Veldtocht:
hfst. 18 - 19

omslag
namenlijst
vw en hfst. 1
hfst. 2 - 3
hfst. 4 - 5
hfst. 6 - 7
hfst. 8 - 9
hfst. 10 - 11
hfst. 12 - 13
hfst. 14 - 15
hfst. 16 - 17
hfst. 20 - 21
hfst. 22 - 23
hfst. 24 - 25
hfst. 26 - 27


Inhoud
Start
XVIII. IN DE VEROVERDE STAD.

Zaterdag den 13den Augustus 1831.


  Nadat wij met het opgaan der zon onze legerstede hadden verlaten en onze soep hadden gebruikt, zetteden wij onze manschappen aan het uitkloppen en borstelen hunner kleederen, en aan het schoonmaken hunner wapenen; iedereen moest geschoren worden, om zoodoende in de meeste propreteit Leuven binnen te trekken.
  Om tien uur marcheerden wij op, tot die herberg aan den straatweg, alwaar ik mij met huivering mijn glas bier van den vorigen dag nog herinnerde. Ieder bataillon werd volgens zijnen rang geplaatst en zoo trokken wij in colonne, met muzijk en trommen, zegevierend op de stad los, vrij wat geruster als den vorigen dag.
  Het was middag toen wij de stad binnen trokken. Binnen de poort gekomen, moesten wij den linkerkant om, langs den geslechten - en zekerlijk tot eene wandelplaats ingerigten wal. Een ander gedeelte van onze divisie sloeg den rechter kant om, terwijl weer een ander gedeelte recht uit de stad binnen trok. Wij marcheerden door tot digt aan de Namensche poort, alwaar wij halt hielden, en onze geweren in rotten zetteden, in afwachting van nadere bevelen. Intusschen kreeg de 4de kompagnie bevel, om halverwege de poort, welke wij waren binnen getrokken, terug te keeren, teneinde de wacht te betrekken; want veiligheidshalve was de geheele stad door wachten omgeven.
  Bij de Namensche poort had de kapitein Teunissen der 13de afdeeling met zijne kompagnie de wacht. Ik at hier met hem en mijne vriend Alta zamen een heerlijke gebraden kip met eene boterham, ten aanschouwe van een menigte nieuwsgierigen, die ons, vijandelijke troepen, kwamen zien. Daar vele blaauwkielen de stad verlieten en buiten de stad talrijke zamenscholingen hielden, kwam er order, om niemand meer in- of uit te laten gaan. Terwijl wij hier zoo zamen smakelijk zaten te kluiven, kwam er iemand in galop aanrijden; hij werd opgehouden en men zeide hem, dat niemand de stad in- of uit mogt. Hij vertoonde daarop eenen brief, gecontrasigneerd door eenen adjudant van den Prins, met het opschrift: "Aan den Bevelhebber der Fransche Armée, tusschen Wavre en Leuven." Verbaasd over dezen brief, zagen wij elkanderen aan ... Eene Fransche armée! ... tusschen Wavre en Leuven! ... dus slechts een kleine drie uren van ons verwijderd! ... Wat zoude dàt beteekenen? Kwamen de Franschen als vrienden of als vijanden? - Dit was voor het eerst, dat wij iets van Franschen gewaar werden, doch spoedig hierop verspreidde zich het gerucht, dat het door tusschenkomst der Franschen was, dat wij zoo gemakkelijk Leuven waren binnengetrokken; dat hier ook het einde onzer overwinningen was en dat wij, zoo wij den vrede met Frankrijk wilden bewaren, den volgenden dag den terugmarsch naar ons vaderland moesten beginnen!
  Verblijdend aan den eenen kant was deze tijding, omdat wij nu de menigvuldige gevaren des oorlogs waren te boven gekomen; maar bedroevend, zeer bedroevend omdat wij nog slechts eenen dag met eenen ontmoedigden vijand hadden te worstelen gehad, als wanneer Brussel ons binnen hare muren had gezien. Zoo véle dagen hadden wij reeds allerlei gevaren en moeilijkheden getrotseerd, dat wij nog gaarne eenen dag die gevaren hadden willen tarten, wanneer de inneming van Brabandsch hoofdstad - (waar zoovele onzer landgenooten in het vorig jaar op eene verraderlijke wijze hunnen dood hadden gevonden), wanneer datzelfde Brussel onze overwinningen had mogen kroonen! Maar 50000 Franschen - en zoo dat niet genoeg was, waarschijnlijk een veel grooter aantal, zeiden tot ons: "Niet verder!"
  Zoo eindigde door tusschenkomst der interveniëerende Franschen, deze korte, doch voor Oud-Nederland roemwaardige veldtogt.
  Tegen den avond begonnen wij te begrijpen, dat men ons den nacht wel op den wal zoude laten bivouakkereeren en wij begonnen dus bedacht te zijn om stroo te laten aanrukken in welke poging wij nog al tamelijk gelukkig slaagden. Toen het donker begon te worden, lagen Alta en ik, met den hond Murk, ons tezamen naast elkanderen, in onze mantels gewikkeld, ter ruste en niet lang duurde het of wij hadden den slaap gevat. Doch omstreeks twaalf uur werden wij op eene onaangename manier uit onzen slaap gewekt, door een verschrikkelijk wapengekletter en het geroep van "Cavallerie! cavallerie!" Met welk oogmerk de Franschen gekomen waren, of zij als vrienden of als vijanden kwamen, was ons onbekend. Men geloofde dus, dat het Fransche cavallerie was, die ons op eene verraderlijke wijze in den slaap kwam overvallen. Welk een woest rumoer dit wapengekletter en het daarop opvliegen van zoovele honderden menschen in de donkere stilte van den nacht veroorzaakten, valt licht te begrijpen. Mijn slaapcompagnon Alta zei dood bedaard tegen mij: "Laten wij maar blijven liggen, er is misschien een paard op hol." Murk mengde zijn stem onder dat vreeselijk geschreeuw. De beweging en het geroep waren mij te erg. Ik stond op en vervoegde mij dáár, waar het meeste geschreeuw was. En wat was het? De paarden welke voor de kruitkar stonden, waren door eene brandende lantaarn verschrikt geworden en op den loop gegaan. De kar was tegen de geweren, welke in rotten stonden, aangehold; deze waren omgevallen en door de kar overreden; de paarden waren gesteigerd; het tuig aan stukken geraakt; de kruitkar met honderden ponden patronen lag het onderst boven, met een der paarden er onder en zoo had men de paarden gegrepen. Met veel moeite werd de kruitkar opgericht en het paard, een weinig geblesseerd, er onder vandaan gehaald. Ik huiverde bij de gedachte, hoe vele ongelukken hierdoor hadden kunnen ontstaan. De geheele wal lag vol menschen; hoe gelukkig dat de paarden het midden hielden en over de geweren reden. Onze geweren waren geladen. Vierhonderd geweren waren omgevallen en een groote vijftig geheel beschadigd. Hoe gelukkig dat er niet één afsprong, hetgeen zoo licht had kunnen gebeuren; want wat had niet het afspringen van één geweer eene schrik en ontsteltenis in de stad kunnen te weeg brengen; onberekenbaar waren daarvan de gevolgen geweest!
  Met den schrik en een groot vijftigtal onbruikbaar geworden geweren kwamen wij er af. Toen alles weer in rust was, behalve dat men nog nu en dan de brullende stem des majoors hoorde, die door dit toeval schrikkelijk uit zijn humeur was geraakt, begaven wij ons weer ter ruste en vervolgden onzen slaap.


