Veldtocht:
hfst. 22 - 23

omslag
namenlijst
vw en hfst. 1
hfst. 2 - 3
hfst. 4 - 5
hfst. 6 - 7
hfst. 8 - 9
hfst. 10 - 11
hfst. 12 - 13
hfst. 14 - 15
hfst. 16 - 17
hfst. 18 - 19
hfst. 20 - 21
hfst. 24 - 25
hfst. 26 - 27


Inhoud
Start
XXII. HERADEMING.


  De zon van vreugde en genoegen scheen met de komst des kolonels, voor ons te zijn opgegaan. Eene geschikte kamer werd er in het dorp uitgezocht, gehuurd en tot eene societeit ingerigt. Eene geschikte, zindelijke, niet onknappe marketentster werd als waardin aangesteld en zoo zaten wij 's morgens en 's avonds in de grootste harmonie, onder een levendig gesprek, onder vrolijke scherts, of onder het leggen van een kaartje of van een ander spel genoegelijk bij elkander, ons verheugende over de vrijheid, welke wij thans genoten. De gedetacheerde officieren behoefden nu geene permissie meer te vragen, om hunne kameraden op andere dorpen te bezoeken. Wilden wij onzen tegenwoordigen chef genoegen doen, dan moest ieder officier van het bataillon zich 's avonds in de societeit laten vinden, alwaar steeds eene luidruchtige vrolijkheid heerschte, en zoo sleten wij aldaar genoegelijk onze dagen. Terwijl wij hier gekantonneerd lagen, kort na onze terugkomst in het vaderland, had er op eene nabij gelegen heide eene groote inspectie plaats van de 2de en 3de divisie infanterie en eene divisie cavallerie, met de artillerie bij die divisin behoorende, voor het geheele Koninklijk gezin. Schooner inspectie als deze, kort na den Tiendaagschen veldtogt, werd er waarschijnlijk nimmer in Nederland gehouden. Zichtbaar aangedaan was de Koning en vooral de Koningin, die gedurig de tranen, welke van aandoening hare wangen besproeiden, met haren zakdoek afdroogde. Ik verheugde mij, dat zulke inspectin niet dan hoogst zeldzaam voorvielen, want voor een bloot toeschouwer mogen zij een overheerlijk schouwspel opleveren, maar voor dengene die er een werkend lid van uitmaakt, zijn zij bij uitstek vervelend en lastig.
  Als ik mij niet bedrieg kregen alle onder-officieren en manschappen van den Koning een dag tractement, hetgeen zeker over al die duizenden tezamen genomen, nogal een aanzienlijk sommetje zal hebben bedragen.
  Den 30sten Augustus ontving ik order om met mijn halve kompagnie naar Meerveldhoven te marcheeren, in aflossing der 6de kompagnie, welke naar Oerle werd gedetacheerd. Ik werd met mijnen tweeden luitenant Kool en den tweeden luitenant van Sloterdijck der 2de kompagnie, ingekwartierd bij den molenaar.
  Wij hadden hier niet alleen eene ruime vrolijke kamer en een zuiver bed of ledikant, maar ook heerlijk eten, zoodat ik zelden op een dorp in Noord-Braband beter ingekwartierd ben geweest.
  Den 19den September ontving ik verlof om voor den tijd van veertien dagen mijne familie te bezoeken. Mijn vader, onwetend van mijn komst, was met de geheele familie verheugd over mijn overwacht bezoek.
  Na vier dagen bij mijnen vader en bij mijne familie te hebben doorgebragt, reisde ik terug op Groningen en van dr op Dokkum en Leeuwarden. Nu wilde men mij overhalen om op Groningen terug te reizen, teneinde den intocht der vrijwillig uitgetrokken studenten te zien. Om menigvuldige redenen gevoelde ik wel neiging hiertoe, maar dan kon ik op den bepaalden tijd bij het leger niet terug zijn. De pligt moest hier echter voor het genoegen wijken en zoo nam ik dan den contra-marsch op Groningen aan! Ik zag hier den intocht der studenten, waaronder mijn broeder Dominicus, sprak onder hen nog menigen academievriend en genoot gedurende twee dagen in Groningen de reinste genoegens, zoodat ik niet dan met leedwezen de reis naar het onvriendelijke Noord-Braband wederom aanvaardde.
  Gelukkig kreeg ik op den beurtman te Harlingen den kapitein Alta en den 2den luitenant Molanus, die ook met verlof waren geweest, tot reismakkers. Op eene ongelukkige, langdurige, doch zonderlinge manier reisde ik met den beurtman van Harlingen, over Amsterdam, Utrecht, Gorkum, Woerkum, Heusden (waar ik mijnen voormaligen leermeester Seret een bezoek bragt) den Bosch en Eindhoven en kwam den 6den October bij het bataillon terug, maakte duizend verontschuldigingen bij den kolonel, wegens mijn te lang uitblijven, smeet de schuld op weer en wind, maar met een lagchend gezigt zag hij mij aan. Ook ik begon te lagchen en lagchende nam ik afscheid van hem, mij beklagende, dat ik er nog niet een paar dagen bij had aangeknoopt.
  Gedurende mijn afwezigheid had er eene voor ons allen hoogst aangename verandering bij het bataillon plaats gehad, namelijk, tengevolge van onze ingediende Nota, ontving de majoor Kirchner verlof en vervolgens eervol ontslag. Den 24sten October werd zijne ledige plaats vervuld door den heer majoor Arendsma, die van te voren een bataillon der 8ste afdeeling had gekommandeerd. Hij was een oud soldaat, die reeds onder Napoleon in Spanje had gediend. Aangenaam was ons deze verwisseling, daar de meesten den majoor Arendsma kenden, als hebbende langen tijd te Groningen en Leeuwarden in garnizoen gelegen.


