Veldtocht:
hfst. 20 - 21

omslag
namenlijst
vw en hfst. 1
hfst. 2 - 3
hfst. 4 - 5
hfst. 6 - 7
hfst. 8 - 9
hfst. 10 - 11
hfst. 12 - 13
hfst. 14 - 15
hfst. 16 - 17
hfst. 18 - 19
hfst. 22 - 23
hfst. 24 - 25
hfst. 26 - 27


Inhoud
Start
XX. TERUGKOMST IN 'T VADERLAND.

Zaterdag den 20sten Augustus 1831.


  Na mij wat verwarmd - en zoo goed en zoo kwaad het dan was, ontbeten te hebben, marcheerden wij eerst weer naar den straatweg en vervolgens naar het kleine dorpje Laar, alwaar de Groninger schutterij had overnacht en nog iemand gevangen genomen, die op haar had geschoten.
  De lucht begon donker en mistig te worden, het schoone weder, dat ons tot nu toe steeds begunstigd had, was voorbij. Het regende reeds toen wij de dorpen Helchteren en vervolgens Hechtel passeerden. Bij het laatste dorp bleven wij eenigen tijd rusten en verkeerden in den waan, dat wij hier zouden overnachten. Wij hadden echter deerlijk misgerekend! in het denkbeeld dat wij onzen marsch voor dezen dag hadden afgelegd, wenschten wij, met een inwendig genoegen, de Groningers, die hunnen weg rechts van den straatweg vervolgden, eene goede reis, maar leelijk stonden wij op onze neus te kijken, toen er appl geslagen werd en wij hen moesten volgen!
  Het regende nog al voort, alsof het met emmers uit den hemel gegoten werd; doch de hoop dat het dorp, welks toren wij op eenen verre afstand vr ons boven de boomen zagen uitsteken, ons wel een herbergzaam dak zoude aanbieden, wakkerde onze beenen wat aan; maar te Exhel (dit was de naam van het dorpje) gekomen, vonden wij ons al weder bedrogen; wij moesten nog al verder! een bataillon der 13de afdeeling had het reeds bezet. Wij kregen hier den grooten troost, dat wij nog wel vier uren verder moesten marcheeren. Op het hooren van deze mare, werd ons volk ongeduldig en vloekte geweldig, dat men de afdeeling kortere marschen liet doen dan de schutters. We trokken Exhel om en liepen machinaal voort tot aan Over-Pelt. De weg was moeijelijk en oneffen en de landsdouw leverde niets bekoorlijks op, hetgeen anders een langdurigen en vermoeijenden marsch nog al verkort; maar hier was het land dor en schraal. Hier zoude het Groninger bataillon nachtverblijf houden en ook wij bleven hier een oogenblik rusten, hetgeen zeer ontstaatkundig van den majoor was, want daar het zoo regende kroop alles dadelijk in de herbergen, welke hier in overvloed te vinden waren, zoo lang tot zij vol waren. Hoe groot ook mijn trek naar wat brandewijn of genever was, ik kon niets krijgen, alle herbergen waren z bezet, dat er geen levens wezen meer in kon. Toen er weer appl geslagen werd, marcheerden wij af, met degenen, die geen plaats in de herberg konden krijgen; de overigen bleven zitten; alles was in de war; de kompagnin onder elkander vermengd en een groot gedeelte in de kroeg te zuipen. Ik deed nog mijn uiterste best om het volk uit de herbergen te halen, maar toen ik zag dat de majoor weg reed en zich niet bekreunde om dezen warwinkel in orde te brengen, liet ik ook mijne pogingen staken en marcheerde door.
  Zoo kwamen wij al bij gedeelten in het dorp Neer-Pelt, een schoon groot dorp, ook weder met een brillante nieuwe kerk en toren. De plasregen hield steeds aan, zoodat ik in den volsten zin des woords geen drooge draad aan mij had; het was alsof ik een geruimen tijd in het water had gelegen. Mijn mantel, welke ik omgeslagen had, drukte als lood op mijne schouderen, het water stond mij in de laarsen en bij iederen voetstap sprong het water uit de kappen tegen mijne kuiten aan. De wegen waren bijna niet te passeeren.