XIX. EERVOLLE TERUGTOCHT.

Zondag den 14den Augustus 1831.

  Omstreeks acht uur trokken wij wederom den Tirlemontsche poort uit en marcheerden dezelfden weg teug welken wij gekomen waren, namelijk langs de dorpen Korbeek en Louvensouin. Toen wij op een stuk land rust hielden werd er eene legerorder uitgevaardigd en ons voorgelezen van wege den Kroonprins, waarin hij ons voor onze moed, trouw en standvastigheid bedankte en ons verwittigde, dat hij op voor ons voordeelige conditiën, eene overeenkomst met de Franschen had gesloten, volgens welke wij, met kleine dagmarschen de terugreis naar de Oud-Hollandsche grenzen zouden aanvaarden. Niettegenstaande wij den vijand gaarne tot in Brussel zouden vervolgd hebben, was ons echter deze tijding niet geheel onwelkom, daar wij uit deze order meenden te kunnen opmaken, dat het sluiten van eenen voor ons voordeeligen en eervollen vrede, de genoegdoening zoude zijn voor doorgestane ellenden, zoodat wij dus hoopten, dat wij, eerland tot onze betrekkingen teruggekeerd zijnde, onze vorige loopbaan zouden kunnen vervolgen, met het streelend gevoel, dat ook wij iets tot het heil des vaderlands hadden medegewerkt.

