Veldtocht:
hfst. 12 - 13

omslag
namenlijst
vw en hfst. 1
hfst. 2 - 3
hfst. 4 - 5
hfst. 6 - 7
hfst. 8 - 9
hfst. 10 - 11
hfst. 14 - 15
hfst. 16 - 17
hfst. 18 - 19
hfst. 20 - 21
hfst. 22 - 23
hfst. 24 - 25
hfst. 26 - 27


Inhoud
Start
XII. SCHUTTERSMOED.

Maandag den 8sten Augustus 1831.


  Een pelotons-vuur wekte ons, toen het nog maar even dag begon te worden, uit onze zoete rust. Nimmer geloof ik heeft het kloppen van eenen Amsterdamschen porder, of eenige reveille schielijker iemand doen ontwaken, als ons dit pelotons-vuur. Wat de reden van dit vuur geweest is, is ons altoos onbekend gebleven. Een officier (de 2de luitenant Juta, der 13de afdeeling) had de vrwacht. Sommigen (maar de lasterzugt is groot) vertelden, dat hij zich, bij de morgenschemering, verbeeldde eene Belgische patrouille te zien aankomen, en in voorraad op haar had laten schieten, om daardoor te kennen te geven: "Hier ben ik, (komt toch niet nader, of ik ga weg!" zou hij er bij gedacht hebben!) Hij mag een patrouille gezien hebben of niet, maar ons joeg hij een schrik op het lijf en als door een tooverslag stonden wij onder de wapenen, want wij geloofden in den eersten opslag stellig, wat wij gedurende den nacht ingesloten waren geworden. Dadelijk verlieten wij het dorp en vatteden achter hetzelve post op een stuk bouwland, terwijl de 1ste kompagnie als vrwacht vooruit werd gezonden. Wij bleven op dit eenigzints verheven gelegen bouwland staan, om nadere orders af te wachten. In het eerst stonden wij, doch langzamerhand, toen er geen gevolg op het pelotons-vuur kwam, en wij wat van onzen eersten schrik bekomen waren, viel er vr en n een op den grond en eindelijk lag het geheele bataillon in orde van bataille te slapen, niettegenstaande een ijselijke mistige koude, en geen wonder dat ieder zoo schielijk in slaap viel, omdat er op zulk een vermoeijenden dag als de vorige geweest was, zulk een korte nacht was gevolgd. Tegen half vijf uur sloeg weder de trommel en wij moesten oprukken. Wij marcheerden weer het dorp Berbroek door en hielden bij ons eerste bivouak, van waar wij den vorigen middag naar het vuur waren opgetrokken, halt. Over het algemeen was de moed bij het voorwaarts gaan niet zeer groot. "Moeten wij alweer de eersten en misschien eenigsten zijn, zooals gisteren avond? waarom ook niet eens een ander?", dit hoorde men elk oogenblik, want iedereen geloofde dat wij den vorigen avond eene nederlaag hadden geleden. Na hier een poos te hebben gestaan en gelegen, (in welken tusschentijd door onvoorzichtigheid een geweer afvloog, waardoor een schutter drie vingers werden afgeschoten en een ander de kogel dwars door den voet kreeg) zagen wij een geheele massa troupes oprukken. Eerst de batterij veld-artillerie, vervolgend rijdende artillerie, huzaren, dragonders, infanterie, in n woord, onze geheele divisie met al hare ap- en dependentin verzamelde zich rondom ons. De bijna uitgedoofde moed begon nu weer wat op te wakkeren, toen men zag dat men niet alleen weer eenen aanval zoude wagen en nu er een aantal kanonnen bij was, waarop onze manschappen het grootst vertrouwen stelden en waarover zij genoeg gemurmureerd hadden dat die ons den vorigen avond niet hadden bijgestaan. Maar