  Eindelijk kwamen wij, geheel bemodderd, doornat en zeer vermoeid te Achel, het doel van onze reis, aan. Nimmer heb ik een langduriger en meer vervelender en vermoeijender marsch gehad als deze. Gelukkig dat wij niet behoefden te bivouakkeeren, maar billetten van inkwartiering ontvingen. Ik was z afgemat dat ik mij niet met het uitdeelen der billetten bemoeide; hiervoor liet ik mijne officieren en onder-officieren zorgen, te meer daar er nog zoo vele manschappen waren achter gebleven. Ik kreeg met den kapitein Alta een billet bij den koopman Simons, alwaar nog twee officieren van de lanciers waren ingekwartierd, onder anderen eenen Graaf van Bijland, wiens vader, de generaal van denzelfden naam, het kommando in Brussel voerde tijdens het uitbarsten der onlusten. Ik trok dadelijk mijne laarzen en kousen uit om te droogen, trok een paar kousen, klompen en jas van mijn hospes aan en liet mijne onderkleederen ter drooging aan de warmte van mijn eigen lichaam over.
  De koopman Simons tracteerde ons op een goed diner en vooral op lekkere warme soep. Na het eten liet ik een groot vuur aanleggen, lag mij op een paar stoelen voor het vuur en viel in een zoeten slaap. Na wat uitgedampt en uitgerust te zijn, dronken wij gezamentlijk een kopje koffij en een glas wijn, praatten wat en gingen vroeg naar bed.
  Na 's morgens opgestaan te zijn en ontbeten te hebben, sloeg de trommel reeds de vergadering, toen het nog maar even licht begon te worden. De lucht was nog betrokken, hoewel het niet regende.
  Even gelijk een schipper, na langen tijd met stormen en onweders te kampen gehad te hebben, met blijdschap de kusten van zijn vaderland aan den horizon ziet blaauwen, zoo verheugd was ook ik, toen wij, buiten het dorp Achel op een groote heide gekomen, aan de overzijde van dit uitgestrekt heideveld de bosschen van Noord-Braband en den toren van Valkenswaard in het verre verschiet zagen. Aan de linkerzijde lieten wij nog een torenspits in een bosch liggen, waarschijnlijk eene kapel en zoo stevenden wij de heide dwars over, recht op Valkenswaard aan.
  Aldaar gekomen hielden wij eene korte rust, en wenschten elkanderen geluk met de behoudene terugkomst in ons vaderland. Doch hoe zonderling hoorden wij op toen wij order kregen, om onze voormalige kantonnementen van Zeelst, Veld- en Meerveldhoven wederom te betrekken. Wij hadden zoo vast geloofd dat het vrede was en wrom dan kantonnementen te betrekken en niet dadelijk den terugmarsch naar onze provincin aanvaard? Deze order vernietigde inns onze gelooven, dat, zoo het nu dan nog geen vrede was, hij evenwel schielijk zoude volgen, en hiermede troosteden wij ons.
  Wij passeerden nog het dorp Waalre en zoo trokken wij, langs een schoonen boschrijken wandelweg, onder begunstiging van het fraaiste weder, op Zeelst aan.
  De 3de, 4de en een gedeelte van mijne kompagnie, onder den luitenant Bokma, marcheerden naar Veldhoven, de 6de kompagnie naar Meerveldhoven, 1ste, 2de en het overige gedeelte van mijne kompagnie naar Zeelst, alwaar ik met den luitenant Felting der 1ste kompagnie bij den schoolmeester werd ingekwartierd.