De hertog van Saksen-Weimar ontvangt het bericht van den wapenstilstand.
De hertog van Saksen-Weimar ontvangt het bericht van den wapenstilstand.

  Na eerst onze geweren afgetrokken (ontladen) te hebben, - want wij waren nu als het ware niet meer in een vijandelijk land en behoefden nu niet meer te vechten, - trokken wij den volgenden morgen terug naar den straatweg en marcheerden naar Thienen.
  Hier vernam ik van eenige lanciers, bij welke eenige academiekennissen van mij als vrijwilligers dienden en die patrouille hadden gemaakt, dat verscheidene boeren, met jagtgeweren gewapend, zich bijéén verzamelden, met welk oogmerk wist men niet; echter vermoedde men, dat het een slecht doel zoude hebben. Hierdoor ontstond veel beweging en drukte in de stad, zoodat men uit alles begrijpen kon, at er iets gaande was. Wij hielden appèl en hierna kreeg ik, met de kapiteins Alta en Schwartsenberg order om met onze kompagniën 's nachts op de markt te bivouakkereeren, tegelijk met drie kompagniën der 13de en drie kompagniën der 8ste afdeeling. Dadelijk zond ik mijnen oppasser naar mijnen vriendelijken gastheer, met het berigt, dat ik helaas niet van zijnen welvoorzienen wijnkelder kon profiteeren, maar dat hij mij uiterst aangenaam zoude zijn, indien hij mij één à twee lekkere flesschen met wat eten op de markt wilde laten brengen. Hij zond mij het gevraagde dadelijk, hetgeen ik met mijne collega's smakelijk in het koffijhuis consumeerde. De kolonel Sprenger van het reserve-bataillon der 8ste afdeeling, welke het commando over dit bivouak had, maakte zich gereed om en nacht in de herberg te blijven bivouakkereeren, waartoe ik hem van ter zijde liet merken dat ik ook wel neiging gevoelde. Hij gaf mij hiertoe ook dadelijk permissie, zeggende dat er genoeg wachthebbende manschappen op de markt lagen, die ons, in tijd van gevaar, wel zouden waarschuwen. Ik ging nog eens naar mijn kompagnie, maar alles, tot officieren toe, lag reeds in de diepste rust op de straatsteenen, alleen onder het hoofd een weinigje stroo hebbende. Wij lieten ons beddegoed op den grond uitspreiden, waartoe harde woorden noodig waren om den kastelein te bewegen, want nu moest hij zelve, volgens zijn zeggen, op stroo kruipen. Evenwel kwam het eer en weldra sliepen wij als rozen. Het bivouak, op tamelijk goed beddegoed en onder dak, beviel ons beter als op stroo onder den sterrenhemel.
  Alles was reeds op de been, toen wij ons kermisbed verlieten. Wij aten eene boterham, dronken wat koffij en wandelden wat op de markt heen en weder.
  Langzamerhand kwamen alle troepen op de markt bijeen, om vervolgens de stad te verlaten. Ook kwam er eene menigte burgers bij elkanderen, schaarde zich bijeen en zag ons op verre na niet met vriendelijke oogen aan. Nu en dan mengden zich ook enkele Belgische soldaten, die zich, nu de wapenstilstand was gesloten weder durfden vertoonen en weer stadwaarts kwamen, onder de burgers. Deze soldaten waren meest jagers met kielen aan, zoomede in uniform gekleede jagers met hooge chacots op, waarvóór een gouden jagthoorn was geschilderd.
  Tegen acht uur kwam de maarschalk Gerard met eenen Franschen dragonder achter zich te paard aanrijden en stapte bij het hotel "du plat d'étain" af. Toen deze generaal aankwam zag men het vergenoegen op die verzamelde burgerschaar uitblinken. Zij wilde hare vreugde door een luid geroep te kennen geven, maar hij wenkte om het niet te doen. Doch hoe vreemd stonden zij te kijken, toen men door het opgeschoven venster zien kon, hoe vriendschappelijk deze Franschman en de Prins elkander de hand gaven. Dit had men niet verwacht!
  Toen eindelijk de Fransche troepen de stad binnen trokken, verlieten wij dezelve in de grootste orde, zoodat de Fransche generaal, die ons zag vertrekken, den Prins een compliment maakte over de exercitiën en het krijgshaftig voorkomen zijner soldaten en schutters.


webdesign & copyright
© 2001-2003 Eveline