XXIII. GEWAPENDE VREDE.

31 Maart 1832.

  Den 31sten Maart werd ik, omstreeks drie uur in den nacht, uit mijnen zoeten slaap gewekt, door het getrappel van paarden, door het geblaf van Murk en door het daaropvolgend vreeselijk kloppen op de glazen en z ontving ik het berigt, dat het bataillon 's morgens om acht uur vertrekken moest.
  Daar de tijdingen sedert eenige dagen meer oorlogzuchtig waren en ik in den laatsten tijd zooveel geheimzinnigs hoorde en zag, dacht ik in het eerst, dat het weer op Belgi los zou gaan en van dit gevoelen waren de meesten. De vrouwen die bij het bataillon waren, moesten terstond vertrekken, onder anderen de vrouw van den kwartiermeester, die, sedert het kantonnement te Zeelst, altoos haren man was gevolgd, werd onder een verschrikkelijk gesnik en gehuil op een kar gezet en naar den Bosch getransporteerd. Doch naderhand vernam ik, dat het slechts eene kantonnementsverandering was. De 1ste kompagnie ging naar Rijthoven, de staf en de overige kompagnin naar Eersel en ik met mijne kompagnie werd gedetacheerd naar het kleine dorpje Duizel, slechts een klein kwartier van Eersel af gelegen. Op dezen dag had er geheel onverwacht eene beweging bij de arme plaats, tengevolge van eene beweging bij de Belgische arme. Alles rukte bij ons meer naar de grenzen en de grensdorpen werden aanmerkelijk versterkt. De Belgen, deze beweging voor iets oorlogzuchtigs aanziende, trokken hunne troepen dadelijk oever de rivier de Nethe terug, verzamelden eene groote magt in Antwerpen, daar zij geloofden, dat deze stad een punt van aanval zoude worden en braken de bruggen over de Nethe af.
  Om acht uur stond het bataillon ten afmarsch gereed. Wij marcheerden over het groote dorp Hoogeloon, hetwelk door de 1ste kompagnie was bezet geweest, ieder naar zijne bestemming.
  Ik werd met mijnen luitenant Kool ingekwartierd bij den burgemeester Panke. Otterloo en Bokma logeerden bij den schoolmeester. De burgemeester Panke was een der kundigste burgemeesters, die ik in Noord-Braband had leeren kennen, maar hij zelve wist zijne kunde ook al te goed en was extra verwaand, Wij hadden het hier uitstekend. Men deed alles wat met kon om ons pleizier te doen. De juffrouw Panke, vr zij getrouwd was "wilde Mie" genaamd, was nog eene hupsche vrolijke vrouw en kookte en bakte voor ons dat het een lust was. Als wij maar een wenk gaven, dat wij het een of ander gaarne lusten, dan was het er ook den volgenden dag. Maar zij bezat juist niet het meeste verstand om alles even goed klaar te maken. Zoo aten wij er dikwijls pruimetaart, die veel te wenschen overig liet en wafelen, die wel eenigzints de gedaante hadden, maar ter dikte van gerezen pannekoeken, om eenigermate op zijn Oostersch uit te drukken. Den goeden wil van de menschen kon men echter uit alles opmerken.
  Aangename wandelingen leverde Duizel in menigte op; vooral toen wij wat verder in den tijd kwamen en het eerste zachte groen onder een milden zonneschijn voor het licht kwam, wandelden wij menigmalen door die kleine kreupelboschjes, welke het geliefkoosd verblijf der nachtegalen schenen te zijn, die vooral 's morgens en 's avonds als om strijd hunne stemmen verheften.
