendsten dag der week. Regen en wind zijn de akeligste plagen die men in het kamp kan hebben. Op een zekeren morgen, dat ik mijne legerstede zoude verlaten, hoorde ik den regen tegen mijne tent met een verschrikkelijke geweld aankletteren. Ik ligtte even mijnen mantel op, om door de openstaande tent te zien, hoe het er buiten uitzag, maar alles scheen mij zoo treurig en akelig toe, dat ik den mantel liet vallen en weer onder de deken kroop en bleef liggen tot het uur van twee mij tot het middagmaal riep. Het weer scheen een ongunstigen invloed op alle gemoederen gemaakt te hebben; aan tafel was ieder stil, bijna niemand sprak een woord en n van tafel opgestaan te zijn, begaf ik mij weer tentwaarts, nam een boek en lag mij in mijne hangmat, die ik een half uur te voren had verlaten, neder, om wat te lezen en verliet dezelve niet eerder vr den volgenden morgen om acht uur.
  Wijn werd er in het kamp meer gedronken dan water. De hoeveelheid wijn, welke er gedurende die zeven weken in dat geringe bestek werd gedronken, zou ongeloofelijk schijnen en niet alleen ordinaire van een gulden de flesch, o neen! had men een gast, dan begon men met een flesch oridinaire, doch vooral niet meer dan n, maar St. Julien, Tatelle en Cantemerle dt waren de eigenlijke soorten, tot dat er "zum endligen beschlus" de vijl voor het licht kwam en hooge zeer spits uitloopende glazen en de champagnekurk met eene geweldige ontploffing tegen den zolder aanvloog.
  In den vravond bleef elk doorgaans in zijne eigene societeit, maar begon het wat later te worden, dan verdeelde de massa zich in drie hoofdafdeelingen. Het bedaarde gedeelte begaf zich naar de respective tenten om wat te eten en vervolgens te slapen. De liefhebbers van het spel gingen naar de cantine van het 2de bataillon Gelderschen, alwaar, todat de morgen aanbrak, de dobbelsteenen in de bak rolden en de een met een vrolijk en de ander met een treurig gezigt zijne tent opzogt. Het derde gedeelte, en dat was niet het kleinste, bestond uit de liefhebbers der vrolijkheid, en deze vervoegden zich gezamentlijk in "de wijnproef". Het vreemde schijnt den mensch het meest te bevallen. "De wijnproef" was eene onderaardsche kelder, doch niettegenstaande er menige ruime, luchtig cantine tot ieders dienst open stond, zoo verkoos men toch dit kleine muffe, onderaardsche hol, verre boven de bovenwereld. Hier was het, dat de ware priesters van Bacchus hunnen god dagelijks, of liever nachtelijks, hulde bragten. Hier ging van 's avonds na negen uur tot ver na middernacht de beker altoos lustig rond; hier hoorde men in de duisternis steeds een verward geschreeuw of een vrolijk gezag van onder den grond oprijzen. Alle avonden was het hier z vol, dat de meeste bezoekers flesch en glas in de hand moesten houden, omdat er geen plaats was om iets ergens neer te zetten en bovendien was er zveel tabaksrook, dat men van het eene eind niet zien kon wie er op het ander eind zat. De zotste klugten, welke ooit vertoond waren, werden door dit drinkend gezelschap ten uitvoer gebragt.
  Hoe vrolijk en genoegelijk de eerste weken in het kamp werden gesleten, zoo ondervonden echter vervolgens velen, dat die vrolijkheid duur gekocht was en bemerkten eene aanmerkelijke reductie in hunne beursen. Nu begon men over verveling te klagen; die witte tenten, die eeuwig dorre heide, die dagelijksch herhaald wordende parades en excersitin, dat wacht-betrekken, ja zelfs "de wijnproef" en meer andere plaatsen des vermaaks, waren z eentoonig en z vervelend, dat men algemeen geweldig naar het opbreken van het kamp begon te verlangen. De 24ste Augustus, de verjaring van den Koning, werd zelfs niet met die hartelijkheid gevierd, als men wel verwacht had. Daarbij kwam nog, dat het weer koud, guur en regenachtig begon te worden, waardoor er veel zieken kwamen, ja, zelfs tot overmaat van ramp, kwam de cholera ons hier een bezoek brengen. Beducht voor den verderen voortgang der ziekte met dit natte, ongunstige weder, besloot men het kamp op te breken en hoe groot was onze aller blijdschap op het hooren, dat wij met drie dagen het kamp zouden verlaten!
  Den avond vr ons vertrek gaf ik mijnen oppasser de genever, kaarsen etc. welke ik had overgehouden, om alles schoon op te maken vr ik weg ging. Desgelijks deden ook mijne andere officieren en toen ik 's avonds tehuis kwam vond ik mijne tent vol dronken oppassers, uit lange pijpen rookende, met tien brandende kaarsen op tafel in dulci jubilo tezamen, hetgeen eene klugtige vertooning opleverde.


webdesign & copyright
© 2001-2003 Eveline