hoe klom de moed ten toppunt en hoe schitterde hij uit elks oogen, toen de Kroonprins met zijnen broeder Prins Frederik, door een schitterenden staf vergezeld, daar statig kwam aanrijden. Men moet den Prins zelve, met zijn vriendelijk-vurig oog in eene majestueuze houding op zijn vlug paard hebben zien zitten, om te kunnen begrijpen, dat zijn gezigt alln in staat was om eenen lafaard in eenen held te herscheppen. Met een "Goede morgen, schutters!" begroeteden ons de Prinsen. Iedereen stond op en nam dadelijk de positie aan en wilde zijn blijdschap door een "hurrah!" te kennen geven, maar de Prins wenkte met de hand dat hij het niet wilde hebben. - "Wij zullen eerst nog een borstelen", zeide hij, "en dan zullen wij vanavond eens "Victorie!" roepen." Het vuur sprong iedereen bij deze woorden uit de oogen.
  Alle troupes, welke ons vooruit waren gemarcheerd, hielden halt en de Prinsen gingen door hun midden heen. De onderscheidene bataillons werden links en rechts van den weg afgezonden en wij maakten het centrum op den weg uit, terwijl de jagers vooruit en tirailleur waren. Nu passeerden wij het slagveld van den vorigen avond, waar wij menigen braven schutter door vijandelijk staal of lood getroffen onder nog menigvuldiger gesneuvelde vijanden zagen liggen. Het dorp Kermpt was geheel van inwoners ontvolkt en in derzelver plaats vonden wij in de huizen stapels lijken, welke getuigden dat wij den vorigen avond niet te hoog hadden geschoten. In gesloten colonne marcheerden wij door het dorp heen. Achter hetzelve troffen wij al schielijk den vijand aan voor een groot bosch, waar de jagers reeds met hen handgemeen waren. De Prins, denkende dat zij hier eenen uitval op ons zouden wagen, liet ons links van den weg op een stuk haver deploijeren, waar wij achter een aarden wal met struikgewassen beplant, in orde van bataille kwamen te staan, digt voor het bosch. In deze stelling werd nog een schutter van ons gewond, die een kogel door de hand kreeg. Wij hadden nu zulk eene voordeelige positie, dat wij gaarne wenschten dat de jagers moesten retireeren, dat de vijand buiten het bosch te voorschijn kwam, om hem dan met een goed aangelegd pelotons-vuur te begroeten en zeker zou men daarin niet in gebreke zijn gebleven, want de Prins stond achter ons en dit wekte de courage niet weinig op. De batterij stond rechts van ons, welke ook haar pligt zoude gedaan hebben. Alle ooren luisterden met oplettendheid wat de jagthoren blies, maar tot onze teleurstelling was het alles avanceeren. Wij marcheerden nog in bataille door struiken en over aardruggen tot voor het bosch en kwamen toen weer in gesloten kolonne op den weg.
  Nu dacht men dat de cavallerie een charge op ons zoude doen en wij werden door den Prins gewaarschuwd wat ons dan te doen stond, maar al hadden regimenten curassiers een aanval op ons gewaagd, zij zouden lelijk terug gedreven zijn, want de geestdrift van ons volk was verwonderlijk.
  Ik sprak eenige jagers, welke meer zijwaarts waren afgeweest, die mij verhaalden op bivouakken te zijn geweest, waarvan de vijand met zulk een overhaasting gevlugt scheen, dat zij hunne geweren hadden achtergelaten, welke nog in rotten stonden. Z zeer zat er de schrik in!


