Veldtocht:
hfst. 14 - 15

omslag
namenlijst
vw en hfst. 1
hfst. 2 - 3
hfst. 4 - 5
hfst. 6 - 7
hfst. 8 - 9
hfst. 10 - 11
hfst. 12 - 13
hfst. 16 - 17
hfst. 18 - 19
hfst. 20 - 21
hfst. 22 - 23
hfst. 24 - 25
hfst. 26 - 27


Inhoud
Start
XIV. BIJ DE OVERWONNENEN.

Dinsdag den 9den Augustus 1831.


  Na lekker geslapen te hebben, stond ik op, ontbeet met een heerlijk kopje koffij en hield om negen uur appl, waarna ik buiten den poort ging wandelen om het slagveld van den vorigen dag te bezigtigen, daar waar de cavallerie en artillerie den vijand hadden achtervolgd. Twee uren ver hadden zij hem nagezeten, tot zij voor een hoogte stuiteden, waarop de vijand eenige stukken geschut had geplant, waarmede hij (echter zonder succes) op hen schoot. Daar de onzen geene infanterie bij zich hadden, konden zij de batterij niet innemen en moesten dus retireeren, na den vijand eene duchtige nederlaag te hebben gegeven. Dit bewees hetgeen mijne oogen hier zagen. Buiten de poort stonden eenige stukken geschut, kruit-caissons en ammunitiewagens, welke op den vijand veroverd waren. Kwam men wat verder dan zag men niets, zoo ver zijne oogen afzien konden, dan ransels, geweren, patroontasschen, stukken van kruit- en bagagewagens, kisten, ketels, lijken van menschen en paarden. De vijand had alles weggesmeten, had de paarden van voor de kanonnen en wagens afgesneden om des te schielijker te kunnen vlugten, zelfs kleederen en alles wat hem in zijne vlugt maar eenigzints konde hinderen, zag men hier door elkander liggen. Het verdient opmerking, dat men in de koffers en valiezen der Belgische officieren meest altoos een orange-sjerp vond, daar anders de Belgen driekleurige sjerpen gewoon waren te dragen; maar een orange-sjerp was er meest altoos in reserve, en waarom?
  Na mijne oogen eenigen tijd op deze verwoestingen des oorlogs te hebben laten ronddwalen, begaf ik mij weer stadwaarts om de krijgsgevangenen een bezoek te brengen. Zij waren op de binnenplaats van een voormalig klooster opgesloten, ten getale van tusschen de 100 en 200 man, van alle wapenen. Ik was hier met eenige officieren der 17de afdeeling welke onder hen verscheidene oude kennissen aantroffen, die van te voren onder hen hadden gediend en f gedeserteerd waren, f gebruik hadden gemaakt van de vergunning des Konings, dat iedere Belg tot zijn volk konde terugkeeren, en die z in Belgischen dienst waren overgegaan. De 17de afdeeling bestond vroeger meest uit Belgen. Over het algemeen waren deze krijgsgevangenen goed gekleed, vooral de lanciers. Zij waren zeer misnoegd over hunne officieren en schreven aan hen alln hunnen nederlaag toe, dewijl die geen het minst verstand van den dienst hadden gehad en het eerst op de vlugt waren gegaan.
