Veldtocht:
hfst. 16 - 17

omslag
namenlijst
vw en hfst. 1
hfst. 2 - 3
hfst. 4 - 5
hfst. 6 - 7
hfst. 8 - 9
hfst. 10 - 11
hfst. 12 - 13
hfst. 14 - 15
hfst. 18 - 19
hfst. 20 - 21
hfst. 22 - 23
hfst. 24 - 25
hfst. 26 - 27


Inhoud
Start
XVI. VOOR LEUVEN.

Vrijdag den 12den Augustus 1831.


  Eene verbazende dikke mist omringde ons toen wij reeds zeer vroeg ons bivouak verlieten. De mist was z dik, dat wij van den rechtervleugel van ons in bataille staand bataillon den linkervleugel niet konden zien. Het doffe rumoer, dat wij van alle kanten rondom ons hoorden, bewees ons echter dat er vrij wat te doen was, hetgeen ook wel te denken viel, daar wij zoo digt in de nabijheid van den vijand waren. Gelukkig klaarde die dikke nevel bij het hooger klimmen der zon op en toen wij op de hoogte kwamen van waar men het dorp Bautersum op een kleinen afstand vr en beneden zich ziet liggen, was de mist geheel verdwenen. In het dorp, waarin geen levend wezen zich vertoonde, wijl alle inwoners gevlugt waren, vonden wij nog verscheidene gesneuvelden in de huizen en aan den weg liggen, welke zekerlijk niet begraven hadden kunnen worden, want de hier en daar boven de aarde uitstekende beenen, armen en halve hoofden, toonden dat de Belgen in de uiterste haast bezig waren geweest om de lijken met aarde te bedekken. Ook de in de drooge slooten met stroo bedekte lijken bewezen, dat zij het getal hunner gesneuvelden, dat zeker nogal aanzienlijk geweest is, voor ons poogden te verbergen.
  Wij hielden in het dorp een oogenblik halt, om de rijdende artillerie, die ons ventre terre voorbij reed, te laten passeeren, waarna ook al heel schielijk het gevegt een aanvang nam en de grond daverde door het gebulder van het geschut. In het dorp sloegen wij een weg links af, vergezeld van de Prinsen en derzelver stad; marcheerden door boekweit- en korenlanden, en vernielden zoo in ns de schoonste hoop van den landman. Het dorp was schielijk van vijanden gezuiverd, die zich nu in de daaracher gelegen bosschen verschuilden. Uit alle bosschen, achter elke heg werd op ons geschoten, behalve uit een dennenbosch op een kleinen afstand vr ons. Men zond eenige, (ik geloof Groninger jagers) derwaarts om het bosch te onderzoeken. Vlak vr het bosch gekomen, sprongen de in hinderlaag - achter de met kreupelhout en heesters begroeijde aardruggen - liggende Belgen eenklaps op. Onze jagers, verschrikt door dit overwacht gezigt, keerden zich om en liepen terug zoo hard zij konden en ik zag hoe een Belg onder het loopen de tromp van zijn geweer op den rug van een der jagers plaatste en toen losbrandde, zoodat deze direct achterover dood nederviel. Aanstonds kwam er eene sectie artillerie bij ons, welke ter dege op het bosch inblies, met het gevolg dat de vijand ook al heel schielijk het bosch ontruimde. Hij trok terug op het dorp Louvensouin, een schoon in bosschen gelegen dorp.
  Na over eenige bouwlanden, over hoogten en door laagten gemarcheerd te zijn, kwamen wij weer op den straatweg, vonden op het land naast den weg enkele gekwetsten en dooden, weggesmeten brooden, petten, stukgeslagen geweren, ransels, katoenen epauletten, zeer netjes bewerkt, die de onderofficieren der Belgische chasseurs droegen etc. Vr het dorp hielden wij halt. De Belgen hadden de beste positin op de bergen verlaten, waarvan onze artillerie gebruik maakte om die stellingen weer in te nemen, vanwaar zij eene hevige kanonnade op het dorp maakte, die van den kant der Belgen niet onbeantwoord bleef. Nadat hier eenigen tijd van beide kanten een matig vuur onderhouden was, scheen de vijand het raadzaam te oordeelen om te retireeren. Van dit gansche gevecht konden wij niets zien, omdat onze oogen niet door de geweldige kruitdampen konden heendringen. Toen de vijand zich buiten het dorp vertoonde kreeg hij van onze artillerie nog een goed uitgeleide mede. Het duurde echter niet lang of het schieten hield geheel op en wij kwamen in het dorp, alwaar wij wederom halt hielden. Men verhaalde mij hier, dat de Belgen een parlementair tot den Prins hadden afgezonden, om te onderhandelen, maar dat de Prins zoude geantwoord hebben, dat hij van geen onderhandelen wilde weten, vr hij in Leuven was. De bagage-wagen der vijanden, welke ons in handen was gevallen werd ontladen. Kisten, koffers, etc. werden opengeslagen, maar ik geloof niet, dat er in gevonden werd, waarnaar men eigenlijk zocht. Boeken en administratiestukken, alsmede brieven, (waaronder minnebrieven!) waren er in overvloed te vinden, maar geen geld.
  Wij kregen hier eenige flesschen wijn, want men was achter een wel-voorziene wijnkelder gekomen, welke bron echter, na eenige dorstige harten gelaafd te hebben, (want het was smorend warm!) vr onzen opmarsch geheel uitgedroogd was.
  In het dorp Korbeek, dat wij vervolgens passeerden, werd nog een parlementair tot den Prins afgezonden, maar, met dezelfde boodschap als boven, teruggestuurd. Zoo kwamen wij voor Leuven, welke stad in een dal ligt, rondom door bergen omgeven. De Prins nam zijn intrek in een wit huis, aan den voet van een berg, ter rechter zijde van den straatweg gelegen. Hier kwamen wederom parlementairs tot den Prins, doch met elken uitslag werd men niet gewaar. De Belgen hadden zich nu geheel in Leuven teruggetrokken en onze arme werd op eenen kleinen afstand van Leuven voor de stad geplaatst, bataillons-gewijze, in geslotene colonnes. Wij stonden rechts van den straatweg, met het flank-bataillon der 13de afdeeling en de lanciers en kurassiers achter ons. Wat verder achter ons, boven op een hoogen steilen berg eene batterij (veld-artillerie No. 8). Bijna onze geheele arme werd hier in het zigt van Leuven geplaatst, misschien om aan de Belgen onze macht eens te toonen, en nu verspreidde zich het gerugt dat men bezig was met onderhandelen over de overgave der stad en dat er gedurende de onderhandeling, een oogenblik van wapenschorsing was. De geweren werden vr en n, zonder dat het juist gecommandeerd werd, in rotten gezet en iedereen zette zich te ruste neder en ammuseerde zich met praten of te zien naar de stad, of met het heerlijk gezigt op onze hier bijeen verzamelde arme.
  Ook ik zette mij met den heer kapitein Schwartsenberg neder in eene greppel naast den straatweg, toen wij van verre de Belgische cavallerie op de boulevards der stad gerangeerd zagen staan. Na hier eenigen tijd rustig over den voorspoed onzer wapenen, over de gevechten van dezen dag en over den eindafloop der zaak gediscoureerd te hebben, begaf ik mij naar eene herberg, die wat meer achterwaarts aan den straatweg stond, om te zien of ik wat bier konde krijgen, want niets kwelde ons in deze ondragelijke hitte meer dan de dorst. De cavallerie, welke vlak tegenover deze herberg stond, was ook afgestegen en men hoorde geene vijandelijkheden, dan alleen een flaauw tirailleur-vuur aan den kant eener groote abdij, alwaar men zeide dat onze in 1830 krijgsgevangen gemaakte officieren een geruimen tijd hadden zitten zuchten.