XXI. HET INQUISITOIR TEGEN DEN MAJOOR.

Augustus 1831.

  Geheel onverwacht kwam de kolonel Hoorn, commandeerende onze afdeeling het commando van den majoor Kirchner overnemen. Na de overname liet hij alle officieren, uitgezonderd den majoor bij zich komen en tot onze groote verwondering hoorden wij, dat het ter kennisse van het Ministerie van Oorlog was gekomen, dat wij niet in de beste verstandhouding met onzen majoor leefden, weshalve de kolonel gezonden was, om provisioneel het commando over te nemen en de grieven op te nemen, welke er tegen den majoor bestonden en die hij ons verzocht des avonds schriftelijk aan zijn huis te bezorgen, teneinde die grieven aan het Ministerie van Oorlog bekend te maken. Wij vereenigden ons des avonds allen in conferentie ten huize van den molenaar te Meerveldhoven, als hebbende het ruimste lokaal en stelden het volgende opstel op:

    Aan den Heer Kolonel, kommandeerende de 1ste afdeeling Friezen.

  "Door U HoogEdelGestrenge in de gelegenheid gesteld om op te geven de oorzaken, waardoor tusschen den heer majoor, kommendeerende ons Bataillon en het meerendeel der officieren niet zoodanig eene harmonie bestaat, als wel voor het belang van den dienst en het genoegen van het corps officieren wenschelijk zoude zijn, hebben wij ondergeteekenden, officieren bij het 2de bataillon, de eer U HoogEdelGestrenge de volgende bemerkingen aan te bieden, die wij minder als rechtsreeksche beschuldigingen tegen onzen bataillons kommandant wenschen beschouwd te zien, dan wel als bescheidene aanmerkingen op Zijn WelEdelGestrengens doorgaande wijze van zich jegens het korps officieren en zijne inferieuren in het algemeen te gedragen.
  De aard der Friezen is oprecht en ongeveinsd, gewillig volgen zij dengenen, met genoegen luisteren zij naar hm, die hen met zachtheid en bescheidenheid den weg wijst, hun hunne fouten met zachtmoedigheid onder het oog brengt en hun de middelen aantoont om die te verbeteren, hen in die verbetering aanmoedigt en opbeurt. Doch der Friezen aard is tegelijk fier en op den minsten zweem van ongelijk of minachting, ligt in toorn ontstoken. De beste raadgevingen, maar op eenen norschen, bedilzieken toon voorgesteld, missen bij hen zeker het doel en verbitteren alleen, zonder te verbeteren.
  Bij de oprigting van ons bataillon waren de officieren, onderofficieren en manschappen genoegzaam alleen even onbedreven in hun respectieve dienstpligten en hadden allen even zeer leiding en onderrigt noodig; maar het karakter en de doorgaande manier van omgang van den heer Bataillons-kommandant was, vermeenen wij, ongeschikt om die leiding en dat onderrigt vrugten te doen dragen.
  De heer Bataillons-kommandant is gewoon zich op eene zeer korte en haastige - dikwijls vrij onbevattelijke wijze uit te drukken; zich over traagheid in de uitvoering van kwalijk begrepene bevelen schielijk te vertoornen; uit te varen over vaak nietige kleinigheden; tengevolge van eigene zwaarmoedigheid, zelden eenen last, dien de dienst met zich brengt, te verligten en door opbouwende goedheid gemakkelijk te maken, maar veeleer die te verzwaren en haar meer drukkende te doen worden. Zoodanige handelwijze, gevoegd bij een volslagen gebrek aan aangenaamheid in den omgang buiten den dienst, - daar de heer Bataillons-kommandant alle aanraking en vriendschappelijke verkeering met de officieren in het algemeen veel meer scheen te vermijden dan gemakkelijk te maken, - moest natuurlijk eene verwijdering, of liever eene verhindering van alle toenadering tusschen Zijn WelEdelGestrengen en het corps officieren, tengevolge hebben, en beletten, dat de laatsten van de ervaring, diens ijver en de uitgebreide militaire kundigheden des eersten, de gewenschte vrugten plukten.
  Zoo heeft norschheid en onvriendelijkheid aan den eenen - dikwijls traagheid en onvolgzaamheid aan den anderen kant te weeg gebragt en veel goeds verhinderd. Dat dit alles op het gansche bataillon nadeelig moest werken, ligt in den aard der zaken. Werden de officieren, dikwijls in het bijzijn en ten aanhore hunner onderhebbenden, op eenen onbeschoften toon afgezet, wat had de onderofficier - wat de schutter te duchten, doch ook, hoe nadeelig moesten zulke publieke bestraffingen werken op den eerbied, die de minderen hunne meerderen behooren toe te dragen, zoo er eene ware ondergeschiktheid zal bestaan?
  Indien er nog eenige toenadering tusschen den heer majoor en het corps officieren bestaan heeft, de laatste veldtocht heeft de klove wijder dan ooit doen gapen.
  Dr was het, dat jonge onervarene krijgslieden in hagchelijke - gevaarvolle oogenblikken een woord van opbeuring, van bemoediging, een helder uitzigt in het verschiet behoefden; maar ook dr vonden zij bij hun opperhoofd niets dan den gewonen, kouden, terugstootenden toon des bevels, hetgeen nog wel eens verwarring in de gelederen bragt, zoo het al gehoord werd; dr kwam hun, na het doorstaan der gevaren, steeds dezelfde ijskoude bedilzucht tegen, van hm, die zich nimmer mede verheugde, die nimmer mede leed.
  Ziehier, HoogEdelGestrenge Heer! wat wij, gebruik makende van eene gelegenheid ons aangeboden, vermeenden ter kennisse van U HoogEdelGestrenge te moeten brengen. Wij herhalen het, minder om den heer majoor te beschuldigen, dan wel om de oorzaken van het gebrek aan harmonie onder ons, naar ons beste weten open te leggen.
  Wij zouden over de scherpe punten in het karakter van onzen chef liever eenen sluier hebben geworpen, ware niet, door al het voorgevallene, de dienst voor ons zoo onaangenaam geworden en het bestaande gebrek zoo zeer ingeworteld, dat een dragelijk verkeer tusschen ons in de toekomst bijna tot de onmogelijkheden behoort en een gedwongen proeve daarvan genomen, voor het bataillon niet dan nadeelig zou kunnen zijn.

Zeelst etc.
(Volgen de onderteekeningen van alle presente officieren.)


webdesign & copyright
© 2001-2003 Eveline