  Zij hadden allen een verschrikkelijken honger, want de meesten hadden in geen vier en twintig uur gegeten. Ik trof het juist dat er een ton scheepsbeschuit voor hen aankwam en ledig gegooid werd, maar het was een klucht die hongerige gasten om die beschuit te zien grabbelen en dikwijls vechten; er liep een vrouw met siroop rond; die nu nog wat geld zijn zak had, kocht voor een cent siroop op zijne drooge beschuit. In het gebouw van het klooster lagen de gekwetsten. De meesten waren reeds in een ander gebouw - mede een klooster - overgebragt. Er lagen nog verscheidene Belgen met afgezette ledematen en vele zwaargewonden. Onder anderen een wiens geheele hoofd, door eenen sabelhouw over zijn gezigt, was gespleten. Ook vond ik er eenen schutter van onze 3de kompagnie, die, dien avond voor Kermpt gewond, door de Belgen was medegenomen geworden. De soldaten hadden hem willen vermoorden, maar door de officieren en onderofficieren was hij zeer goed behandeld.
  Na dit alles bezigtigd te hebben, ging ik eten waar mijne vriendelijke hospita een eenvoudig maar lekker diner voor mij had klaargemaakt.
  Na het eten bezag ik de stad en ging het eerst naar het stadhuis, waar de Belgen een groot magazijn van hadden gemaakt en hetgeen nu in onze handen was gevallen. Hier heerschte de grootste wanorde der wereld. Ieder soldaat die iets noodig had, een geweer, een patroontasch, een trom, of wat het zijn mogt, nam het maar mede. Op eenige bovenkamers was het ook tot een magazijn ingerigt, maar hier was de toegang, zelfs voor eenen officier, geslooten en dr zal dus de voorname aap gezeten hebben. Beneden was het een huishouden van Jan Steen; deze zocht om een pet, die om een hemd, een derde om een geweer; ieder kon hier zijn gading uitzoeken en medenemen en hetgeen er was, was van beter kwaliteit als ons eigen goed. De tamboers kregen allen nieuwe trommen en sabels. De patroonen waren van het best Engelsch kruit (crepee) en grooter als de onzen, misschien de reden waarom de meeste kogels over ons hoofd heen vlogen.
  's Morgens om vijf uur hielden wij weder appl en vertrok onze geheele brigade. Buiten de stad werd het land al schielijk heuvelagtig. Een groot uur gingen wij langzaam in de hoogte en daalden daarna eensklaps weder, niet op zulk een ongevoelige manier. Hier kwamen wij in het kleine dorp Herck St. Lambert, in een dal gelegen, rondom in bergen of groote met korenlanden en bosschuen beplante heuvelen. Dit anders armoedige dorpje had eene schilderachtige ligging. Van dr ging het weer naar boven. Wij passeerden de dorpen Alken en Kortenbosch, welk laatste een brillante kerk en toren had.
  Wij marcheerden verder door langs het dorp Melver tot bij St. Truijen, alwaar wij halt hielden voor een groot boerenhuis, alwaar verscheidene schietgaten in den muur waren gemaakt, die nu echter niet aan het doel beantwoordden. Na hier eenigen tijd gerust te hebben, kwam er order terug te marcheeren naar Melver, alwaar wij biljetten van inkwartiering ontvingen. Ik wierd met den kapitein Alta, de luitenants Otterloo en van Assen met vijftig schutters ingekwartierd bij Mevrouw de douarrire de Travers, baronnesse de Jever, op het kasteel Nieuwenhuizen.