XVII. EEN VERRADERLIJK BOMBARDEMENT.

Vrijdag den 12den Augustus 1831.

  Deze herberg was stoppend vol militairen van alle rangen en wapenen. De een liep met een emmer bier, de ander met een schotel boter, de derde met een arm vol brood, elk maakte maar dat hij wat kreeg. Met grootte moeite kreeg ik nog een glas bier voor het raam, waarheen ik, na veel worstelens, was doorgedrongen. Ik hoopte nu mijn brandende dorst te stillen, doch naauwelijks had ik het glas in mijne handen, of bons! daar viel een kanonschot, waarvan de aarde dreunde en dat door een menigte achter elkander opvolgende schoten gevolgd werd. Verschrikt door dit onverwacht gedonder, hetwelk door de bergen eenige malen teruggekaatst werd, en waardoor de aarde schudde, vervoegde ik mij terstond bij mijn bataillon, dat reeds de geweren had opgenomen en min of meer (doordoen de meeste officieren, zelfs de majoor afwezig waren) in wanorde was gekomen. De menschen waardoor ik mij bij het venster omgeven zag, waren als door een tooverslag verdwenen. Niemand kan zich het ijselijke, het verschrikkelijke van dit oogenblik voorstellen.

Episode uit den slag bij Leuven.
EPISODE UIT DEN SLAG BIJ LEUVEN.
(Naar een schilderij van L. van den Bom.)