  Merkwaardigs leverde dit anders geringe dorpje niet op, behalve een paar majesteuese zware eikenbomen. Ook is hier een stapelplaats van bloedzuigers. Er woont hier namelijk een koopman, die door het geheele Rijk en voornamelijk aan de Rijkshospitalen, zijne bloedzuigers verzendt. Deze koopman krijgt zijne waar uit Bohemen en Polen, bij zakken vol. Hij bewaart deze diertjes in twee groote kommen, waarvan er een in de heide en een in of bij het dorp ligt. Zoodra men maar even met een stok in het water roert, ziet men deze diertjes niet bij duizenden, maar bij millioenen voor den dag komen. Ik gooide wel eens een kikvorsch midden in de kom, maar het arme beest was nog niet halverwege den wal, of de bloedzuigers hechten zich reeds in zulk een groot aantal aan hetzelve vast, dat men niets van den geheele kikvorsch kon zien en hij op eene ellendige wijze den dood vond; zelfs kropen ze hem in den bek. De schutters, die geloofden dat men des zomers niet gezond kon zijn, of men moest in het voorjaar even gelaten worden, plaatsen een drietal bloedzuigers in de vouw van den elleboog (als zijde de plaats waar het bloed uit moest, zoude het wat helpen) om de aderlating te vervangen. Ik kwam eens bij een zieken schutter en vond hem met eene geheele kraag van bloedzuigers om zijnen hals; misschien had hij er wel dertig aan hangen. Hij was geweldig met klieren aan den hals gekweld, had reeds lang gedokterd en was nu, op raad van een anderen schutter, begonnen om eene quantiteit bloedzuigers aan den hals te zetten, met dt gelukkig gevolg, dat onze patient genas.
  De nabijheid van Eersel, waar eene goede societeit met een billard was, maakte het kantonnement van Duizel niet minder aangenaam.
  Na hier eenige weken genoegelijk doorgebracht te hebben, ontvingen wij order om wederom van kantonnement te verwisselen en wel met Soerendonck, Maarheeze en Sterksel.
  Den 26sten April kwamen wij vermoeid op onze bestemming aan. Toen de billetten uitgegeven waren (ik kwam bij een oude matrone van drie en zeventig jaar) was mijn eerste werk den burgemeester bij mij te ontbieden en hem eene geweldige afjakkering te geven, daar hij zich had durven vermeten mij een dronken veldwachter te zenden, on plaats van zelve bij mijn arrivement tegenwoordig te zijn. Want daar het dorp zoo kort op de grenzen lag, tot nu toe steeds onbezet was geweest en in eenen slechten naam stond, had ik geheime instructies om hier wat despotiek te handelen en deze gelegenheid kwam mij niet ongeschikt voor, om mij al dadelijk wat gevreesd te maken. De burgemeester trilde als een blad aan den boom toen ik zoo hevig tegen hem begon uit te varen, dat ik zelve bijna het lagchen niet kon laten, te meer daar ik er niets van meende.
  Hij werd z bang voor mij, dat die achtbare heer vervolgens alle morgens negen uur persoonlijk bij mij kwam, om te vragen of er ook iets van mijne orders was, en 's namiddags den veldwachter zond met dezelfde boodschap.


webdesign & copyright
© 2001-2003 Eveline