XV. OP HET KASTEEL.

Woensdag den 10den Augustus 1831.

  De man van deze mevrouw was in voorgaande jaren generaal der marechausses in Hollandschen dienst geweest. Het was een brillant kasteel. Als men de poort binnen kwam, had men aan zijne linkerhand het schoone kasteel met deszelfs wagenhuizen en stallingen en zoo wat schuins links vr zich de keuken en kamers der menigvuldige bedienden, terwijl het rechtergedeelte de pachthoeve met al derzelver ap- en dependentin uitmaakte, hetgeen gezamentlijk een groot vierkant plein in zich besloot. Alles was met lei bedekt en in een ruime breede gracht besloten.
  Zonder bij de poort aan te schellen, marcheerden wij naar binnen op het plein. Ik liet mijn vijftig man de geweren aan rotten zetten en vervolgens stapten wij regelrecht het bordes op en daar er aan de deur geen schel te vinden was, openden wij de deur. Met een vervaarlijke stem, die zoo hol door de lange marmeren gang klonk, riep ik: "Is hier ook volk!", waarop ook al heel schielijk een fraai gekleed heertje te voorschijn kwam, dat wij in het eerst voor den zoon des huizes aanzagen, maar naderhand bleek de kamerknecht te zijn. Wij beduidden hem op een zeer verstaanbare manier, dat wij zijne gasten waren. - "Ja, wij troffen het ongelukkig, mevrouw was niet te huis." - "Waar is mevrouw dan?" - "Die is aan het wandelen!" - "O, is het anders niet! gaat dan je mama of je mevrouw maar even roepen, maar geef eerst een kruik lekker bier, want wij hebben dorst." Nu gingen wij naar de tegenover openstaande achterdeur waar de baronnesse vandaan moest komen en namen op eenige voor de deur geplaatste tuinstoelen plaats. Van hier hadden wij een overheerlijk uitzigt. Over bloemen, beekjes, bruggetjes en een groot weiland, zag men op een uitgestrekt bosch, waarin mevrouw was gaan wandelen. Niet lang duurde het of daar kwam mevrouw aan met twee dames en een groen gebrild, mager, bleek, met pikzwart haar, trechtervormig en in het zwart gekleede heer. Mevrouw was een lang, bejaard mensch, met een vurig oog, die in alles blijken droeg van voormalige schoonheid. De beide jonge dames, dochters des huizes, schenen de jongste bij de achttien - en de oudste omtrent twintig jaren oud te zijn. De jongste frappeerde ons allen door hare bijzondere schoonheid en wij beklaagden haar allen innerlijk, dat haar geen knapper vrijer als de boven beschrevene groen gebrilde heer was te beurt gevallen, want dat was, zooals wij naderhand vernamen, de galant van die schoone dame.
  Na eenige wederzijdsche buigingen en strijkadin, vatte mevrouw eindelijk het woord op en kwam ons vr met te verzoeken, dat wij Fransch zouden spreken, omdat zij geen Hollandsch verstond en met zich te verontschuldigen, dat zij, niet op onverwachte gasten gerekend hebbende, ons geen goed middagmaal konde voorzetten, dat zij hoopte dat wij ons met een boterham met vleesch contenteeren zouden, terwijl zij beloofde te zullen zorgen dat er 's avonds een goed souper klaargemaakt was, waarin wij ons gaarne bewilligden. Wij werden in eene brillante kamer gebragt, kregen een lekker glas wijn en een boterham met kalfsvleesch, daar reeds een vreemde geur aan begon te komen. Wij vergenoegden er ons echter mede in afwachting wat de avond zoude medebrengen en dit viel boven verwachting uit. Mevrouw, de jonge dames en een bejaardere, welke gezelschapsjuffer, gouvernante of zoo iets scheen te zijn, (het was eene Hollandsche) benevens die trechtervormige vrijer, deelden mede aan het souper, dat, behalve eenige groenten en toespijzen, voornamelijk uit heerlijk toebereide vleeschsoorten bestond. Nadat onze eerste honger wat gestild was, geraakten wij in discours en bevonden in het vrouwelijk gezelschap zeer aardige spraakzame menschen. Mijnheer de vrijer liet zich noch aan ons, noch aan zijne beminde, noch aan iemand anders van het gezelschap gelegen liggen, maar zag stijf voor zich henen door zijn groene bril. Mevrouw verhaalde ons een brief uit Luik te hebben ontvangen, waaruit zij had vernomen, dat men ons in Luik wachtende was, dat alles dr te wapen liep, dat Luik eene bijna onneembare stad was, dat zij hoopte dat wij onze oversten daarop opmerkzaam mogten maken, dat zij bereid was den brief te laten lezen, waaruit wij zien konden wat men met ons voor had, ingeval wij die stad mogten anderen. Zij schilderde ons de Luikenaars als moordenaars af en scheen stellig te weten, dat als wij op Luik aantrokken, weinigen den dood zouden ontkomen. Zij was deerlijk met ons lot begaan, tranen vloeijden over hare wangen. Zelve had zij er ook belang bij, dewijl zij veel familie in Hollandschen dienst had. In haar hart was zij de Hollanders zeer toegedaan, maar daar alle hare bezittingen in Belgi lagen, was zij verpligt hier te wonen. De jonge dames vermaakten zich schrikkelijk met den heldenmoed hunner garde civique, die voor eenige dagen als ware vuurvreters met verschrikkelijke plannen waren uitgetrokken en den vorigen dag met de angst op het gelaat, zonder wapens waren teruggekomen.
  Uitgezonderd de bovenvermelde Jobstijding, welke ons eenigzints ontstemde, omdat wij beter wisten van waar wij gekomen waren dan waar wij heen gingen, vermaakten wij ons voortreffelijk in dit aangename gezelschap. De dames spraken wat gebroken Hollandsch, een heerlijke zaak voor van Assen, die bekende dat als men voortaan niets als Fransch sprak, hij dan reeds ver genoeg was. Wij loogerden op eene bovenkamer, vanwaar men bij dag een overheerlijk gezigt had over de rondom liggende vruchtbare landstreek en de onderscheidene kasteelen, die men in dien omtrek aantrof.
  's Avonds bij het appl liet ik mij bij den pastoor scheren, die vreemd opzag, dat ik zijne pastorij tot een scheerwinkel liet gebruiken.


webdesign & copyright
© 2001-2003 Eveline