  De vijand had in dit tempo van stilstand zijne zwaarste batterijen - meest 12 en 24 ponders -, tegen ons gerigt, waarmede hij zulk een vuur maakte, dat er geen denkbaar oogenblik was, of er viel een schot, de aarde dreunde; links en rechts en boven ons hoorden wij de kogels sissen; een kogel trof een rot van het naast ons staande bataillon der 13de afdeeling en doorboorde de borsten van dat achter elkander staand drietal, zoodat de stukken vleesch een geheel eind ver weggesmeten werden en den volgenden dag nog op de kapotjassen van hunne buren kleefden. Overal zagen wij wolken van stof, waar een kogel op den grond viel. Wr men zijne oogen heen wendde, overal zag men menschen en paarden vallen. Het was hier dat de Overste Gallines door denzelfden kogel werd getroffen, dien zijn zoon het been verbrijzelde. Ik zag een lancier (Kuipers van de Nieuwschans) wiens hoofd halverwege werd afgeschoten, ik zag ...; maar het boek zou te groot worden, wanneer ik alles opsomde wat ik hier in n oogenblik zag. Geen wonder dat ons volk verschrikt door dit verraderlijk vuur, tijdens een oogenblik van schorsing der vijandelijkheden, z ongedekt en in de nabijheid van het vijandelijk geschut en bij absentie van verscheidene officieren, zelfs van den majoor, zich gereed maakte om te retireeren. Zij retireerden dan ook en wel niet in de beste orde, evenmin als de meeste bataillons. Wij maakten maar dat wij spoedig achter de herberg kwamen, waar ik het glas bier had gedronken, doch ook hier stonden wij niet veilig, want eenige 24 ponders doorboorden het huis en schoten de schoorsteen af, zoodat de steenen over ons heen vlogen. Eindelijk namen wij positie op eene hoogte, niet ver van de abdij, alwaar wij ons verward bataillon weer in orde bragten en waar de afgedwaalde schapen, onder anderen ook de majoor, (die zeer ongerust was over het lot van zijn rossinant, die hij aan zijn oppasser had overgegeven en nu nog afwezig was, doch schielijk terug kwam) ons weder opzochten. Op deze kleine retraite werd, - behalve eenige schutters, die gekwetst werden of sneuvelden, - den 2den luitenant der 6de kompagnie Tolsma door een 12 ponder, welke zijne kracht reeds had verloren, den arm geblesseerd, zoodat hij tot eene ongelooflijke dikte opzwol. Nu en dan werd, terwijl wij op deze hoogte stonden, het vuur op ons gerigt, maar het scheen, dat de Belgen de quantiteit kruit niet best konden bepalen, die achter den kogel moest, want, f de kogels snorden over onze hoofden heen, f zij vielen voor ons krachteloos op den grond. Eenige 12 ponders vonden wij vr ons liggen. Het meeste vuur hadden de Belden gerigt op een batterij, die op een hoogten en steilen berg aan de rechterzijde van den straatweg geposteerd was en waarbij men duidelijk den Prins met zijn staf konde onderscheiden. Onze batterijen lieten echter het vuur der Belgen niet onbeantwoord. Het was een gedonder en gedreun, alsof de wereld vergaan zoude. Nog werd er van beide kanten verschrikkelijk geschoten, toen wij ook op de bergen aan de andere zijde der stad een geheele streek van rookkolommen zagen opstijgen. Het was de divisie van den generaal Saxen-Weimar, welke Leuven was omgetrokken en met haar zwaar geschut, dat geheel bij die divisie was, op de tegenovergestelde zijde van ons, op eene verschrikkelijke wijze de stad beschoot en zoo was dan Leuven geheel door de Hollanders ingesloten. Dit scheen den belgen onverwacht over te komen, tenminste het op ons gerigt vuur bedaarde grootelijks. Misschien moesten zij op middelen bedacht zijn, om dien onverwachten gast aan de andere zijde te beduiden, dat er belet was. Eindelijk hield het vuur der Belgen geheel op, waarop ook onze batterijen langzamerhand zwegen, terwijl Saxen-Weimar nog op eene geduchte wijze de stad beschoot, totdat ten laatste een legerorder van den Opperbevelhebber een einde aan het geheele gevecht maakte, waarbij hij ter kennis van het leger bragt, dat tengevolge van gemaakte schikkingen, de vijanden den volgenen morgen om vier uur de stad zouden ontruimen en dat wij de stad om twaalf uur zouden binnen trekken.
  Niemand kon zich van deze order een begrip maken. Er moest iets voorgevallen zijn, waarvan wij onkundig waren. Echter verheugden wij ons, er voor dien dag weer zoo gelukkig af gekomen te zijn en maakten toebereidselen om eene goede ligplaats in orde te krijgen, teneinde ons in de eerste plaats, na zoo vele vermoeijenissen, wat uit te rusten, waarna wij zorgden om onze magen weer werkzaam te maken.
  Ik ging nu mijnen vriend Alta eens bezoeken, die met zijne kompagnie de wacht had bij eene groote pachthoeve, in welke de artillerie en curassiers bezig waren met de korenzolders te visiteeren of er ook haver was voor hare paarden en het huis op eene verschrikkelijke wijze plunderden, voor het oog van den pachter met zijn geheele gezin. In het eerst trachtten wij dit te beletten, maar toen de dochter des huizes (een knappe meid) durfde te zeggen: "Laat ze maar begaan, laat ze maar begaan! morgen zullen de Franschen u wel krijgen!", gaven wij hun vrijheid te doen wat zij wilden en nu presten zij den boer met zijne knechten, om zelve de haver en hetgeen zij meer medenamen, naar hun bivouak te dragen. Zelve namen wij ook wat boter, kaas, brood, melk, honig etc. mede, zoodat de uitdrukking van dat meisje hun duur te staan kwam. Hoe die Franschen er bij in het spel kwamen, konden wij ons niet begrijpen.

De overwinning voor Leuven.
DE OVERWINNING VOOR LEUVEN.
(Naar een schilderij van J. Jelgerhuis Rzn.)


webdesign & copyright
© 2001-2003 Eveline