XIII. DE INNAME VAN HASSELT.

Maandag den 8sten Augustus 1831.

  Zoo naderden wij Hasselt. Op een land, niet ver van de stad, stond de regering met den Kroonprins te spreken, om, zooals ik naderhand vernam, de stad in zijne handen over te geven, en te verzoeken dat hij de stad zoude sparen, waarop de Prins zoude geantwoord hebben dat de stad en inwoners geen leed zoude geschieden, zoo zij zelve daartoe geen aanleiding gaven.
  Met een luidruchtig "Hurrah!" uit duizende keelen aangeheven, rukten wij omstreeks elf uren in de grootste orde de stad binnen. Wij verzamelden ons op de markt, waar wij op andere orders bleven wachten.
  Hier liep een Belgische lancier met een bebloeden kop, die een krachtigen sabelhouw van eenen dragonder had bekomen, want onze cavallerie was zelfs nog in de stad met de Belgische cavallerie slaags geweest. Ik ontvlugtte met den kapitein Schwartsenberg de gloeijende zonnestralen in een grooten bontwinkel, waarvan de menschen ons zeer vriendelijk op een lekker glaasje bier onthaalden, zeer met de komst der Hollanders zeiden ingenomen te zijn, (omdat daardoor hunne negotie aanmerkelijk verbeterd werd), en schrikkelijk op den moed van hunne verdedigers schimpten. na ons hier wel een uur uitgeblazen te hebben, kwam er order om buiten de stad aan den straatweg welke naar Valkenswaard gaat, te bivouakkeeren. Het wemelde van aanschouwers op onzen togt naar buiten en iedereen verwonderde zich over de geweldige grootte onzer manschappen. Wij sloegen ons bivouak op, op een groot stuk bouwland, voor een groot met zware muren omgeven kerkhof. Van dezen kant scheen de vijand zich gereed te hebben willen maken om ons te ontvangen, want in de muren van het kerkhof waren groote schietgaten gemaakt om zich te kunnen verdedigen; het kerkhof zelve schenen zij als een bivouak gebruikt te hebben, omdat het vol belegen stroo lag.
  Naar de bivouakken te oordeelen, welke wij 's morgens gepasseerd waren, zoude men besluiten, dat de vijand nog vrij magtig was geweest. Wij vermaakten ons hier met praten en genever drinken, want in eenige dagen hadden wij geen genever geproefd, en nu wemelde ons bivouak van vrouwen, die wittebrood en genever verkochten, van welk laatste dan ook goed gebruik werd gemaakt.
  Hadden wij den vorigen avond in de grootste treurigheid doorgebragt, deze dag was zoo veel te vrolijker. Wij hadden de "geduchte en onoverwinnelijke" arme van Daine overwonnen, hadden een voornaam punt ingenomen, zoodat wij nu een vrije gemeenschap met Maastricht hadden, met weinig verlies aan onze zijde en hoe, boven alle verwachting, schielijk was dit punt bereikt! want de vijand bood geen oogenblik tegenstand en het is gemakkelijker (niet roemrijker) vechten tegen eenen vlugtenden vijand, dan tegen een die staat zooals den vorigen avond. Vrolijkheid vervulde dus een ieder, want niemand had reden treurig te zijn, te meer daar wij 's morgens zulk een slecht denkbeeld over den loop van den dag vormden. Zelfs onze oude majoor, wien nooit een trek van vergenoegen over zijn blaauwe wangen zweefde, was buitengewoon vrolijk en gaf op onze waarschuwing, dat het volk zich misschien te veel bedrinken zoude, ten antwoord: "Zij hebben het vandaag goedgemaakt, hebben in langen tijd geen genever geproefd, laten zij zich nu eens te goed doen!"
  Nog zagen wij een geheele arme den straatweg opkomen. Het was de reserve divisie onder kommando van den generaal Kort Heiligers, die zich zeer verwonderde ons reeds in Hasselt te zien. Onder het bataillon stedelijke Groningers van deze divisie ontmoette ik vele kennissen welke veel van de affaire te Houthalen wisten te vertellen.
  Nog flauw hoorden wij het gebulder van het geschut onzer artillerie, welke nog twee uren ver den vijand uitgeleide deed, waarbij menige Belg het leven bij inschoot en anderen nog lang deze pas de conduite zouden heugen, toen er order kwam om weer stadwaarts te marcheeren alwaar wij biljetten van inkwartiering zouden ontvangen. Dit was voor ons eene aangename boodschap. Wij marcheerden terug op de markt en na een poos wachtens ontvingen wij onze biljetten. Ik werd ingekwartierd bij eene wijnkoopers weduwe, die nu een winkel had. Hare naam is mij vergeten. Zij woonde aan het groote kerkhof in een hoekhuis. Met Murk Hotzes kreeg ik een aardig bovenkamertje tot mijn verblijf. Volgens afspraak gingen de meeste officieren eten in het logement tegenover de kleine kerk. Het was reeds vijf uren des avonds toen wij aan tafel gingen. De generaal Saxen-Weimar, die nog aan tafel eene pijp zat te rooken, had met zijne staf hier ook gegeten. De kastelein verhaalde ons, dat verscheidene Belgische officieren des nachts waren tehuis gekomen, dat zij zonder te betalen en niet in de grootste gerustheid nog een potavit hadden gemaakt en 's morgens nog half dronken tot hun leger waren teruggekeerd. Verscheidene hadden hunne knevels vr hun vertrek nog afgeschoren.
  Na het eten wandelden wij eens, hielden appl en zagen geheele troepen krijgsgevangenen van 20, 30, ja 50 man, met de officieren voorop, de stad binnenbrengen. Vervolgens gingen wij op de societeit, (waar het den vorigen avond misschien evenzeer van Belgische officieren had gewemeld, zal nu van Hollandsche), een glas bier drinken. Stoppend vol was dit lokaal van Hollandsche militairen. Eene week vroeger leverde deze societeit een ander schouwspel op; toen waren de vensterramen geillumineerd ter eere van den eersten intogt van Leopold binnen Hasselt. Nog stonden de oliekringen der bierglazen in de vensterbanken. "Het kan verkeeren!", zegt Bredero. Na hier een poos gezweet te hebben, want het stikkend warm, ging ik om tien uur naar huis, waar mijne vriendelijke hospita reeds een souper voor mij had opgedischt met eene lekkere flesch wijn. Ik bleef niet in gebreke om er gebruik van te maken, rookte na het eten nog eene pijp en begaf mij vervolgens te bed waarop ik sedert den 4den Augustus niet had gelegen.


webdesign & copyright
© 2001-2003 Eveline